Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX4771

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
01/050761-95
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging tbs met één jaar. Tevens schorsing van het onderzoek om de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging te bezien. Index-delict: verkrachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/050761-95

Uitspraakdatum: 16 augustus 2012

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

verblijvende in [kliniek].

Het onderzoek van de zaak.

Bij vonnis van de rechtbank van 4 juli 1996 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, door het gerechtshof te Arnhem op 24 mei 2012 met twee jaar verlengd. Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van een ingesteld beroep tegen de beslissing van deze rechtbank van 2 maart 2011, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar en afwijzing van het verzoek tot het voorwaardelijk beëindigen van de verpleging van overheidswege.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 5 juli 2012 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van 2 jaar.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 augustus 2012. Hierbij zijn de officier van justitie, de deskundige E.J.M. Schutgens, de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

- het advies van de [kliniek], ondertekend door mw. E.P.M.T. Brouns, psychiater en plaatsvervangend hoofd van de inrichting waar betrokkene verblijft, d.d. 19 juni 2012;

- de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen;

- een rapportage pro justitia betreffende betrokkene van P.K.J. Ronhaar, psychiater en E.J. Muller, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 1 mei 2012;

- het persoonsdossier van terbeschikkinggestelde.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van verkrachting, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. Het hiervoor genoemde misdrijf betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

In voornoemd advies van het hoofd van de inrichting is onder meer het navolgende gesteld:

'(...) Risicoanalyse

(...) De uitkomsten van de gecombineerde gestructureerde- en klinische risicotaxaties leiden tot de inschatting dat de risicofactoren, die ten tijde van de delicten aanwezig waren, bij beëindiging van de Tbs op dit moment nog steeds in hoge mate aanwezig zullen zijn.

Verwacht wordt dat betrokkene psychisch kan destabiliseren, bijvoorbeeld doordat het hem niet lukt zijn plan voor wat betreft werk en/of relaties te verwezenlijken of door eenzaamheid. De kans op delinquent gedrag neemt toe naarmate betrokkene langere tijd blootgesteld wordt aan deze stress. Omdat er reeds in de huidige situatie sprake is van een hoog niveau van ervaren stress, wordt verwacht dat betrokkene ook binnen een begeleid verlofkader veel stress zal ervaren. Deze verwachting is eveneens gebaseerd op het beperkte zelfinzicht van betrokkene, zijn onverminderd aanwezige risicofactoren en het gebrek aan (realistische) toekomstplannen en steunend netwerk. Het is de verwachting dat het recidivegevaar in geval van een ontvluchting bij aanhoudende frustraties zal oplopen, maar dat dit niet onmiddellijk tot ernstige delicten (verkrachting) zal leiden. Eerder zal sprake zijn van exhibitionisme en pas bij verdere verslechtering (eenzaamheid, teleurstelling en andersoortige delinquentie) zal de aard en ernst van de (seksuele) agressie in zijn delicten toenemen. Betrokkenes plannen voor een leven na de Tbs zijn op dit moment nog niet uitgekristalliseerd. Daarnaast is er geen sprake van een stabiel sociaal netwerk, dat hem emotionele en/of praktische ondersteuning kan bieden.

Om bovenstaande redenen schatten wij het risico op terugval in exhibitionisme of seksueel gewelddadige delicten, in geval van einde Tbs, hoog in. (...)

Prognose in relatie tot de geclassificeerde stoornis

Er is bij betrokkene sprake van een persoonlijkheidsstoornis, welke zich manifesteert in achterdocht, het moeilijk kunnen reflecteren, het op een inadequate wijze uiten van problemen, impulsiviteit, het overschrijden van grenzen van anderen, het onvermogen langer durende en diepgaande wederkerige contacten aan te gaan en te onderhouden en een gebrek aan empathie. Tevens is sprake van exhibitionisme.

Gezien de ernst van de persoonlijkheidsstoornis, de langdurige moeizame samenwerking alsmede het feit dat er eerder door betrokkene een vluchtpoging is ondernomen en sprake is geweest van recidives tijdens verlofmomenten, wordt ingeschat dat betrokkene altijd een vorm van begeleiding nodig zal hebben om blijvend recidiefvrij te functioneren in de maatschappij.

Advies verlenging TBS maatregel

Gezien bovenstaande adviseren wij om de TBS-maatregel te verlengen met de duur van een jaar. Binnen dat jaar zal duidelijk dienen te worden of een resocialisatie haalbaar en uitvoerbaar is dan wel toch dient te worden overgegaan naar toegeleiding naar een longstay-voorziening. T.a.v. beide opties valt te verwachten dat na dat jaar verdere prolongatie van de TBS maatregel noodzakelijk zal zijn. De - door het PBC gesuggereerde - derde optie, zijnde voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging na één jaar verlenging, wordt vooralsnog niet door ons gedeeld, maar kan dan door de rechtbank alsnog in hun overweging en beoordeling mee genomen worden. (...)'

Uit de rapportage pro justitia van het Pieter Baan Centrum van 1 mei 2012 blijkt onder meer het volgende:

'(...) Risicotaxatie

De gebruikte risicotaxatie-instrumenten hebben steeds gewezen op een statistisch hoog risico op nieuw (seksueel) geweld wanneer de tbs beëindigd zou worden. Aspecten die in belangrijke mate bijdragen aan een hoge score op de gebruikte risicotaxatie-instrumenten, hangen onder andere samen met de feitelijke voorgeschiedenis (met daarin de vele veroordelingen wegens exhibitionisme, tweemaal voor verkrachting en voor niet-seksueel geweld, maar ook bijvoorbeeld problematisch middelengebruik). De score op deze items, die gebaseerd zijn op voorvallen in het verleden, is daarmee inmiddels onveranderlijk en kan - ook na jaren zonder recidieven - niet meer afnemen.

Ook betrokkenes negativistische opstelling tegenover de huidige behandeling draagt bij aan

een hoge score op de risicotaxatie-instrumenten. De gedragingen die betrokkene in de behandeling laat zien, maken dat hij in de dagelijkse omgang (soms) als moeilijk, lastig, ontoegankelijk en moeilijk invoelbaar wordt ervaren. Geconcludeerd zou kunnen worden dat betrokkenes persoonlijkheidsstoornis, zoals aanwezig tijdens de indexdelicten, onveranderd en onveranderlijk is.

Het feit dat betrokkene in praktische zin nog niet voorbereid is op een leven buiten en hij

geen vorm heeft kunnen geven aan enige opbouw daarvan, heeft eveneens een ongunstige

invloed op de scores. Betrokkene heeft nauwelijks nog contacten en geen netwerk buiten de

kliniek. Gunstig is dat er geen sprake is van misbruik of afhankelijkheid van alcohol en drugs en dat betrokkene niet erg impulsief is.

Sommige forensisch relevante aspecten komen niet goed tot uitdrukking bij gebruik van genoemde niet-geïndividualiseerde risicotaxatie-instrumenten. De seksuele stoornis in de vorm van het exhibitionisme staat - zoals beschreven - niet meer op de voorgrond, althans is betrokkene in staat om eventuele neigingen tot het uiten daarvan te onderdrukken. Ook op het vlak van de persoonlijkheidsstoornis hebben zich wijzigingen voorgedaan: zoals beschreven uit betrokkene spanningen en frustraties veel meer rechtstreeks, en niet meer door seksuele en/of fysiek agressieve handelingen. De laatste jaren heeft betrokkene tijdens zijn verblijf in de kliniek op veel momenten spanningen en frustraties ervaren, niet in de laatste plaats toen aangestuurd werd op toegeleiding naar plaatsing in de longstay. Dit heeft niet geleid tot recidive, waar betrokkene in de eerste jaren van zijn tbs, tijdens zijn verblijf in de Van der Hoevenkliniek, bij frustraties en spanningen wel herhaaldelijk terugviel in delictgedrag. Ook tijdens zijn twee weken durende onttrekking in 2007 is betrokkene voor zover bekend niet gerecidiveerd.

Het door de kliniek gestelde en herhaalde hoge recidivegevaar is, gelet op het voorgaande,

naar de mening van ondergetekenden niet goed houdbaar en moet op basis van het bovenstaande dan ook als aanmerkelijk lager worden ingeschat dan tot heden gedaan is.

