Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX1691

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
17-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/1854 en 12/1855
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft met toepassing van afdeling 3.4 Awb een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor het bouwen van een caravanloods.

De voorzieningenrechter beoordeelt of verzoeker belanghebbende is en in dat verband of sprake is van een verzoeker toevertrouwd belang (art. 1:2 lid 2 Awb). Het beleid van verzoeker is gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. Hiertoe is art. 11.6 opgenomen in de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011. Het bedrijf van vergunninghouder is een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf. Verzoeker heeft gesteld dat er strijd is met art. 11.6 van de Verordening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee sprake van een provinciaal belang dat aan verzoeker is toevertrouwd. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak ABRS, 20-06-2012, 201009437/1/R2 (LJN: BW8874), overweging 2.9 waarin de Afdeling de bevoegdheid van verzoeker heeft aangenomen tot het geven van een reactieve aanwijzing om strijd met hetzelfde provinciale beleid en art. 11.6 van de Verordening te voorkomen.

Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder de procedure heeft gevoerd in strijd met art. 6.12 lid 1 Bor en art. 3.13 lid 1 Wabo, waardoor verzoeker de mogelijkheid is onthouden om op grond van art. 3.13 lid 2 een aanwijzing te kunnen geven die ertoe strekt dat de desbetreffende onderdelen geen deel blijven uitmaken van de beschikking op de aanvraag en verzoeker genoodzaakt werd tot het voeren van deze procedure.

De grief inzake de bekendmaking van het bestreden besluit in strijd met art. 3.13 lid 1 Wabo heeft betrekking hebben op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en kunnen reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de vaste rechtspraak van de Afdeling inzake soortgelijke grieven in bestemmingsplanprocedures (ABRS 13-06-2006, 201109283/1/R3 (LJN: BW8173), overweging 2.3.5.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder het bestreden besluit heeft voorbereid in strijd met art. 6:12 lid 1 Bor, waarin is bepaald dat het bevoegd gezag het ontwerpbesluit op aanvragen als de onderhavige met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp toezendt aan gedeputeerde staten. Omdat verzoeker hiermee de mogelijkheid is onthouden om zienswijzen kenbaar te maken, is het verzoeker eveneens onmogelijk gemaakt om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge art. 3.13 lid 2 Wabo. Hierdoor is verzoeker in zijn belangen geschaad, nu de enige mogelijkheid die verzoeker restte om de hem toevertrouwde provinciale belangen te beschermen, bestond uit het instellen van beroep en het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening, daar waar verzoeker anders had kunnen volstaan met het geven van een reactieve aanwijzing. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de wetgever niet voor niets art. 3.13 Wabo heeft opgenomen. Daarom leidt de schending van art. 6.12 lid 1 Bor tot vernietiging van het bestreden besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3:13
Besluit omgevingsrecht 6:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6787
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1854 en AWB 12/1855

tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2012 in de zaak tussen

inzake

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

te 's-Hertogenbosch,

verzoeker,

(gemachtigde:mr. P.W.J.M. Corvers),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best,

verweerder,

(gemachtigde: M.G. Boon en W. Ansems).

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder], te [plaats], vergunninghouder., gemachtigde mr. A.A.M. van der AA.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 8 mei 2012 heeft verweerder met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor het bouwen van een caravanloods op het adres [projectlocatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 19 juni 2012 beroep ingesteld, geregistreerd onder AWB 12/1855. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, geregistreerd onder AWB 12/1854.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 juli 2012. Verzoeker en verweerder zijn verschenen bij gemachtigden. Verder is verschenen vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

<u>Inleiding</u>

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien de voorzieningenrechter in een dergelijk geval van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan worden gedaan in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak.

