Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX0830

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
01/845352-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:3812
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest wegens poging tot moord op zijn ex-vriendin meermalen gepleegd, poging tot doodslag op de stiefvader van zijn ex-vriendin, verboden wapenbezit en het voorhanden hebben van hennepplanten. Verdachte heeft meermalen met een alarmpistool geschoten. Zijn zoontje is er getuige van geweest dat vader moeder heeft willen vermoorden.

Voorbedachte raad. Geen putatief noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte is licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Aan de slachtoffers dient schadevergoeding te worden betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845352-11

Datum uitspraak: 10 juli 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. Breda - HvB De Boschpoort.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juni 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 november 2011.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 26 juni 2012 is aangepast en gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 19 september 2011 te Zeeland,

gemeente Landerd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om (telkens) opzettelijk en (telkens) met voorbedachten rade [slachtoffer1] van het

leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een (door)geladen vuurwapen (te weten een omgebouwd alarmpistool van het

merk Tanfoglio, voorzien van zeven patronen) in een auto naar een woning aan

het adres [adres2] te Zeeland is gereden en/of

- (vanaf de bestuurdersstoel van die auto) op korte afstand met dat wapen een

kogel heeft afgevuurd op het (boven)lichaam [slachtoffer1] (die op dat moment

in het geopende portier aan de bijrijderszijde stond) en/of welke kogel in de

borst van die [slachtoffer1] is terechtgekomen en/of

- (vervolgens) voorzien van dat wapen achter die [slachtoffer1] is aangerend en/of

heeft geroepen: "Je gaat eraan" en/of "Ik maak jou af. Ik maak jou dood",

althans woorden van soortgelijke dreigende strekking en/of buiten de woning

van voornoemd adres het wapen heeft gericht op het (boven)lichaam van die

[slachtoffer1] en/of met dat (telkens) (doorgeladen) wapen een of meer kogel(s) heeft

afgevuurd op het (boven)lichaam van die [slachtoffer1] (waarbij een kogel de

(boven)arm van die [slachtoffer1] heeft geraakt) en/of

- achter die [slachtoffer1] is aan blijven rennen tot in de woning aan voornoemd adres

en/of die [slachtoffer1] (die inmiddels op de grond was gevallen) heeft vastgepakt

en/of (vervolgens) dat (doorgeladen) wapen (op zeer korte afstand) heeft

gericht op het hoofd en/of het bovenlichaam van die [slachtoffer1] (die zich nog

steeds op de grond bevond) en/of een kogel heeft afgevuurd (die in de schouder

van die [slachtoffer1] terecht is gekomen) en/of

- (vervolgens) het (doorgeladen) wapen bij en/of tegen het hoofd van die

[slachtoffer1] heeft gehouden en/of gezet en/of de trekker van dat wapen heeft

overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

(Artikel 289/287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 19 september 2011 te Zeeland, gemeente Landerd, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2]

van [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet met een vuurwapen (te weten een omgebouwd alarmpistool

van het merk Tanfoglio) een kogel op het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2]

heeft afgevuurd (waarbij die kogel in de arm van die [slachtoffer 2] terecht is

gekomen geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

(Artikel 287/302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 september

2010 tot en met 19 september 2011 te Rosmalen, in elk geval in Nederland,

(telkens) een wapen van categorie III, te weten een omgebouwd alarmpistool van

het merk Tanfoglio, model GT28, en/of munitie van categorie III, te weten

zeven, dan wel een patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie)

4.

hij in of omstreeks de periode van 13 september 2011 tot en met 19 september

2011 te Rosmalen, in elk geval in Nederland (een) wapen van categorie I onder

7°, te weten een nabootsing van een aanvalsgeweer dat lijkt op een Colt M4 MT,

kaliber .223 Remmington, zijnde (een) voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm

en/of afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen en/of

met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(arikel 13 van de Wet Wapens en Munitie)

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2011 tot 19 september 2011 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres])

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 60 hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

(artikel 3 onder B van de Opiumwet)

en/of

hij op of omstreeks 19 september 2011 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van

(in totaal) ongeveer 60 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3 onder C van de Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 1 tenlastegelegde poging tot moord meermalen gepleegd, de onder 2 tenlastegelegde poging tot doodslag alsmede de onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 5 acht de officier van justitie het telen van hennep bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft:

- vrijspraak bepleit van de onder feit 1 tenlastegelegde poging tot moord omdat het wettig bewijs voor de voorbedachten rade ontbreekt;

- ten aanzien van het eerste en het tweede in de tenlastelegging onder 1 bedoelde schot aangevoerd dat geen sprake is van boos opzet;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde aangevoerd dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is voor het aannemen van opzet op de dood, voorwaardelijk opzet daaronder begrepen;

- zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 3 en 4 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en

- ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde telen van hennep vrijspraak bepleit en zich met betrekking tot een bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde aanwezig hebben van hennep gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Op de ochtend van maandag 19 september 2011 was aangeefster [slachtoffer1] aan het werk in het kantoor van [het bedrijf] van haar stiefvader [slachtoffer 2] gelegen aan de [adres2] te Zeeland, gemeente Landerd. Aangeefster heeft gedurende enkele jaren een relatie gehad met de verdachte en zij hebben samen een zoontje. [slachtoffer 2] en het zoontje waren ook op [het bedrijf] aanwezig.2

In de loop van de ochtend is de verdachte op het terrein van [het bedrijf] verschenen teneinde zijn zoontje op te halen.3 Voordat hij naar [het bedrijf] vertrok, heeft hij in zijn woning zijn vuurwapen gepakt, deze bij zich gestoken en meegenomen naar [het bedrijf]. Dit was een goudkleurig vuurwapen dat geladen was met zeven patronen4 en betreft een omgebouwd alarmpistool van het merk Tanfoglio.5

