Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX4540

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
821081
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst. Uit de akte van de onderhavige overeenkomst blijkt niet welk kredietvergoedingsper-centage is overeengekomen. In dat geval kan op grond van de inhoud van die akte niet worden beoordeeld of Hoist een juist bedrag aan kredietvergoeding heeft berekend, hetgeen [gedaagden] betwisten. Bij akte heeft Hoist nog wel aangevoerd dat de berekende kredietvergoeding berust op de WCK (wettelijke rente plus 4%), maar bepalend voor de verschuldigdheid van de kredietvergoeding is wat partijen zijn overeengekomen en dat partijen dit zijn overeengekomen, volgt niet uit de akte van de overeenkomst. De slotsom is dat Hoist in rechte niet heeft aangetoond welk krediet-vergoedingspercentage is overeengekomen. Uit het overzicht van betalingen volgt dat [gedaagden] veel meer aan Hoist hebben betaald dan hun aan krediet is verleend. In hoeverre zij nu nog meer verschuldigd zijn, kan in rechte niet worden beoordeeld. Aldus kan niet worden vastgesteld dat [gedaagden] het thans gevorderde bedrag nog verschuldigd zijn geworden. Wanneer de grondslag voor de vordering in rechte niet kan worden vastgesteld, kan het gevorderde niet worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 821081 / 431

Rolnummer : 12-3307

Uitspraak : 16 augustus 2012

in de zaak van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht Hoist Kredit AB,

statutair gevestigd te Stockholm (Zweden), mede kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch,

eiseres,

gemachtigde: GGN Brabant,

t e g e n

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beide wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna worden genoemd “Hoist” en “[gedaagden]”.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit het volgende:

a. de dagvaarding van 20 maart 2012;

b. de conclusie van antwoord met producties;

c. de comparitie na antwoord d.d. 21 mei 2012 ten behoeve waarvan Hoist stukken in het geding heeft gebracht die zowel aan de rechtbank als aan [gedaagden] zijn toegezonden;

d. de akte d.d. 5 juli 2012 (met producties) van de zijde van Hoist;

e. de antwoordakte d.d. 2 augustus 2012 (met een productie) van de zijde van [gedaagden]

2. Het geschil

2.1. Hoist vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk, des dat de één betalende, de ander voor dat deel zal zijn bevrijd, om aan haar te betalen een bedrag van € 1.162,33, vermeerderd met primair de contractuele rente ad 16,00% per jaar en subsidiair de wettelijke rente over een bedrag van € 983,27, vanaf 20 maart 2012 tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

Het bedrag van € 1.162,33 bestaat uit een hoofdsom van € 983,27 en € 179,06 aan reeds verschenen rente.

2.2. Hoist legt aan haar vordering, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

RBS B.V., voorheen genaamd Comfort Financieringen Nederland B.V. (hierna: RBS) en [gedaagden] hebben een kredietovereenkomst gesloten, op grond daarvan heeft RBS aan [gedaagden] gelden ter leen verstrekt. [gedaagden] moesten, conform deze overeenkomst, de geleende gelden in maandelijks opeenvolgende termijnen aan RBS terugbetalen. Zij zijn echter tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de kredietover-eenkomst, zodat het restantsaldo van de kredietovereenkomst ineens opeisbaar is geworden. Gelet op het voorgaande heeft RBS een bedrag van € 983,27 van [gedaagden] te vorderen. RBS heeft deze vordering middels een akte van cessie overgedragen aan Hoist. Omdat [gedaagden] thans in verzuim verkeren zijn zij ook de contractuele vertragingsvergoeding van 16,00% per jaar over het openstaande saldo verschuldigd.

2.3. [gedaagden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op het verweer zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast.

Tussen RBS en [gedaagden] is een kredietovereenkomst gesloten onder nummer 24-3030398. In deze overeenkomt (overgelegd bij de conclusie van antwoord) staat, voor zover hier van belang:

“(…)Bestedingslimiet

Tenzij hieronder anders vermeld, is aan de Credit Card een bestedingslimiet van € 1.134,00 verbonden. (…)

Door ondertekening van dit formulier, tevens kredietovereenkomst, verklaart de aanvrager dat de in het aanvraagformulier vermelde gegevens juist en volledig zijn en dat hij instemt met de toepasselijkheid van de op de achterzijde vermelde algemene voorwaarden Comfort Card.

(…)”

In de algemene voorwaarden Comfort Card (overgelegde bij antwoord) staat, voor zover hier van belang:

“(…) Artikel 5: De overeenkomst met Comfort Card en betalingsregeling

5.1 Comfort Card bepaalt de voor het financiële product geldende bestedingslimiet, de kredietsom, de door de rekeninghouder te betalen minimum termijnbedragen en de kredietvergoeding, die in de kredietovereenkomst zullen worden vermeld.

(…)”

3.2. Ter comparitie is de door Hoist gestelde cessie aan de orde geweest en is aan Hoist de vraag gesteld waaruit blijkt dat de verplichtingen uit de onderhavige overeenkomst aan haar zijn gecedeerd.

Hoist heeft bij haar akte uitlating de cessiestukken met betrekking tot onderhavige vordering overgelegd. [gedaagden] hebben daar verder geen verweer meer tegen gevoerd, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat onderhavige vordering aan Hoist is overgedragen middels cessie.

3.3. Nu vast staat dat de vordering betrekking heeft op het contract met nummer 24-3030398 en de cessie tussen partijen niet meer in geschil is, rest de vraag of Hoist uit hoofde van bovengenoemde kredietovereenkomst iets van [gedaagden] te vorderen heeft.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] tegen de (hoogte) van de vordering is dat er geen rentepercentage is afgesproken. [gedaagden] hebben aangevoerd dat nergens in het contract of in de algemene voorwaarden iets over de door Hoist in rekening gebrachte rente staat vermeld, terwijl steeds hoge rentebedragen in rekening zijn gebracht.

Volgens Hoist is de contractuele rente gebaseerd op de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK).

3.4. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 30 lid 1 WCK bepaalt dat een overeenkomst die een krediettransactie vormt of tot een zodanige transactie behoort en waarbij een kredietnemer partij is, wordt aangegaan bij een door of namens alle partijen ondertekende onderhandse of notariële akte. Ingevolge artikel 30 lid 3 WCK dient deze akte de kredietvergoeding en het kredietvergoedingspecen-tage te bevatten. Voorts bepaalt artikel 5.1 van de algemene voorwaarden dat de kredietver-goeding moet zijn opgenomen in de kredietovereenkomst. In de onderhavige overeenkomst, bij verweer overgelegd door [gedaagden], is enkel de bestedingslimiet beschreven. Noch de kredietvergoeding, noch het kredietvergoedingspercentage zijn in de akte vermeld.

3.5. De vordering van Hoist omvat het ter beschikking gestelde krediet en de daarover

berekende kredietvergoeding. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagden] aldus dat zij bedoelen te stellen dat hun over de afgelopen jaren te veel aan rente in rekening is gebracht. In dat geval is het aan Hoist om de juistheid van de door haar berekende krediet-vergoeding aan te tonen, vooreerst door aan te tonen welk kredietvergoedingspercentage tussen partijen is overeengekomen. Dat de bewijslast bij Hoist ligt, volgt ook uit de wette-lijke bepalingen, gegeven ter bescherming van consumenten, die voorschrijven dat de kredietverlener in de akte van kredietverlening de kredietvergoeding en het kredietver-goedingspercentage opneemt.

3.6. Uit de akte van de onderhavige overeenkomst blijkt niet welk kredietvergoedingsper-centage is overeengekomen. In dat geval kan op grond van de inhoud van die akte niet worden beoordeeld of Hoist een juist bedrag aan kredietvergoeding heeft berekend, hetgeen [gedaagden] betwisten. Bij akte heeft Hoist nog wel aangevoerd dat de berekende kredietvergoeding berust op de WCK (wettelijke rente plus 4%), maar bepalend voor de verschuldigdheid van de kredietvergoeding is wat partijen zijn overeengekomen en dat partijen dit zijn overeengekomen, volgt niet uit de akte van de overeenkomst. De slotsom is dan dat Hoist niet heeft aangetoond welk percentage voor de berekening van een kredietvergoeding is overeengekomen.

3.7. Hoist heeft bij dagvaarding in het algemeen bewijs van haar stellingen aangeboden. Voor zover zij daartoe schriftelijk bewijs wil leveren, passeert de kantonrechter dat aanbod. Op grond van artikel 111, lid 3 Rv. dient Hoist in haar dagvaarding te vermelden over welke bewijsmiddelen zij beschikt. Nu zij niet heeft vermeld te beschikken over een door beide partijen ondertekende akte die een kredietvergoedingspercentage vermeldt, is niet gebleken dat Hoist ter zake het haar op te dragen bewijs schriftelijk bewijs kan leveren en bestaat geen grond haar daar nog tot toe te laten.

Het aanbod om getuigen te horen is te weinig specifiek, nu Hoist niets heeft vermeld ten aanzien van de persoon van de te horen getuigen, noch omtrent hetgeen zij ter zake zouden kunnen verklaren. Om die reden zal ook het aangeboden getuigenbewijs worden gepasseerd.

3.8. De slotsom blijft dan ook dat Hoist in rechte niet heeft aangetoond welk krediet-vergoedingspercentage is overeengekomen. Uit het overzicht van betalingen volgt dat [gedaagden] veel meer aan Hoist hebben betaald dan hun aan krediet is verleend. In hoeverre zij nu nog meer verschuldigd zijn, kan in rechte niet worden beoordeeld. Aldus kan niet worden vastgesteld dat [gedaagden] het thans gevorderde bedrag nog verschuldigd zijn geworden. Wanneer de grondslag voor de vordering in rechte niet kan worden vastgesteld, kan het gevorderde niet worden toegewezen.

3.9. Het voorgaande leidt dan tot na te melden beslissing. Hoist heeft daarbij als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal om die reden worden veroordeeld in de kosten van dit geding, welke kosten aan de zijde van [gedaagden] begroot worden op nihil, nu zij zonder bijstand van een gemachtigde hebben geprocedeerd en gesteld noch gebleken is dat zij anderszins kosten hebben gemaakt in het kader van deze procedure die voor vergoeding in aanmerking komen.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt de rechtspersoon naar buitenlands recht Hoist Kredit AB in de kosten van de procedure, aan de zijde van Van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen te ’s-Hertogenbosch door mr. R.J.M. Cremers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2012.

Zaaknummer: 821081 CV EXPL 12-3307 blad 2

vonnis