<u>Feiten en omstandigheden</u>

3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

3.1 Vergunninghouder exploiteert op het perceel [projectlocatie] (verder: de projectlocatie) in [plaats] een caravanstalling.Op 27 juni 2011 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een extra caravanloods op dit perceel. Het aangevraagde project betreft de eerste fase van een meer omvattend project voor uitbreiding van het bedrijf. De tweede en derde fase betreffen de vervanging en uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing. Het perceel heeft ingevolge het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2006” de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ met de nadere aanduiding caravanstalling. De beoogde caravanloods is ingevolge dit bestemmingsplan niet toegestaan

3.2 De aanvraag om omgevingsvergunning omvat de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en ‘het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a ten derde, van de Wabo.

3.3 In het kader van het vooroverleg heeft de directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving (ROH) van de provincie op 21 oktober 2011 gereageerd op een door verweerder aangeboden voorontwerpbeschikking.

3.4 Door middel van publicatie in - onder meer - de Staatscourant van 25 oktober 2011 heeft verweerder een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende een termijn van zes weken, van 26 oktober 2011 tot en met 6 december 2011, zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit schriftelijk naar voren te brengen. Verzoeker heeft geen zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit.

3.5 Op 8 mei 2012 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat de door de directie ROH ingediende zienswijzen op de voorontwerpbeschikking als zienswijzen gericht tegen de ontwerpbeschikking worden beschouwd. De omgevingsvergunning is op 8 mei 2012 verleend en op 10 mei 2012 toegezonden aan verzoeker. Vervolgens heeft verzoeker in een telefonisch contact aangegeven dat de omgevingsvergunning naar zijn inzien in strijd is met de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 (Verordening) en is verzocht de vergunning niet eerder te publiceren dan de in, artikel 3.13, eerste lid, van de Wabo aangegeven termijn van zes weken.

3.6 Verweerder heeft op 15 mei 2012 bekendgemaakt dat hij de omgevingsvergunning heeft verleend. Daarbij is vermeld dat de vergunning ten opzichte van het ontwerp in details is gewijzigd. De vergunning heeft met ingang van 16 mei 2012 gedurende zes weken ter inzage gelegen.

<u>Bestreden besluit</u>

4. Verweerder heeft in de omgevingsvergunning de zienswijzen van de directie ROH aangemerkt op de voorontwerpbeschikking als zienswijzen van verzoeker op de ontwerpbeschikking aangemerkt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de zienswijzen zijn overgenomen en dat de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De, naar aanleiding van de zienswijzen aangepaste ruimtelijke onderbouwing, getiteld ‘Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van herstructurering van het bedrijfsterrein van [naam] Caravanstalling, [projectlocatie]’ (verder: de ruimtelijke onderbouwing) en het document ‘Landschappelijke versterking’ maken deel uit van de verleende omgevingsvergunning.

<u>Wettelijk kader</u>

5.1 Volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen gezien.

5.2 Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

5.3 Ingevolge artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a ten derde, van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, indien deze activiteit in strijd is met het bestemmingsplan en het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 1º en 2º niet aan de orde is, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

5.4 Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van de Wabo wordt, in gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, en gedeputeerde staten of de inspecteur daaromtrent een zienswijze naar voren hebben gebracht, die niet is overgenomen, wordt de beschikking op de aanvraag hun onverwijld toegezonden en wordt zij eerst zes weken na die toezending bekendgemaakt.

Ingevolge het tweede lid kunnen gedeputeerde staten, in een geval als bedoeld in het eerste lid, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het betrokken onderdeel van de beschikking op de aanvraag aan het bevoegd gezag een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 4.4, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening geven, ertoe strekkende dat het onderdeel geen deel blijft uitmaken van de beschikking op de aanvraag die is gegeven. Ingevolge het derde lid vermelden gedeputeerde staten in het besluit, houdende de aanwijzing, de daaraan ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die hen beletten het betrokken provinciale belang met inzet van andere aan hen toekomende bevoegdheden te beschermen.

5.5 Ingevolge artikel 6.1, tweede en derde lid, van de Wabo treedt een omgevingsvergunning als de onderhavige niet in werking voordat is beslist op een verzoek om voorlopige voorziening dat is ingediend voor afloop van de beroepstermijn.