Aanbevelingen voor verder beleid

Ondergetekenden willen benadrukken dat er nog steeds sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis bij betrokkene die een negatieve invloed heeft op de dagelijkse omgang met hem. De seksuele stoornis in de vorm van exhibitionisme staat in de praktijk en vermoedelijk mede in samenhang met zijn leeftijd, niet meer op de voorgrond, al kan niet uitgesloten worden dat betrokkene nog weleens de neiging daartoe zal hebben. De combinatie van deze aspecten scheppen weliswaar geen gunstige voorwaarden voor het functioneren in het algemeen en voor het opbouwen van contacten en relaties met betrokkene in het bijzonder, maar leidt - afgaande op de ervaringen van de laatste jaren - niet meer vanzelfsprekend tot opbouw van een delictscenario. De delictgevaarlijkheid als geheel is thans dan ook zodanig dat ondergetekenden het verantwoord achten het volgende te adviseren.

Betrokkene kan geleidelijk aan in staat gesteld worden ervaringen op te doen buiten de kliniek. Dit kan alleen indien dit gebaseerd is op een goed uitgewerkt resocialisatieplan en indien dit kan plaatsvinden vanuit de kliniek, binnen het huidige tbs-kader. Het verdient uit gedragskundig oogpunt de sterke voorkeur dat de opbouw van een dergelijk plan gekenmerkt wordt door een zekere geleidelijkheid, reden waarom thans niet overgegaan wordt tot een advies tot voorwaardelijke beëindiging van de tbs, al zien ondergetekenden hiertegen op basis van het thans ingeschatte recidivegevaar ook geen onoverkomelijke bezwaren. Het opdoen van ervaringen buiten de kliniek biedt voor betrokkene mogelijkheden zich te richten op, dan wel het voorbereiden van daginvulling, bij voorkeur in de vorm van werkhervatting. Ook aan onderdak en wonen kan dan aandacht besteed worden. Te denken valt aan opbouw van contacten met instanties als Exodus, via welke weg betrokkene wellicht kan worden toegeleid naar een begeleide woonvorm.

Wenselijk is dat betrokkene professionele begeleiding krijgt bij een forensische polikliniek

voor op den duur maandelijkse contacten, waarin aandacht besteed kan worden aan onder andere eventuele neigingen tot exhibitioneren en het omgaan met spanningen, tegenslagen

en daarmee gepaard gaande emoties.

Concreet adviseren wij de tbs te verlengen met twee jaar, hetgeen in dit geval zou neerkomen op een verlenging tot augustus 2012, eventueel gevolgd door een verlenging met een jaar. In de komende periode zou met behulp van de reclassering het resocialisatieplan uitgewerkt moeten worden en zou betrokkene daadwerkelijk begonnen moeten zijn met verloven. Het maatregelrapport van de reclassering uit 2011 is niet bruikbaar voor de uitwerking van het resocialisatieplan, omdat dit is gebaseerd op een veel hogere inschatting van het recidivegevaar dan waar in het onderhavige onderzoek toe wordt gekomen.

Mocht blijken dat een nieuw resocialisatietraject binnen de huidige kliniek niet haalbaar is of niet haalbaar geacht wordt, dan adviseren wij nadien over te gaan tot voorwaardelijke beëindiging van de tbs.(...)'

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Ik denk dat het goed met me gaat. Ik heb een vrij positieve rapportage van het Pieter Baan Centrum voor me liggen. Ik vind het prettig dat er nu een rapportage ligt waar ik grotendeels achtersta. De conclusie van het Pieter Baan Centrum is volgens mij dat ik zo positief ben veranderd dat er maar eens gekeken moet worden naar een beëindiging van de tbs.

Er is in 2010 een verlofaanvraag ingediend door de kliniek maar daarbij was de kanttekening geplaatst dat ik er een keer vandoor ben gegaan tijdens verlof en dat ik toen gerecidiveerd ben. In 2007 ben ik er inderdaad tijdens mijn verlof wel een keer van door gegaan maar ik ben toen niet gerecidiveerd. Dat is een leugen. Het is een bewuste keuze geweest van de kliniek om mijn verlofaanvraag destijds te saboteren. Sinds het rapport van het Pieter Baan Centrum is uitgebracht, is er gevoelsmatig weinig veranderd in de kliniek.

Ik heb tot nu toe geen therapie geweigerd. Je kunt ook niets weigeren, wanneer je niets aangeboden wordt. In de vier jaren voorafgaand aan mijn ontvluchting is mij geen enkele therapie aangeboden. In 2008, 2009 en 2010 heb ik wel gesprekken gevoerd met een psycholoog. Die gesprekken waren niet prettig, maar ik heb er wel aan deelgenomen. Op dit moment doe ik de hele dag weinig. Ik werk 's ochtends (ik zet koffie in de kantine) en voor de rest niets. Arbeidstherapie is dat. Officieel volg ik dus wel therapie.

