Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX3698

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
01/825127-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dollemansrit in centrum van Eindhoven in maart 2012: schuldig aan poging tot doodslag meermalen gepleegd (voorwaardelijk opzet) en overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 363 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest, een werkstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 5 jaren met aftrek.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 45
Wetboek van Strafvordering 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/82

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825127-12

Datum uitspraak: 07 augustus 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 juli 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 juni 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 maart 2012 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [getuige 1]

en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] en/of [slachtoffer 2] en/of een

of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) van het leven te beroven, althans

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem,

verdachte, bestuurde personenauto (kenteken [kenteken]) met een aanzienlijke,

althans meer dan geringe snelheid op voornoemde perso(o)n(en) is

ingereden/afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;Artikel 287/302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 04 maart 2012 te Eindhoven, als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), voor het besturen waarvan een rijbewijs is

vereist, zulks terwijl aan hem, verdachte, sedert de datum waarop aan hem

verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren

zijn verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30

maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de

Wegenverkeerswet 1994, 1.95 milligram, in elk geval hoger dan 0.2 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn; (artikel 8 lid 3 onder b van de Wegenverkeerswet 1994)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Bronnen

1.een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, met nummer PL2233 2012033219, afgesloten d.d. 5 maart 2011, aantal doorgenummerde bladzijden: 63. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden.

2.een rapport van het NFI d.d. 8 maart 2012, zaaknummer 2012.03.07.011, met daaraan

gehecht een aanvraagformulier.

Het standpunt van de officier van justitie.

t.a.v. feit 1.

Er is sprake van een dollemansrit door het uitgaanscentrum van Eindhoven op een tijdstip met veel uitgaanspubliek door een bestuurder (verdachte) die veel alcohol had gedronken en cocaïne had ingenomen. Uit het relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] volgt op gedetailleerde en overtuigende wijze dat verdachte op meerdere onderdelen uiterst gevaarzettend en met hoge snelheid heeft gereden. Verdachte wilde kennelijk koste wat het kost aan zijn aanhouding ontkomen. Diverse voetgangers moesten opzij springen en andere automobilisten moesten vol op de rem staan om een aanrijding te voorkomen. Uiteindelijk

is verdachte uit een bocht gevlogen en is hij met zijn auto met hoge snelheid op een groepje overstekende voetgangers afgereden. Er is sprake van uiterst gevaarzettend en onverant-woord rijgedrag door een persoon met een verminderd reactievermogen als gevolg van met name forse alcoholconsumptie. Verdachte heeft door zijn nietsontziende rijstijl alle moge- lijke gevolgen voor lief genomen. Als de voetgangers niet tijdig waren weggesprongen, waren zij door de met hoge snelheid op hen afkomende auto aangereden met een aan-merkelijke kans op een fatale afloop. Verdachte heeft dan ook het voorwaardelijk

opzet op dood van alle in de tenlastelegging genoemde personen gehad. De poging tot doodslag (feit 1) dan ook worden bewezen.

Het NFI heeft het alcoholgehalte van verdachtes bloed op 1.95 milligram alcohol per milliliter bloed gesteld. Verdachte heeft ook erkend dat hij veel alcohol had gedronken.

Feit 2 kan dan ook worden bewezen. Hierbij kan verdachte aangemerkt worden als beginnend bestuurder.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte dient integraal van feit 1 te worden vrijgesproken. Het voorwaardelijk opzet op een aanrijding met alle gevolgen van dien kan niet worden bewezen. Uit de weinig gede- tailleerde verklaringen van de diverse betrokkenen kan niet zonder meer worden afgeleid

dat er bij elk afzonderlijke betrokkene daadwerkelijk een aanmerkelijke kans bestond om aangereden te worden. De enige persoon voor wie dat mogelijk wel zou gelden, [slachtoffer 2], is niet over het incident gehoord. Aldus kan het bestaan van die aanmerkelijke kans evenmin voor haar worden vastgesteld. Daarnaast kan niet worden bewezen dat ver-dachte de (vermeende) aanmerkelijk kans bewust heeft aanvaard. Uit de gezamenlijkheid van de verklaringen van [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 1] kan immers worden afgeleid dat verdachte de macht over het stuur is kwijtgeraakt op het moment dat hij naar links stuurde om de politieauto rechts van hem voorbij te laten gaan.

