Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX2330

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
23-07-2012
Zaaknummer
234185 / FA RK 11-4214
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden, waarbij iedere vermogensrechtelijke gemeenschap is uitgesloten. Centraal staat de vraag of de man door het voldoen van de totale koopsom van de woning heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/110
PFR-Updates.nl 2012-0043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer : 234185 / FA RK 11-4214

Uitspraak : 18 juli 2012

Beschikking in de zaak van

[de vrouw]

wonende [woonplaats],

advocaat mr. A.J.C.W. van de Ven,

tegen:

[de man]

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. I.H.M. Mooren-van Weereld,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

Deze beschikking wordt gegeven in vervolg op de beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2012, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Het verdere verloop van de procedure

Bij voormelde beschikking van 19 januari 2012 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de tussen partijen overeengekomen afkoopsom ter zake van partneralimentatie vastgelegd. Tevens zijn partijen gelast over te gaan tot afgifte van de goederen, zoals overwogen onder punt 4.1. van voormelde beschikking.

De beslissing met betrekking tot de verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de afstorting van de pensioenrechten is pro forma aangehouden, teneinde de man in de gelegenheid te stellen nadere informatie in het geding te brengen.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van:

- een brief (met bijlage) van mr. Mooren-van Weereld, gedateerd 17 januari 2012;

- een brief van mr. Van de Ven, gedateerd 19 januari 2012;

- een brief (met bijlagen) van mr. Mooren-van Weereld, gedateerd 17 april 2012;

- een brief (met bijlage) van mr. Van de Ven, gedateerd 27 april 2012.

De verdere beoordeling

Tussen partijen staan nog ter beoordeling het verzoek van de vrouw om tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap over te gaan en de vaststelling van de hoogte van de afstortingsverplichting ter zake van de pensioenaanspraken van de vrouw.

1. Verdeling eenvoudige gemeenschap

Partijen zijn in het bezit van een vakantiewoning in [land]. Door de man is gesteld en door de vrouw niet betwist dat de man geld uit zijn onderneming heeft gehaald en daarmee de woning heeft gekocht.

Ten aanzien van de woning houdt partijen verdeeld wie eigenaar is van de woning, of de man door het voldoen van de totale koopsom van de woning heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw en op welke wijze de woning in de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk dient te worden betrokken.

1.1. Gemeenschappelijk eigendom

De vrouw heeft als bijlage 10 bij haar brief van 20 december 2011 een verklaring overgelegd van notaris [naam notaris]. Hieruit blijkt dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van een woning in de gemeente [naam gemeente] te [land]. De man heeft de inhoud van deze verklaring onvoldoende weerlegd en niet aannemelijk gemaakt dat de woning alleen aan hem is geleverd. Het voorgaande betekent dat tussen partijen een eenvoudige gemeenschap is ontstaan omvattende deze woning. Uit artikel 3:166 lid 2 BW vloeit voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Van dit laatste is niet reeds sprake door het enkele feit dat de ene echtgenoot voor de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privévermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot. Wel heeft bij verdeling van die gemeenschap iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Hetgeen na aftrek van het totaal van de vergoedingen van de opbrengst van het goed resteert, komt iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap toe.

1.2. Natuurlijke verbintenis

De vrouw verzoekt de rechtbank om ter zake de woning in [land] de man te veroordelen om binnen 14 dagen nadat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw uit te betalen de somma van € 175.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over het aan de vrouw verschuldigde vanaf de eerste dag dat de hierboven omschreven betalingstermijn is verstreken tot aan de dag waarop betaling geheel heeft plaats gevonden. De man, zo stelt de vrouw, heeft de helft van de waarde van het huis in [land] aan de vrouw geschonken om aan een natuurlijke verbintenis te voldoen. Volgens de vrouw voldeed de man met de aankoop van de woning in [land] en de tenaamstelling op beider naam aan een natuurlijke verbintenis om de vrouw in staat te stellen gedurende het huwelijk mee te groeien in de vermogensopbouw van de man. De vrouw stelt dat de man daartoe gehouden was omdat, samengevat weergegeven, haar inspanningen en investeringen, zowel in het gezin als in de ondernemingen van de man, de man in staat hebben gesteld om zijn vennootschappen uit te bouwen tot de huidige, goedlopende, ondernemingen. Voorts voert de vrouw aan dat zij niet over vermogen beschikt en gedurende het huwelijk ook geen mogelijkheid had om vermogen op te bouwen. Als extra aanwijzing voor het hebben voldaan aan een natuurlijk verbintenis stelt de vrouw dat partijen geen gescheiden boekhouding voerden en dat partijen niet zijn overeengekomen dat de man ter zake van de aankoop van de woning een vergoedingsrecht jegens de vrouw heeft.

De man voert verweer en betwist uitdrukkelijk dat hij de helft van de waarde van de woning aan de vrouw heeft geschonken teneinde te voldoen aan een natuurlijke verbintenis. In het petitum van zijn verweerschrift dat tevens een zelfstandig verzoek bevat, stelt de man dat, indien de woning blijkt in gemene eigendom aan partijen toe te behoren, de woning aan de vrouw dient te worden toebedeeld onder gehoudenheid de man de helft van de waarde en derhalve een bedrag ad € 175.000,00 uit te betalen. Ter zitting heeft de man evenwel aangegeven dat de woning wat hem betreft kan worden verkocht en dat uit de verkoopopbrengst aan hem zijn inbreng dient te worden voldaan eventueel vermeerderd met de vruchten van de inbreng.

Om te kunnen beoordelen of het vermogen van de ondernemingen van de man tijdens het huwelijk een zodanige ontwikkeling heeft laten zien als door de vrouw is gesteld, heeft de rechtbank de man ter zitting in de gelegenheid gesteld om de jaarstukken 2004 te overleggen. Bij brief van 17 januari 2012 heeft de man de aangifte Inkomstenbelasting 2004 en de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening 2004 overgelegd. Bij brief van 19 januari 2012 heeft de vrouw hierop gereageerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst begrijpt de rechtbank de stelling van de vrouw aldus dat zij weliswaar spreekt over een schenking van de man aan de vrouw doch dat zij bedoelt dat de man door de volledige aankoopsom te voldoen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Deze stelling van de vrouw impliceert dat zij zich realiseert dat als uitgangspunt heeft te gelden voormelde hoofdregel dat aan de man in beginsel toekomt uit de opbrengst van de woning de uit zijn vermogen afkomstige aankoopsom.

Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet afdwingbare verbintenis. Hij bestaat onder andere wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.

Om aan te kunnen nemen dat de man jegens de vrouw heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis, dient derhalve vast te komen staan dat daarvoor voor de man een dringende morele verplichting bestond. Of daarvan sprake is dient beoordeeld te worden op basis van objectieve maatstaven, waarbij de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie bepalend is. Daarbij dient acht te worden geslagen op de omstandigheden van het geval.

Uit de rechtspraak valt een aantal criteria te onderscheiden voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van het hebben voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Voor zover deze in dit geval relevant zijn zal de rechtbank ze hieronder bespreken.

1. De wederzijdse welstand en behoefte van partijen

Reeds voor het huwelijk was de man directeur-grootaandeelhouder van

[X] Beheer BV welke besloten vennootschap de aandelen hield in [Y] BV. Er was sprake van een aanzienlijk eigen vermogen in de beheer b.v.. Op het moment dat de woning in [land] werd gekocht, in 2008, waren partijen vier jaar gehuwd. Uit de door de man in geding gebrachte stukken blijkt dat het geconsolideerde eigen vermogen in de beheer b.v. eind 2008 € 1.183.943 bedroeg welk eigen vermogen niet heel veel groter was dan aan het begin van het huwelijk, eind 2004 (€ 1.050.115). De vrouw, zo begrijpt de rechtbank, beschikte noch aan het begin van het huwelijk noch aan het einde van het huwelijk over vermogen.

Hoewel er dus een duidelijk verschil bestond tussen het vermogen van de man en dat van de vrouw is een dergelijk verschil in vermogen, zonder verdere aanvullende feiten en omstandigheden, onvoldoende om van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis te spreken. Of van deze aanvullende feiten en omstandigheden sprake is zal de rechtank hieronder beoordelen.

2. Het rollenpatroon

Als onweersproken is komen vast te staan dat, in afwijking van de huwelijkse voorwaarden, de (vaste) lasten van partijen werden voldaan door de man dan wel de onderneming van de man. Voorts was er tijdens het huwelijk van partijen geen sprake van een klassiek rollenpatroon. De vrouw is ook na het huwelijk fulltime, en tegen betaling, blijven werken in de onderneming van de man. De stelling van de vrouw dat zij, als gevolg van het ontbreken van een verrekenbeding, niet in staat was om enig vermogen op te bouwen volgt de rechtbank dan ook niet. Uit het voorgaande volgt immers dat de vrouw de mogelijkheid had om een substantieel deel van haar salaris opzij te zetten. Voorts heeft de vrouw weliswaar gesteld dat zij tijdens het huwelijk de twee kinderen uit een eerder huwelijk van de man grotendeels heeft opgevoed maar dat heeft de man gemotiveerd betwist.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man en het ontbreken van een onderbouwing is de rechtbank voorts van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar inspanningen binnen het gezin en de onderneming van de man van dien aard waren dat de man daardoor in staat werd gesteld het eigen vermogen in de onderneming op te bouwen. Daarbij komt dat het verschil in eigen vermogen tussen 2008 en 2004 van € 133.828,00 niet van dien aard is dat daaraan, zonder verdere onderbouwing, betekenis kan worden toegekend ter zake van de inspanningen van de vrouw. De man heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn box 3 vermogen is toegenomen door de verkrijging van gelden uit een nalatenschap, zodat ook hieruit niet kan worden geconcludeerd dat door de vrouw gepleegde investeringen dan wel inspanningen daarbij een rol hebben gespeeld.

3. De wijze van totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn op 11 november 2004 gehuwd nadat zij bij akte van 3 oktober 2003 huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, waarbij elke vermogensrechtelijke gemeenschap werd uitgesloten. Partijen zijn geen periodiek of finaal verrekenbeding overeengekomen. De man heeft onweersproken gesteld dat hij de onderneming van zijn ouders heeft overgenomen en door middel van het opstellen van huwelijkse voorwaarden het vermogen afkomstig uit zijn familie veilig wilde stellen.

Voorts hecht de rechtbank waarde aan de omstandigheid dat, hoewel de woning in [land] op beider naam is gesteld, uit de overgelegde stukken en het debat ter zitting niet is komen vast te staan of daaraan een bewuste beslissing van beide partijen ten grondslag lag of dat taalproblemen of andere factoren hierbij een rol hebben gespeeld.

Voorts hecht de rechtbank betekenis aan het feit dat de vrouw ter zitting heeft verklaard dat partijen geen gezamenlijke bankrekening hadden en dat, in geval van overlijden van de man, haar financiële positie bij testament adequaat was geregeld.

De rechtbank ziet in al het vorenstaande geen objectieve aanwijzing voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis. Het gegeven dat door de man niet met de vrouw is gesproken over een vergoedingsrecht maakt dit niet anders. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij daartoe geen aanleiding zag omdat hij ervan uitging dat met de huwelijkse voorwaarden was voorzien in een strikte vermogensscheiding. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat de stelling van de vrouw dat door de man is voldaan aan een natuurlijke verbintenis geen doel treft en dient te worden verworpen.

1.3. De wijze van verdeling

Ter zitting is gebleken dat geen van partijen de woning toebedeeld wenst te krijgen, zodat de woning aan een derde dient te worden verkocht. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Hetgeen na aftrek van het totaal van de vergoedingen van de opbrengst van het goed resteert, komt iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap toe. Toegepast op de op de woning betekent dit het volgende. Uit de te realiseren verkoopopbrengst komt allereerst aan de man toe de aankoopsom die volledig, zo staat tussen partijen vast, door hem is voldaan. Deze aankoopsom bedroeg € 181.925,00 inclusief kosten zo blijkt uit bijlage 4 bij het inleidend verzoekschrift. Hetgeen resteert komt aan elke van partijen bij helfte toe.

2. Afstortingsverplichting

Tussen partijen is niet langer in geschil dat man tijdens het huwelijk in eigen beheer pensioenaanspraken heeft opgebouwd en dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

Bij beschikking van 19 januari 2012 is de advocaat van de man in de gelegenheid gesteld om stukken in het geding te brengen waaruit de hoogte van de pensioenaanspraken van de vrouw blijkt en de omvang van de daaruit voortvloeiende afstortingsverplichting. Bij brief van

17 april 2012 is aan dit verzoek voldaan. Aan de hand van het door de pensioendeskundige opgestelde vereveningsrapport en een door de man aangevraagde offerte voor een lijfrente stelt de man dat de afstortingsverplichting € 57.151,00 bedraagt.

Bij brief van haar advocaat van 27 april 2012 verzoekt de vrouw het bedrag van € 57.151,00 gestort te doen krijgen, opdat uitvoering gegeven kan worden aan een voor de vrouw opgestelde offerte.

Gelet op de tussen partijen bereikte overeenstemming over de hoogte van het aandeel van de vrouw in de door de man in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten, zal de rechtbank dienovereenkomstig op de na te melden wijze beslissen.

2.1. Dwangsom

De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de vrouw is verzocht, een dwangsom aan de afstortingsverplichting te verbinden. De vrouw heeft onvoldoende gesteld ter onderbouwing van om haar verzoek en ook overigens is het de rechtbank niet gebleken dat de man zijn medewerking aan de afstorting zal onthouden.

3. Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

gelast de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen, zoals hiervoor onder punt 1.3. overwogen;

bepaalt het aandeel van de vrouw in de pensioenrechten op een bedrag ad € 57.151,00;

veroordeelt de man, in zijn hoedanigheid van directeur-grootaandeelhouder van [X] Beheer BV, om op eerste verzoek van de vrouw ervoor zorg te dragen dat het bedrag van € 57.151,00 door de vennootschap wordt afgestort onder een door de vrouw aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij;

wijst het meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2012 in aanwezigheid van de griffier.

conc: rdv/StB

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen wederpartij, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak

b. door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.