Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX1906

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/1554
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beroep tegen bouwvergunning voor kippenstal in [plaats]. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan voor wat betreft de goothoogte. Het bouwplan voorziet in een hellend dakvlak dat met een ronding overgaat in een verticale wand. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet de hoogte van goot bepalend is maar van het constructiedeel boven de goot. Omdat de maximale goothoogte wordt overschreden is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft dit miskend. In het kader van finale geschilbeslechting wordt verweerder bij tussenuitspraak de mogelijkheid geboden het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2012-0147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1554 tussenuitspraak

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2012 in de zaak tussen

[eiser 1] e.a.,

allen te [plaats],

eisers,

gemachtigde mr. V. Wösten,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel, verweerder,

gemachtigde mr. L.A. Muller.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: maatschap [maatschap] en de afzonderlijke maten, te [plaats], vergunninghoudster, gemachtigde

mr. dr. J.J.J. de Rooij.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft verweerder aan maatschap [maatschap], te [plaats], (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning verleend voor het wijzigen van een kippenstal (gewijzigd bouwplan) (legalisatie), op het perceel plaatselijk bekend [adres] te [plaats], kadastraal bekend [kadastergegevens] (gedeeltelijk).

Het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar is door verweerder bij brief van 24 mei 2012 doorgezonden aan de rechtbank ter verdere behandeling als beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met de zaken AWB 12/789 en AWB 12/1541 plaatsgevonden op 12 juli 2012, waar eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde, vergezeld door een aantal eisers in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunningshoudster is verschenen bij haar gemachtigde, vergezeld door [maat A], [maat B] en [maat C]. Ter zitting zijn de zaken AWB 12/789 en AWB 12/1541 ingetrokken.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2. Op 8 oktober 2009 heeft vergunninghoudster een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het wijzigen van een kippenstal op het onderhavige perceel. Het betreft een wijziging op de bouwvergunning van 27 juli 2006. Bij brief van 17 december 2009 is het besluit tot aanhouding van de bouwvergunning vanwege het ontbreken van een milieuvergunning aan vergunninghoudster bekendgemaakt. Op 15 september 2011 is mededeling gedaan van de van rechtswege verleende bouwvergunning. Hiertegen is door eisers tijdig bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 7 februari 2012, verzonden 10 februari 2012, heeft verweerder de bezwaren van eisers gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en besloten alsnog de gevraagde bouwvergunning te verlenen. Bij afzonderlijk besluit van 7 februari 2012, verzonden 15 februari 2012, heeft verweerder aan vergunninghoudster de gevraagde bouwvergunning verleend onder de in bijlage 1 genoemde voorschriften en opmerkingen, waarbij de gewaarmerkte aanvraag en tekening(en) onderdeel uitmaken van de vergunning. Tegen laatstgenoemd besluit hebben eisers bij brief van 10 april 2012 overeenkomstig de in dat besluit vermelde rechtsmiddelenclausule bezwaar gemaakt bij verweerder. In het bezwaarschrift wordt ook bezwaar gemaakt tegen een op 29 februari 2012 verleende omgevingsvergunning voor de activiteit slopen.

3. De rechtbank zal allereerst beoordelen of verweerder het bezwaar van eisers van 10 april 2012 terecht heeft doorgezonden aan de rechtbank ter verdere behandeling als beroep. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat, voor zover het doorgezonden bezwaar betrekking heeft op de verleende omgevingsvergunning voor het gedeeltelijk slopen van stallen op het onderhavige perceel, deze omgevingsvergunning als een primair besluit is aan te merken waartegen bezwaar openstaat. Dit geschil bevindt zich in de bezwaarfase. Verweerder dient hierop te beslissen.

4. Ten aanzien van de doorzending van het bezwaarschrift voor zover gericht tegen de bouwvergunning van 7 februari 2012 overweegt de rechtbank dat vast staat dat de aanhouding van onderhavige aanvraag om bouwvergunning op 25 augustus 2011 met de ter inzage legging van de milieuvergunning is geëindigd en dat niet binnen vier weken daarna op de aanvraag is beslist, zoals vereist op grond van artikel 52, derde lid, van de Woningwet (oud). Door het ongebruikt verstrijken van deze beslistermijn is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Deze van rechtswege verleende bouwvergunning is door verweerder bij besluit op bezwaar van 7 februari 2012 herroepen zonder dat daarbij het standpunt is verlaten dat van rechtswege bouwvergunning was verleend. Tevens is besloten alsnog de gevraagde bouwvergunning te verlenen, hetgeen is geschied in de vorm van een primair besluit van eveneens 7 februari 2012. Gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient deze bouwvergunning te worden aangemerkt als onderdeel van het besluit op bezwaar. Dat de verleende bouwvergunning niet is ondertekend, leidt niet tot een ander oordeel, nu het besluit op bezwaar waarvan de bouwvergunning deel uitmaakt wel is ondertekend en daarin is verwezen naar de bouwvergunning. Omdat de van rechtswege verleende bouwvergunning na heroverweging is herroepen, heeft verweerder zich, anders dan door eisers is betoogd, terecht bevoegd geacht tot het alsnog verlenen van de gevraagde bouwvergunning. Verweerder heeft het bezwaar van eisers van 10 april 2012 terecht aangemerkt als beroep tegen zijn besluit op bezwaar waarbij de gevraagde bouwvergunning is verleend. Nu ook overigens wordt voldaan aan de formele vereisten voor het instellen van beroep is het beroep van eisers ontvankelijk.

5. Inhoudelijk spitst het geschil zich toe op de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied” (hierna: het bestemmingsplan) ten aanzien van de goothoogte.

6. Op grond van artikel 14, tweede lid, onder a.2 van het bestemmingsplan mag binnen de bestemming “Agrarische bedrijven” de goothoogte van gebouwen niet meer bedragen dan 5,5 meter.

7. Op grond van artikel 2 (wijze van meten c.q. berekenen), aanhef en onder 3, van het bestemmingsplan wordt bij de toepassing van deze voorschriften de goothoogte van gebouwen als volgt gemeten: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. druiplijn of boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend.

8. Verweerder heeft gesteld dat de bovenkant van de goot is gelegen op 5,5 meter boven peil en dat daarmee wordt voldaan aan het bestemmingsplan ten aanzien van de goothoogte. Eisers stellen zich op het standpunt dat uit het meetvoorschrift van artikel 2, aanhef en onder 3, van het bestemmingsplan volgt dat de planwetgever niet de plaats waar de goot is aangebracht bepalend heeft geacht voor de goothoogte, maar de plaats waar het water vanaf druipt, of waar een boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht. Volgens eisers voorziet het bouwplan in een constructiedeel dat gelijk is te stellen met een boeiboord en is dit constructiedeel hoger gelegen dan 5,5 meter. Eisers hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat een dergelijke afwijking van het bestemmingsplan niet vergund kan worden omdat provinciaal beleid hieraan in de weg staat.

9. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan, dat inmiddels is gerealiseerd, voorziet in een hellend dakvlak dat met een ronding die overgaat in een verticale wand met damwandprofiel. De ronding heeft blijkens de bouwtekening een radius van 500 mm. Circa 10 centimeter onder de plek waar de ronding overgaat in de verticale wand is een goot voor de afvoer van hemelwater opgenomen. De bovenkant van de goot is gelegen op 5,5 meter boven peil.

10. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 2, aanhef en onder 3, van het bestemmingsplan volgt dat de planwetgever niet uitsluitend de plaats waar de goot is aangebracht bepalend heeft geacht voor de goothoogte, maar tevens de plaats waar het water vanaf druipt, of waar een boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 augustus 2004, LJN: AQ6011, waarin nagenoeg hetzelfde meetvoorschrift aan de orde is. Artikel 2, aanhef en onder 3, van het bestemmingsplan voorziet evenmin in een rangorde, in de zin dat bij het meten van de goothoogte meer waarde moet worden gehecht aan de goot dan aan de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Derhalve zal dienen te worden aangesloten bij de bedoeling van de planwetgever.

11. Naar het oordeel van de rechtbank dient de ronding die zich boven de dakgoot bevindt en aansluit op het hellend dakvlak te worden aangemerkt als een constructiedeel als genoemd in artikel 2, aanhef en onder 3, van het bestemmingsplan. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder er niet in redelijkheid van uit heeft kunnen gaan dat bij het meten van de goothoogte wordt uitgegaan van een lager gelegen goot. Bedoeling van een dergelijke dwingend voorgeschreven wijze van meten is dat een duidelijke afbakening wordt gekozen tussen de gevel en het dakvlak. In dit geval ligt de keuze voor het hierboven beschreven constructiedeel meer voor de hand dan verweerders keuze voor de bovenkant van de goot. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een - weliswaar geringe - overschrijding van de toegestane maximale goothoogte van 5,5 meter. Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft dit miskend.

12. De rechtbank acht van belang dat het geschil zo spoedig mogelijk finaal wordt beslecht. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat mogelijk met toepassing van artikel 24, tweede lid, gelezen in samenhang met tabel 2, van het bestemmingsplan binnenplans kan worden afgeweken ten aanzien van de goothoogte, indien het bepaalde in artikel 25, derde lid, onder a en c, van het bestemmingsplan in acht wordt genomen. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder dient na te gaan of van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt en of dit leidt tot een nieuwe beslissing op bezwaar.

13. Gelet op de omstandigheid dat ten behoeve van de nadere besluitvorming mogelijk advies dient te worden ingewonnen van een terzake deskundige commissie/instantie, zal de rechtbank de termijn waarbinnen verweerder de gelegenheid heeft het gebrek te herstellen en waarbinnen verweerder de rechtbank op de hoogte moet brengen van zijn bevindingen, bepalen op zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Indien en voor zover aan de orde bepaalt de rechtbank, met toepassing van artikel 8:80a en artikel 8:72, vierde lid onder b, van de Awb, dat, indien verweerder een nieuw besluit neemt, de voorbereiding hiervan niet overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb behoeft te geschieden.

14. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghoudster in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

15. De rechtbank overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden die zijn aangevoerd tot deze tussenuitspraak, waaronder begrepen de subsidiaire stelling van eisers dat het provinciale beleid in de weg staat aan afwijking van het bestemmingsplan. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.

16. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- draagt verweerder op, indien hij gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, de rechtbank zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, schriftelijk mee te delen op welke wijze het gebrek is hersteld en tot welke bevindingen of nader besluit hij is gekomen;

- bepaalt dat de voorbereiding van het nieuwe besluit, indien aan de orde, niet overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb behoeft te geschieden.

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2012.

griffier rechter

<i>Eerst samen met de einduitspraak staat hoger beroep open tegen deze tussenuitspraak.</i>

Afschriften verzonden: