Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX0827

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
01/089029-04
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:943, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor een koelbloedige liquidatie in Son, gepleegd op 8 oktober 2002, legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank heft tevens de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op.

Rechtbank gebruikt de verklaring van een NN-getuige (anonieme getuige), maar niet uitsluitend of in beslissende mate. De rechtbank wijst af het verzoek om de R-C als getuige te horen.

Voorbedachte raad bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/089029-04

Datum uitspraak: 09 juli 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in p.i. Heerhugowaard, locatie Zuyder Bos, te Heerhugowaard.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 juni 2010, 12 augustus 2010, 15 oktober 2010, 28 december 2010, 18 maart 2011, 9 mei 2011, 6 september 2011 en van 25 juni 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 mei 2010. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 oktober 2002 te Son, gemeente Son en Breugel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s), meermalen, althans eenmaal, op, althans in de richting van, het hoofd en/of bovenlichaam, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289/287 van het Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

1. Onderzoek plaats delict

Op 8 oktober 2002, omstreeks 8.40 uur, reden twee surveillerende agenten een parkeerplaats op bij een visplas aan de Ekkersweijer te Son, gemeente Son en Breugel. Zij troffen daar in een blauwe bestelbus, merk Ford Transit, het lichaam aan van [slachtoffer]. Hij zat, hangend in de autogordel, op de bestuurdersstoel en vertoonde geen teken van leven.1 Diezelfde ochtend werd nader technisch onderzoek verricht op de plaats delict. De technisch rechercheurs stelden het volgende vast.2

Alle portieren van de bestelbus waren afgesloten. Het portierraam aan de bestuurderszijde was naar beneden gedraaid. De ruit van het rechterportier was gefragmenteerd en bevond zich enigszins naar buiten gebold nog in de raamsponning. De ruit was verbrijzeld door vermoedelijk een kogel. De autosleutels zaten nog in het contact en het contact stond aan. Ook de autoradio stond nog aan. De technisch rechercheurs zagen verder op het wandelpad rondom de visvijver verse bandensporen van vermoedelijk een bromscooter en een indrukspoor van vermoedelijk een bromscooterstandaard.3 Op een verbindingspad tussen genoemd wandelpad en het parkeerterrein werd een sigarettenpeuk met daarop sporen van een DNA-profiel veilig gesteld. In de laadruimte van de bestelbus werden sporen van amfetamine aangetroffen.

Het slachtoffer vertoonde minstens twee vermoedelijke schotwonden. Vlak buiten de bestelbus werden twee patroonhulzen aangetroffen. In de bestelbus lagen drie patroonhulzen: op de vloermat bij de bestuurdersstoel, in het portiervak van de bestuurder en op de vloer ter hoogte van de pedalen.

In de auto werden twee kogels aangetroffen. Eén kogel had het portier aan de bijrijderzijde doorboord; de kogel werd in het portier aangetroffen. Op het dashboard voor de voorruit werd een tweede kogelpunt aangetroffen. Nadere sectie op het stoffelijk overschot van het slachtoffer wees uit dat in het slachtoffer twee kogels waren achtergebleven. Eén kogel had een inschotopening onder de linkeroksel van het slachtoffer en is uiteindelijk in de rechterzij terecht gekomen. Eén kogel is door de hartstreek gegaan en was in de ruggengraat blijven steken. Een derde kogel is door het hoofd gegaan.

In het sectieverslag van het NFI wordt geconstateerd dat de twee inschoten en het ene doorschot ernstige beschadiging van hersenen, longen, hart en lever hebben veroorzaakt. "De gebleken letsels in combinatie met orgaanschade en bloedverlies en massaal inademen van bloed verklaren het intreden van de dood zonder meer. Een andere doodsoorzaak is bij sectie niet gebleken".4

Het NFI heeft de kogels en hulzen nader onderzocht. Het NFI concludeert dat de vijf hulzen zeer waarschijnlijk met hetzelfde wapen zijn verschoten. Het betreft pistoolpatronen van het kaliber 9 mm Parabellum. De aangetroffen vier kogels zijn waarschijnlijk van het zelfde kaliber. Het vuurwapen is zeer waarschijnlijk een semi-automatisch pistool. Schotresten op de hoofdhuid van het slachtoffer duiden volgens het NFI op een schootsafstand tussen circa 25 en 75 cm.5

De veiliggestelde sigaret was volgens de technisch rechercheurs "tot het filter opgebrand, waarbij de as van de sigaret nog aanwezig was" 6

Volgens gegevens van het KNMI is er tussen 7 oktober 2002 om 8.45 uur en 8 oktober 2002 om 8.45 uur vier keer een bui gevallen op de plaats delict. De laatste bui viel op 7 oktober om 20.20 uur.7

De peuk lag op een afstand van 44 meter van de bestelbus, gerekend langs de kortste schuine lijn van vindplaats naar bus, en op een afstand van 57 meter, gerekend langs de haakse bocht van de vindplaats langs een bosschage naar de bus.8

In 2008 is het DNA-profiel van verdachte opgenomen in de DNA-bank. Volgens het NFI komt dit DNA-profiel overeen met het DNA-profiel op de sigarettenpeuk die op plaats delict was veilig gesteld. De frequentie van het DNA-profiel op de peuk is kleiner dan 1 op 1 miljard.9

De technisch rechercheurs hebben op basis van temperatuurmeting van slachtoffer en omgeving geconstateerd dat hij moet zijn overleden "in de vroege ochtend" van 8 oktober 2002.10

De politie heeft diverse getuigen gehoord die zich die ochtend in de nabijheid van de plaats delict bevonden.

Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij om 7.17 uur over een fietspad bij de visvijver fietste op ongeveer 85 meter van de plaats delict, toen hij zes of zeven knallen hoorde. Hij zag even later een bestelbus de parkeerplaats af komen rijden. 11

Getuige [getuige 2] hoorde om 7.15 of 7.16 uur vier tot vijf knallen. Hij zag vervolgens een personenauto uit de richting van de plaats delict komen.12

Getuige [getuige 3] bevond zich op een visplaats 200 à 300 meter van de plaats delict. Hij hoorde rond 7.10 uur 5 tot 6 harde knallen.13

Getuige [getuige 4] zag op de plaats delict op 7 of 8 oktober 2002 tussen 7.15 en 7.20 uur een bestelauto of "Combo-achtige"auto staan.14

Getuige [getuige 5] verklaarde dat zij zich op 8 oktober 2002 tussen 7.05 en 7.10 uur op ongeveer 100 m. van de plaats delict bevond en toen vanuit de bosschages stemmen en het geluid van een motorvoertuig hoorde.15

2. Heropening opsporingsonderzoek

In 2003 werd het onderzoek zonder resultaat afgesloten. In 2005 verscheen een anonieme getuige voor de rechter-commissaris en legde een voor verdachte belastende verklaring af. In 2008 bleek het DNA-profiel op de sigarettenpeuk te matchen met dat van verdachte. Die match was aanleiding voor heropening van het opsporingsonderzoek. Daarin werd onder meer de ex-vriendin van verdachte, [getuige 6] gehoord. Zij legde eveneens een voor verdachte belastende verklaring af. Hieronder volgt een samenvatting van beide belastende verklaringen.

3. De verklaring van de NN-getuige

Op 6 april 2005 heeft de rechter-commissaris een getuige gehoord, welke alleen een verklaring wilde afleggen als hij/zij dat anoniem kon doen. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat de getuige in verband met het afleggen van een verklaring overlast zou ondervinden en heeft onder toepassing van artikel 190, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) het vragen naar de persoonsgegevens achterwege gelaten. De anonieme getuige (hierna: de NN-getuige) heeft vervolgens onder ede het volgende verklaard.16

"De dader van de liquidatie van [slachtoffer] is [verdachte]. (...) Hij woont in de [adres] in Ens. Hij woont daar samen met [getuige 6]. [Getuige 6] was gevangenisbewaarster, maar zij is ontslagen nadat bekend werd dat zij een verhouding had met een gedetineerde. [verdachte] is na ontslag uit zijn detentie bij [getuige 6] ingetrokken.

[verdachte] heeft mij het volgende verklaard.

In de vroege ochtend op een dag in oktober 2002 - het was nog donker - is hij naar een parkeerplaats langs een snelweg in de buurt van Eindhoven gegaan om de liquidatie uit te voeren. [verdachte] heeft toen 4 à 5 keer op die [slachtoffer] geschoten met een vuurwapen. [verdachte] heeft mij niet verteld wat voor een wapen hij daarvoor heeft gebruikt. [verdachte] kennende, zal het wel een (semi-)automatisch wapen zijn geweest. Een pistool, 9 mm of zo. In ieder geval geen revolver, aangezien gebruik van een revolver kruitsporen achterlaat. [verdachte] heeft mij verteld dat het slachtoffer achter het stuur van een bestelbus zat en dat hij naar het bestuurdersportier is toegelopen. Toen het portier geopend was stelde [slachtoffer] zichzelf voor en heeft [verdachte] nog gezegd: "Ja, hallo, ik ben [verdachte]" en is vervolgens meteen gaan schieten. [slachtoffer] heeft zich nog met zijn handen afgeweerd en is daarbij vermoedelijk door zijn hand geschoten. [verdachte] heeft mij niet verteld op welk deel van het lichaam van [slachtoffer] hij gericht heeft. Nadat [verdachte] zich ervan had vergewist dat [slachtoffer] dood was, is [verdachte] vertrokken. Hij liet [slachtoffer] achter gelegen vóór of op de bijrijderstoel van de bestelbus. [slachtoffer] zat in ieder geval niet meer op de chauffeursstoel. [verdachte] heeft het portier van de bestelbus dicht gegooid.

De opdrachtgever van [verdachte] was volgens [verdachte] een man genaamd[persoon 1]uit Eindhoven. [persoon 1] is een blanke man van omstreeks 45 jaar en heeft zwart, krullend haar, dat hij half lang draagt. [persoon 1] is dik. [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij 50.000 euro voor die liquidatie heeft gekregen. Hij is daarvan o.a. samen met [getuige 6]op vakantie naar Tenerife gegaan en verder zal hij er de bankrekeningen wel mee hebben aangevuld. (...) Tijdens zijn detentie had [verdachte] al met [persoon 1] afgesproken dat hij iemand voor hem zou "opknappen". Tijdens detentie kreeg [verdachte] al gelden op zijn rekening gestort door/namens die [persoon 1]. Dat "opknappen" zou in België moeten gebeuren en het betrof een Nederlander die vlak over de grens in België woont. Deze persoon was de organisatie van [persoon 1] uit Eindhioven geld schuldig of handel en met handel bedoel ik handel in drugs. [slachtoffer] is geliquideerd, maar [slachtoffer] was dus eigenlijk niet de persoon die gedood moest worden. Dat begreep ik tenminste van [verdachte]. (...)

[verdachte] heeft tegen mij gezegd dat hij de liquidatie in zijn eentje heeft uitgevoerd, in opdracht van die [persoon 1]. Ik denk dat [verdachte] mij het vorenstaande heeft verteld om stoer te doen. [verdachte] heeft mij verteld dat achterin de bestelbus van [slachtoffer] lege vaten stonden."

Na het verhoor bij de rechter-commissaris heeft de NN-getuige nog twee telefoonnummers doorgegeven, waarvan verdachte volgens hem/haar destijds gebruik heeft gemaakt. (De rechtbank zal hierna omwille van de leesbaarheid steeds over de NN-getuige schrijven in de mannelijke vorm. Uiteraard is het de rechtbank niet bekend of de NN-getuige een man of vrouw is, omdat ook voor de rechtbank de ware identiteit van de getuige is afgeschermd.)

4. De verklaring van getuige [getuige 6]

Op 5 november 2009 heeft de politie [getuige 6] in haar woning gehoord. Zij heeft toen onder meer het volgende verklaard.

"Ik heb van 2002 tot 2006 een relatie gehad met [verdachte]. Ik heb [verdachte] leren kennen in de P.I. in Lelystad in 2002. [verdachte] zat daar toen gedetineerd en ik werkte daar. Nadat [verdachte] was vrij gekomen, is hij bij mij in huis komen wonen. Dat was in de [adres] in Ens. We hebben toen ook een relatie gekregen. (...)

Ik weet van twee moorden die [verdachte] heeft gepleegd. Althans: dat heeft hij mij verteld. Ik ben daar niet zelf bij geweest. Het gaat dan om een moord op een Marokkaanse jongen in een busje en een moord ergens bij een restaurant in een bosrijke omgeving waarbij een scooter is gebruikt en gevonden. Die van die Marokkaanse jongen was in de buurt van Eindhoven. (...) Toen u zei dat u uit Eindhoven kwam, wist ik meteen dat het om [verdachte] moet gaan dat u hier bent. Dat weet ik, omdat in Eindhoven of daar in de buurt "[alias]" woont. Ik ken hem goed, maar ik kom gewoon echt even niet op zijn naam. (...) [alias] regelt alles daar in de buurt van Eindhoven. [verdachte] was een loopjongen voor [alias]. (...) [alias] is ongeveer 47-48 jaar. Hij had een villa net over de grens in België.

De opdracht om die Marokkaanse jongen te vermoorden had [verdachte] van [alias] gekregen. (...) Die Marokkaan was eigenlijk niet degene die ze moesten omleggen, maar degene die eigenlijk dood moest, kregen ze niet te pakken. Daarom moest die Marokkaan maar dood: als waarschuwing voor degene die eigenlijk dood moest. De reden dat die jongen vermoord moest worden had te maken met XTC en dat ze belazerd waren. (...)

Ik hoorde pas later van die moord van [verdachte]. Op een gegeven moment wilde [verdachte] 's avonds per se Opsporing Verzocht zien. Hij vertelde dat daar iets op kwam dat hij mij wilde laten zien. Toen werd die moord op die Marokkaanse jongen behandeld in het programma en vertelde [verdachte] dat hij dat had gedaan en vertelde er toen over. Dat was het eerste moment dat ik van de hele moord hoorde.

Wat ik concreet weet van die moord, weet ik van [verdachte]. Hij heeft mij hierover zelf verteld. Wat ik weet is:

- Dat het om een Marokkaanse jongen ging die ergens begin 20 jaar oud was.