5.6 Ingevolge artikel 6:12 van het Besluit omgevingsrecht zendt het bevoegd gezag het ontwerpbesluit op aanvragen als de onderhavige met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp toe aan gedeputeerde staten.

5.7 Ingevolge artikel 1.2, tweede lid van de Verordening wordt bij toepassing van deze verordening onder toelichting bij een bestemmingsplan tevens begrepen de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a ten derde, van de Wabo.

5.8 Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan, een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in de hoofdlijnen heeft beschreven.

5.9 Ingevolge artikel 11.6, aanhef en eerste lid onder f, van de Verordening kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2.

<u>Beoordeling</u>

6.1 Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de het ingediende verzoek om voorlopige voorziening. Ook al zal vergunninghouder de gevraagde extra loods pas in de winterperiode gaan bouwen, de omgevingsvergunning voorziet tevens in het kunnen gebruiken van een deel van de bestaande loods als detailhandelvoorziening. Vergunninghouder heeft deze mogelijkheid als de omgevingsvergunning in werking treedt. Het ingediende verzoek om voorlopige voorziening is er tevens op gericht dit te voorkomen. Reeds hierom heeft verzoeker een spoedeisend belang.

6.2 De voorzieningenrechter dient eerst te beoordelen of verzoeker wel belanghebbende is en of sprake is van een verzoeker toevertrouwd belang. Het beleid van verzoeker is gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. Hiertoe is artikel 11.6 opgenomen in de Verordening. Het bedrijf van vergunninghouder is een, niet aan het buitengebied gebonden bedrijf. Verzoeker heeft gesteld dat sprake is van strijd met artikel 11.6 van de Verordening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee sprake van een provinciaal belang dat aan verzoeker is toevertrouwd. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 juni 2012, LJN BW8874, overweging 2.9 waarin de Afdeling de bevoegdheid van verzoeker heeft aangenomen tot het geven van een reactieve aanwijzing om strijd met hetzelfde provinciale beleid en artikel 11.6 van de Verordening te voorkomen.

6.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de zienswijzen van de directie ROH tegen de voorontwerpbeschikking ten onrechte als (voortijdig ingediende) zienswijzen van verzoeker tegen de ontwerpbeschikking aangemerkt omdat, zoals verzoeker heeft aangegeven, zijn directie ROH niet bevoegd is tot het indienen van zienswijzen tegen ontwerpbeschikkingen. Dat de voorontwerpbeschikking inhoudelijk niet verschilt van de ontwerpbeschikking, leidt niet tot een ander oordeel. Ook dan had het op de weg van verweerder gelegen aan verzoeker te vragen of de door de directie ROH ingediende zienswijzen worden overgenomen. Verweerder heeft verzoeker pas na de terinzagelegging van de ontwerpbeschikking benaderd. Gelet op het bovenstaande stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker geen zienswijzen heeft ingediend en ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of verzoeker dit kan worden verweten.

6.4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval omdat verweerder zijn verplichting ingevolge artikel 6.12 eerste lid, van het Bor niet is nagekomen. Verzoeker mag er op vertrouwen dat verweerder deze verplichting nakomt. Dat de ontwerpbeschikking is gepubliceerd leidt niet tot een ander oordeel, nu niet van verweerder kan worden verlangd om de publicaties van alle gemeenten binnen de provincie te controleren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet indienen van een zienswijze daarmee verschoonbaar en staat artikel 6:13 van de Awb niet in de weg.

6.5 Gelet op het bovenstaande is verzoeker ontvankelijk is in zijn beroep en het daarmee samenhangende verzoek om voorlopige voorziening.

7.1 Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder de procedure heeft gevoerd in strijd met artikel 6.12, eerste lid, van het Bor en artikel 3.13, eerste lid, van de Wabo, waardoor verzoeker de mogelijkheid is onthouden om op grond van artikel 3.13, tweede lid, een aanwijzing te kunnen geven die ertoe strekt dat de betreffende onderdelen geen deel blijven uitmaken van de beschikking op de aanvraag en verzoeker genoodzaakt werd tot het voeren van deze procedure.