Als u mij vraagt hoe ik de komende twee jaar invul, dan kan ik daar geen antwoord op geven. Ik hoop dat er een beëindiging van de terbeschikkingstelling aan zit te komen, zodat ik aan mijn eigen toekomst kan gaan werken. Ik kan begrijpen dat men zou willen dat ik ergens ga wonen waar begeleiding is, maar ik ben van mening dat die begeleiding op een gegeven moment ook op moet houden. Ik heb liever geen begeleiding.

Het Pieter Baan Centrum heeft de rechtbank zestien jaar geleden geadviseerd terbeschikkingstelling op te leggen. De rechtbank heeft dat advies toen gevolgd. Nu ligt er, zestien jaar later, een recente rapportage van het Pieter Baan Centrum waarin geadviseerd wordt de terbeschikkingstelling te beëindigen. Ik ben van mening dat de rechtbank, net als zestien jaar geleden, het advies van het Pieter Baan Centrum moet volgen.

De deskundige E.J.M. Schutgens, optredend namens voormelde inrichting, heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Hij heeft voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

Wij hebben voor betrokkene verlof aangevraagd maar het AVT (Adviescollege Verloftoetsing TBS) vindt de risico's te hoog. Wij kunnen daar niets aan doen. Het AVT baseert haar oordeel op de risicotaxatie die door de kliniek opgesteld is. Op 20 augustus 2012 gaat het LAP ( Landelijke Adviescommissie Plaatsing) zich buigen over een door de kliniek ingediende longstay-aanvraag. Wanneer het LAP op basis van de pro justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum beslist dat plaatsing in een longstay-voorziening niet aan de orde is, dan ontstaat er een situatie waarin wij weer verlof gaan aanvragen zodat betrokkene kan starten met resocialiseren. Wij hopen dat het AVT dan op basis van zowel onze risicotaxatie als de risicotaxatie van het Pieter Baan Centrum in de pro justitia rapportage anders op deze verlofaanvraag zal beslissen. In het onderhavige geval zijn er dus eigenlijk twee groepen deskundigen die verschillend denken over de recidiverisico's. Wij zijn somberder over de recidiverisico's bij verlof dan het Pieter Baan Centrum. We hebben toch verlof aangevraagd om te kunnen beginnen met resocialiseren, maar het AVT heeft die aanvraag dus afgewezen. Deze zitting komt eigenlijk een maand te vroeg, omdat er over een maand een uitspraak van het LAP zal zijn. Sinds de kliniek heeft besloten plaatsing in een longstay-voorziening aan te vragen, is er aan betrokkene geen therapie meer aangeboden.

De kliniek ziet de pro justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum als een serieus document. De pro justitia rapportage komt op veel punten overeen met de visie van de kliniek. Ik kan de visie van het Pieter Baan Centrum ook heel goed begrijpen. Wij kijken echter anders tegen de risicotaxatie aan dan het Pieter Baan Centrum. Het Pieter Baan Centrum memoreert met name dat betrokkene assertiever is geworden. Wij denken dat hij in een klinische setting wel assertiever is geworden maar dat zijn copingvaardigheden in de maatschappij onvoldoende zullen zijn.

De officier van justitie heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

De raadsman heeft bij de behandeling van een eerdere vordering treffend de situatie van betrokkene aangegeven door te stellen dat betrokkene op een splitsing van twee wegen staat. Óf betrokkene gaat naar een longstay-voorziening óf hij gaat resocialiseren. Er is in dit dossier enerzijds het verlengingsadvies van de kliniek en anderzijds de pro justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum. Betrokkene grijpt deze laatstgenoemde rapportage met beide handen aan omdat hij dit als een mogelijkheid ziet om uit de terbeschikkingstelling te komen. Het Pieter Baan Centrum geeft in haar rapportage echter wel aan dat als de terbeschikkingstelling zou worden beëindigd dit heel langzaam en stapsgewijs zal moeten gaan. De kliniek houdt anderzijds ook vast aan haar advies. Ik ben van mening dat betrokkene meer van zichzelf zal moeten laten zien als hij wil dat de terbeschikkingstelling op enig moment beëindigd wordt. Ik ben van mening dat de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van 1 jaar moet worden verlengd, zodat we kunnen monitoren wat er allemaal gebeurt met betrokkene. Een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege of een onderzoek door de reclassering naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege is mijns inziens op dit moment nog te vroeg.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Ik denk dat cliënt nog steeds op die splitsing van wegen staat. Helaas volhardt de kliniek in haar longstay-aanvraag. Ze kunnen deze aanvraag namelijk intrekken, maar dat doen ze niet. Er zijn kennelijk gelet op de adviezen hele verschillende scholen. Het is eigenlijk niet te bevatten hoe verschillend men tegen een casus aan kan kijken. Het Pieter Baan Centrum is van oordeel dat het recidiverisico aanzienlijk gunstiger moet worden bekeken dan de kliniek dat bekijkt. In de afweging die de kliniek maakt staat dat een delict niet valt uit te sluiten. Ik vind dat wezenlijk anders dan een hoog recidiverisico. Je kunt je afvragen of het aanwezige recidiverisico überhaupt wel voldoende is om de termijn van terbeschikkingstelling te verlengen. Ik vind dat dit niet voldoende is. Het gerechtshof te Arnhem achtte een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege prematuur. Ik ben primair van mening dat gelet op het indexdelict, de omstandigheid dat betrokkene geen behandeling wordt aangeboden en de omstandigheid dat het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau is teruggebracht het disproportioneel is de termijn van terbeschikkingstelling te verlengen. Primair verzoek ik de rechtbank de vordering van de officier van justitie af te wijzen.

Subsidiair stel ik me op het standpunt dat de rechtbank gelet op de overweging van het gerechtshof te Arnhem en de inhoud van de pro justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum niet kan beslissen geen onderzoek te laten doen naar een voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling. De situatie van cliënt ziet er gunstiger uit dan twee jaar geleden toen uw rechtbank een dergelijk onderzoek ook liet uitvoeren en alleen daarom al dienen de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging te worden onderzocht.

De overwegingen van de rechtbank.

Uit de rapportage van het Pieter Baan Centrum en het advies van de kliniek blijkt dat er bij terbeschikkinggestelde nog steeds sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Het door de kliniek gestelde hoge recidivegevaar is naar mening van het Pieter Baan Centrum niet goed houdbaar en moet als aanmerkelijk lager in worden geschat dan tot op heden is gedaan. Betrokkene kan geleidelijk aan in staat gesteld worden ervaringen op te doen buiten de kliniek. Dit kan alleen indien dit gebaseerd is op een goed uitgewerkt resocialisatieplan en indien dit kan plaatsvinden vanuit de kliniek, binnen het huidige tbs-kader.

Gelet op het vorenstaande, gezien artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Op grond van hetgeen ter terechtzitting, in het advies van de kliniek en in de rapportage van het Pieter Baan Centrum aan de orde is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat het gevaar voor recidive nog in die mate aanwezig is dat het thans nog noodzakelijk is de maatregel van de terbeschikkingstelling te verlengen. De rechtbank zal de terbeschikkingstelling met één jaar verlengen.

De rechtbank overweegt echter een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging en acht het voor de vorming van haar eindoordeel noodzakelijk zich nader te doen voorlichten omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder deze dwangverpleging van betrokkene voorwaardelijk zou kunnen worden beëindigd. De rechtbank heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het maatregelrapport van de Reclassering uit 2011 niet bruikbaar is gebleken voor de uitwerking van het resocialisatieplan omdat dit is gebaseerd op een veel hogere inschatting van het recidivegevaar dan waar in de rapportage van het Pieter Baan Centrum toe wordt gekomen.

Gelet hierop zal de rechtbank, zoals de raadsman (subsidiair) heeft bepleit, het onderzoek (voor zover het de dwangverpleging aangaat) voor maximaal drie maanden schorsen, teneinde Reclassering Nederland een maatregelrapport te laten opmaken omtrent de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging en de daarbij behorende voorwaarden.

DE BESLISSING

De rechtbank:

- verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met één jaar;

- schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd (ten hoogste drie maanden), teneinde de Reclassering Nederland een maatregelrapport te laten opmaken omtrent de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging en de daarbij behorende voorwaarden;

- beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde, de deskundige E.J.M. Schutgens en de rapporterende reclasseringswerker tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting en de kennisgeving van dat tijdstip aan de raadsman van de terbeschikkinggestelde (mr. F.J. Koningsveld).

Deze beslissing is gegeven door

mr. M.M. Klinkenbijl, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. J.M.J. Denie, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 augustus 2012.