- Die jongen zat in een bestelbus.

- [verdachte] was mogelijk op een motor. (...) [verdachte] is die dag dat de moord gepleegd zou zijn op een motor weggegaan. Het was koud en ver weg en ik begreep niet waarom hij dan op de motor ging. Als hij naar Eindhoven (...) ging, ging hij vaak met de trein.

- De moord moet zijn gepleegd op een soort van homo-ontmoetingsplaats net buiten Eindhoven.

- De jongen is neergeschoten door [verdachte]. Die jongen zat te wachten in de bestelbus. Er was een soort van wachtwoord of codezin afgesproken. (...) [verdachte] klopte op het raam en het wachtwoord of de codezin werd gezegd. Toen dat gezegd was, heeft [verdachte] die jongen neergeschoten.

- [verdachte] heeft de moord, alleen, zonder anderen, gepleegd.

- [verdachte] heeft van [alias] honderdduizend euro betaald gekregen voor het plegen van die moord. (...)

- Omstreeks 15 of 20 oktober 2002 zijn we naar Gran Canaria gegaan. [verdachte] rookte altijd filtersigaretten." 17

In een volgend verhoor heeft [getuige 6] nog verklaard:

"Er is waarschijnlijk drie keer geschoten. [verdachte] zei altijd dat je minimaal drie keer moest schieten: voor de zekerheid. Dat iemand zeker dood was. Het was twee keer bij het hart en één keer in het hoofd, of net andersom. (...) Ik weet dus niet of dat specifiek bij die Marokkaan (...) ook zo is gegaan." 18 Ook heeft zij nog verklaard dat ze voor het eerst een wapen bij verdachte zag in de zomer van 2002, toen hij ging proefschieten in een bosperceel bij Emmeloord.19 Aan [getuige 6] zijn twee foto's getoond van [getuige 7]. [getuige 6] verklaarde daarop dat dit [alias] was.20

5. Is verdachte de dader?

5.1. Standpunt van de officier van justitie

Verdachte heeft geen plausibele verklaring gegeven voor de aangetroffen peuk. Verdachte heeft wisselend en tegenstrijdig verklaard over zijn mogelijke aanwezigheid aldaar. De plaats waar de peuk is aangetroffen, leent zich goed om ongezien voor naderende bezoekers overzicht te houden over de parkeerplaats.

De NN-getuige heeft geloofwaardige en betrouwbare verklaringen afgelegd. Op vele punten kloppen zijn verklaringen met gegevens uit de politiesystemen, de forensisch-technische bevindingen en andere getuigenverklaringen.

De verklaringen van de NN-getuige mogen voor het bewijs worden gebruikt. De beperkingen die het verhoren van een getuige met de status van bedreigde getuige met zich mee brengt, zijn voldoende gecompenseerd.

Ook [getuige 6] heeft geloofwaardige en betrouwbare verklaringen afgelegd. Veel onderdelen uit haar verklaringen stemmen overeen met gegevens uit tactische onderzoeksresultaten, de forensisch-technische bevindingen en andere getuigenverklaringen. Zij is in haar eerste verhoor in 2009 uit zichzelf begonnen over het delict. Zij heeft de belastende verklaringen afgelegd, ondanks haar angst voor verdachte.

De verklaringen van de NN-getuige en van [getuige 6] komen met elkaar overeen op belangrijke punten. Dit terwijl de bedreigde getuige tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard nooit met [getuige 6] over dit delict te hebben gesproken.

Geconcludeerd moet worden dat verdachte [slachtoffer] heeft gedood. Uit de wijze waarop hetdelict is gepleegd, volgt dat hij heeft gehandeld met voorbedachte raad. Hij heeft doelbewust geschoten en voorafgaand aan de schoten had hij tijd zich te beraden op het te nemen of genomen besluit. De officier acht bewijsbaar dat verdachte een uitgelokte dader is, die alleen en in opdracht [slachtoffer] heeft geliquideerd. Voor het medeplegen van de moord is onvoldoende bewijs.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Allereerst is aangevoerd dat in CIE-informatie en getuigenverklaringen wel zes namen worden genoemd van mogelijke daders. Op basis van het dossier valt niet vast te stellen, wie de daadwerkelijke schutter is geweest. Ook al zou verdachte op de plaats delict zijn geweest ten tijde van de moord, dan nog wil dat niet zeggen dat hij degene is geweest die heeft geschoten. De sigarettenpeuk is op ruime afstand van de bestelbus aangetroffen. De vondst daarvan levert hooguit steunbewijs op dat verdachte tussen 7 oktober 2002, 20.20 uur en 8 oktober 2002, 8.40 uur in de buurt van de plaats delict is geweest. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij bij de plaats delict geregeld met [getuige 7] ging joggen. [getuige 7] heeft dat bevestigd, evenals andere getuigen.

De verklaring van de NN-getuige dient te worden uitgesloten van het bewijs. Uit het dossier blijkt niet dat de vermeende dreiging een feitelijke grondslag heeft. Bij het gebruik van anonieme getuigenverklaringen komt het in artikel 6 van het EVRM neergelegde beginsel van equality of arms en fair trial in het gedrang. De rechter-commissaris heeft hier zelf in zijn beschikking van 11 oktober 2011 op gewezen in een "ten overvloede". Mocht de rechtbank toch de verklaring van de NN-getuige voor het bewijs willen gebruiken, dan verzoekt de verdediging de rechtbank alsnog de rechter-commissaris als getuige te horen over diens bedenkingen tegen het verlenen van de status van de bedreigde getuige.

Mocht er al sprake zijn van het terecht toekennen van die status, dan is de inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijk proces onvoldoende gecompenseerd. Bovendien zou een bewezenverklaring, in strijd met artikel 344a, eerste lid Sv, in beslissende mate zijn gebaseerd op de verklaring van een anonieme getuige.

Overigens bevat de verklaring van de NN-getuige inconsistenties en komt deze niet betrouwbaar over. Hij heeft in zijn verklaring uit 2005 zelf dingen verzonnen. Zijn verklaring is ook deels tegenstrijdig met wat [getuige 6] heeft verklaard. In de verklaring van [getuige 6] is niet duidelijk wat ze van verdachte zelf heeft gehoord en wat ze heeft vernomen in de uitzending van Opsporing Verzocht. Het is ook mogelijk dat verdachte om stoer te doen [getuige 6] een sterk verhaal op de mouw heeft willen spelden.

Ten slotte heeft de verdediging een alternatief scenario geschetst. Reeds vanwege dit alternatieve scenario dient verdachte te worden vrijgesproken.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

5.3.1. Was verdachte op de plaats delict toen de fatale schoten werden gelost?

De rechtbank dient ter beantwoording van die vraag allereerst vast te stellen, wanneer de fatale schoten zijn gelost. De technisch rechercheurs hebben vastgesteld dat [slachtoffer] is overleden in de vroege ochtend van 8 oktober 2002. De getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] hebben elk verklaard dat zij rond 7.15 uur een aantal knallen hebben gehoord (respectievelijk zes of zeven, vier of vijf en vijf of zes knallen). De genoemde aantallen stroken met het aantal hulzen en kogels dat op de plaats delict is aangetroffen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [slachtoffer] op 8 oktober 2002 omstreeks 7.15 uur is doodgeschoten.

Vervolgens is dan de vraag aan de orde of verdachte op dat moment op de plaats delict was. Op enkele tientallen meters van de plaats delict is een sigarettenpeuk aangetroffen met daarop het DNA-profiel van verdachte. De sigaret was opgebrand en had een askegel achtergelaten. Deze moet dus bij droog weer brandend zijn achtergelaten. Volgens het KNMI had het niet meer geregend na 7 oktober 2002, 20.20 uur. [slachtoffer] is aangetroffen 8 oktober 2002 om 8.40 uur. Verdachte moet dus tussen beide tijdstippen zeer dicht bij de plaats delict zijn geweest.

Zelf heeft verdachte verklaard dat de peuk daar terecht kan zijn gekomen, omdat hij geregeld ging joggen nabij plaats delict. Het is in theorie niet uit te sluiten dat verdachte daar toen heeft gejogd en een sigaret heeft gerookt. Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat hij en verdachte "in het verleden een aantal keren samen zijn wezen hardlopen bij de visvijver".21 Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat hij vaak met [getuige 7] bij de Ekkersweijer heeft gelopen en dat ook verdachte "wel eens" heeft meegelopen.22 De vraag is echter of verdachte ook al vóór 8.40 uur ging joggen nabij de plaats delict . Zelf heeft verdachte aanvankelijk verklaard dat hij jogde in de ochtend. "Meestal liepen we zo tussen 8 en 9. Altijd samen met [getuige 7]. Altijd 's morgens. (...) We gingen dan eerst een grote ronde lopen. De kleine ronde liepen we meestal gewoon daarna te wandelen. (...) De grote ronde was ongeveer 5 en de kleine ronde 21/2 tot 3 km. Een uur minimaal zijn we zeker wel onderweg."23 Gegeven het feit dat vanaf 8.40 uur de parkeerplaats was afgezet en gegeven het tijdvak van minimaal een uur dat verdachte naar eigen zeggen jogde met [getuige 7], zou dit betekenen dat verdachte op de bewuste ochtend uiterlijk om 7.40 uur zou zijn begonnen met joggen. Daarvóór zou hij dan nog eerst met [getuige 7] uit Eindhoven naar de parkeerplaats hebben moeten rijden en dus in ieder geval al vóór half 8 moeten zijn vertrokken.

Dit is strijdig met wat [getuige 7] heeft verklaard over het moment van joggen. Hij heeft hierover verklaard: "Als wij gingen lopen, dan was dat 's middags, omdat [verdachte] niet zo'n vroege vogel was. Zelf ben ik wel altijd vroeg op". Als hij vervolgens wordt geconfronteerd met de verklaring van verdachte dat ze 's morgens jogden, blijft [getuige 7] bij zijn verklaring dat het in de middag was: "Ik ben vaak zat 's morgens daar geweest, maar daar was [verdachte] volgens mij niet bij. Ik ben in de veronderstelling dat we meestal 's middags gingen."24 Als dan verdachte vervolgens met deze verklaring van [getuige 7] wordt geconfronteerd, verklaart verdachte: "Nou 's middags. Het was gewoon 's morgens 9 uur half 10, hij is bij wijze van spreken ook wel eens geweest 's morgens en dan gingen we eerst nog even ergens anders heen, een verhaaltje of zo of ergens wat doen en dan gingen we erheen". Verdachte noemt nu dus een later tijdstip, een aanvangstijd waarbij het onmogelijk is dat verdachte al vóór 8.40 uur vóór of na het joggen een sigaret rookte nabij de plaats delict.

Daar komt bij dat verdachte in zijn eerste politieverhoor, op 23 februari 2010, heeft verklaard nooit bij de Ekkersweijer te zijn geweest.25 Na confrontatie een dag later met het gegeven van zijn DNA-profiel op de peuk, verklaart hij dat hij zich op zijn zwijgrecht beroept "en dat daar wel een logische verklaring voor zal zijn".26 In een daarop volgend verhoor verklaart hij dat hij "wel een logische verklaring heeft voor het van hem aangetroffen DNA, maar dat de politie daar nog even geduld voor moet hebben."27 Pas tijdens zijn verhoor van 20 mei 2010 (dus bijna 3 maanden na het eerste politieverhoor) geeft verdachte als verklaring voor zijn DNA op de peuk het samen met [getuige 7] joggen bij de plaats delict.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij op de bewuste ochtend op de plaats delict kan zijn geweest om te joggen, niet geloofwaardig. Verdachte heeft dus niet een aannemelijke verklaring kunnen geven voor zijn aanwezigheid zeer dicht bij de plaats delict in de nacht of vroege ochtend van 8 oktober 2002.

Daarmee is echter nog niet bewezen dat verdachte op de plaats delict was tijdens het doodschieten van het slachtoffer en dat hij de schutter is geweest. Het op de peuk aangetroffen DNA-profiel is echter wel een bewijsmiddel dat in belangrijke mate steun biedt aan de getuigenverklaringen van de NN-getuige en van [getuige 6].

5.3.2. Berichtgeving in de media.

De vraag is vervolgens, of de getuigenverklaringen van de NN-getuige en [getuige 6] voldoende betrouwbaar en geloofwaardig zijn om tot het bewijs bij te kunnen dragen. Daarbij is van belang in hoeverre zij hun wetenschap over het delict hebben kunnen halen uit berichten in de media. Zo heeft [getuige 6] verklaard dat zij een uitzending van Opsporing Verzocht heeft gezien, waarin over het delict werd bericht.

Op 28 oktober 2002 en 4 november 2002 heeft Opsporing Verzocht een uitzending gewijd aan het delict. In verband daarmee werd informatie verstrekt aan de media. Daarin is onder meer het volgende meegedeeld over het delict.28

- datum delict;

- plaats delict (parkeerplaats bij visplas Ekkersweijer) met uitvoerige routebeschrijving en bereikbaarheid van de parkeerplaats;

- om 8.40 uur rijdt een politie-eenheid het terrein op. Zij zien "dat op deze parkeerplaats een blauwe bestelauto stond geparkeerd. Toen zij de auto en de man aan het stuur nauwkeuriger bekeken, zagen zij dat de bestuurder niet meer ademde en voelden zij geen hartslag meer";

- de technische recherche constateerde "dat de man door schoten uit een vuurwapen om het leven was gebracht;

- het slachtoffer was de 28-jarige [slachtoffer]. Hij was van Marokkaanse afkomst. Hij hield zich in het verleden bezig met verdovende middelen;

- aan de kijker werd als vraag voorgelegd: "Wie is er op dinsdag 8 oktober 2002 tussen 06.00 en 09.00 uur in de nabijheid van de parkeerplaats geweest en heeft daar iets gezien of gehoord?"

- bijgeleverd werden foto's van o.a. de blauwe bestelauto en een pasfoto van het slachtoffer.

Verder heeft volgens de politie in de pers gestaan dat "het slachtoffer met twee kogels was doodgeschoten, waarvan één in het hoofd". Het precieze aantal schoten en het gebruikte kaliber zijn nooit vrijgegeven.29

5.3.3. De verklaring van de NN-getuige.

De rechtbank zal allereerst nagaan in hoeverre zijn hierboven geciteerde verklaring strookt met de bevindingen van het opsporingsonderzoek.

Uit de GBA blijkt dat verdachte inderdaad heeft gewoond op het adres [adres] te [woonplaats]. De medebewoonster heette niet [getuige 6], maar [getuige 6].30 Zij was in 2003 werkzaam in de P.I. Lelystad en is in datzelfde jaar ontslagen vanwege een relatie met verdachte, toen hij in deze P.I. gedetineerd zat.31 Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij na zijn detentie bij [getuige 6] is ingetrokken.

Het delict is inderdaad begaan in de vroege ochtend van een dag in oktober 2002 op een parkeerplaats in de buurt van Eindhoven. Dat de dader vier à vijf keer heeft geschoten strookt met het aantal patroonhulzen en kogels dat is aangetroffen. De NN-getuige vermoedde dat de patronen van 9mm kaliber waren en dat is inderdaad het geval. Zijn vermoeden dat is geschoten met een (semi-) automatisch pistool strookt met de bevindingen van het NFI. Het slachtoffer zat achter het stuur van een bestelbus. Dat hij zich met zijn handen heeft afgeweerd is een mogelijke verklaring voor de inschotopening onder zijn linkeroksel. Het portier van de bestelbus was dicht, wat past in de verklaring van de NN-getuige dat verdachte het portier van de bestelbus heeft dichtgegooid. Nadat de NN-getuige de verklaring bij de rechter-commissaris had afgelegd, heeft hij de rechter-commissaris twee mobiele nummers doen toekomen. Van één nummer waren geen gegevens bekend. Het tweede nummer bleek in 2003 in gebruik te zijn geweest bij verdachte.32

Enkele onderdelen uit de verklaring van de NN-getuige konden niet worden bevestigd in het opsporingsonderzoek. Het portier was afgesloten. Er stonden geen lege vaten in de bestelbus. Het slachtoffer is niet in de hand geschoten en is niet achtergebleven op de bijrijderstoel. Ene [persoon 1] uit Eindhoven kon niet worden getraceerd. Uit bankgegevens van verdachte blijkt niet dat hij een grote som geld heeft ontvangen rond de datum delict.33 Op de rekening van verdachte zijn tijdens zijn detentie in Lelystad geregeld geldbedragen gestort, maar niet kon worden achterhaald wie deze bedragen heeft gestort. Verdachte is met [getuige 6] niet naar Tenerife, maar naar Gran Canaria op vakantie gegaan.

Sommige gegevens kan de NN-getuige uit de pers hebben vernomen: het tijdstip van het delict (de vroege ochtend van een dag in oktober 2002), een vuurwapen, dat het slachtoffer achter het stuur van een bestelbus zat. Andere gegevens kan hij niet uit de pers hebben vernomen: het juiste aantal schoten, het soort vuurwapen en het vermoedelijke kaliber van de patronen, het afweren van de schoten, de relatie van verdachte met [getuige 6] en hun verblijfplaats in Ens, het mobiele nummer van verdachte.

Op verzoek van de verdediging is de NN-getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Punt van geschil is geweest, of hij moest worden gehoord als bedreigde getuige in de zin van artikel 226a Sv. De officier van justitie had daartoe een vordering ingediend bij de rechter-commissaris. Bij beschikking van 16 augustus 2011 heeft de rechter-commissaris deze vordering afgewezen. In hoger beroep heeft de raadkamer van de rechtbank op 9 november 2011 de beschikking van de rechter-commissaris vernietigd en de NN-getuige de status van bedreigde getuige toegekend. Uiteindelijk is hij onder ede gehoord op 2 maart 2012. De officier van justitie en de raadsman van verdachte waren in de gelegenheid gesteld schriftelijke vragen in te dienen. Ze mochten van de rechter-commissaris het verhoor niet bijwonen.

De getuige heeft verklaard dat hij blijft bij zijn verklaring van 8 april 2005. De rechter-commissaris heeft hem indertijd geen toezeggingen gedaan, bijvoorbeeld door een beloning in het vooruitzicht te stellen. Verder heeft de getuige verklaard dat hij "op geen enkele wijze over die moord had gehoord, voordat [verdachte] mij over die moord vertelde. Nadat [verdachte] mij alles verteld had, heb ik ook geen kennis via een of ander media omtrent deze zaak gekregen. (...) Wat ik tegenover de rechter-commissaris heb verklaard, wist ik dus enkel van [verdachte]. (...) Ik heb nimmer met [getuige 6] over deze zaak gesproken." De rechter-commissaris heeft vastgesteld dat er zich in het strafdossier geen verklaring op naam van de NN-getuige bevindt.34

De rechtbank acht de verklaringen van de NN-getuige voldoende geloofwaardig en betrouwbaar om deze te kunnen gebruiken voor het bewijs. Zowel in 2005 als in 2012 heeft de rechter-commissaris de verklaring van de getuige beoordeeld als betrouwbaar. De verklaringen zijn consistent en gedetailleerd. De verklaringen worden op essentiële onderdelen ondersteund door bevindingen uit het opsporingsonderzoek en bevatten daderwetenschap die de getuige niet kan hebben verkregen uit de media. Hij heeft onder ede verklaard ook geen contact te hebben gehad met [getuige 6] over deze zaak. Zijn verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen met de verklaringen van [getuige 6]. Een opmerkelijk voorbeeld daarvan is dat beiden verklaren dat [slachtoffer] niet het eigenlijke doelwit was. Beiden verklaren ook dat verdachte [slachtoffer] alleen heeft gedood en dat verdachte [slachtoffer] na het wisselen van enkele woorden meteen heeft doodgeschoten

5.3.4. De getuigenverklaringen van [getuige 6].

De rechtbank zal allereerst nagaan in hoeverre haar hierboven geciteerde verklaring strookt met de bevindingen van het opsporingsonderzoek.

Het slachtoffer was inderdaad een Marokkaanse jongen van in de twintig (zij het op datum delict niet begin 20, maar 28 jaar) die in een bestelbus zat. Er is minimaal 3 keer geschoten, door hoofd en hart. De plaats delict was inderdaad net buiten Eindhoven. Dat het een homo-ontmoetingsplaats was, is ook door de politie geconstateerd.35 Dat verdachte op de motor was, strookt met de aangetroffen bandensporen. Het was die ochtend koud (volgens het KNMI 5 a`6 graden Celsius36). Dat verdachte op het raam heeft geklopt, past bij het gegeven dat het portierraam van de bestelbus openstond. De op de plaats delict aangetroffen peuk was een filtersigaret. Dat [getuige 6] met verdachte kort na datum delict naar Gran Canaria is gegaan, blijkt uit pintransacties van [getuige 6] en is ook ter zitting door verdachte bevestigd.37 [getuige 7] woonde in Neerpelt, net over de Belgische grens.38

Op enkele onderdelen kon de verklaring van [getuige 6] tijdens het opsporingsonderzoek niet worden bevestigd. Uit bankgegevens van verdachte blijkt niet dat hij een grote som geld heeft ontvangen rond de datum delict.39 Het bosperceel bij Emmeloord is doorzocht, maar de enige kogel die men heeft gevonden past niet bij een vuurwapen met 9mm

Parabellum patronen.40 Ook stelt de rechtbank vast dat [getuige 6] een aantal details noemt, die aan de media zijn verstrekt in verband met de uitzending van Opsporing Verzocht: leeftijd en nationaliteit van het slachtoffer, de plaats delict, de bestelbus, slachtoffer was de bestuurder. Daar staat tegenover dat ze enkele details heeft genoemd die ze niet kan hebben gehoord bij de uitzending van Opsporing Verzocht: het aantal schoten, schoten door hoofd en hart, de homo-ontmoetingsplaats, de filtersigaret, het kloppen op het portierraam. Bovendien heeft verdachte tegenover de politie en ter zitting bevestigd, dat hij met [getuige 6] naar de uitzending van Opsporing Verzocht heeft gekeken en toen met haar over het delict heeft gepraat. Hij heeft hierover het volgende verklaard.

"Op een gegeven moment zitten wij naast elkaar Opsporing Verzocht te kijken, komt die moordzaak. Kijkt ze me aan, omdat ik veel in Eindhoven was, zegt ze: oh, nou weet ik wat jij daar doet. Heb ik zoiets gezegd, weet ik niet meer precies van, als je dat maar weet, dan weet je ook dat je nooit vervelend moet zijn tegen me, want anders kom jij ook aan de beurt. En je moet er niet over praten, want dan... weet je, zoiets in ieder geval."41

Aan de betrouwbaarheid van haar verklaring draagt bij dat ze tijdens het eerste politieverhoor spontaan begon te verklaren over het delict en het aandeel van verdachte daarin. De verbalisanten hebben daarover het volgende gerelateerd.

"Nadat wij verbalisanten getuige [getuige 6] hadden meegedeeld dat wij van de politie Eindhoven waren en verzochten haar te spreken, verklaarde zij: "Dan gaat het over [verdachte]". Wij verbalisanten hebben dit bevestigd en vroegen haar te verklaren wat zij over [verdachte] kon verklaren". Daarna legde zij de hierboven geciteerde verklaring af, waarin zij in detail vertelde wat zij wist over het delict. Over de door [getuige 6] afgelegde verklaringen hebben de verbalisanten nog het volgende gerelateerd. "Gedurende dit eerste verhoor werden door ons verbalisanten, slechts enkele aanvullende of verduidelijkende vragen gesteld naar aanleiding van wat [getuige 6] verklaarde. Het "spontane" verhaal zoals [getuige 6] dat vertelde was dusdanig uitgebreid en gedetailleerd dat dit juist door niet direct door te vragen het meest objectief en betrouwbaar kon worden geacht. (...) Vanaf het derde verhoor werd pas daadwerkelijk doorgevraagd, zodat de eerste en tweede verklaring haar spontane en neutrale verklaring bleven. Bij het doorvragen werd bewust op verscheidene onderwerpen bevraagd, in verschillende chronologie, volgorde en onderdelen om zo de betrouwbaarheid van de verklaring te kunnen toetsen."42

De rechtbank merkt in dat verband nog op dat [getuige 6] al op een eerder moment, dus voordat de politie haar voor het eerst verhoorde, al aan haar vriend, [persoon], heeft verteld over de moord. Hij verklaarde dat hij eind 2008 met [getuige 6] naar Eindhoven is gereden. "Onderweg naar Eindhoven begon [getuige 6] spontaan te vertellen dat haar ex [verdachte] iemand omgelegd had. [Getuige 6] vertelde dat [verdachte] dit in opdracht had gedaan van iemand genaamd [alias]. (...) Op het moment dat zij dit vertelde zag ik de angst in haar gezicht."43 Op verzoek van de verdediging is [getuige 6] op 14 september 2010 bij de rechter-commissaris gehoord. Daar heeft ze in grote lijnen herhaald wat ze al eerder bij de politie had verklaard. "Bij de politie heb ik de waarheid verklaard", aldus [getuige 6].44

De rechtbank wijst tot slot op de overeenkomsten tussen de verklaringen van [getuige 6] en de NN-getuige.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de getuigenverklaringen van [getuige 6] betrouwbaar en geloofwaardig zijn en daarom kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

6. Bewijsuitsluiting van de verklaring van de NN-getuige?

Volgens de verdediging is de beslissing van de raadkamer om de NN-getuige de status van bedreigde getuige toe te kennen, ontoereikend gemotiveerd. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de overweging ten overvloede van de rechter-commissaris in zijn beschikking van 11 oktober 2011. Daarin stelt de rechter-commissaris dat er "voorts inhoudelijke redenen zijn, waarom de rechter-commissaris van oordeel is dat de NN-getuige niet als bedreigde

getuige moet worden gehoord, gelet op de daaraan uit dien hoofde verbonden beperkingen, nu dit mogelijk een schending van het beginsel van een fair trial in de strafzaak met zich kan brengen". Deze overweging is voor de verdediging aanleiding geweest ter zitting een voorwaardelijk getuigenverzoek te doen: als de rechtbank de verklaring van de NN-getuige als bewijsmiddel wil bezigen, dan dient de rechter-commissaris als getuige te worden gehoord. De verdediging wil dan de rechter-commissaris nader ondervragen over de geciteerde zinsnede en daarmee naar zijn bedenkingen tegen het toekennen van de status van bedreigde getuige.

De rechtbank wijst dit voorwaardelijk verzoek af en overweegt daartoe het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie kan de zittingsrechter slechts bij hoge uitzondering treden in het oordeel van de raadkamer dat de getuige moet worden gehoord als bedreigde getuige. In zijn arrest van 10 september 2002 heeft de Hoge Raad hierover het volgende overwogen.

De wetgever heeft de beantwoording van de vraag of een getuige terecht als een bedreigde getuige in de zin van artikel 226a Sv is aangemerkt, willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter, tenzij aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge artikel 226a en/of 226b Sv gegeven bevel dat bij het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden, zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van artikel 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van verdachte op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM (Hoge Raad, 10 september 2002, LJN: AF0556).

De rechtbank is niet gebleken van zodanige fundamentele gebreken in de beschikking van de raadkamer. De beschikking is niet onbegrijpelijk gemotiveerd en aan de formele vereisten van de 226a-procedure is voldaan. Dat de rechter-commissaris tot een ander oordeel kwam, maakt dit niet anders. Gelet daarop zou het horen van de rechter-commissaris strijdig zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de verdediging de rechter-commissaris niet wil horen over hetgeen door hem is waargenomen, maar om hem nadere vragen te stellen over zijn bedenkingen in het kader van artikel 6 EVRM tegen het toekennen van de status van bedreigde getuige (zie Hoge Raad 18 mei 1999, LJN: ZD1336).

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de beperking van het ondervragingsrecht van de verdediging dient te worden gecompenseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval deze beperking voldoende gecompenseerd. Weliswaar kon de verdediging niet bij het verhoor aanwezig zijn, maar dit gold ook voor de officier van justitie, zodat de equality of arms was verzekerd. De verdediging heeft schriftelijke vragen kunnen indienen.

De raadsman heeft ter zitting gesteld dat de NN-getuige een aantal vragen niet hoefde te beantwoorden, maar dit is feitelijk onjuist. Blijkens het proces-verbaal van verhoor heeft de rechter-commissariss bij sommige vragen de antwoorden van de NN-getuige wel gehoord, maar niet laten opnemen in het proces-verbaal in verband met het afschermen van de getuige. Artikel 226, derde lid, Sv biedt de rechter-commissaris deze mogelijkheid. Mede gezien het bepaalde in het eerste lid van dit artikel dient het dan wel te gaan om vragen die de identiteit van de bedreigde getuige aan het licht kunnen brengen. Het is de rechtbank niet gebleken dat in dit geval aan dat vereiste niet is voldaan. De rechter-commissaris heeft overigens de niet geverbaliseerde antwoorden wel kunnen gebruiken om de betrouwbaarheid van de verklaring van de NN-getuige te toetsen.

De rechtbank zal bovendien het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend of in beslissende mate gronden op verklaringen van de NN-getuige.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook het voor het bewijs bezigen van de verklaring van de NN-getuige niet in strijd met het in artikel 6 EVRM vastgelegde recht op een eerlijk proces.

7. Alternatieve scenario's

De verdediging heeft enkele alternatieve scenario's geschetst, op basis waarvan verdachte zou moeten worden vrijgesproken.

Allereerst heeft de verdediging de mogelijkheid geopperd dat verdachte uit grootspraak, om stoer te doen, tegen derden heeft verteld dat hij de fatale schoten heeft gelost. Dit scenario is in tegenspraak met de verklaring van verdachte zelf. Ter zitting heeft hij immers verklaard, dat hij tegen niemand heeft verteld [slachtoffer] te hebben vermoord.

Ter zitting heeft de verdediging nog het volgende alternatieve scenario geschetst.

[slachtoffer] is naar de plaats delict gelokt vanwege de aflevering van vaten chemicaliën die hij had verdonkeremaand. De resten amfetamine die in de laadruimte van de bestelbus zijn aangetroffen, wijzen daarop. In plaats van de kopers staat een aantal lieden klaar om hem de vaten afhandig te maken. Vervolgens knalt een van hen [slachtoffer] neer. De getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 4] en [getuige 5] ondersteunen deze mogelijkheid. [getuige 1] heeft verklaard een aannemersbusje te hebben zien wegrijden; [getuige 4] heeft een (bestel)auto zien staan; [getuige 5] heeft meerdere stemmen gehoord. Stel dat ook verdachte hierbij was, dan staat daarmee nog niet vast dat hij ook de schutter is geweest.

De rechtbank acht dit scenario niet geloofwaardig. Een van de conclusies uit het forensisch dossier luidt, dat er geen enkele forensische aanwijzing is voor de betrokkenheid van een andere dader dan verdachte.45 Het geschetste scenario gaat bovendien geheel voorbij aan de, naar het oordeel van de rechtbank betrouwbare en geloofwaardige verklaringen van de

NN-getuige en [getuige 6]. Beiden hebben verklaard dat verdachte tegen hen heeft gezegd, dat hij het alleen heeft gedaan. Hun beider verklaring wordt niet weerlegd door de getuigen [getuige 1], [getuige 4] en [getuige 5]. [getuige 5] heeft op 100 meter van de plaats delict "in de bebossing" twee mensen met elkaar horen praten.46 Uit haar verklaring valt niet op te maken, waar precies die twee personen zich volgens haar hebben bevonden. Zij moet de stemmen bovendien hebben gehoord geruime tijd voordat de fatale schoten zijn gelost. In haar verklaring zegt zij immers niets over het horen van knallen of schoten, terwijl die toch op grote afstand hoorbaar moeten zijn geweest. Dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 4] (en overigens ook [getuige 2]) een (bestel) auto hebben zien staan of wegrijden, is op zich nog geen aanwijzing dat er meerdere personen betrokken waren bij het doodschieten van

[slachtoffer]. Verdachte heeft overigens ook zelf niet verklaard dat hij met meerdere personen op de plaats delict is geweest om [slachtoffer] vaten chemicaliën afhandig te maken. Volgens verdachte heeft hij daar alleen maar in de omgeving gejogd.

8. Conclusie: verdachte heeft de fatale schoten gelost.

Op grond van de getuigenverklaringen van de NN-getuige en [getuige 6] en het DNA-profiel van verdachte op de sigarettenpeuk, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 oktober 2002 de fatale schoten heeft gelost.

9. Voorbedachte raad?

In zijn arrest van 28 februari 2012 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over het bestanddeel voorbedachte raad.

Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of er sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (Hoge Raad 28 februari 2012, LJN: BR2342).

In dit concrete geval kent de rechtbank gewicht toe aan de volgende feiten en omstandigheden.

[getuige 6] en de NN-getuige hebben verklaard dat verdachte naar de bestelbus is gelopen en dat hij vrijwel meteen nadat het portier(raam) was geopend op het slachtoffer is gaan schieten. Die verklaringen passen in de resultaten van het forensisch onderzoek. Het schotrestenonderzoek van het NFI heeft uitgewezen dat de schootsafstand tussen het vuurwapen en het hoofd van het slachtoffer 25 tot 75 cm. bedroeg. De technische recherche heeft uit de vindplaatsen van de patroonhulzen geconcludeerd dat het wapen door het geopend raam naar binnen is gestoken en dat er toen is geschoten.47. Er is geschoten op het hoofd en het hart van het slachtoffer, wat wijst op een doelbewuste, gerichte actie met de bedoeling het slachtoffer te doden. De inschotopening onder de linkeroksel van het slachtoffer wijst erop dat deze slechts heeft geprobeerd zich af te weren voor de schoten.

Uit niets blijkt dat verdachte in reactie op een daad van het slachtoffer heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Het beeld dat uit het forensisch onderzoek en de verklaringen van [getuige 6] en de NN-getuige ontstaat, is dat van een liquidatie. Inherent aan een dergelijke levensberoving is nu juist het planmatige karakter ervan.

Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het bestanddeel voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen.

10. Medeplegen?

Op basis van de verklaringen van de NN-getuige en [getuige 6], in samenhang met de bevindingen uit het forensisch onderzoek, acht de rechtbank bewezen dat verdachte als enige heeft geschoten. De rechtbank laat daarbij in het midden of verdachte heeft gehandeld in opdracht van een derde, al dan niet tegen beloning. De NN-getuige en [getuige 6] noemen verschillende personen als opdrachtgever. Voor het overige zijn er geen aanwijzingen dat verdachte heeft gehandeld in nauwe samenwerking met een derde. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken van het bestanddeel medeplegen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 08 oktober 2002 te Son, gemeente Son en Breugel, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen op het hoofd en bovenlichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan "moord". Zij vordert dat verdachte daarvoor zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaar onder aftrek van de tijd die verdachte voor deze zaak in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens vordert zij de opheffing van de schorsing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte en zijn raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft nog aangegeven dat in vergelijkbare zaken gevangenisstraffen van gemiddeld 12 tot 15 jaar worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit, zoals deze tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op rechterlijke uitspraken betreffende strafbare feiten, die vergelijkbaar zijn met het delict in deze strafzaak.

Factoren ten nadele van verdachte.

Verdachte heeft [slachtoffer] vermoord door van dichtbij meerdere kogels in diens lichaam te schieten. Het gaat hier om een buitengewoon ernstig feit. Het opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven beroven, behoort tot de zwaarste categorie delicten die het Wetboek van Strafrecht kent.

Deze moord draagt het karakter van een koelbloedige liquidatie. Een dergelijk bruut delict, gepleegd op een voor ieder toegankelijke plaats, schokt de rechtsorde en veroorzaakt in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid. Voor de nabestaanden betekent de dood van [slachtoffer] een onomkeerbaar verlies van een dierbare. Het heeft diep ingegrepen in hun leven, zoals blijkt uit de slachtofferverklaring die door een van de nabestaanden ter zitting is voorgelezen. Dat verdachte geen inzicht heeft willen geven in zijn motieven, maakt het onbegrip voor de moord en daarmee het verdriet voor de nabestaanden des te groter.

De rechtbank weegt verder in het nadeel van verdachte mee, dat hij ten tijde van het delict in 2002 al een aanzienlijk strafblad had. Daarop stonden vooral vermogensdelicten, waarvan een aantal met gebruik van of bedreiging met geweld. Verder is verdachte meermalen veroordeeld voor mishandeling en openlijk geweld. In 2001 is verdachte nog veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf (waarvan 8 maanden voorwaardelijk) voor een afpersing. Het ging daarbij om een gewapende overval op een winkel.

Over de mate waarin de bewezen verklaarde moord aan verdachte kan worden toegerekend, overweegt de rechtbank het volgende.

In verband met de eerder genoemde overval op de winkel hebben een psycholoog en een psychiater in februari 2001 een Pro Justitia rapportage uitgebracht over verdachte.

Volgens klinisch-psycholoog drs. Van Eynde wees het persoonlijkheidsonderzoek op "reeds jarenlang bestaande sterke antisociale en afhankelijke trekken bij een man met een opvallend criminele habitus". Hij vertoont maar in zeer beperkte mate empathisch vermogen. De persoonlijkheidsstructuur "doet psychopathisch aan". Kenmerkend hiervoor is zijn "impulsieve en extreem egocentrische levensstijl". Hij was echter volgens de psycholoog niet lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Betrokkene was volgens de psycholoog volledig toerekeningsvatbaar.

Psychiater dr. Kaiser constateerde dat er bij betrokkene sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar dat deze niet leidde tot vermindering van de wilsvrijheid van betrokkene. Ook de psychiater concludeerde dat betrokkene volledig toerekeningsvatbaar was.

Op 4 maart 2010 is verdachte voor een psychiatrisch consult voorgeleid bij justitieel forensisch psychiater Van Rijn. Tijdens dit consult heeft verdachte te kennen gegeven niet te zullen meewerken aan enig gedragskundig onderzoek.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er al met al geen aanwijzingen voor verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het delict. De rechtbank zal verdachte het delict dan ook volledig toerekenen.

Conclusie.

Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht doet aan de ernst van het delict. De rechtbank ziet geen gronden verdachte een andere vrijheidsstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Moord.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

* een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Opheffing van de schorsing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. van Dellen, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 9 juli 2012.

1 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 8 oktober 2002, p. 133-137. Waar in volgende voetnoten wordt volstaan met verwijzing

naar paginanummers, worden pagina's bedoeld uit het eind proces-verbaal no. PL2201/02-005410B, sluitingsdatum 5 januari 2011, 2237 pagina's.

2 Proces-verbaal technisch onderzoek, d.d. 20 oktober 2002, p. 166-186.

3 p. 176.

4 Sectieverslag NFI, d.d. 15 oktober 2002, p. 214-224.

5 NFI-rapport, d.d. 12 december 2002, p. 1817.

6 p. 179.

7 Brief van het KNMI d.d. 9 september 2008, p. 2200.

8 Aanvullend proces-verbaal van bevingen, d.d. 5 januari 2011, p. 1-3.

9 NFI-rapport d.d. 9 juli 2008, p. 1795.

10 P. 186.

11 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], d.d. 8 oktober 2002, p. 265, d.d. 9 april 2010, p. 1178-1180.

12 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2], d.d. 8 oktober 2002, p. 266.

13 Proces-verbaal van verhoor [getuige 3], d.d. 9 oktober 2002, p. 281-286, d.d. 14 april 2010, p. 1173.

14 [getuige 4], d.d. 11 oktober 2002, p. 300-301

15 Proces-verbaal van verhoor [getuige 5], 23 oktober 2002, p. 313 en proces-verbaal (relaas p-v Brasem 1), d.d. 26 augustus 2003, p. 123.

16 p. 1390-1391.

17 Proces-verbaal van verhoor [getuige 6], d.d. 5 november 2009, p. 438-444

18 Proces-verbaal van verhoor [getuige 6], d.d 8 november 2009, p. 447

19 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 7 februari 2010, p. 452.

20 Proces-verbaal van verhoor [getuige 6], d.d. 7 februari 2010, p. 452

21 Proces-verbaal van verhoor [getuige 7], d.d. 20 mei 2010, p. 738.

22 Proces-verbaal van verhoor [getuige 8], d.d. 22 december 2010, p. 1769.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 594, 598 en 622.

24 [getuige 7], d.d. 20 mei 2010, p. 738 en 741.

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 februari 2010, p. 491.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 februari 2010, p. 511 en 515

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 25 februari 2010, p. 553

28 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 29 oktober 2002, p. 248-249.

29 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 september 2009, p. 765.

30 Proces-verbaal d.d. 25 september 2009, p. 764.

31 Brief van het Ministerie van Justitie, d.d. 11 januari 2011, 1e aanvullend proces-verbaal d.d. 30 maart 2011, p. 12.

32 Proces-verbaal d.d 25 september 2009, p. 768.

33 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 april 2010, p. 1066-1072.

34 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, d.d. 2 maart 2012.

35 Proces-verbaal (relaas p-v Brasem 1), d.d. 26 augustus 2003, p. 112.

36 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 januari 2010, p. 805.

37 Ibidem, p. 805 en proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 25 juni 2012.

38 Proces-verbaal, d.d. 18 februari 2010, p. 802.

39 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 april 2010, p. 1066-1072.

40 Proces-verbaal onderzoek Brasem III, d.d. 23 maart 2010, p. 1056-1059 en NFI-rapport, d.d. 27 december 2010.

41 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 20 mei 2010, p. 596.

42 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 juni 2010, p. 1549 en 1550.

43 Proces-verbaal van verhoor, Innemee, d.d. 14 november 2009, p. 1587.

44 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, d.d. 14 september 2010.

45 Forensisch dossier, d.d. 5 november 2010, p. 1793.

46 Proces-verbaal van verhoor [getuige 5], d.d. 23 oktober 2002, p. 313 en proces-verbaal (relaas p-v Brasem I), d.d. 26 augustus 2003, p. 123.

47 Proces-verbaal Technische Ondersteuning, d.d. 20 februari 2002, p. 186.

??

??

19

Parketnummer: 01/089029-04

[verdachte]