Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX1235

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
AWB 11-4264
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenen omgevingsvergunning voor het verbouwen van een parkeerkelder.

Niet in geschil is dat het gaat om activiteiten als bedoeld in art. 2.1, lid 1 onder a en c, van de Wabo en dat daarvoor eventueel met toepassing van art. 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend kan worden. Gelet daarop volgt uit art. 3.7, lid 1 en art. 3.10, lid 1, aanhef en onder a, van de Wabo dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dat is ook de procedure die verweerder heeft gevolgd. Nu niet is gebleken dat verweerder de termijn van acht weken als bedoeld in art.3.9, lid 1, van de Wabo met toepassing van het tweede lid van art. 3.9 heeft verlengd, had verweerder binnen acht weken dienen te beslissen op de aanvraag. Uit art. 3.9, lid 1 Wabo gelezen in samenhang met art. 4:20b, lid 1 Awb volgt verder dat indien verweerder niet binnen acht weken op de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning heeft beslist, de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Daarvan is in dit geval sprake.

De Rb. ziet om proceseconomische redenen aanleiding om het bezwaar mede gericht te achten tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Het bestreden besluit zal de Rb. daarom ook aanmerken als een besluit op de tegen die vergunning gemaakte bezwaren. Weliswaar is de van rechtswege verleende omgevingsvergunning niet bekendgemaakt, zoals voorgeschreven in art. 3.9, lid 4 Wabo maar het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is, hoewel verweerder daartoe gelet op art. 3:41, lid 1 Awb niet verplicht was, wel gepubliceerd. Eisers hebben tegen de verlening van de omgevingsvergunning dan ook bezwaar gemaakt. Aangenomen mag worden dat ook overige belanghebbenden daartegen bezwaar hebben kunnen maken en dat deze niet in hun belangen worden geschaad doordat het bezwaar wordt aangemerkt als mede gericht tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. De Rb. ziet daarin aanleiding om met toepassing van art. 6:22 Awb aan dit gebrek voorbij te gaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/4264

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2012 in de zaak tussen

[eiser A] e.a.,

eisers,

(gemachtigde: [eiser A])

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze en Leende,

verweerder,

(gemachtigde ing. Y.J. Trienekens).

Aan het geding heeft als derde-partij deelgenomen de besloten vennootschap ‘Nedprojekt B.V.’, te Mierlo, vergunninghouder

(gemachtigden L. le Blans en M. Bosch).

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 27 juni 2011 (primaire besluit) heeft verweerder aan de besloten vennootschap Nedprojekt B.V. met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een parkeerkelder gelegen op het perceel, kadastraal bekend [kadastergegevens], plaatselijk bekend [straat A] [huisnummer 1], [huisnummer 2], [huisnummer 3], [huisnummer 4]/[straat B] [huisnummer 1], [huisnummer 2] te [plaats] (perceel).

Het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 14 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 16 april 2012, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door [eiser A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

<b>Overwegingen</b>

1. In artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is, voor zover van belang, bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;

(…).

2. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo, voor zover van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Op grond van het tweede lid wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

3. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo, voor zover van belang, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c en de indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan de omgevingsvergunning slechts worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

4. Op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo is paragraaf 3.2 (artikelen 3.8 tot en met 3.9) van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3. van toepassing is.

5. Op grond van artikel 3.8 van de Wabo geeft het bevoegd gezag bij de toepassing van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tevens onverwijld kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het vermeldt daarbij de in artikel 3.1, tweede lid, bedoelde datum waarop de aanvraag is ontvangen.

6. Op grond van artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Op grond van het tweede lid kan het bevoegde gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn. Het doet daarvan tevens zo spoedig mogelijk mededeling op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.

Op grond van het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag.

Op grond van het vierde lid doet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk mededeling van de bekendmaking als bedoeld in artikel 4:20c van de Awb, op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.

7. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, of artikel 2.12, tweede lid.