Feit 2 kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht de navolgende bewijsmiddelen voor feit 1 van belang.

I.bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].1

Verbalisanten bevinden zich op zondag 4 maart 2012, omstreeks 03:50 uur, in hun dienstwagen op het Stationsplein te Eindhoven. Zij zien de bestuurder van een grijze

Nissan Micra, met kenteken [kenteken] rijden in het voetgangersgebied. Verbalisanten willen de bestuurder op een veilige plek een stopteken geven en verbaliseren. Zij zien het voertuig voor het rode verkeerslicht van de kruising Stationsweg met de Vestdijk stoppen. Als het licht op groen springt, zien verbalisanten het voertuig tegen de regels in rechtdoor het 18-September-plein, zijnde een voetgangersgebied, oprijden. Het transparant met de woorden 'Stop Politie' wordt aangezet.

Vervolgens zien verbalisanten dat het voertuig gas bij geeft, op het plein een kwartslag draait en het fietspad van de Vestijk oprijdt richting de Hertogstraat. Het is op dat moment druk op de Vestdijk met voetgangers en fietsers. Het voertuig rijdt met minimaal 60 km per uur over het fietspad. De optische- en geluidssignalen van de dienstwagen worden aangezet en het voertuig wordt achtervolgd. Verbalisanten zien veel mensen de kruising Vestdijk met de Nieuwstraat oversteken. Veel mensen moeten voor het achtervolgde voertuig weg-springen en wegrennen. Het voertuig rijdt voorbij de kruising Vestdijk met de Nieuwstraat vanaf het fietspad de busbaan op. De snelheid van het voertuig wordt opgevoerd naar 90 km per uur. Verbalisanten zien dat het druk is op de Vestdijk. Het voertuig reageert niet op het stopteken en nadert de kruising Vestdijk met de Raiffeisenstraat. Deze kruising is nagenoeg gelegen aan de uitgaansstraat Stratumseind. Verbalisanten zien dat het verkeerslicht van de bussen op rood staat. Het achtervolgde voertuig schiet echter met 80 km per uur over het kruispunt. Verbalisanten zien dat van rechtskomende voertuigen, die waarschijnlijk groen licht hadden, hard moeten remmen om een aanrijding te voorkomen met het achtervolgde voertuig. Verbalisanten rijden laatstgenoemde kruising en zien het voertuig zijn weg vervolgen over de Vestdijk. Verbalisanten zien het voertuig met circa 100 km per uur het kruispunt Vestdijk met de Bleekweg oversteken. De busbaan gaat na dit kruispunt over in een normale weg. Verbalisanten zien het voertuig de kruising Vestdijk met Geldropsebaan met circa 100 km per uur oversteken.

De Vestdijk is op dat moment overgegaan in de Hertogstraat. Aan het einde van de Hertog- straat zit een scherpe bocht bij de overgang met de Stratumsedijk. Verbalisanten zien het voertuig geen vaart minderen en zien het voertuig op de kruising met de Stratumsedijk aan de linkerkant van de weg terechtkomen van het tegemoetkomende verkeer. Het voertuig rijdt over een drietal groenstroken en over hoge trottoirranden. Verbalisanten zien temidden van de groenstroken een tiental personen wachten voor het verkeerslicht van de oversteek-

plaats. Verbalisanten zien het voertuig met hoge snelheid recht op deze voetgangers afrijden. Verbalisanten zien mensen wegrennen en wegspringen net voor het voertuig. Het is voor verbalisanten een wonder dat er geen mensen zijn geraakt.

Het achtervolgde voertuig wordt op de St. Jorislaan tot stilstand gedwongen en de bestuurder wordt aangehouden. Aldaar worden verbalisanten aangesproken door een groepje personen. Een vrouw uit het groepje (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2]) zegt dat zij net op tijd was gewaarschuwd door haar vrienden om te weg te springen, anders was zij geraakt door de achtervolgde auto.

II. proces-verbaal van aanhouding.2

Op 4 maart 2012 te 04:10 uur wordt op de St. Jorislaan te Eindhoven een persoon aangehouden, genaamd [verdachte].

III.1 verklaring [getuige 3] d.d. 4 maart 2012.3

[getuige 3] loopt op 4 maart 2012 met een groepje van het Stratumseind richting de Sint Jorislaan in Eindhoven. Als zij over de Stratumsedijk over willen steken hoort en ziet [getuige 3] een politiewagen met sirenes en zwaailicht aan komen rijden. [getuige 3] en zijn groepje blijven op de middenberm van de Stratumsedijk staan. Hij ziet een grijze auto met hoge snelheid aan komen rijden. Deze auto raakt van de weg af en vervolgt zijn weg over de middenberm waarop [getuige 3] en zijn groepje staan. [getuige 3] en zijn groepje moesten aan de kant springen om niet geraakt te worden.

III.2 verklaring [getuige 3] d.d. 12 maart 2012.4

Toen [getuige 3] de auto zag naderen, heeft hij tegen [slachtoffer 2] geroepen dat ze opzij moest springen. Dat heeft [slachtoffer 2] ook gedaan. Volgens [getuige 3] scheelde het maar een halve meter toen de auto langs [slachtoffer 2] reed.

IV. verklaring [slachtoffer 1] d.d. 4 maart 2012.5

[slachtoffer 1] loopt op 4 maart 2012, omstreeks 04:00 uur, met een groep vrienden richting de Stratumsedijk. Als zij op de Stratumsedijk oversteken hoort hij politiesirenes. Het groepje van [slachtoffer 1] staat bij de stoplichten halverwege de Stratumsedijk. [slachtoffer 1] ziet de voorlichten van een auto vanuit een bocht in hun richting komen. Het betreft een grijze auto. [slachtoffer 1] ziet de auto slingeren en slippend in hun richting op komen. Hij ziet de auto met hoge snelheid, tussen de 70-80 km per uur, over de berm heen rijden. Deze berm loopt tot de oversteekplaats waar [slachtoffer 1] en zijn groepje staan. Omdat de auto met hoge snelheid op hen af komt rijden, roept [slachtoffer 1] roept tegen de anderen dat ze moeten rennen. De auto komt zo dichtbij [slachtoffer 1] dat hij aan de kant moet springen. Als [slachtoffer 1] dat niet had gedaan had hij hier niet meer gezeten.

V. verklaring [getuige 1] d.d. 4 maart 2012.6

[getuige 1] loopt op 4 maart 2012 rond 04:00 uur, samen met [getuige 3], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [getuige 2], op de Hertogstraat/Stratumsedijk. Als zij de kruising halverwege zijn overgestoken, hoort hij een politiesirene. Zij blijven op de stoep staan.

[getuige 1] kijkt naar rechts en ziet vanuit de Hertogstraat een auto aan komen rijden. De bestuurder stuurt in de bocht naar links. [getuige 1] schat dat de auto met circa 70 km per uur rijdt. Hij ziet de auto over een middenberm rijden en hoort het geluid van wielvelgen tegen een stoeprand. Hij ziet de auto in hun richting doorrijden. [getuige 1] stapt achteruit en hoort [getuige 3] schreeuwen: 'Aan de kant, aan de kant!' Hij ziet [getuige 2] met versnelde pas achter een lantaarnpaal gaan staan. Hij ziet [slachtoffer 2] in het spoor van de auto staan. [getuige 1] vreest dat [slachtoffer 2] aangereden wordt. De auto rijdt zo hard dat deze nooit tijdig kan uitwijken of stoppen om een aanrijding te voorkomen. Volgens [getuige 1] is het aan de tegenwoordigheid van de geest van een ieder te danken geweest dat zij uit de baan van de auto zijn gegaan. Als zij dat niet hadden gedaan waren de gevolgen niet te overzien geweest. De auto heeft hen op een haar na gemist. Met name [slachtoffer 2] zou ernstig aangere-den zijn.

