Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX4195

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
835068
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemersverzoek ex artikel 7:685 BW . Vanwege het feit dat de opdrachten voor restauratiewerkzaamheden sterk zijn teruggelopen en de verwachting bij werkgever dat daarin de komende jaren geen herstel zal optreden, heeft werkgever besloten de afdeling restauratie waar verzoeker werkzaam is, sterk in te krimpen. Daartoe heeft werkgever voor een aantal werknemers, waaronder verzoeker, een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV WERKbedrijf. Vervolgens heeft verzoeker, hangende deze UWV-procedure, onderhavig verzoekschrift ingediend. De ontslagvergunning van verzoeker is bij beslissing van 6 augustus 2012 geweigerd door UWV WERKbedrijf. Werkgever handhaaft haar stelling dat voor verzoeker geen of weinig werk meer is, althans niet in de restauratie, maar stelt zich op het standpunt dat nu de ontslagvergunning van verzoeker is geweigerd, verzoeker bij werkgever in dienst is en blijft zodat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die een ontbindingsverzoek rechtvaardigen. De kantonrechter oordeelt dat dit wel het geval is en kent aan verzoeker een vergoeding toe met correctiefactor C = 1, nu aan de werkgever een verwijt te maken valt van de door verzoeker ervaren vertrouwensbreuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0750

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, lokatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 835068 / 221

EJ verz. : 12-2698

Uitspraak : 9 augustus 2012

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid de Bonth Van Hulten B.V.,

gevestigd te Nieuwkuijk,

verweerster,

gemachtigde: mr. drs. Th.C.P.M. van Boekel, advocaat te Tilburg.

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoeker]” en “BvH”.

1. De procedure

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie

's-Hertogenbosch, op 20 juni 2012, heeft [verzoeker] verzocht om de arbeidsovereenkomst met BvH te ontbinden.

Zijdens BvH is een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2012, bij welke gelegenheid partijen de zaak hebben doen bepleiten door hun gemachtigden voornoemd.

Na gevoerd debat is de beschikking bepaald op heden.

2. Inleiding

2.1. Tussen partijen bestaat een arbeidsovereenkomst. [verzoeker] is sedert 20 juni 1988 in dienst van BvH, laatstelijk als werkvoorbereider restauratie tegen een bruto salaris (exclusief vakantiegeld en emolumenten) van € 3.663,00 per maand. [verzoeker] is thans 45 jaar oud.

2.2. [verzoeker] grondt het verzoek op de stelling dat er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, bestaande in veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve met inachtneming van de - fictieve - opzegtermijn behoort te eindigen.

2.3. Ter toelichting op deze stellingname heeft [verzoeker], kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

Op 11 mei 2012 heeft BvH bij het UWV WERKbedrijf te Eindhoven ontslagaanvragen ingediend voor 18 medewerkers. De ontslagaanvragen zijn gebaseerd op bedrijfseconomische redenen. Ook voor [verzoeker] is een ontslagaanvraag ingediend. Alvorens schriftelijk verweer te voeren tegen deze ontslagaanvraag heeft [verzoeker] een gesprek aangevraagd met de controller en directeur van BvH. Dat gesprek heeft op 8 juni 2012 plaatsgehad. Toen [verzoeker] aankaartte dat hij zijns inziens ten onrechte voor ontslag was voorgedragen omdat hij vanwege zijn unieke functie ten onrechte meegespiegeld zou zijn, werd aangegeven dat - mocht dit zo zijn - BvH zijn functie gewoon zou laten vervallen en hij dan alsnog ontslagen zou worden. [verzoeker] was hierdoor danig van slag.

In het gesprek op 8 juni 2012 is [verzoeker] een vaststellingsovereenkomst voorgelegd. Door BvH werd aangegeven dat de hierin opgenomen sociale regeling (C = 0,3) bindend was en dat daar verder niet van afgeweken zou worden. In dit gesprek werd ook aangegeven door BvH dat, indien [verzoeker] verweer zou voeren bij het UWV WERKbedrijf, hij géén beroep (meer) kon doen op de sociale regeling. Daarbij werd ook verwezen naar de letterlijke tekst van de sociale regeling waarin dat inderdaad was opgenomen. [verzoeker] was zeer teleurgesteld in de reactie van BvH. Vanaf het gesprek van 8 juni 2012 had [verzoeker] er geen enkel vertrouwen meer in dat BvH hem nog in dienst zou kunnen en willen houden. In de maand juni 2012 is ook nog door de bedrijfsleider en hoofd inkoop geprobeerd [verzoeker] over te halen om toch maar de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. Ondanks het feit dat [verzoeker] zich zeker geïntimideerd heeft gevoeld in deze gesprekken, is hij hier niet op ingegaan.

