Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX1246

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
AWB 10/101, 10/2237 en 10/2240
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank moet, gelet op de aard van de Waterschapswet en de geschiedenis van haar totstandkoming, worden aangenomen dat de wetgever slechts een belastingheffende bevoegdheid aan de waterschappen heeft willen verlenen voor zover daarmee tot dekking kan worden gekomen van de kosten die voor het waterschap voortvloeien uit de aan hem rechtstreeks in de Waterschapswet opgedragen publiekrechtelijke taken. Met die bedoeling van de wetgever is strijdig de kennelijke opvatting van verweerder dat hij ook in een geval als het onderhavige, waarin het Waterschap het beheer van de IBA op grond van een overeenkomst met de gemeente op zich heeft genomen, aan de Verordening de bevoegdheid kan ontlenen tot het opleggen van de onderhavige aanslagen. In zoverre is het Waterschap immers gelijk te schakelen met de particuliere bedrijven die het beheer van de IBA hebben uitgevoerd.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, indien verweerder wel de bevoegdheid toekwam tot het opleggen van aanslagen verontreinigingsheffing, er naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen grond was om tot heffing over te gaan. Het doel van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) is immers het beschermen van het oppervlaktewater tegen verontreiniging. Voor dit geding staat vast dat de door eiser gebruikte IBA de daarin gebrachte stoffen in de bodem loost. Afvoer in het oppervlaktewater vindt derhalve niet plaats.

Wetsverwijzingen
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 17
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2012/374
V-N Vandaag 2012/1777
FutD 2012-1909
JOM 2012/754
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 10/101, AWB 10/2237 en AWB 10/2240

Uitspraakdatum: 3 juli 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats],

eiser,

en

de ambtenaar, belast met de heffing, van het Waterschap Aa en Maas,

verweerder,

(gemachtigden: mr. J.E.H. van der Voordt en J. Tammel).

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 31 juli 2009 heeft verweerder aan eiser aanslagen in de verontreinigingsheffing opgelegd voor de belastingjaren 2007 en 2008, en voor de periode van 1 januari tot en met 31 mei 2009. Bij brief van 25 augustus 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen.

Bij uitspraak op bezwaar van 30 november 2009 is het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser bij brief van 7 januari 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft bij brief van 10 maart 2010 een verweerschrift ingezonden. Eiser heeft bij brief van 4 juli 2010 zijn reactie op de inhoud van het verweerschrift kenbaar gemaakt. Verweerder heeft bij brief van 18 april 2012 de conclusie van dupliek ingezonden.

Het beroep is op 4 mei 2012 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Eiser is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als [kadastergegevens], plaatselijk bekend als [adres] te [plaats], gemeente Boxmeer. Het perceel van eiser is niet aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel.

Ten behoeve van de behandeling van het afvalwater, afkomstig van het perceel van eiser, is door de gemeente Boxmeer op het perceel van eiser een zogenaamde IBA (Individueel Behandelingssysteem Afvalwater) geplaatst op grond van een "Overeenkomst aanleg, gebruik en instandhouding van het individuele behandelingssysteem afvalwater (IBA)" die op 23 oktober 2003 is gesloten tussen eiser en de gemeente Boxmeer (hierna: de Overeenkomst). In verband met de plaatsing van de IBA heeft eiser aan de gemeente Boxmeer een opstalrecht verleend. De desbetreffende notariële akte is op 15 september 2005 verleden.

In de Overeenkomst is opgenomen dat het onderhoud, de vervanging van onderdelen en de zorg voor een goede werking van het IBA-systeem (hierna: het beheer van de IBA) door de gemeente Boxmeer wordt verzorgd en geheel voor haar rekening komt. Voorts is in de Overeenkomst vastgelegd dat eiser voor de aanleg van de IBA een eigen bijdrage van

€ 2.135 betaalt, dat hij de kosten van de elektriciteit ten behoeve van de IBA voor zijn rekening zal nemen en dat hij gemeentelijke rioolrechten zal gaan betalen.