VI. verklaring van [getuige 2] d.d. 4 maart 2012.7

[getuige 2] bevindt zich op 4 maart 2012 samen met [getuige 1], [getuige 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op de kruising van de Hertogstraat met de Stratumsedijk te Eindhoven. Zij lopen een aldaar gelegen voetgangersoversteekplaats op. [getuige 2] hoort [slachtoffer 1] roepen 'Wachten, wachten, politie.' Zij ziet een grijze auto met hoge snelheid vanuit de Hertog-straat in de richting van de Stratumsedijk aan komen rijden. Zij ziet achter deze auto een politieauto rijden welke blauw zwaailicht voert. [getuige 2] schrikt omdat de grijze auto in hun richting komt gereden. Zij ziet de bestuurder van deze auto met zeer hoge snelheid de bocht van de Hertogstraat richting de Stratumsedijk nemen. De bestuurder raakt de macht over het stuur kwijt en botst met hoge snelheid tegen de middenberm van de kruising Hertogstraat met de Stratumsedijk. De auto rijdt de voetgangersoversteekplaats op alwaar zij en haar vrienden staan. De auto rijdt in hun richting zonder vaart te minderen. Zij weet de auto

tijdig te ontwijken door van de voetgangersplaats af te rennen. Zij hoort [getuige 3] heel hard naar [slachtoffer 2] roepen en ziet de auto in de richting van [slachtoffer 2] rijden. [getuige 2] ziet [slachtoffer 2] heel hard wegrennen om een aanrijding te voorkomen. De scheert rakelings langs [slachtoffer 2]. Als [slachtoffer 2] niet was weggerend dan

had de auto haar geraakt.

VII. verklaring van verdachte ter zitting d.d. 24 juli 2012

Verdachte bestuurde 4 maart 2012 een grijze Nissan Micra te Eindhoven. Hij had veel alcohol gedronken en had wat cocaïne ingenomen. Verdachte heeft op enig moment

blauwe zwaailichten achter hem gezien. Hij is daarvan weggereden. De auto van

verdachte heeft een stoeprand geraakt.

VIII. conclusie rechtbank.

De vraag die de rechtbank allereerst dient te beantwoorden is of verdachte het opzet

heeft gehad op het met fatale gevolgen aanrijden van de in de tenlastelegging met name genoemde personen.

Noch uit de verklaring van verdachte noch uit de inhoud van de overige bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de bedoeling heeft gehad om de betrokken personen aan te rijden.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De norm die hiervoor geldt is of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg, in casu

het aanrijden van personen, zou intreden. De rechtbank dient te onderzoeken of uit de inhoud van het beschikbare bewijsmateriaal boven iedere redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen de betrokken personen zouden kunnen worden aangereden en dientengevolge zouden kunnen overlijden danwel zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

Voor het bewijs van voorwaardelijk opzet zijn de aard van de gedragingen en de om-standigheden waaronder deze zijn verricht, gelet op de algemene ervaring, bepalend.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de hiervoor uitgeschreven bewijsmiddelen