Bij dit alles kwam dan ook nog eens dat vanuit de vakbonden berichten kwamen over de sociale regeling (C = 0,16) die BvH aan de vakbonden had voorgelegd en door hen al snel werd afgewezen. Daarbij was ook verwezen naar de goede financiële positie van BvH en haar holding. De persberichten van de vakbonden zijn als productie 8 bij het verzoekschrift overgelegd. Naar aanleiding van deze persberichten heeft [verzoeker] op 21 juni 2012 een gesprek gehad met de directeur van BvH. In dat gesprek heeft de directeur van BvH [verzoeker] nog één kans gegeven om alsnog akkoord te gaan met de vergoeding C = 0,3 en daarmee alsnog afstand te doen van de mogelijkheid om verder verweer te voeren. [verzoeker] voelde zich wederom zeer geïntimideerd en was zeer aangeslagen door het gesprek. Bij brief van 21 juni 2012 (de datum van het gesprek), welke [verzoeker] twee dagen later ontving, meldde BvH dat de sociale regeling toch voor alle ontslagen werknemers gold. Hierop daalde het vertrouwen van [verzoeker] tot een nulpunt.

Gelet op alles wat er voorafgaand en tijdens de ontslagprocedure gebeurd is, is [verzoeker] van mening dat sprake is van gewichtige redenen in de zin van veranderingen in omstandigheden. Het is geheel aan BvH te wijten dat het vertrouwen dat [verzoeker] in haar had volledig teniet is gedaan en hij zich gedwongen heeft gevoeld het onderhavige verzoekschrift in te dienen en het verzoek, ook nu het UWV WERKbedrijf BvH toestemming heeft ontzegd om de arbeidsovereenkomst met hem op te zeggen, handhaaft. [verzoeker] verzoekt dan ook zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen met in achtneming van de fictieve opzegtermijn, met toekenning aan [verzoeker] van een vergoeding van € 89.000,00 (C = 1,25) en BvH te veroordelen in de integrale kosten van de procedure, € 2.500,00 inclusief kantoorkosten, exclusief btw.

2.4. BvH heeft tegen het verzoek, kort weergegeven, het navolgende tot verweer aangevoerd.

Vanwege de economische crisis moet BvH de afdeling restauratie sterk inkrimpen. De opdrachten voor restauratiewerkzaamheden drogen nagenoeg op en de verwachting is dat in de komende jaren geen herstel zal optreden. [verzoeker] is voorgedragen voor ontslag vanwege zijn functie en marktpositie. De persoon van [verzoeker] heeft nooit ter discussie gestaan. BvH begrijpt de reactie van [verzoeker] in deze, maar verwerpt die wel. Door [verzoeker] wordt alles momenteel in een negatief kader geplaatst, terwijl BvH als goed werkgever getracht heeft de procedure rondom de ontslagaanvragen met zorg af te handelen. Met 15 van de 18 werknemers die voor ontslag zijn voorgedragen is ook een vaststellingsovereenkomst met afvloeiingsregeling (C = 0,3) overeengekomen. In de gesprekken met [verzoeker] heeft de directeur van BvH zich altijd correct opgesteld jegens [verzoeker]. Van een onheuse benadering was en is geen sprake.

Nu de door BvH ingediende ontslagaanvraag van [verzoeker] door het UWV WERKbedrijf is afgewezen, is en blijft [verzoeker] in dienst van BvH. Er is geen sprake van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Wanneer [verzoeker] afscheid wil nemen van BvH komt dit voor zijn rekening en risico. BvH vraagt dan ook primair het verzoek van [verzoeker] af te wijzen. Subsidiair verzoekt BvH, als de kantonrechter van mening is dat wel gronden zijn voor ontbinding van dienstverband, dat wordt ontbonden ten uiterste op 31 oktober 2012 onder toekenning van een beëindigingvergoeding van € 20.175,00 bruto en toekenning deelname aan een outplacementtraject ter waarde van € 2.500,00, conform de met de Gemeenschappelijke Ondernemingsraad overeengekomen sociale regeling. Uiterst subsidiair verzoekt BvH dat wordt ontbonden met toekenning van de eerder in deze alinea genoemde vergoeding, vermeerderd met een bedrag gelijk aan het salaris over de periode van datum ontbinding arbeidsovereenkomst tot 1 november 2012.

3. De beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft zich er van vergewist of het verzoek verband houdt met een opzegverbod zoals bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW.

