Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX5643

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
01/820485-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte heeft zeer onvoorzichtig en onoplettend gehandeld door, na het volgen van het voorsorteeervak voor linksafslaand verkeer, op de kruising rechtdoor te rijden en dit terwijl hij zich er niet van had vergewist of het verkeerslicht voor rechtdoorgaand verkeer op groen stond (hetgeen niet het geval was) en terwijl verdachte verblind werd door de zon en hierdoor niet kon zien of zich andere weggebruikers op en nabij de kruising bevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/820485-12

Datum uitspraak: 10 augustus 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 juli 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 juni 2012.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 27 juli 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 oktober 2011 te Eindhoven als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Volkswagen Scirocco), daarmede

rijdende over de weg, Piuslaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk

geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, gekomen

nabij het kruisingsvlak van de wegen Piuslaan en/of Leostraat en/of

Leenderweg, de rijstrook, althans voorsorteervak, voor linksafslaand verkeer

te volgen en/of vervolgens in afwijking van de rijrichting van die rijstrook,

althans voorsorteervak, rechtdoor het kruisingsvak op te rijden terwijl het

verkeerslicht voor rechtdoorgaand verkeer rood licht uitstraalde en/of ondanks dat hij geheel/nagenoeg/deels verblind was door de zon zijn weg te vervolgen (ondanks dat hij moest weten/vermoeden dat aldaar andere weggebruikers aanwezig zouden zijn die hij aldus niet/onvoldoende zou opmerken), en/of op dit

kruisingsvlak geen voorrang te verlenen aan een fietser, (mede) tengevolge

waarvan hij, verdachte, met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met die

fietser, waardoor die fietser (genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk

letsel, te weten zeer uitgebreide scherpe snijwonden in het gelaat (waarvan volledig herstel niet/pas na geruime tijd valt te verwachten en/of die altijd zichtbare littekens zullen achterlaten), of zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

artikel 6 Wegenverkeerswet 1994;

Subsidiair wordt tenlastegelegd:

hij zich op of omstreeks 2 oktober 2011 te Eindhoven zodanig heeft gedragen dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt, althans kon veroorzaken, en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers:

heeft hij als bestuurder van een motorrijtuig (Volkswagen Scirocco),

daarmede rijdende over de weg, Piuslaan,

gekomen nabij het kruisingsvlak van de wegen Piuslaan en/of Leostraat en/of Leenderweg, de rijstrook, althans het voorsorteervak, voor linksafslaand verkeer gevolgd

en/of is hij vervolgens in afwijking van de rijrichting van die rijstrook, althans dat voorsorteervak, rechtdoor het kruisingsvak op gereden terwijl het verkeerslicht voor rechtdoorgaand verkeer rood licht uitstraalde

en/of heeft hij ondanks dat hij geheel/nagenoeg/deels verblind was door de zon zijn weg

vervolgd (ondanks dat hij moest weten/vermoeden dat aldaar andere weggebruikers aanwezig zouden zijn die hij aldus niet/onvoldoende zou opmerken),

en/of heeft hij op dit kruisingsvlak geen voorrang te verlenen aan een fietser,

(mede) tengevolge waarvan hij, verdachte, met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met die fietser;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994);

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.1

Op 2 oktober 2011 heeft er op de kruising van de Piuslaan, Leostraat en de Leenderweg te Eindhoven een verkeersongeval plaatsgevonden.2 Bij dit verkeersongeval waren verdachte, als bestuurder van zijn personenauto, een Volkwagen Scirocco en een fietser, te weten [slachtoffer], betrokken.3 Ten gevolge van dit ongeval heeft [slachtoffer] letsel bekomen. Een direct na het ongeval ter plaatse gekomen verbalisant heeft gezien dat de rechterwang van [slachtoffer] tot aan haar oor was opengescheurd, waardoor haar gebit zichtbaar was.4 Ook uit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] zeer uitgebreide scherpe snijwonden van haar rechtermondhoek tot haar oorschelp heeft opgelopen. Ook is geconstateerd dat zij een snijwond in haar linkerwang had.5

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard en dat verdachte hiervan dan ook dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een verkeersfout heeft gemaakt, maar dat hij geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan het ongeval heeft gehad. De verdediging is van mening dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft over de toedracht van het ongeval het navolgende verklaard. Hij reed over de Piuslaan en wilde op de kruising linksaf slaan. Het verkeerslicht voor het linksafslaand verkeer stond op groen. Hij is vervolgens via het voorsorteervak voor linksafslaand verkeer de kruising op gereden. Toen hij op de kruising stond dacht hij echter dat hij de verkeerde afslag had genomen en wilde hij, in plaats van links afslaan, rechtdoor rijden. Hij heeft vervolgens zijn auto naar rechts gestuurd en is op de kruising rechtdoor, in plaats van linksaf, gereden.6 Uit onderzoek is gebleken dat het verkeerslicht voor het rechtdoorgaand verkeer op dat moment op rood stond.7 Verdachte heeft verklaard dat hij dit niet heeft gezien, omdat hij, toen hij besloot rechtdoor te rijden, de verkeerslichten reeds was gepasseerd.8

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij heeft gekeken of er geen verkeer aan kwam en hij rechtdoor kon rijden, maar dat hij vanwege de laagstaande zon niets kon zien. Hij zag [slachtoffer] - die voor verdachte van rechts kwam en groen licht had9 - dan ook niet de kruising over fietsen en heeft haar aangereden.10

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld door, na het volgen van het voorsorteervak voor linksafslaand verkeer, op de kruising rechtdoor te rijden in plaats van linksaf te slaan en dit terwijl hij zich er niet van had vergewist of het verkeerslicht voor rechtdoorgaand verkeer op groen stond (hetgeen niet het geval was) en terwijl verdachte werd verblind door de zon en hierdoor niet kon zien of zich andere weggebruikers op en nabij de kruising bevonden. Door dit zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen van verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsgevonden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 2 oktober 2011 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Volkswagen Scirocco), daarmede rijdende over de weg, Piuslaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, gekomen nabij het kruisingsvlak van de wegen Piuslaan en Leostraat en Leenderweg, het voorsorteervak voor linksafslaand verkeer te volgen en vervolgens in afwijking van de rijrichting van dat voorsorteervak, rechtdoor het kruisingsvak op te rijden terwijl het verkeerslicht voor rechtdoorgaand verkeer rood licht uitstraalde en ondanks dat hij verblind was door de zon zijn weg te vervolgen, ondanks dat hij moest vermoeden dat aldaar andere weggebruikers aanwezig konden zijn die hij aldus onvoldoende zou opmerken, en op dit kruisingsvlak geen voorrang te verlenen aan een fietser, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met die fietser, waardoor die fietser genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten zeer uitgebreide scherpe snijwonden in het gelaat, werd toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist:

• een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis en

• een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht er rekening mee te houden dat verdachte direct na het ongeval naar het slachtoffer toe is gegaan en dat verdachte meteen zijn medewerking heeft verleend en een volledige verklaring heeft afgelegd. Voorts is verzocht er rekening mee te houden dat verdachte geen documentatie heeft. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

De verdediging heeft verzocht verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. De verdediging heeft aangegeven dat verdachte de voorkeur aan een voorwaardelijke gevangenisstraf boven een werkstraf geeft. De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank een werkstraf aan verdachte wil opleggen, deze tot een werkstraf voor de duur van 40 uren te matigen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zeer onvoorzichtig en onoplettend gehandeld in het verkeer, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Door dit verkeersongeval heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit alles aanzienlijke impact op het leven van [slachtoffer] heeft en heeft gehad. Het verkeersongeval heeft zowel psychische als lichamelijke gevolgen voor haar gehad. De littekens zijn nu nog op haar gezicht zichtbaar en zij wordt hiermee elke dag geconfronteerd.

De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij geen justitiële documentatie heeft en dat hij bij aanvang van het tegen hem ingestelde onderzoek zijn volledige medewerking aan dat onderzoek heeft verleend.

De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste werkstraf passend en geboden en zal deze dan ook aan verdachte opleggen.

De rechtbank zal verdachte daarnaast een voorwaardelijke - en niet zoals geëist een

onvoorwaardelijke - ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.

De rechtbank is wel met de officier van justitie van oordeel dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in principe passend en geboden is voor een dergelijk feit. De rechtbank heeft echter overwogen dat de onderneming van verdachte - naar verwachting - onevenredig zou worden benadeeld indien verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd. De rechtbank ziet ook nog ruimte voor een voorwaardelijke ontzegging nu verdachte geen documentatie heeft. De rechtbank zal verdachte dan ook een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, maar wel voor langere duur dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank wil verdachte er zo van weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d.

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen).

Werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.B.M. Bruens, voorzitter,

mr. A.F. van Hoorn en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Hulst, griffier,

en is uitgesproken op 10 augustus 2012.

Mr. A.F. van Hoorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie regio Brabant Zuid-Oost, genummerd PL2206 2011147409.

2 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, p. 3 van 15.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 5-7.

4 Proces-verbaal van bevindingen, 11-12.

5 Medische verklaring, p. 10.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 juli 2012.

7 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, p. 12 van 15.

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 juli 2012.

9 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, p. 3 van 15 en 12 van 15.

10 Verklaring van verdachte, p. 13-14.