Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX4772

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
248438/FT-RK 12.984
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk. Geen minnelijk traject gevolgd door kredietbank, omdat schulden volgens de kredietbank niet te goeder trouw zouden zijn ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Rekestnummer : 248438/FT-RK 12.984

Niet- ontvankelijkverklaring

In de zaak van:

[verzoeker],

[woonplaats]

hierna te noemen: verzoeker,

is op 11 juni 2012 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 284 Faillissementswet (hierna: Fw). Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 6 augustus 2012. Verzoeker en zijn beschermingsbewindvoerder mevrouw T. Peters zijn daarbij gehoord.

In de bij onderhavig verzoekschrift gevoegde verklaring heeft de gemeentelijke kredietbank medegedeeld dat er geen minnelijke traject is gestart, omdat de schulden van verzoeker niet te goeder trouw zouden zijn ontstaan. De gemeentelijke kredietbank heeft verzoeker per brief van 6 maart 2012 medegedeeld dat om voornoemde reden geen enkele medewerking wordt verleend aan enige vorm van schuldregeling.

Ingevolge artikel 285 lid 1 sub f Fw dient in het verzoekschrift of in een daarbij te voegen bijlage onder meer te worden opgenomen, een met redenen omklede verklaring waaruit blijkt dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.

De wetgever heeft bij de invoering van de wettelijke schuldsaneringsregeling het volgende overwogen:

“Zonder een verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen kan de regeling niet (…) van toepassing worden verklaard.”

(Kamerstukken II 1997/1998, 25672, nr. 3, p.4).

Artikel 288 lid 2 aanhef en onder sub b Fw luidt:

“Het verzoek wordt evenwel afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet”

In de wetsgeschiedenis luidt de toelichting op artikel 288 lid 2 sub b Fw als volgt:

“Dit amendement zorgt ervoor dat de schuldenaar verplicht is eerst een minnelijke regeling te volgen bij een daarvoor aangewezen instantie. Hierdoor wordt geregeld dat de schuldenaar ‘er klaar voor is‘ en om er voor te zorgen dat het minnelijke traject daadwerkelijk versterkt wordt, alvorens men start aan het wettelijke traject. “

(Kamerstukken II 2006/2007, 29 942, nr. 20)

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verzoeker een reële poging dient te doen om aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Indien de schuldenaar niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling is gekomen, dient het verzoekschrift een met redenen omklede verklaring te bevatten dat daartoe geen reële mogelijkheden zijn.

In onderhavig geval is de schuldeisers nimmer een concreet aanbod gedaan, omdat de schulden van verzoeker volgens de gemeentelijke kredietbank niet te goeder trouw zouden zijn ontstaan. Indien verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw zou zijn geweest, behoeft dat naar het oordeel van de rechtbank niet te betekenen dat er geen minnelijke schuldregeling mogelijk is. Sterker nog, indien het gebrek aan bedoelde goede trouw aan een eventuele toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg staat, ligt het juist voor de hand de mogelijkheid van een minnelijke regeling extra zorgvuldig te onderzoeken.

De rechtbank merkt voorts op dat het niet aan de gemeentelijke kredietbank, maar aan de rechtbank is om op grond van alle omstandigheden van het geval te beoordelen of verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat uit de brief d.d. 6 maart 2012 van de gemeentelijke kredietbank aan verzoeker blijkt dat verzoeker reeds op 6 december 2010 een aanvraag schuldregeling had ingediend. De rechtbank is van mening dat de duur van het traject bij de gemeentelijke kredietbank – mede gelet op de uiteindelijke beslissing van de kredietbank – onaanvaardbaar lang is geweest.

Nu voorafgaand aan het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling geen deugdelijke poging is ondernomen om te komen tot een buitenrechtelijke schuldregeling verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk op grond van artikel 285 lid 1 sub f Fw.

Beschikkende

De rechtbank:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Gewezen door mr. M.G.A. Poelman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.