Op het moment dat de verdachte het terrein van [het bedrijf] op kwam gereden, had hij het vuurwapen op de bestuurdersstoel onder zijn benen liggen.6

Aangeefster kreeg vervolgens van haar broer [naam] te horen dat de verdachte op het terrein van [het bedrijf] was verschenen. Zij heeft toen haar zoontje gehaald, is naar de passagierskant van de auto gelopen en heeft haar zoontje achterin de auto gezet. Direct nadat zij haar zoontje in de auto had gezet, zag aangeefster dat de verdachte iets pakte, dit op haar richtte, dat dit een goudkleurig pistool betrof en dat de verdachte daarmee op haar schoot. Aangeefster voelde daarop een doffe klap op haar borst.7 Bij aangeefster is een schotverwonding geconstateerd, bestaande uit een inschotopening in haar linkerborst.8

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris erkend dat hij aangeefster heeft beschoten nadat zij hun zoontje in de auto had gezet. Hij zat op dat moment achter het stuur en aangeefster bevond zich in de deuropening aan de passagierskant van de auto. Hij heeft direct nadat aangeefster hun zoontje in de auto had gezet het wapen gepakt, dit op haar gericht en geschoten.9 Ter terechtzitting van de rechtbank is hij bij deze verklaring gebleven.10 Op een vraag van de politie of hij nog iets moest doen met het vuurwapen voordat hij kon schieten, heeft de verdachte geantwoord dat hij dat niet weet en dat hij gewoon schoot.11

Uit het voorgaande vloeit voort dat de verdachte kennelijk in staat was om het pistool af te vuren zonder eerst nadere handelingen te hebben moeten verrichten. Daaruit trekt de rechtbank het gevolg dat het pistool doorgeladen was op het moment dat de verdachte bij [het bedrijf] arriveerde.

Aangeefster is, nadat zij bij de auto door de verdachte was beschoten, weggerend en uiteindelijk langs het hek in de richting van de voorkant van [het bedrijf] gerend.12 De verdachte is haar achterna gerend met het vuurwapen nog in zijn handen.13 Aangeefster heeft verklaard dat zij tijdens deze achtervolging voor de tweede maal door de verdachte is beschoten en dat zij toen achter in haar arm is geraakt.14

De verdachte heeft bij de politie ontkend tijdens het achterna rennen van aangeefster haar te hebben beschoten en ook ter gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft hij min of meer in die zin verklaard. De rechtbank gaat daar echter aan voorbij, omdat de verklaring van aangeefster, voor zover inhoudende dat zij tijdens de achtervolging door de verdachte is beschoten en ook daadwerkelijk is geraakt, in ruime mate steun vindt in ander bewijsmateriaal.

De rechtbank stelt allereerst vast dat bij aangeefster een schotverwonding is geconstateerd, te weten een inschotopening aan de achterkant van haar linkerbovenarm.15

In de tweede plaats verwijst de rechtbank naar de tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 1]. Hij verklaart bij die gelegenheid dat hij zag dat aangeefster over de oprit van het bedrijf rende in de richting van de woning [adres2], dat de verdachte achter haar aan rende, dat de verdachte in zijn rechterhand een klein vuurwapen vasthield en dit op aangeefster richtte en een schot hoorde afgaan.16 Deze verklaring wordt door de getuige tegenover de rechter-commissaris op 24 april 2012 bevestigd, daar waar hij verklaart dat hij zag dat de verdachte, op het moment dat hij buiten [het bedrijf] achter aangeefster aan rent, op haar schiet.17

Voorts is ook [getuige 2], de buurman van [het bedrijf], getuige geweest van het gebeuren tussen aangeefster en de verdachte. Hij verklaart bij de politie dat hij op enig moment een knal hoorde, zag dat een meisje over de straat rende en dat een man achter haar aan rende en dat hij direct daarop weer een knal hoorde en dat er tussen de eerste en de tweede knal ongeveer 10 seconden waren verstreken.18 Zoals hierna nog zal blijken, is aangeefster na de achtervolging en beschieting de woning bij [het bedrijf] ingerend, alwaar een derde confrontatie tussen aangeefster en de verdachte heeft plaatsgevonden en waar ook nog schoten zijn gevallen. In aanmerking genomen dat de getuige [getuige 2] in zijn tegenover de politie afgelegde verklaring er melding van maakt dat hij na de tweede knal aangeefster de naast de woning gelegen [bedrijf] in zag rennen19, kan naar het oordeel van de rechtbank het niet anders zijn dan dat de verklaring van de getuige [getuige 2] over de tweede knal het oog heeft op het schot dat door de verdachte in de richting van aangeefster is gelost op het moment dat hij achter haar rende na de beschieting bij de auto.

Daarnaast bevindt zich in het dossier de tegenover de politie afgelegde verklaring van [getuige 3]. Deze getuige heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte achter aangeefster aan rende in de richting van het woonhuis, dat de verdachte daarbij een pistool op haar gericht hield en dat hij op dat moment een schot hoorde vallen.20

[slachtoffer1] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat de verdachte aan het rennen was en dat hij tijdens het rennen met gestrekte arm een goudkleurig pistool vast hield en bij de rechter-commissaris dat hij een schot hoorde toen de verdachte en aangeefster nog aan het rennen waren.21

De verklaring van aangeefster vindt op dit onderdeel niet alleen bevestiging in de verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen, maar ook in de resultaten van het sporenonderzoek op de plaats delict en in de resultaten van het technisch onderzoek.

Uit het proces-verbaal van het op de plaats delict verrichte sporenonderzoek volgt dat buiten op een afstand van 2,2 meter vanaf de achterdeur tussen de twee metalen hekken van de oprit in, een huls is aangetroffen van het kaliber 6.35. Deze huls werd veiliggesteld en voorzien van SIN-nummer AAEE2921NL.22 Het door de verdachte gehanteerde goudkleurige vuurwapen is uiteindelijk ook aangetroffen en in beslag genomen en voorzien van SIN-nummer AAEE2907NL.23 Vervolgens is op deze huls onderzoek verricht door het Nederlands Forensisch Instituut in verband met de vraagstelling of deze huls uit het door de verdachte gehanteerde vuurwapen afkomstig is. Het omtrent dat onderzoek door het NFI opgemaakte rapport van 19 december 2011 houdt onder meer in dat de op de huls aangetroffen sporen als zeer kenmerkend voor het pistool met SIN-nummer AAEE2907NL zijn beoordeeld en daarom goed passen bij de hypothese dat deze huls is verschoten met dat pistool.24

Voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster tijdens het achterna rennen niet heeft beschoten, stelt de rechtbank deze verklaring op grond van de hierboven vermelde bewijsmiddelen terzijde. Bij een en ander heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting niet uitdrukkelijk heeft ontkend haar op dit moment te hebben beschoten, maar slechts heeft verklaard dat hij zich dat niet kan herinneren. De rechtbank acht al met al dan ook bewezen dat de verdachte tijdens het achterna rennen van aangeefster één keer het wapen op het bovenlichaam van aangeefster heeft gericht en met dat wapen een kogel op het bovenlichaam van aangeefster heeft afgevuurd, welke kogel aangeefster in haar bovenarm heeft geraakt.

Het treffen tussen de verdachte en aangeefster culmineert uiteindelijk in een wederom gewelddadige confrontatie in de woonkamer van de woning bij [het bedrijf]. Aangeefster verklaart daaromtrent bij de politie dat zij de woonkamer is ingerend terwijl de verdachte nog achter haar aan zat, dat zij aldaar is uitgegleden en op de grond is gevallen en dat de verdachte vervolgens voor haar stond. Verder verklaart zij dat de verdachte op dat moment heel dicht bij haar stond, het vuurwapen van een meter afstand op haar hart richtte en vervolgens schoot. Aangeefster voelde daarop een enorme klap en zij hoorde het bot bij haar schouder breken.25 Uit de medische informatie betreffende aangeefster volgt dat bij haar een schotverwonding is geconstateerd, te weten een inschotopening ter hoogte van haar linker sleutelbeen dat door de inslag van de kogel is gebroken.26

De verdachte heeft zowel bij de politie, als bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 26 juni 2012 verklaard dat er weliswaar een schot is gelost in de woonkamer, maar dat dit niet opzettelijk is gedaan; dit schot zou zijn afgegaan tijdens een worsteling tussen de verdachte en aangeefster.

Ook aan deze lezing van de verdachte gaat de rechtbank voorbij. Dat het schot zou zijn gelost tijdens een worsteling tussen de verdachte en aangeefster is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk. Daarbij neemt zij het navolgende in aanmerking.

Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster op vragen van de verdediging een nadere verklaring afgelegd over de confrontatie tussen haar en de verdachte in de woonkamer. Bij die gelegenheid heeft zij - in de kern bezien - verklaard dat zij op enig moment in de woonkamer is gestruikeld en op de grond terecht kwam en dat de verdachte dicht bij haar stond op het moment dat hij schoot. Op de vraag of er toen een worsteling heeft plaatsgevonden tussen haar en de verdachte en of zij toen het wapen van de verdachte heeft geprobeerd af te pakken, heeft zij ontkennend geantwoord.27

Van de confrontatie tussen aangeefster en de verdachte in de woonkamer is [slachtoffer 2] getuige geweest. Bij de politie heeft hij daaromtrent verklaard dat hij binnen in de woning zag dat aangeefster op de grond lag en dat hij hoorde en zag dat de verdachte van zeer dichtbij, ongeveer een meter, gericht schoot op haar borst.28 Bij de rechter-commissaris is de getuige [slachtoffer 2] bij deze lezing van de feiten gebleven, in die zin dat hij aldaar heeft verklaard dat hij zag dat aangeefster in de woonkamer op de knieën zat en dat de verdachte stond, dat de verdachte een pistool op haar bovenlichaam richtte en dat hij een knal hoorde.29

De rechtbank stelt aldus vast dat de verklaring van aangeefster op cruciale onderdelen wordt bevestigd door de medische informatie, waaruit blijkt dat zij in haar schouder een schotverwonding heeft opgelopen, alsmede door de verklaring van de getuige [slachtoffer 2], en voorts dat aangeefster en [slachtoffer 2] op deze punten in de kern bezien beiden consistent zijn geweest in hun verklaringen. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank geen geloof hechten aan de verklaring van de verdachte dat het wapen is afgegaan tijdens een worsteling waarbij aangeefster geprobeerd zou hebben om de verdachte het wapen afhandig te maken.

Voor zover door de verdediging hieromtrent ten verweer is betoogd dat uitgegaan dient te worden van de lezing van de verdachte, wordt het verweer dus verworpen.

Aangeefster heeft voorts verklaard dat de verdachte, nadat zij in haar schouder was geschoten en op wilde staan, het pistool tegen haar hoofd aan hield en de trekker overhaalde. De verdachte heeft ook hieromtrent bij de politie, de rechter-commissaris alsmede ter terechtzitting een ontkennend standpunt ingenomen waaraan de rechtbank voorbij zal gaan om de navolgende redenen.

Tegenover de politie heeft aangeefster verklaard dat de verdachte het pistool tegen de rechterkant van haar hoofd bij haar slaap heeft gehouden en de trekker heeft overgehaald. Zij hoorde een klikgeluid, maar er kwam geen schot. De verdachte raakte vervolgens in paniek en begon iets te doen met het pistool. Hij was aan het pistool aan het trekken, aldus aangeefster bij de politie.30 Bij de rechter-commissaris is zij bij die lezing van de feiten gebleven. Aldaar heeft zij immers verklaard dat hij het wapen tegen haar hoofd heeft gezet, dat het wapen toen niet af ging en dat de verdachte vervolgens stond "te kloten" met het pistool.31 Dat de verdachte het vuurwapen in ieder geval bij het hoofd van aangeefster heeft gehouden, vindt bevestiging in de tegenover de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de getuige [slachtoffer 2], voor zover inhoudende dat hij zag dat de verdachte het pistool op aangeefster richtte ter hoogte van haar hoofd.32

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster ook op dit punt geloofwaardig, te meer omdat deze niet alleen in de verklaring van de getuige [slachtoffer 2] bevestiging vindt, maar ook in de verklaring van de verdachte bij de politie alsmede in de resultaten van het sporenonderzoek en het technisch onderzoek.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat er op enig moment twee kogels uit het pistool zijn gevallen en dat hij twee keer aan het wapen trok om te proberen deze dicht te krijgen.33 Aangezien de verdachte dit moment in de tijd plaatst vlak voordat de hierna te bespreken confrontatie tussen hem en [slachtoffer 2] plaatsvindt in de woning bij [het bedrijf], is de rechtbank van oordeel dat dit doorladen van het pistool door de verdachte niet op een ander moment heeft plaatsgevonden dan na het moment waarop hij het vuurwapen bij het hoofd van aangeefster heeft gehouden en tevergeefs heeft getracht een schot af te vuren.

Uit het proces-verbaal van het op de plaats delict verrichte sporenonderzoek volgt dat in de woonkamer twee patronen (complete kogels) van het kaliber 6.35 zijn aangetroffen, dat deze zijn veiliggesteld en dat deze onderscheidenlijk zijn voorzien van het SIN-nummer AAEE2924NL en AAEE2925NL.34 Het door de verdachte gehanteerde goudkleurige vuurwapen is uiteindelijk ook aangetroffen en in beslag genomen en voorzien van SIN-nummer AAEE2907NL.35 Vervolgens is op deze patronen onderzoek verricht door het Nederlands Forensisch Instituut in verband met de vraagstelling of deze uit het door de verdachte gehanteerde vuurwapen afkomstig zijn. Het omtrent dat onderzoek door het NFI opgemaakte rapport van 19 december 2011 houdt onder meer in dat de waargenomen overeenkomsten tussen de sporen goed passen bij de hypothese dat deze patronen zijn doorgeladen met dat pistool.36

De rechtbank acht al met al dan ook bewezen dat de verdachte het vuurwapen bij of tegen het hoofd van aangeefster heeft gehouden en de trekker van dat wapen heeft overgehaald. Voor zover hieromtrent met een beroep op inconsistentie of lacunes in de verklaringen van aangeefster en de getuige namens de verdachte ten verweer is betoogd dat hij moet worden vrijgesproken, wordt het verweer verworpen.

Opzet en Voorbedachten rade.

Thans ligt de vraag voor of verdachte bij elk of een van deze momenten heeft gehandeld met voorbedachten rade. Door de verdediging is in dit verband ten verweer betoogd dat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe is - kort samengevat - aangevoerd dat geen sprake is van kalm beraad en rustig overleg, maar dat de besluitvorming en uitvoering hebben plaatsgevonden in een staat van plotselinge hevige drift.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade - in de tenlastelegging onder 1 tot uitdrukking gebracht met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan:

- dat de verdachte naar [het bedrijf] is gegaan teneinde zijn zoontje bij aangeefster op te halen, zodat hij wist dat hij aldaar met aangeefster geconfronteerd zou worden;

- dat de verdachte, alvorens naar [het bedrijf] te vertrekken, een doorgeladen vuurwapen heeft gepakt en dit onder zijn benen op de bestuurdersstoel heeft gestopt, alwaar het dus gereed lag voor direct gebruik;

- dat de verdachte, eenmaal aangekomen op het terrein van [het bedrijf], heeft gewacht tot het moment dat aangeefster zijn zoontje achterin de auto had gezet, vervolgens zijn vuurwapen heeft gepakt en eenmaal gericht op het bovenlichaam van aangeefster heeft geschoten;

- dat hij daarna de wegvluchtende aangeefster achterna is gerend en tijdens deze achtervolging buiten op het terrein van [het bedrijf] nogmaals gericht op aangeefster heeft geschoten;

- dat hij vervolgens, aangekomen in de woonkamer waar aangeefster zich na een val op de grond bevond, op zeer korte afstand gericht op het bovenlichaam van aangeefster heeft geschoten en

- dat hij ten slotte het vuurwapen bij of tegen het hoofd van aangeefster heeft gehouden en de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald doch dat dit niet heeft geresulteerd in het afvuren van een kogel.

Bezien naar zijn uiterlijke verschijningsvorm laat dit samenstel van gedragingen van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat het de bedoeling van de verdachte is geweest aangeefster op die bewuste dag met gebruikmaking van het vuurwapen om het leven te brengen. Dat de verdachte in een plotselinge hevige drift of anderszins uit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging dan wel op grond van een ander motief dan levensberoving, zoals naar verdachtes verklaring ter terechtzitting het pogen om aangeefster bang te maken, tot zijn daad is gekomen, valt op geen enkele wijze te rijmen met de door hem verrichte gedragingen en acht de rechtbank dan ook volstrekt onaannemelijk.

In het licht van hetgeen de rechtbank hierboven heeft vastgesteld brengt dit de conclusie mee dat de verdachte reeds vóór het afvuren van het eerste schot ruimschoots de tijd heeft gehad om zich te beraden op dat besluit en de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Hetzelfde heeft te gelden voor de overige momenten waarop de verdachte op aangeefster heeft geschoten. Immers, de verdachte heeft op of gedurende elk van de momenten nadien meer dan voldoende gelegenheid in vorenbedoelde zin gehad. Nochtans heeft de verdachte er telkens opnieuw voor gekozen om zijn voornemen aangeefster van het leven te beroven van een nieuwe poging tot uitvoering te doen volgen.

Het verweer wordt verworpen.

Voor zover namens de verdachte nog bedoeld is ten verweer te betogen dat de verdachte geen (boos) opzet had op de dood van aangeefster, wordt dit verweer op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, eveneens verworpen.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte meermalen opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gepoogd aangeefster [slachtoffer1] van het leven te beroven, zoals dat hierna wordt bewezenverklaard.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, is aangever [slachtoffer 2] getuige geweest van de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer1] in de woonkamer van de woning bij [het bedrijf]. Nadat de verdachte het vuurwapen bij of tegen het hoofd van [slachtoffer1] had gehouden en de trekker had overgehaald, is het ook tot een gewelddadige confrontatie tussen aangever [slachtoffer 2] en de verdachte gekomen.

Aangever [slachtoffer 2] heeft bij de politie een verklaring afgelegd omtrent hetgeen op dat moment tussen hem en de verdachte is voorgevallen, hetgeen erop neer komt dat hij met een waterpas de woonkamer is binnengegaan, dat hij met die waterpas de verdachte op het hoofd heeft geslagen en dat de verdachte vervolgens het vuurwapen op hem richtte en een schot lostte. Aangever maakte een afweergebaar met zijn rechterarm en voelde op het moment dat het schot werd gelost een stekende pijn in zijn rechterarm.37 De afstand tussen hem en de verdachte was op dat moment hooguit twee meter.38

Bij de rechter-commissaris heeft aangever gelijkluidend verklaard, in die zin dat hij aldaar heeft verklaard dat hij de woonkamer is ingegaan, de verdachte op zijn hoofd heeft geslagen en dat de verdachte zich op dat moment omdraait en op hem schiet.39 Bij aangever [slachtoffer 2] is een schotverwonding geconstateerd aan de binnenzijde van zijn rechteronderarm.40

De verdachte heeft zowel bij de politie41, als tegenover de rechter-commissaris42 en ter terechtzitting43 erkend eenmaal op aangever [slachtoffer 2] te hebben geschoten en dat hij daarbij gericht op de handen van aangever heeft geschoten. Ter terechtzitting heeft de verdachte nog verklaard niet een geoefend schutter te zijn en dat hij voordien nog niet eerder met een vuurwapen had geschoten.

Zijdens de verdediging is ter terechtzitting ten verweer betoogd dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat er geen sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangever [slachtoffer 2].

De rechtbank stelt vast dat aangever [slachtoffer 2] in zijn arm is geraakt op het moment dat hij met die arm een afweergebaar maakte en dat de verdachte, terwijl hij een ongeoefend schutter is, gericht op de handen van aangever heeft geschoten. De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden met een vuurwapen afvuren van een kogel in de richting van het bovenlichaam van aangever [slachtoffer 2] ten aanzien van deze de aanmerkelijke kans in het leven roept dat hij door dat schot zodanig zou worden getroffen dat hij als gevolg van de daardoor opgelopen verwondingen zou komen te overlijden. Van deze aanmerkelijke kans heeft verdachte, gezien zijn verklaring tegenover de politie, alwaar hij heeft verklaard te weten dat iemand kan komen te overlijden als je op deze schiet44, wetenschap gehad.

Het verweer wordt verworpen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft gepoogd om [slachtoffer 2] van het leven te beroven, zoals dat hierna wordt bewezenverklaard.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

In het kader van het onderzoek naar de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten is door het Regionaal Bureau Wapens en Munitie van de Politieregio Brabant Noord onderzoek gedaan naar het door de verdachte gehanteerde vuurwapen en de bijbehorende munitie. Het daaromtrent opgemaakte rapport houdt - zakelijk weergegeven - als bevindingen in dat het hier een omgebouwd alarmpistool betreft van het merk Tanfoglio, model GT28, dat geschikt is om projectielen door een loop af te schieten en dat de werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Aldus betreft het hier een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie. Ten aanzien van de bij het vuurwapen behorende patronen is vastgesteld dat deze van het kaliber 6.35 mm centraalvuur, merk Sellier & Bellot betreft en zijn voorzien van een volmantel kop, model ronde neus en voorts dat deze patronen geschikt zijn om met het voornoemde vuurwapen te worden verschoten. Het betreft hier dan ook munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.45

De verdachte, wonende te [adres] Rosmalen, heeft op 19 september 2011 tegenover de politie over dit vuurwapen verklaard dat hij dit pistool een jaar eerder had gekregen van zijn neef, dat hij dat pistool sindsdien heeft gehad en in zijn woning onder de kledingkast in de slaapkamer had gelegd en dat hij het pistool had geladen met zeven patronen.46

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit vuurwapen en de bijbehorende munitie in de periode van 19 september 2010 tot en met 19 september 2011 te Rosmalen voorhanden heeft gehad, een en ander zoals hierna bewezenverklaard.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde.

In het kader van het onderzoek naar de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten is op 19 september 2011 een doorzoeking verricht in de woning van de verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. Aldaar is een voor be- en afdreiging geschikt voorwerp in de vorm van een vuurwapen aangetroffen47 en inbeslaggenomen dat ter beoordeling aan het Regionaal Bureau Wapens en Munitie van de Politieregio Brabant Noord is voorgelegd. Uit onderzoek blijkt dat het hier gaat om een wapen in de vorm van een nabootsing van een aanvalsgeweer, dat wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis voortoont met het model Colt M4 MT, kaliber .223 Remington. Aldus betreft dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1 categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder b van de Regeling wapens en munitie.48

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit wapen op 19 september 2011 te Rosmalen voorhanden heeft gehad, zoals dat hierna wordt bewezenverklaard.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde.

Behalve het hiervoor onder 4 bedoelde imitatie vuurwapen is bij de doorzoeking in de woning van de verdachte te Rosmalen op 19 september 2011 ook een hennepkwekerij aangetroffen.49 Deze hennepkwekerij bevond zich in een kamer op de eerste etage van de woning. Er werden 60 vierkante kweekbakken met hierin verdroogde volgroeide hennepplanten aangetroffen.50

Bij de politie heeft de verdachte verklaard te hebben geweten van de aanwezigheid van de hennepplanten.51 Ook ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard van die aanwezigheid te hebben geweten en voorts dat hij ook vrij toegang had tot de ruimte waar de hennepplanten zich in bevonden.52

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 19 september 2011 in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad 60 hennepplanten, zoals dat hierna wordt bewezenverklaard. Dat de hennepplanten, zoals de verdachte ter terechtzitting meerdere keren heeft benadrukt, niet aan hem in eigendom toebehoren doet daar niets aan af. Verdachte had immers wetenschap van de aanwezigheid van die planten maar hij heeft, hoewel hij daartoe in staat was, ervoor gekozen deze niet uit zijn woning te verwijderen.

Voor het tenlastegelegde telen/bereiden/bewerken/verwerken van de hennepplanten acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en (tijds)verband bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 19 september 2011 te Zeeland, gemeente Landerd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om telkens opzettelijk en telkens met voorbedachten rade [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een doorgeladen vuurwapen te weten een omgebouwd alarmpistool van het merk Tanfoglio, voorzien van zeven patronen in een auto naar een woning aan het adres [adres] te [woonplaats] is gereden en

- vanaf de bestuurdersstoel van die auto op korte afstand met dat wapen een kogel heeft afgevuurd op het bovenlichaam [slachtoffer1] die op dat moment in het geopende portier aan de bijrijderszijde stond en welke kogel in de borst van die [slachtoffer1] is terechtgekomen en

- vervolgens voorzien van dat wapen achter die [slachtoffer1] is aangerend en buiten de woning

van voornoemd adres het wapen heeft gericht op het (boven)lichaam van die [slachtoffer1] en met dat doorgeladen wapen een kogel heeft afgevuurd op het (boven)lichaam van die [slachtoffer1] waarbij een kogel de bovenarm van die [slachtoffer1] heeft geraakt en

- achter die [slachtoffer1] is aan blijven rennen tot in de woning aan voornoemd adres alwaar hij die [slachtoffer1] die inmiddels op de grond was gevallen heeft vastgepakt en vervolgens dat doorgeladen wapen op zeer korte afstand heeft gericht op het bovenlichaam van die [slachtoffer1] die zich nog steeds op de grond bevond en een kogel heeft afgevuurd die in de schouder van die [slachtoffer1] terecht is gekomen en

- vervolgens het doorgeladen wapen bij of tegen het hoofd van die [slachtoffer1] heeft gehouden en de trekker van dat wapen heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid;

2.

op 19 september 2011 te Zeeland, gemeente Landerd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen te weten een omgebouwd alarmpistool van het merk Tanfoglio een kogel op het bovenlichaam van die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd waarbij die kogel in de arm van die [slachtoffer 2] terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

in de periode van 19 september 2010 tot en met 19 september 2011 te Rosmalen, een wapen van categorie III, te weten een omgebouwd alarmpistool van het merk Tanfoglio, model GT28, en munitie van categorie III, te weten zeven patronen, voorhanden heeft gehad;

4.

op 19 september 2011 te Rosmalen, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een aanvalsgeweer dat lijkt op een Colt M4 MT, kaliber .223 Remmington, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm

en/of afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

5.

op 19 september 2011 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van 60 hennepplanten, zijnde

hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte.

Zijdens de verdediging is ten verweer betoogd dat verdachte terzake van het eerste en het tweede schot, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd, moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte een beroep op putatief noodweer c.q. noodweerexces toekomt. Bij de verdachte is daags voor het treffen op 19 september 2011 vanwege dreigende sms-berichten en andere uitlatingen van aangeefster een groeiende angst ontstaan dat aangeefster hem van het leven zou beroven. Op het moment dat aangeefster zijn zoontje in de auto had gezet, maakte zij een onverwachte beweging met haar handen, hetgeen de verdachte in een zodanige hevige gemoedstoestand bracht dat hij het eerste schot loste. De verdachte mocht, gelet op zijn verleden in Curaçao, alwaar hij veel geweld heeft gezien, en gelet op de uitlatingen van aangeefster, menen dat sprake was van een aanval van aangeefster op hem waartegen hij zich mocht verdedigen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Het volgende moet worden vooropgesteld. Blijkens de wettelijke omschrijving van noodweer gaat het hierbij om de 'verdediging' tegen een (wederrechtelijke) aanranding. Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer niet slagen.

Naar de rechtbank hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde onder het kopje "opzet en voorbedachten rade" heeft overwogen, laat het samenstel van gedragingen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs geen enkele andere conclusie toe dan dat het de bedoeling van de verdachte is geweest om aangeefster op die bewuste dag met gebruikmaking van het vuurwapen om het leven te brengen. Dat de verdachte in een plotselinge hevige drift, hevige angst of anderszins uit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging dan wel wegens verdediging tegen een vermeende aanval van aangeefster, tot zijn daad is gekomen, valt op geen enkele wijze te rijmen met de door hem verrichte gedragingen en acht de rechtbank dan ook volstrekt onaannemelijk.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

De verdediging heeft in het kader van het hierboven weergegeven verweer in voorwaardelijke zin het verzoek gedaan tot het doen laten verrichten van een contra-expertise door een cultureel psychiater. Aan het verzoek is onder meer ten grondslag gelegd dat in de thans ter beschikking staande rapporten over de persoonlijkheid van de verdachte geen althans onvoldoende aandacht is besteed aan de interpretatie van gedrag en persoonlijkheid van de verdachte in het licht van de sociaal culturele context en de invloed van opgedane trauma's in het verleden op het thans ten laste gelegde.

De rechtbank constateert dat het verzoek verband houdt met de stelling van de verdediging dat het gedrag van de verdachte is ingegeven door angst voor de aangeefster en dat de verdachte daarbij werd beïnvloed door zijn culturele achtergrond en door trauma's uit het verleden. In aanmerking genomen dat de rechtbank wat die stelling betreft noch in het gedrag van de verdachte noch in het procesdossier of het verhandelde ter terechtzitting, een begin van aannemelijkheid heeft gevonden, is haar de noodzaak tot het verrichten van een contra-expertise zoals door de verdediging verzocht niet gebleken. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 15 jaar met aftrek van voorarrest.

Aan verdachte kunnen worden teruggeven de onder nummer 1, 2 t/m 12, 16 t/m 19, 21, 22, 22a en 25-28 genoemde voorwerpen op de beslaglijst.

De onder 13 t/m 15, 20 en 23 genoemde voorwerpen dienen ontrokken te worden aan het verkeer. Aan eigenaar [slachtoffer 2] kunnen de onder nummer 24 en 34 genoemde voorwerpen worden teruggegeven. Aan eigenaar [slachtoffer1] kunnen de onder nummer 28 t/m 33 genoemde voorwerpen worden teruggeven.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe verzoekt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld, dat hij licht verminderd toerekeningsvatbaar is en dat hij veel spijt heeft.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het nadeel van verdachte in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden.

Verdachte heeft drie keer van dichtbij op zijn ex-vriendin, [slachtoffer1], en één keer op haar stiefvader geschoten. Dat [slachtoffer1] het schieten heeft overleefd is te danken aan het wegrennen door haar, het heldhaftige optreden van haar stiefvader en technische problemen met het wapen. Het schietincident heeft grote gevolgen gehad voor het slachtoffer [slachtoffer1]. Twee kogels konden niet worden verwijderd omdat het risico op complicaties onevenredig groot was en zullen vrijwel zeker de rest van haar leven in haar lichaam moeten blijven zitten. Het slachtoffer kan nog niet werken en heeft zich onder behandeling van een psycholoog en een fysiotherapeut gesteld.

Ook het schieten op het slachtoffer [slachtoffer 2] had slechter af kunnen lopen. Hij heeft zijn stiefdochter gered door zijn eigen leven op het spel te zetten. Verdachte heeft op het slachtoffer geschoten en hem geraakt in zijn arm. De impact van het gebeuren op hem is groot en hij heeft last van psychische klachten.

De rechtbank neemt bij de strafoplegging tevens in aanmerking dat het 3-jarig zoontje van verdachte en [slachtoffer1] getuige was van het schieten door verdachte op zijn moeder en moet leven met de wetenschap dat zijn vader heeft geprobeerd om zijn moeder te vermoorden. Ook andere familieleden, collega's en buurtbewoners waren getuige van het schietincident.

Verdachte is er al met al niet voor teruggeschrokken om zwaar geweld tegen zijn medemensen te gebruiken en bovendien heeft hij zich om het lot van de slachtoffers volstrekt niet bekommerd.

Door delicten als de onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; zij leiden vanwege het gewelddadig karakter tot maatschappelijke verontrusting en brengen in de maatschappij gevoelens van angst, onrust en onveiligheid teweeg.

Tenslotte houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de overige bewezenverklaarde feiten, te weten het voorhanden hebben van verboden wapens en patronen en het aanwezig hebben van 60 hennepplanten.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht psychologisch rapport door drs. S.J.J. Steketee van 30 mei 2012 en een psychiatrisch rapport door dr. D.J. Vinkers van 8 juni 2012 blijkt, dat de door hem onder 1 en 2 tenlastegelegde gepleegde strafbare feiten in licht verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. De rechtbank houdt tevens rekening met het feit dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf, aangezien zij van oordeel is dat deze straf qua strafmodaliteit en strafduur in overeenstemming is met de ernst van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1].

Het standpunt van de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie kan de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 5.052,-- plus de wettelijke rente, bestaande uit € 52,-- euro materiële schade en € 5.000,-- immateriële schade als voorschot. Het overige deel van de vordering dient niet-ontvankelijk verklaard te worden. Tevens dient de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is het eens met het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 52,--, bestaande uit 2 dagen daggeldvergoeding ziekenhuis à € 26,-- per dag, en de immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 10.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal een hoger bedrag dan € 5.000,-- terzake de immateriële schade toewijzen gelet op de (blijvende) fysieke en psychische gevolgen die de benadeelde partij ondervindt als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering terzake de materiële en immateriële schadevergoeding, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bij de vordering zit een ontslagbrief waarin staat dat de benadeelde partij 2 dagen opgenomen is geweest in het ziekenhuis in plaats van de gevorderde 3 dagen. De overige gevorderde materiële schadevergoeding wordt niet onderbouwd door de bijgevoegde stukken.

De benadeelde partij kan het overige deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Het standpunt van de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie kan de vordering van de benadeelde partij van € 13.811,50 geheel worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, respectievelijk [slachtoffer1] of [slachtoffer 2] nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 60a, 287, 289;

Wet Wapens en munitie art. 2, 13, 26, 55;

Opiumwet art. 3, 11.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

poging tot moord, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

poging tot doodslag

T.a.v. feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en

het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

T.a.v. feit 4:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie

T.a.v. feit 5, subsidiair:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5:

Gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 10.052,00 subsidiair 85 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] van een bedrag van EUR 10.052,-- (zegge:

tienduizendtweeënvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te

vervangen door 85 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 52,-- materiële schadevergoeding en EUR 10.000,-- immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer1],

van een bedrag van EUR 10.052,-- (zegge: tienduizendtweeënvijftig euro), te

weten EUR 52,-- materiële schadevergoeding en EUR 10.000,-- immateriële

schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 2:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 13.811,50 subsidiair 104 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 13.811,50

(zegge: dertienduizendachthonderdelf euro en 50 eurocent ), bij gebreke van

betaling en verhaal te vervangen door 104 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat

uit een bedrag van EUR 11.811,50 materiële schadevergoeding en EUR 2.000,--

immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , van een

bedrag van EUR 13.811,50 (zegge: dertienduizendachthonderdelf euro en vijftig

eurocent), te weten EUR 11.811,50 materiële schadevergoeding en EUR 2.000,--

immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Teruggave inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, te weten de onder nummer 1, 2 t/m 12, 16 t/m 19, 21, 22, 25 t/m 27 genoemde voorwerpen op de beslaglijst.

Teruggave inbeslaggenomen voorwerpen aan de rechthebbende [slachtoffer1], te weten de onder nummer 28 t/m 33 genoemde voorwerpen op de beslaglijst.

Teruggave inbeslaggenomen voorwerpen aan de rechthebbende [slachtoffer 2], te weten de onder nummer 22a, 24 en 34 genoemde voorwerpen op de beslaglijst.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen te weten de onder nummer 13, 14, 15, 20 en 23 genoemde voorwerpen op de beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. M. Senden en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 10 juli 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord, Districtelijke Opsporing Maas en Leijgraaf, proces-verbaal nummer 2011098140 d.d. 1 maart 2012 (hierna dossier).

2 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer1], p. 21, 25, 26, 27 en 29 van Deel C.1 van het dossier en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 21 van Deel B van het dossier en proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2], p. 52 van deel C.1 van het dossier.

3 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer1], p. 29 van Deel C.1 van het dossier en de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris, d.d. 22 september 2011.

4 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 20 en 21 van Deel B van het dossier en de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris, d.d. 22 september 2011.

5 Proces-verbaal van regiopolitie Brabant-Noord, Regionaal Bureau Wapens en Munitie, proces-verbaalnr. 2011098140-WWM, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1], d.d. 13 februari 2012, p. 439 van Deel C.1 van het dossier.

6 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 22 van Deel B van het dossier.

7 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer1], p. 30 van Deel C.1 van het dossier.

8 Een geschrift, te weten een aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer1], d.d. 27 september 2011, opgenomen op p. 72 van deel C.1 van het dossier.

9 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 22 van Deel B van het dossier en de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris, d.d. 22 september 2011.

10 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 26 juni 2012.

11 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 29 van Deel B van het dossier.

12 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer1], p. 30 van Deel C.1 van het dossier.

13 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 22 van Deel B van het dossier

14 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer1], p. 30 van deel C.1 van het dossier.

15 Een geschrift, te weten een aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer1], d.d. 27 september 2011, opgenomen op p. 72 van deel C.1 van het dossier.

16 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], p. 91 van deel C.1 van het dossier.

17 Verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris, d.d. 24 april 2012.

18 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], p. 96-98 van deel C.1 van het dossier.

19 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], p. 97 van deel C.1 van het dossier.

20 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 3], p. 119-120 van deel C.1 van het dossier.

21 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer1], p. 114 van deel C.1 van het dossier en de verklaring van [slachtoffer1] bij de rechter-commissaris d.d. 24 april 2012.

22 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 230 van deel C.1 van het dossier.

23 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 235 van deel C.1 het dossier.

24 Het rapport van het NFI, d.d. 19 december 2011, opgemaakt door de deskundige W. Kerkhoff, p. 428 van deel C.1 van het dossier.

25 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer1], p. 31 van het dossier.

26 Een geschrift, te weten een aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer1], d.d. 27 september 2011, opgenomen op p. 72 van deel C.1 van het dossier.

27 Verklaring [slachtoffer1] bij de rechter-commissaris d.d. 23 april 2012.

28 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2], p. 52 van Deel C.1 van het dossier.

29 Verklaring [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris op 23 april 2012.

30 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer1], p. 31 van Deel C.1 van het dossier.

31 Verklaring [slachtoffer1] bij de rechter-commissaris d.d. 23 april 2012.

32 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2], p. 57 en p. 64 van Deel C.1 van het dossier en de verklaring [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 23 april 2012.

33 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 29 van Deel B van het dossier.

34 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 230 van het dossier.

35 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 235 van het dossier.

36 Het rapport van het NFI, d.d. 19 december 2011, opgemaakt door de deskundige W. Kerkhoff, p. 430 van deel C.1 van het dossier.

37 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2], p. 57 van Deel C.1 van het dossier.

38 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2], p. 65 van Deel C.1 van het dossier.

39 De verklaring [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 23 april 2012.

40 Een geschrift, te weten een aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer 2] d.d. 27 september 2011.

41 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 24 van Deel B van het dossier.

42 De verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris op 22 september 2011.

43 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 26 juni 2011.

44 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 24 van Deel B van het dossier.

45 Proces-verbaal van regiopolitie Brabant-Noord, Regionaal Bureau Wapens en Munitie, proces-verbaalnr. 2011098140-WWM, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1], d.d. 13 februari 2012, p. 439-440 van Deel C.1 van het dossier.

46 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 20 van Deel B van het dossier.

47 Proces-verbaal einddossier, p. 12 van deel A van het dossier.

48 Proces-verbaal van regiopolitie Brabant-Noord, Regionaal Bureau Wapens en Munitie, proces-verbaalnr. 2011098140-WWM, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1], d.d. 26 september 2011, p. 4-5 van Deel C.3 van het dossier.

49 Proces-verbaal einddossier, p. 12 van deel A van het dossier.

50 Proces-verbaal van regiopolitie Brabant-Noord, proces-verbaalnr. PL21T2 2011098140, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], d.d. 26 januari 2012, p. 4 van Deel C.4 van het dossier.

51 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 24 van Deel B van het dossier.

52 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 26 juni 2012.

??

??

25

Parketnummer: 01/845352-11

[verdachte]