Tot 1 januari 2007 is het beheer van de IBA door de gemeente Boxmeer, op haar kosten, uitbesteed aan derden.

Met ingang van 1 januari 2007 is het beheer van de IBA, op grond van de "Samenwerkingsovereenkomst tussen Gemeente Boxmeer en waterschap Aa en Maas voor de Sanering van Afvalwaterlozingen in het Buitengebied" opgedragen aan het Waterschap Aa en Maas (hierna: het Waterschap). De kosten komen voor rekening van de gemeente. Het Waterschap heeft het feitelijke beheer opgedragen aan derden.

Met ingang van 1 mei 2009 wordt het beheer van de IBA, in opdracht van de gemeente Boxmeer, uitgevoerd door Van der Werff Waterchniek BV te Drachten.

Eiser is een zogenoemde bodemlozer, dat wil zeggen dat het effluent van de IBA niet wordt geloosd in een rioleringsstelsel of enig oppervlaktewater.

3. Geschil

In geschil is of de aanslagen verontreinigingsheffing voor de jaren 2007, 2008 en 2009 terecht zijn opgelegd. De hoogte van de aanslagen is niet in geschil.

Eiser heeft aangevoerd dat hij niet op het riool, het oppervlaktewater of op een zuiveringstechnisch werk van het Waterschap loost nu hij gebruik maakt van een IBA, welke is aangelegd door en eigendom is van de gemeente Boxmeer.

Naar de mening van eiser is het onterecht en oneerlijk dat het Waterschap meent - als gevolg van het feit dat hij in 2007 het onderhoudscontract heeft overgenomen - een heffing op te mogen leggen. Eiser is van mening dat op deze wijze via een omweg de kosten voor zorg en onderhoud toch op eiser worden verhaald. Bovendien heeft er in de periode 2007 tot 2009 naar zijn mening geen, althans onvoldoende, onderhoud plaatsgevonden aan de slecht functionerende IBA.

Verweerder heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat de aanslagen in de verontreinigingsheffing voor de belastingjaren 2007 en 2008 terecht zijn opgelegd.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen in de van hen afkomstige stukken en ter zitting zijn aangevoerd.

4. Beoordeling van het geschil

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de aanslag in de verontreinigingsheffing voor het jaar 2009 ten onrechte is opgelegd, gelet op de gewijzigde heffingssystematiek die met ingang van 1 januari 2009 geldt. De rechtbank volgt verweerder daarin. In het midden kan blijven of de maand mei terecht in de aanslag is betrokken. Reeds op grond daarvan is het beroep (AWB 10/2240) gegrond.

Ten aanzien van de aanslagen verontreinigingsheffing 2007 (AWB 10/101) en 2008 (AWB 10/2237) overweegt de rechtbank als volgt.

Nu het geding ziet op aanslagen in de verontreinigingsheffing voor de belastingjaren 2007 en 2008, zijn de bepalingen van de Wvo, zoals deze luidden tot 29 december 2007, met inachtneming van artikel XII van de Wet modernisering waterschapsbestel, nog van toepassing.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wvo is een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk, bevoegd ter bestrijding van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor de kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is.

Onder een zuiveringstechnisch werk wordt ingevolge artikel 17, onder f, van de Wvo, verstaan een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering.

Onder kwaliteitsbeheerder wordt ingevolge artikel 17, onder g, van de Wvo, verstaan het openbaar lichaam waarvan een orgaan bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge deze wet.

Onder afvoeren wordt ingevolge artikel 17, onder i, van de Wvo, verstaan het direct of indirect brengen als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

De hierboven vermelde bepalingen zijn eveneens neergelegd in de Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2007 respectievelijk 2008, zoals deze luidden ten tijde hier van belang (hierna: de Verordening).

In artikel 3, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat onder de naam verontreinigings¬heffing, ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren, een directe belasting wordt geheven ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor het Waterschap bevoegd is, of een zuiveringstechnisch werk dat bij het Waterschap in beheer is.

Aan de heffing worden degenen onderworpen die stoffen direct of indirect in een oppervlaktewater of op een zuiveringstechnisch werk brengen.