3.2. Vanwege het feit dat de opdrachten voor restauratiewerkzaamheden sterk zijn teruggelopen en de verwachting bij BvH dat daarin de komende jaren geen herstel zal optreden, heeft BvH besloten de afdeling restauratie waar [verzoeker] werkzaam is, sterk in te krimpen. Daartoe heeft BvH voor een aantal werknemers, waaronder [verzoeker], een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV WERKbedrijf. Vervolgens heeft [verzoeker], hangende deze UWV-procedure, onderhavig verzoekschrift ingediend. De ontslagvergunning van [verzoeker] is bij beslissing van 6 augustus 2012 geweigerd door UWV WERKbedrijf en BvH handhaaft dat voor [verzoeker] geen of weinig werk meer is, althans niet in de restauratie.

BvH stelt zich thans - kortgezegd - op het standpunt dat [verzoeker] daarom bij BvH in dienst is en blijft, zodat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die een ontbindingsverzoek rechtvaardigen.

[verzoeker] handhaaft echter zijn verzoek, ook nu zijn ontslagvergunning door het UWV WERKbedrijf is geweigerd.

Voor de toewijsbaarheid van een desbetreffend, op verandering in de omstandigheden gegrond verzoek van de werknemer, is bepalend of sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn dient te eindigen.

3.3. [verzoeker] stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat hij geen enkel vertrouwen meer heeft in een voortzetting van zijn dienstverband met BvH. Ter zitting heeft [verzoeker] desgevraagd verklaard dat hij hoe dan ook geen mogelijkheden ziet voor een vruchtbare voortzetting van het dienstverband en dat hij wenst dat dit tot een einde komt. Dat [verzoeker] die opvatting heeft en daarbij volhardt, moet worden aangemerkt als een verandering van omstandigheden die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. De nakoming van de arbeidsovereenkomst door [verzoeker] is in hoge mate afhankelijk van zijn persoonlijke inzet en als hij meent dat van hem niet langer gevergd kan worden om die beschikbaar te stellen, is een vruchtbare voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet te verwachten. De kantonrechter zal daarom de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 september 2012.

3.4. Voor toekenning van een vergoeding aan [verzoeker] is alleen plaats indien moet worden geoordeeld dat aan BvH een verwijt te maken valt van de door [verzoeker] ervaren vertrouwensbreuk.

[verzoeker] stelt dat in de loop van de UWV-procedure, maar ook daarvoor, er een aantal incidenten zijn geweest op basis waarvan [verzoeker] heeft geconcludeerd dat hij niet langer voor BvH werkzaam wil zijn:

1. Voorafgaand aan het indienen van de ontslagaanvragen is er geschoven met personeel, met het doel om bepaalde personeelsleden niet onder de reorganisatie te laten vallen;

2. [verzoeker] is door de bedrijfsleider van BvH onder druk gezet om achter de naam van personeelsleden die niet goed functioneerden kruisjes te zetten. Deze werknemers zijn later voor het overgrote deel voorgedragen voor ontslag;

3. BvH heeft [verzoeker] slechts enkele dagen gegund om verweer te voeren bij het UWV WERKbedrijf tegen zijn ontslagaanvraag;

4. [verzoeker] is door BvH tijdens een gesprek op 8 juni 2012 voorgehouden dat hij linksom of rechtsom toch wel ontslagen zou worden. Tijdens dit gesprek is [verzoeker] ook een vaststellingsovereenkomst voorgelegd, waarbij door BvH werd aangegeven dat de hierin opgenomen “sociale regeling” (C = 0,3) bindend was en dat daar verder niet van afgeweken zou worden. In dit gesprek werd ook aangegeven door BvH dat, indien [verzoeker] verweer zou voeren bij het UWV WERKbedrijf, hij géén beroep (meer) kon doen op de “sociale regeling”;

5. Na 8 juni hebben de bedrijfsleider en het hoofd inkoop nog geprobeerd [verzoeker] over te halen om de vaststellingsovereenkomst te tekenen;

6. In een gesprek op 21 juni heeft de directeur van BvH [verzoeker] nog één kans gegeven om alsnog akkoord te gaan met de vergoeding C = 0,3 en daarmee alsnog afstand te doen van de mogelijkheid om verder verweer te voeren tegen zijn ontslag.

3.5. Het eerste door [verzoeker] gestelde incident is te weinig aannemelijk gemaakt en door BvH betwist en zal dus verder buiten beschouwing blijven. De andere door [verzoeker] genoemde incidenten zijn door BvH niet zozeer concreet weersproken, maar wel enigszins genuanceerd.

Het kan echter zo zijn dat [verzoeker], zeer teleurgesteld vanwege zijn voorgedragen ontslag, alles negatief en - deels ten onrechte – persoonlijk op hem betrekt zoals door BvH ter zitting is gesteld, feit is dat BvH zich bij brief van 21 juni 2012 genoodzaakt zag om haar werknemers bij brief van 21 juni 2012 te berichten dat zij de aangeboden sociale regeling op alle werknemers die zouden worden ontslagen van toepassing heeft verklaard. Hieruit blijkt in ieder geval onduidelijkheid/onzekerheid over aanspraak op deze regeling. Gelet op de grote impact van ontslag en/of reorganisatie, op werknemers, is dit BvH aan te rekenen.

3.6. Verder blijkt ook uit de andere door [verzoeker] geschetste incidenten dat BvH niet altijd even zorgvuldig met kwetsbare positie van [verzoeker] is omgegaan. Dat [verzoeker] zich zwaar teleurgesteld heeft gevoeld na het gesprek op 8 juni 2012, is - gezien de weinig subtiele opstelling van BvH - niet onbegrijpelijk. Ook de vaststellingsovereenkomst is [verzoeker] meerdere keren vrij dwingend voorgehouden. Verder heeft de directeur van BvH ter zitting verklaard dat hij, aangeslagen vanwege de namens [verzoeker] bij verzoekschrift aangedragen persberichten van de vakbonden, op 21 juni 2012 in gesprek is gegaan met [verzoeker]. Het is dus heel goed denkbaar dat [verzoeker] zich door miscommunicatie en botsende emoties onder druk gezet en geïntimideerd heeft gevoeld. Het ligt echter op de weg van BvH om dit te voorkomen of in ieder geval tijdig te signaleren en in te grijpen.

BvH heeft er echter geen blijk van gegeven zich te realiseren wat een ontslag, ook al is dit om bedrijfseconomische redenen, voor een werknemer betekent. Dit geldt ook voor de wijze waarop getracht is het dienstverband financieel af te wikkelen. Immers, de sociale regeling die BvH aan haar werknemers als bindend heeft aangeboden, werd niet gedragen door representatieve vakorganisaties en is ook (veel) lager dan in aanbeveling 3.4 van de kantonrechtersformule als leidraad wordt gegeven; bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen die geheel in de risicosfeer van de werkgever ligt en waarbij verwijtbaarheid niet aan de orde is, is correctiefactor C = 1 de regel. Gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden die hiervan een afwijking rechtvaardigen.

3.7. Het hiervoor overwogene rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter een vergoeding. Nu er sprake is van een werknemersverzoek waarbij de werkgever een verwijt treft, is het billijk om aan [verzoeker] een vergoeding met correctiefactor C = 1 toe te kennen. Hierbij is mede in aanmerking genomen de duur van het dienstverband (meer dan 24 jaar), de hoogte van het aan [verzoeker] toekomende salaris, de kansen van [verzoeker] op de arbeidsmarkt, alsmede zijn leeftijd. Dit leidt tot een bruto vergoeding van afgerond € 67.253,00 bruto.

3.8. De kantonrechter heeft bij het bepalen van de hoogte van een vergoeding geen rekening gehouden met de fictieve opzegtermijn van [verzoeker], omdat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de gevolgen van het in acht moeten nemen van een fictieve opzegtermijn op de werkgever af te wentelen.

Voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand wordt evenmin een aparte vergoeding toegekend, nu gesteld noch gebleken is dat deze tussen partijen is overeengekomen.

3.9. [verzoeker] heeft een hogere vergoeding verzocht dan wordt toegewezen, zodat hij ingevolge artikel 7:685 lid 10 BW in de gelegenheid wordt gesteld zijn verzoek desgewenst in te trekken.

3.10. De kantonrechter ziet aanleiding de kosten van de procedure zo te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt, ook indien [verzoeker] zijn verzoek intrekt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

stelt [verzoeker] tot en met 24 augustus 2012 in de gelegenheid zijn verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch, onder onverwijlde mededeling daarvan aan BvH;

beslist, voor het geval [verzoeker] zijn verzoek handhaaft, thans reeds als volgt:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 september 2012;

- kent aan [verzoeker] ten laste van BvH een vergoeding toe van € 67.253,00 bruto, en veroordeelt BvH, voor zoveel nodig, tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker].

- compenseert zowel bij handhaving als bij intrekking van het verzoek de proceskosten zo, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2012 door mr. J.P.M. van der Ham, kantonrechter te 's-Hertogenbosch, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 835068 blad 6

beschikking