7.2 Verweerder heeft erkend dat de verplichtingen zijn geschonden maar heeft aangegeven dat het besluit in stand kan worden gelaten omdat verzoeker daardoor niet is benadeeld.

7.3 De grief inzake de bekendmaking van het bestreden besluit in strijd met artikel 3.13, eerste lid, van de Wabo heeft betrekking hebben op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en kunnen reeds om die reden, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de vaste rechtspraak van de Afdeling inzake soortgelijke grieven in bestemmingsplanprocedures (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2006, LJN BW8173, overweging 2.3.5.

7.4 De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder het bestreden besluit heeft voorbereid in strijd met artikel 6:12, eerste lid van het Bor. Omdat verzoeker hiermee de mogelijkheid is onthouden om zienswijzen kenbaar te maken, is het verzoeker eveneens onmogelijk gemaakt om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 3.13, tweede lid, van de Wabo. Hierdoor is verzoeker in zijn belangen geschaad, nu de enige mogelijkheid die verzoeker restte om de hem toevertrouwde provinciale belangen te beschermen, bestond uit het instellen van beroep en het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening, daar waar verzoeker anders had kunnen volstaan met het geven van een reactieve aanwijzing. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de wetgever niet voor niets artikel 3.13 van de Wabo heeft opgenomen. Daarom leidt de schending van artikel 6.12, eerste lid, van het Bor tot vernietiging van het bestreden besluit.

8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting, ziet de voorzieningenrechter aanleiding na te gaan of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt het niet in de verwachting dat de inhoudelijke geschilpunten van deze procedure zullen verschillen van de geschilpunten als de procedure op juiste wijze was doorlopen.

9.1 Verzoeker heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de toelichting in de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van het aspect ‘zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit’ en ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ te kort schiet omdat de in paragraaf 5.5 van de ruimtelijke onderbouwing genoemde kwaliteitsverbetering betrekking heeft op alle drie de fases en bevat geen afzonderlijke verantwoording van de kwaliteitsverbetering van het landschap als gevolg van het onderhavige project bevat. Volgens verzoeker zijn de voorgestelde kwaliteitsverbeteringen als het realiseren van een zaksloot, het rooien van bestaande beplanting en aanbrengen van nieuwe beplanting en het vervangen van asfaltverharding geen kwaliteitsverbeteringen als bedoeld in artikel 2.2 van de Verordening.

9.2 Verweerder en vergunninghouder hebben ter zitting nadrukkelijk aangegeven dat de voorgestane kwaliteitsverbetering is beschreven in het document ‘Landschappelijke versterking’. Dit document beschrijft een aantal mogelijkheden om de kwaliteit van het groen ten behoeve van een landschappelijke inpassing te versterken. Deze investeringen zijn allemaal gekoppeld aan de eerste fase van het project, bestaande uit de realisering van de loods en ingebruikname van 200 m2 ten behoeve van ondergeschikte detailhandel. Vergunninghouder heeft voorts verwezen naar paragraaf 5.5 onder 2 (waardevermeerdering) verwezen en aangegeven dat de, met de uitvoering van het document ‘Landschappelijke versterking’ gemoeide investeringen fors hoger zijn dan het normbedrag van 20% van de waardevermeerdering dat conform de ontwerphandreiking ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ van de provincie moet worden besteed aan ruimtelijke kwaliteitsverbetering.

9.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op de toelichting ter zitting van verweerder en vergunninghouder, eventuele onduidelijkheden in de ruimtelijke onderbouwing voldoende zijn weggenomen. Het staat voldoende vast dat de kwaliteitsverbetering conform het document ‘Landschappelijke versterking’ de voorgestane kwaliteitsverbetering ten behoeve van het onderhavige project in de verleende omgevingsvergunning, ofwel slechts de eerste fase, omvat. Niet valt in te zien dat, met deze aanvulling niet wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing in artikel 2.2 van de Verordening.