8. Op grond van artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist.

9. Op grond van artikel 4.20c, eerste lid, van de Awb maakt het bestuursorgaan de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.

Op grond van het tweede lid wordt bij de bekendmaking en mededeling van de beschikking vermeld dat de beschikking van rechtswege is gegeven.

10. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wabo treedt een beschikking krachtens deze wet in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking.

Op grond van het vierde lid, voor zover van belang, wordt de werking van een overeenkomstig artikel 3.9, derde lid, van rechtswege verleende vergunning opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, bedoeld in artikel 6:7 van de Awb is verstreken, of, indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.

11. De rechtbank stelt vast dat de derde-partij op 6 april 2011 een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor het plaatsen van een hellingbaan in de parkeerkelder/stallingsgarage gelegen op de hoek [straat A] [huisnummer 1], [huisnummer 2], [huisnummer 3], [huisnummer 4]/[straat B] [huisnummer 1], [huisnummer 2] te [plaats]. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat deze aanvraag op dezelfde datum door verweerder is ontvangen. Niet in geschil is dat het daarbij gaat om activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo en dat daarvoor eventueel met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend kan worden. Gelet daarop volgt uit artikel 3.7, eerste lid en artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dat is ook de procedure die verweerder heeft gevolgd. Nu niet is gebleken dat verweerder de termijn van acht weken als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo met toepassing van het tweede lid van artikel 3.9 heeft verlengd, had verweerder binnen acht weken dienen te beslissen op de aanvraag. Uit artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb volgt verder dat indien verweerder niet binnen acht weken op de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning heeft beslist, de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Nu deze aanvraag op 6 april 2011 door verweerder is ontvangen had verweerder uiterlijk op 31 mei 2011 op de aanvraag moeten beslissen. Verweerder heeft echter pas op 27 juni 2011 beslist, zodat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend.

12. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was verweerder gelet op het van rechtswege ontstaan van de omgevingsvergunning niet meer bevoegd tot het nemen van het besluit van 27 juni 2011. De rechtbank ziet dan ook aanleiding het besluit op bezwaar te vernietigen, voor zover daarbij het primaire besluit is gehandhaafd. Het beroep is al om die reden gegrond.

13. De rechtbank ziet echter om proceseconomische redenen aanleiding om het bezwaar mede gericht te achten tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Het bestreden besluit zal de rechtbank daarom ook aanmerken als een besluit op de tegen die vergunning gemaakte bezwaren. Weliswaar is de van rechtswege verleende omgevingsvergunning niet bekendgemaakt, zoals voorgeschreven in artikel 3.9, vierde lid, van de Wabo maar het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is, hoewel verweerder daartoe gelet op artikel 3:41, eerste lid, van de Awb niet verplicht was, wel gepubliceerd in het weekblad "De Parel van Brabant". Daarin is onder het kopje ‘Openbare Bekendmakingen’ en het kopje ‘Omgevingsvergunningen’ onder meer opgenomen “[straat A] [huisnummer 1], [huisnummer 2], [huisnummer 3], [huisnummer 4]/[straat B] [huisnummer 1], [huisnummer 2]”. Voor de volledige bekendmaking is verwezen naar de gemeentelijke website: www.heeze-leende.nl, onder ‘Actueel’, ‘Bekendmakingen’. Op de website is vermeld dat een omgevingsvergunning is verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo voor het (ver)bouwen van een parkeerkelder met hellingbaan. Eisers hebben tegen de verlening van de omgevingsvergunning bij het besluit van 27 juni 2011 dan ook bezwaar gemaakt. Aangenomen mag worden dat ook overige belanghebbenden daartegen bezwaar hebben kunnen maken en dat deze niet in hun belangen worden geschaad doordat het bezwaar wordt aangemerkt als mede gericht tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. De rechtbank ziet daarin aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan dit gebrek voorbij te gaan.