Tussen partijen is niet in geschil dat een IBA is aan te merken als een zuiveringstechnisch werk.

De rechtbank stelt vast dat het Waterschap contractueel met de gemeente Boxmeer is overeengekomen dat het Waterschap het beheer en onderhoud van de IBA's in opdracht en voor rekening van de gemeente uitvoert. Volgens verweerder is de juridische grondslag voor de belastingplicht vastgelegd in de Verordening. Omdat daarin het belastbaar feit onder meer is beschreven als het direct of indirect brengen van stoffen op een zuiveringstechnisch werk dat bij het waterschap in beheer is, is daarmee sprake van een belastbaar feit, aldus verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank moet, gelet op de aard van de Waterschapswet en de geschiedenis van haar totstandkoming, worden aangenomen dat de wetgever slechts een belastingheffende bevoegdheid aan de waterschappen heeft willen verlenen voor zover daarmee tot dekking kan worden gekomen van de kosten die voor het waterschap voortvloeien uit de aan hem rechtstreeks in de Waterschapswet opgedragen publiekrechtelijke taken. Met die bedoeling van de wetgever is strijdig de kennelijke opvatting van verweerder dat hij ook in een geval als het onderhavige, waarin het Waterschap het beheer van de IBA op grond van een overeenkomst met de gemeente Boxmeer op zich heeft genomen, aan de Verordening de bevoegdheid kan ontlenen tot het opleggen van de onderhavige aanslagen. In zoverre is het Waterschap immers gelijk te schakelen met de particuliere bedrijven die het beheer van de IBA vóór 1 januari 2007 en na 1 mei 2009 hebben uitgevoerd, en niet aan te merken als kwaliteitsbeheerder in vorenbedoelde zin. De rechtbank merkt daarbij op dat ook verweerder ervan uitgaat dat hij slechts door de overeenkomst met de gemeente Boxmeer tot belastingheffing bevoegd zou zijn. Over de periode tot 1 januari 2007 en de periode vanaf mei 2009 heeft hij immers geen aanslag opgelegd.

Gelet op het vorenoverwogene dienen ook de beroepen ten aanzien van de belastingjaren 2007 (AWB 10/101) en 2008 (AWB 10/2237) gegrond te worden verklaard.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, indien verweerder wel de bevoegdheid toekwam tot het opleggen van aanslagen verontreinigingsheffing, er naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen grond was om tot heffing over te gaan. Het doel van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) is immers het beschermen van het oppervlaktewater tegen verontreiniging. Voor dit geding staat vast dat de door eiser gebruikte IBA de daarin gebrachte stoffen in de bodem loost. Afvoer in het oppervlaktewater vindt derhalve niet plaats. Aangenomen moet worden dat ook de heffing ter zake van het afvoeren op een zuiveringstechnisch werk dat bij het Waterschap in beheer is alleen dan mogelijk is indien dit leidt tot afvoer in een oppervlaktewater. Verweerder heeft nog aangevoerd dat eiser, ook als bodemlozer, op den duur (indirect) zal lozen in oppervlaktewater. De rechtbank laat deze eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling als tardief en derhalve in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing, nog daargelaten dat verweerder geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die een juiste beoordeling van deze stelling mogelijk maken.

5. Proceskosten en griffierecht

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage vastgesteld op € 36,96 voor reiskosten die eiser heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting.

De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 41,00 dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar van 30 november 2009;

- verklaart de bezwaren gegrond;

- vernietigt de aanslag verontreinigingsheffing 2007 (aanslagnummer 04 07 29 0628255 6), de aanslag verontreinigingsheffing 2008 (aanslagnummer 04 08 18 0628255 6) en de aanslag verontreinigingsheffing 2009 (aanslagnummer 04 09 05 0628255 6), alle van 31 juli 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 36,96;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 41,00.

Aldus gedaan door mr. I.S. Peskens, voorzitter, mr. F.M. Tadic en mr. J.P.M. Kooijmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

<small><i><b>Rechtsmiddel</b>

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201CZ te 's-Hertogenbosch. Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.</i></small>