9.4 Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de door vergunninghouder gedane investeringen heeft kunnen beschouwen als een voldoende ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat in paragraaf 5.5.2 van de ruimtelijke onderbouwing duidelijk is uiteengezet op welke wijze de hoogte van de verlangde investering in ruimtelijke kwaliteitsverbetering is onderbouwd en dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat deze motivering onjuist is. Weliswaar wordt in paragraaf 5.5.3 van de ruimtelijke onderbouwing aangegeven dat niet alle investeringen in het document ‘Landschappelijke versterking’ zijn aan te merken als extra ruimtelijke kwaliteitsverbetering maar verweerder heeft kunnen aannemen dat met de resterende investeringen een bedrag van 20% van de waardevermeerdering aan de ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt besteed en dat in zoverre wordt voldaan aan artikel 2.2 van de Verordening. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat in artikel 2.2 van de Verordening slechts globaal aangeeft welke eisen aan de ruimtelijke onderbouwing of de toelichting van een bestemmingsplan worden gesteld. Gelet op het bovenstaande ziet de voorzieningenrechter in de beroepsgrond van verweerder geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand kunnen blijven.

10.1 Verzoeker voert verder aan dat in de omgevingsvergunning niet is zeker gesteld dat het project gepaard gaat met een uitvoerbare kwaliteitsverbetering van het landschap nu met de enkele verwijzing naar het document ‘Landschappelijke versterking’ niet kan worden afgedwongen dat het document daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

10.2 Verweerder heeft ter zitting erkend dat de enkele verwijzing in de omgevingsvergunning wellicht onvoldoende is. Verweerder heeft verder aangegeven dat in de overeenkomst met vergunninghouder hierover geen afspraken zijn gemaakt. Vergunninghouder heeft aangegeven dat hij de investeringen in het document ‘Landschappelijke versterking’ een seizoen later dan de bouw van de loods (die in de winterperiode zal plaatsvinden) zal uitvoeren.

10.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de omstandigheid dat het document ‘Landschappelijke versterking’ deel uitmaakt van de omgevingsvergunning onvoldoende om zeker te stellen dat deze investeringen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Zo staat niet vast wanneer de investeringen worden uitgevoerd en welke investeringen worden uitgevoerd. Het had op de weg van verweerder gelegen een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden waarin een duidelijke termijn voor het plegen van alle, in het document ‘Landschappelijke versterking’ beschreven investeringen is opgenomen. Dit biedt verweerder de mogelijkheid om, bij niet naleving van het voorschrift, te handhaven op basis van artikel 2.3. aanhef en onder b, van de Wabo. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten. De voorzieningenrechter kan hierin niet zelf voorzien omdat ter zitting onvoldoende duidelijk is vast komen te staan wanneer de investeringen precies kunnen worden uitgevoerd en partijen hierover geen overeenstemming hebben kunnen bereiken op zitting.

11.1 Verder heeft verzoeker aangevoerd dat het project in strijd is met artikel 11.6, eerste lid, sub f, van de Verordening, nu juridisch, planologisch en feitelijk niet is zeker gesteld dat het maximale verkoopvloeroppervlak van 200 m² niet kan worden overschreden. Op basis van informatie van de website van het bedrijf kan worden geconcludeerd dat de verkoop van caravans, die in strijd is met het geldende bestemmingsplan, nu al plaatsvindt.

11.2 Verweerder en vergunninghouder hebben verwezen naar paragraaf 2.4 van de ruimtelijke onderbouwing waarin met een zwarte cirkel op een schets is aangegeven waar de verkoop zal plaatsvinden. In de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar de omgevingsvergunning.