vast dat er sprake is geweest van uiterst gevaarzettend rijgedrag van verdachte op een tijdstip in het uitgaansgebied te Eindhoven waarop er veel uitgaanspubliek op straat is in verband met de sluitingstijd van veel horecagelegenheden. Uit het geheel van verdachtes gedragingen zoals hiervoor onder I door verbalisanten op gedetailleerde wijze is beschreven, volgt dat er sprake is geweest van een dollemansrit waarbij verdachte koste wat het kost aan zijn aanhouding heeft trachten te ontkomen. Hierbij heeft verdachte zich geen enkele rekenschap gegeven van het wel en wee van de overige verkeersdeelnemers, noch van de gevolgen die zijn rijgedrag voor anderen zou kunnen hebben. Verdachte had die nacht bovendien (veel) alcohol gedronken alsmede (wat) cocaïne ingenomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol en drugs de rijvaardigheid en het reactievermogen negatief beïnvloeden en bij de gebruiker leiden tot overschatting van desbetreffende vaardigheden. Dat is in casus ook gebleken, immers verdachte is de macht over het stuur kwijtgeraakt terwijl hij met hoge snelheid een bocht nam. De rechtbank leidt uit de hiervoor onder III.1 t/m VI uitgewerkte verklaringen, in onderling verband samenhang bezien met de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (onder I), af dat de auto van verdachte vervolgens met aanzienlijke snelheid recht op het groepje personen waartoe [getuige 3], [slachtoffer 1], [getuige 1], [getuige 2] en [slachtoffer 2] behoorden is afgereden en dat zij weg moesten springen om niet geraakt te worden. Genoemde verbalisanten relateren in dit verband dat het een wonder was dat er geen mensen werden geraakt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er onder de gegeven omstandigheden een aanmerkelijke kans bestond dat alle genoemde personen door verdachtes auto zouden worden geraakt. Dat [slachtoffer 2] hieromtrent geen afzonderlijke verklaring heeft afgelegd maakt het oordeel in haar geval niet anders. De rechtbank acht het voorts van algemene bekendheid dat er een aanmerkelijke kans op een fatale (dodelijke) afloop bestaat als een auto met aanzienlijke snelheid een voetganger aanrijdt.

Alles afwegende oordeelt de rechtbank dat verdachte met zijn onverantwoorde en roekeloze rijgedrag op de koop heeft toegenomen dat hij niet meer in staat was adequaat te reageren

op een onverwachte verkeerssituatie en dat hij mogelijk een levensgevaarlijke situatie voor andere verkeersdeelnemers in het leven zou roepen. Verdachte heeft met zijn rijgedrag de aanmerkelijke kans op een aanrijding met dodelijk afloop dan ook aanvaard. De rechtbank concludeert dat verdachte door zijn uiterst gevaarzettende rijgedrag zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers, zoals voet-gangers, van het leven zouden worden beroofd, zodat zijn opzet, in de zin van voorwaar-delijk opzet, op die levensberoving betrekking had. De poging tot doodslag van eerder-genoemde voetgangers (feit 1) kan dan ook worden bewezen.

De rechtbank acht voorts feit 2 wettig en overtuigend bewezen op grond van:

*het relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (bron 1,

blz. 59, 55 en 56);

*het relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (bron 1,

blz. 61);

*het rapport van het NFI, met daaraan gehecht een aanvraagformulier (bron 2);

*de bekennende verklaringen van verdachte (bron 1, blz, 52-53 en ter terechtzitting van 24

juli 2012).

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 04 maart 2012 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (kenteken [kenteken]) met een aanzienlijke snelheid op voornoemde personen is ingereden/afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid.

2.

op 04 maart 2012 te Eindhoven, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, zulks terwijl aan hem, verdachte, sedert de datum waarop aan hem verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcohol-houdende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1.95 milligram

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

Gelet op de aard en de ernst van het feitencomplex en uitgaande van de oriëntatiepunten

voor straftoemeting voor soortgelijke zaken, dient een langdurige gevangenisstraf

te volgen. De navolgende strafoplegging is op zijn plaats:

*een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden

voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarde

reclasseringstoezicht;

