Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX4576

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-08-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
244445 / FA RK 12-1284
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vrouw verzoekt om verlenging van de alimentatieverplichting van de man, welke op 15 december 2011 van rechtswege is geëindigd. Volgens de vrouw is de beëindiging van zo ingrijpende aard dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel beëindiging van de verplichting tot alimentatie voor de vrouw ingrijpend is, de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat deze beëindiging van de vrouw kan worden gevergd. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieverplichting af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer : 244445 / FA RK 12-1284

Uitspraak : 13 augustus 2012

Beschikking betreffende alimentatie in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. L.S.T.H. Ruijters,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. L. Hoogstad,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen ter griffie op 9 maart 2012;

- het verweerschrift van de man;

- de correspondentie, waaronder met name:

- een brief met bijlage van mr. Ruijters, gedateerd 20 maart 2012;

- een brief van mr. Ruijters, gedateerd 21 maart 2012;

- een brief met bijlagen van mr. Ruijters, gedateerd 21 juni 2012.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 juli 2012. Verschenen zijn partijen met hun advocaten.

De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 26 november 1999 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 15 december 1999 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het verzoek en verweer

Het verzoek

De vrouw verzoekt op de gronden en op de wijze als in het verzoekschrift omschreven de alimentatieverplichting van de man te verlengen tot 27 mei 2021, zijnde de dag waarop de man de leeftijd van 65 jaren bereikt, of tot een door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen datum, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vrouw stelt daartoe dat de beëindiging van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. De vrouw lijdt aan progressieve reuma en was al voor de beëindiging van het huwelijk volledig arbeidsongeschikt. Zij heeft enkele jaren geleden haar rug op twee plaatsen gebroken, waar zij aan is geopereerd. De vrouw is herstellende van de ingreep en heeft veel hulp en begeleiding nodig. Daarnaast heeft haar arts haar destijds per abuis niet de juiste medicijnen voorgeschreven, met ernstige bijwerkingen tot gevolg. De vrouw reageert niet goed op reguliere medicatie en maakt derhalve voornamelijk gebruik van alternatieve geneeswijzen. Een gedeelte van deze medicatie wordt niet vergoed. Ook heeft de vrouw een speciaal dieet dat hoge kosten met zich brengt. De vrouw stelt dat zij in verband met haar gezondheidssituatie niet in staat is om een eigen inkomen te genereren en dat het wegvallen van de partneralimentatie voor haar zeer ingrijpend is.

De vrouw is na de echtscheiding van partijen samen met hun twee kinderen in de voormalige echtelijke woning blijven wonen. Deze woning, een zogenoemde splitlevelwoning, is met een financiële vergoeding van de gemeente aangepast aan haar handicap. Volgens de vrouw heeft zij na het uiteengaan van partijen de mogelijkheid onderzocht om te verhuizen, maar was er slechts één geschikte (huur)woning beschikbaar. Uiteindelijk heeft zij er niet voor gekozen om naar deze woning te verhuizen, onder meer omdat bleek dat in die woning niet de juiste traplift kon worden geplaatst. De vrouw stelt dat de huidige WOZ waarde van de (voormalige echtelijke) woning € 230.000,00 bedraagt. De hypothecaire geldlening bedraagt € 170.625,00. Het is lastig om de woning thans te verkopen, mede gelet op de huidige economische crisis, waardoor de vrouw haar inkomsten derhalve niet kan aanvullen met de overwaarde van de woning.

Voorts stelt de vrouw dat zij vrijwel alle zorg voor de kinderen op zich heeft genomen. Beide kinderen hebben probleemgedrag vertoond en het was volgens hulpverleners cruciaal voor de kinderen dat zij met de vrouw in de woning konden blijven wonen. De kinderen wonen inmiddels ieder zelfstandig.

Het verweer

De man voert verweer en betwist dat beëindiging van de uitkering zo ingrijpend is dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De man erkent de gezondheidssituatie van de vrouw. Volgens hem laat dit echter onverlet dat van de vrouw verwacht had mogen worden dat zij haar verantwoordelijkheid zou nemen, nu immers van meet af aan duidelijk is geweest dat de gezondheid van de vrouw van invloed is op haar toekomstige mogelijkheden. Voorts stelt hij dat de huidige klachten van de vrouw voor een groot gedeelte zijn veroorzaakt door haar val, waarbij zij haar rug brak, en het gebruik van verkeerde medicijnen. Deze omstandigheden hebben zich voorgedaan na het huwelijk van partijen en kunnen niet aan de man worden toegerekend. Het ligt op de weg van de vrouw om de betreffende arts aansprakelijk te stellen. De vrouw heeft voorts geen inzicht gegeven in het door haar te ontvangen persoonsgebondenbudget (PGB). De man stelt dat haar ziektekosten volledig worden gedekt door het PGB.

Met betrekking tot de woning stelt de man dat partijen de woning gedurende het huwelijk hebben gekocht. Partijen hebben zich vier jaar vóór de echtscheiding gezamenlijk laten inschrijven bij de woningbouwvereniging om een huurwoning te zoeken. De vrouw heeft naar de mening van de man niet geanticipeerd op het feit dat op een gegeven moment de zonen het huis zouden verlaten en zij achterblijft in een groot, onpraktisch huis. De vrouw staat inmiddels al ruim achttien jaar ingeschreven bij de woningbouwvereniging en niet gebleken is dat er al die tijd geen andere geschikte woningen beschikbaar waren. Met de overwaarde van de woning kan de vrouw haar inkomen aanvullen, aldus de man.

De man stelt tot slot dat hij graag een grotere rol had gespeeld in het leven van de kinderen. Het is destijds in het belang van de kinderen geacht dat zij bij de vrouw verbleven, maar dat had niets te maken met de woning op zich. De kinderen zijn respectievelijk drie en één jaar geleden uit huis gegaan en wonen ieder zelfstandig.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten met betrekking tot het verzoek en verweer nader toegelicht.

De beoordeling

De ontvankelijkheid

Tussen partijen staat vast dat de alimentatieplicht van de man is ontstaan op 15 december 1999, zodat hij op 15 december 2011 twaalf jaar alimentatie heeft betaald en de verplichting tot betaling van rechtswege is geëindigd. De rechtbank stelt vast dat de vrouw tijdig, binnen drie maanden na de beëindiging, verlenging van de alimentatieplicht heeft verzocht. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar verzoek.

Beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 1:157 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen.

Uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na twaalf jaar in beginsel definitief eindigt. Naar de mening van de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar rechtvaardigt deze verplichting niet dat na beëindiging van de huwelijksband de onderhoudsverplichting ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van twaalf jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor de kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in het eigen levensonderhoud te voorzien.

Het ligt op de weg van de vrouw om aan te tonen dat de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van haar niet kan worden gevergd.

Ingrijpend

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de beëindiging van de alimentatie voor de vrouw ingrijpend is. Voor de beoordeling van deze vraag vergelijkt de rechtbank de situatie van voor de beëindiging met de situatie van na de beëindiging van de alimentatie.

De vrouw ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 1.324,58 bruto per maand (januari 2012). Daarnaast komt zij in aanmerking voor een aantal toeslagen en belastingvoordelen. De man heeft de stelling van de vrouw dat de beëindiging van de partneralimentatie voor haar ingrijpend is, weersproken. Tussen partijen is in geschil of het door de vrouw te ontvangen PGB als inkomen dient te worden aangemerkt. Los van deze vraag overweegt de rechtbank dat de partneralimentatie laatstelijk € 845,62 per maand bedroeg en de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat op het moment dat de partneralimentatie eindigt zij in verband met haar gezondheidssituatie niet in staat is om haar inkomen aan te vullen. Gelet op het vorenstaande dient naar het oordeel van de rechtbank de inkomensterugval ingrijpend te worden geacht.

Bijzondere omstandigheden

Nu vaststaat dat de beëindiging van de alimentatieplicht ingrijpend is, dient de rechtbank te beoordelen of deze beëindiging zo ingrijpend is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Hierbij dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen en in onderlinge samenhang te worden gewogen. Deze afweging geschiedt tegen de achtergrond van de limiteringsgedachte die uitdrukkelijk in de wet is neergelegd en die zware eisen stelt voor het aannemen van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de alimentatieplicht wordt verlengd.

De rechtbank overweegt dat de vrouw al tijdens het huwelijk van partijen leed aan de ziekte progressieve reuma. De vrouw is daardoor arbeidsongeschikt. Ook heeft de vrouw momenteel veel begeleiding nodig in haar dagelijkse leven. De vrouw stelt dat er sprake is van hoge ziektekosten die door de ziektekostenverzekering niet volledig worden vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw deze stelling onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft erkend dat zij een PGB ontvangt maar heeft ondanks het verzoek van de man daartoe, geen inzicht gegeven in de hoogte en besteding van het PGB. De vrouw heeft derhalve niet inzichtelijk gemaakt of de door haar aangevoerde ziektekosten volledig worden gedekt door het PGB, zoals door de man is gesteld. Voorts overweegt de rechtbank dat de vrouw heeft toegelicht dat zij voornamelijk gebruik maakt van alternatieve geneeswijzen, welke veelal niet volledig worden vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een vrije keuze van de vrouw maar is het niet redelijk om deze omstandigheid thans voor rekening van de man te brengen.

De vrouw heeft niet weersproken dat haar huidige gezondheidsklachten voornamelijk zijn veroorzaakt door haar val van enkele jaren geleden en het gebruik van verkeerd voorgeschreven medicijnen. Deze omstandigheden hebben zich beide voorgedaan na het huwelijk van partijen en naar het oordeel van de rechtbank brengt de lotsverbondenheid die uit het huwelijk voortvloeit niet met zich dat de alimentatieverplichting van de man op grond hiervan dient te worden verlengd.

De vrouw bewoont de voormalige echtelijke woning van partijen. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat de vrouw zich nadien, ook niet nadat haar aanvankelijk een huurwoning ter beschikking was gesteld die haar - blijkens haar eigen brieven - wel beviel, nog heeft ingespannen om een andere geschikte woning te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank had dit echter van de vrouw mogen worden verwacht, gelet op de opgroeiende kinderen, haar gezondheidssituatie, de hoge woonlasten alsmede de wetenschap dat de alimentatieverplichting van de man van rechtswege zou eindigen op 15 december 2011. De stelling van de man dat de partneralimentatie destijds is aangepast op de hogere woonlasten, is door de vrouw niet weersproken. Ook heeft de vrouw niet betwist dat zij al die tijd staat ingeschreven bij de woningbouwvereniging voor een huurwoning. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er al die tijd geen andere geschikte woningen waren. De rechtbank overweegt dat de termijn van twaalf jaar de vrouw voldoende gelegenheid heeft geboden om zich voor te bereiden op het eindigen van de partneralimentatie en haar levensstijl aan te passen aan de te verwachten toekomstige periode. In de door de vrouw gestelde problematiek rondom de kinderen van partijen, ziet de rechtbank hiervoor eveneens geen belemmeringen. De omstandigheid dat het volgens de vrouw lastig is om de woning te verkopen met de huidige economische crisis, maakt het vorenstaande niet anders. Immers, de rechtbank gaat bij de beoordeling niet uitsluitend uit van de omstandigheden in de huidige situatie, maar neemt de hele periode na de echtscheiding van partijen in ogenschouw.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat, hoewel beëindiging van de verplichting tot alimentatie voor de vrouw ingrijpend is, de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat deze beëindiging van de vrouw kan worden gevergd.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieverplichting dan ook afwijzen.

Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieplicht af;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.P.M. van Reijsen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2012 in aanwezigheid van de griffier.

Conc: MvB

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen wederpartij, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak

b. door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.