11.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in de omgevingsvergunning noch in de ruimtelijke onderbouwing voldoende zeker gesteld dat slechts 200 m2 mag worden gebruikt voor de verkoop van caravans. In de omgevingsvergunning wordt niets geregeld. In de ruimtelijke onderbouwing wordt het provinciale beleid wel genoemd maar wordt verder verwezen naar de omgevingsvergunning. Daarnaast schiet de beschrijving van de locatie van de detailhandelvoorziening te kort. Een cirkel op een schets zonder schaalniveau in de ruimtelijke onderbouwing geeft geen planologisch-juridisch instrument dan kan en moet borgen dat het verkoopoppervlak maximaal 200 m² groot kan worden. Het had op de weg van verweerder gelegen een vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden waarin het verboden wordt om meer dan 200 m2 verkoopoppervlak aan detailhandelvoorziening in gebruik te hebben en waarin duidelijk is aangegeven op welke locatie het toegestane verkoopoppervlak zich bevindt. Dit dient te geschieden op een situatieschets waarin het verkoopoppervlak als gebied wordt aangeduid. Dit biedt verweerder de mogelijkheid om, bij niet naleving van het voorschrift, te handhaven op basis van artikel 2.3 aanhef en onder b, van de Wabo. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten. De voorzieningenrechter kan hierin niet zelf voorzien omdat ter zitting onvoldoende duidelijk is vast komen te staan waar de verkoopoppervlakte precies wordt ondergebracht en partijen hierover geen overeenstemming hebben kunnen bereiken op zitting.

12.1 Tot slot heeft verzoeker betoogd dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 11.6, tweede lid, aanhef en sub b, van de Verordening geen verantwoording bevat waaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling in agrarisch gebied bijdraagt aan de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie, bedoeld in artikel 8.2.

12.2 Verweerder heeft aangegeven dat dit wel naar voren komt in de ruimtelijke onderbouwing, alsmede dat het gaat om een bestaand bedrijf. Vergunninghouder heeft ter zitting aangegeven dat hij de bijdrage niet beter kan beschrijven dan hij al heeft gedaan, zeker nu de Verordening noch de toelichting hierop enige handreiking bieden.

12.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt in de ruimtelijke onderbouwing in paragraaf 2.3 de door verweerder verlangde verantwoording verstrekt. Verweerder heeft niet onderbouwd dat deze toelichting onvoldoende is. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat in artikel 11.6, tweede lid aanhef en sub b, van de Verordening slechts globaal aangeeft welke eisen in dit kader aan de ruimtelijke onderbouwing of de toelichting van een bestemmingsplan worden gesteld. Gelet op het bovenstaande ziet de voorzieningenrechter in de beroepsgrond van verweerder geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand kunnen blijven.

13.1 Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Nu toepassing wordt gegeven aan artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van deze bevoegdheden gebruik maken. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken, als bedoeld in overweging te herstellen. Dat herstellen dient te geschieden door middel van een nieuwe omgevingsvergunning, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen in rechtsoverwegingen 10.3 en 11.3

13.2 De voorzieningenrechter bepaalt, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid onder b in samenhang met artikel 8:88a, derde lid, van de Awb dat de voorbereiding van de nieuwe omgevingsvergunning niet of niet geheel overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4, hoeft te geschieden. De voorzieningenrechter bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen <u>op vier weken</u> na verzending van deze tussenuitspraak. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft aangegeven gebruik te willen maken van de geboden gelegenheid.

13.3 De voorzieningenrechter zal verzoeker en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. De voorzieningenrechter zal in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

13.4 De voorzieningenrechter overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak. Hij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.

14. De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor het treffen van de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening. De reden hiervoor is dat, zolang de hierboven in rechtsoverweging 10 en 11genoemde gebreken niet zijn hersteld, niet voldoende is zeker gesteld dat de Verordening wordt nageleefd. De belangen van vergunninghouder wegen in dit verband minder zwaar, dan de belangen van verzoeker. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking neemt vergunninghouder pas over een aantal maanden is voornemens te gaan bouwen. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, als verweerder de juiste weg had bewandeld, en verzoeker van zijn bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid van de Wabo, gebruik had gemaakt, de omgevingsvergunning evenmin in werking was getreden.

15. De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter:

- schorst de omgevingsvergunning van 8 mei 2012;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- bepaalt dat, indien verweerder een nieuw besluit neemt ter herstel van de gebreken de voorbereiding van dit besluit niet of niet geheel overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4, hoeft te geschieden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

<b>Rechtsmiddel</b>

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.