*een rijontzegging van 3 jaar met aftrek.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte is nooit eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Hij leidt een stabiel leven met een vaste baan en hij heeft zelfstandige woonruimte. Er zijn geen probleem-gebieden. Er is sprake van een eenmalige misstap. Verdachte ziet de ernst van zijn misstap in. Hij is enorm geschrokken. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals de officier van justitie vordert gooit zijn hele leven overhoop en doet geen recht aan de persoon van verdachte en het advies van de reclassering. Een werkstraf en een lange voorwaardelijke straf is veeleer op zijn plaats. Een langdurige rijontzegging kan een probleem voor zijn werk opleveren.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte is met veel alcohol (en wat cocaïne) op achter het stuur gekropen en is op enig moment op uiterst gevaarzettende wijze een dollemansrit in het uitgaansgebied van Eindhoven aangevangen, teneinde aan zijn aanhouding te ontkomen op een tijdstip dat er veel - niet-gemotoriseerd - uitgaanspubliek op straat is vanwege de naderende sluitingstijd van veel horecagelegenheden. Hij heeft hierbij totaal geen acht geslagen op de gevaren van zijn dollemansrit voor die overige verkeersdeelnemers. Verdachte is in scherpe bocht de macht over het stuur kwijtgeraakt waarna zijn auto met aanzienlijke snelheid recht op een groepje voetgangers kwam gereden. Dat dit vervolgens niet tot fatale gevolgen heeft geleid is uitsluitend aan het adequate handelen van die voetgangers te danken geweest. Het spreekt voor zich dat de betrokken personen erg zijn geschrokken en dat een dergelijk feit gevoelens van angst, onrust en onveiligheid met zich meebrengt. De rechtbank zal hiermee ten nadele van verdachte rekening houden.

Ten voordele van verdachte zal de rechtbank meewegen dat hij nooit eerder met politie

en justitie in aanraking is geweest, een stabiel leven leidt met vast werk, zelfstandige woonruimte heeft en geen probleemgebieden kent. Daarbij heeft de rechtbank ter zitting

de overtuiging bekomen dat verdachte de ernst van zijn strafbare gedrag oprecht inziet en

dat zijn handelwijze als een eenmalige misstap moet worden beschouwd.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van het onderhavige feitencomplex, conform de oriëntatiepunten, een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Vanuit deze zienswijze acht de rechtbank de vordering van de officier van justitie dan ook begrijpelijk en verdedigbaar. De vraag waarvoor de rechtbank staat is of in dit specifieke geval ook een dergelijke straf dient te volgen. De rechtbank ziet in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de reclassering geen meerwaarde in een strafoplegging waarbij verdachte naar de gevangenis moet. Naar het oordeel van rechtbank worden de gunstige persoonlijke omstandigheden van verdachte daardoor onevenredig hard getroffen, met alle nadelige gevolgen van dien voor zijn toekomst. De reclassering komt in haar rapport d.d. 21 mei 2012 tot een laag recidiverisico en adviseert een werkstraf op te leggen. De rechtbank zal hiermee in de strafoplegging in doorslaggevende mate rekening houden. Dit oordeel zal echter wel ten nadele van verdachte doorwerken in de duur van de op te leggen rijontzegging.

De rechtbank komt tot een andere strafoplegging dan de officier van justitie, omdat de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en afdoende recht doet aan dit specifieke geval.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank acht hierbij een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf overeenkomstig de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht afdoende en zal dan ook een dienovereenkomstig (groot)

deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen. De rechtbank wil met een en ander de enerzijds de ernst van de door verdacht gepleegde feiten tot uitdrukking brengen en ander-zijds verdachte ervan trachten te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat, ondanks het belang dat verdachte heeft bij het behoud van zijn rijbewijs, een langdurige onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbe- voegdheid als bijkomende straf dient te worden opgelegd, nu enerzijds de ernst van het begane delict (feit 1) en anderzijds de van deze straf te verwachten preventieve werking zulks rechtvaardigen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 45, 57 en 287.

Wegenverkeerswet 1994 art. 8, 176 en 179a.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1: poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 2: overtreding van art. 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1 en feit 2:

*Gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 363 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren. Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de

proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 6 maart 2012 reeds geschorst.

*Werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

T.a.v. feit 1:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6

Wegenverkeerswet 1994

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr. E. Sikkema, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 7 augustus 2012.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1relaas bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bron 1, blz. 13-14 en blz. 16-18)

2relaas bevindingen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (bron 1, blz. 11)

3verklaring [getuige 3] (bron 1, blz. 38)

4verklaring [getuige 3] (bron 1, blz. 40)

5verklaring [slachtoffer 1] (bron 1, blz. 41-42)

6verklaring [getuige 1] (bron 1, blz. 43)

7verklaring [getuige 2] (bron I, blz. 46-47)

??

??

11

Parketnummer: 01/825127-12

[verdachte]