14. Eisers hebben aangevoerd dat gezien artikel 20.4.1 aanhef en onder f, van de planregels, een onderzoek naar de effecten op de grondwaterhuishouding verplicht is. Van deze verplichting wordt men niet ontslagen door andere verleende vergunningen. Verweerder geeft ook niet aan dat er in het kader van de eerdere vergunningverlening onderzoek naar de grondwaterhuishouding is gedaan en heeft dit ook niet bij dit besluit ter inzage gelegd. Hiermee is omgevingsvergunning evident in strijd met artikel 20.4.1, aanhef en onder f, van de planregels verleend, aldus eisers.

15. Verweerder heeft zich op het volgende standpunt gesteld. Voor het oprichten van het appartementengebouw met een kelder groter dan 50 m2 is op 7 april 2009 vergunning verleend. Om het bouwplan mogelijk te maken is met toepassing van artikel 20.4.1, onder f, van de planregels, behorende bij het bestemmingsplan “Kom Heeze” ontheffing verleend. Met deze vergunning wordt enkel de interne indeling van de kelder gewijzigd. In plaats van een autolift wordt een hellingbaan opgericht. De grootte van de kelder blijft ongewijzigd. De planologische situatie wordt hierdoor niet verslechterd. Verweerder is dan ook van mening dat een onderzoek naar de effecten op de grondwaterhuishouding in onderhavige procedure niet aan de orde is en dat de ontheffing verleend kan worden.Het perceel heeft op grond van het het bestemmingsplan "Kom Heeze" de bestemming "Wonen-2".

16. Op grond van artikel 20.1 van de planregels zijn de voor "Wonen-2" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bestaande woningen al dan niet met inbegrip van een beroep of bedrijf aan huis;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’: nieuwe appartementen;

c. parkeren;

d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, verkeers- en nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

17. Op grond van artikel 20.2.5, onder b, van de planregels, bedraagt de oppervlakte van een ondergronds bouwwerk maximaal 50 m2.

18. Vast staat dat de activiteit in strijd is met artikel 20.2.5, onder b, van de planregels, nu de oppervlakte van het ondergrondse bouwwerk meer dan 50 m2 bedraagt.

19. Op grond van artikel 20.4.1, aanhef en onder f, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 20.2.5 onder b ten behoeve van een oppervlakte van meer dan 50 m2, mits:

- onderzoek wordt gedaan naar de effecten van deze ingreep op de grondwaterhuishouding;

- de resultaten van het onderzoek worden meegenomen in de afweging tot verlening van de ontheffing.

20. Dat er eerder een vergunning is verleend aan aanvrager voor een parkeerkelder met een oppervlakte van meer dan 50 m2, doet er niet aan af dat verweerder nu ontheffing verleent met toepassing van artikel 20.4.1, aanhef en onder f, van de planregels. Naar het oordeel van de rechtbank wordt niet voldaan aan de vereisten die gesteld zijn in deze bepaling. Ontheffing verlenen met toepassing van deze bepaling kan alleen indien er een grondwateronderzoek wordt gedaan en de resultaten van dat onderzoek worden meegenomen in de afweging tot verlening van de ontheffing. Dit grondwateronderzoek is niet gedaan. Ter zitting is gebleken dat ook in het kader van de eerdere vergunningverlening voor de parkeerkelder dat grondwateronderzoek niet is gedaan, omdat deze bepaling destijds niet gold. Aan het besluit is daarom ook niet een eerder gedaan grondwateronderzoek ten grondslag gelegd.

21. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid en komt om die reden eveneens voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

22. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 152,00 dient te worden vergoed.

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakt proceskosten namelijk de reiskosten van [eiser A] van [plaats] naar ’s-Hertogenbosch op basis van kosten openbaar vervoer tweede klas tot een bedrag van € 14,80.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 14,80, te betalen aan eisers.

Aldus gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik als rechter in tegenwoordigheid van mr. S.H. Snoeij als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: