Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX0815

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
01/995022-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt als feitelijk leidinggever [directeur] van diverse bedrijven veroordeeld omdat op een tweetal locaties een afvalstoffeninrichting in werking is geweest zonder de daartoe vereiste vergunning.en omdat op een van de locaties de bodem kon worden verontreinigd door de wijze waarop de afvalstoffen waren opgeslagen. Het verweer van verdachte dat de aangetroffen stoffen geen afvalstoffen waren, wordt verworpen. Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,--.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5171
JAF 2012/104 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/995022-10

Datum uitspraak: 9 juli 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 juni 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 april 2012. Na een tweetal wijzigingen van de tenlastelegging ter terechtzitting van 25 juni 2012 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 juli 2010 te Asten, gemeente Asten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, een in of op perceel [adres] gelegen inrichting, te weten een inrichting voor de opslag van diverse producten, tuin-/feestartikelen, speelgoed, automaterialen,verpakkingen en dergelijke zonder daartoe verleende vergunning hebben (heeft) veranderd, of de werking daarvan heeft veranderd door het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, te weten een hoeveelheid carbon black, met een capaciteit van meer dan 35 m3 en/of het overslaan en/of het bewerken en/of verpakken/ompakken en/of - nadat die inrichting was veranderd of de werking daarvan was veranderd - deze inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven; (artikel 8A lid 2 jo artikel 8.1 lid 1 Wet milieubeheer)

althans indien het voorgaande niet tot een veroordeling leidt:

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2010 tot en met 22 juni 2010, althans op of omstreeks 22 juni 2010 te Asten, gemeente Asten, aan of nabij de [adres], tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28 van het "Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer", zijnde een in Bijlage 1 onder II. van het "Besluit algemene regels voor inrichtingenmilieubeheer" aangewezen inrichting, in werking hebben (heeft) gehad, tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven; (artikel 8.1 lid 2 Wet milieubeheer)

2. [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2010 tot 20 juli 2010 te Asten, op een perceel gelegen aan of nabij de [adres], tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk handelingen op of in de bodem hebben (heeft) verricht, immers hebben zij (heeft zij) carbon black, op zodanige wijze opgeslagen en/of omverpakt en/of vervoerd en/of verwerkt, dat de bodem op of aan dit perceel hiermee werd vervuild en/of hebben zij (heeft zij) (vervolgens) die carbon black daar laten liggen, tengevolge waarvan die carbon black op of in de bodem kon geraken, zulks terwijl zij wisten (hij wist) of redelijkerwijs hadden (had) kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast en toen niet alle maatregelen hebben (heeft) genomen die redelijkerwijs van hen (hem) gevergd konden worden teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging of aantasting zich voordeed, de verontreiniging en/of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en/of deze zoveel mogelijk ongedaan te maken, tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven; (artikel 13 wet bodembescherming)

3. [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 16] en/of [bedrijf 5] op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2010 tot 26 november 2010 te Deurne, op een perceel gelegen aan of nabij de [adres], tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk handelingen op of in de bodem hebben (heeft) verricht, immers hebben zij (heeft zij) carbon black, op zodanige wijze opgeslagen en/of omverpakt en/of vervoerden/of verwerkt, dat de bodem op of aan dit perceel hiermee werd vervuild en/of hebben zij (heeft zij) (vervolgens) die carbon black daar laten liggen, tengevolge waarvan die carbon black op of in de bodem kon geraken, zulks terwijl zij wisten (hij wist) of redelijkerwijs hadden (had) kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast en toen niet alle maatregelen hebben (heeft) genomen die redelijkerwijs van hen (hem) gevergd konden worden teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging of aantasting zich voordeed, de verontreiniging en/of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en/of deze zoveel mogelijk ongedaan te maken, tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven; (artikel 13 wet bodembescherming)

4. [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 16] en/of [bedrijf 5] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2010 tot en met 12 augustus 2010, te Deurne, gemeente Deurne, in een of meer loodsen op of aan het terrein aan de [adres], tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28 van het "Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer", zijnde een in Bijlage 1 onder II van het "Besluit algemene regels voor inrichtingenmilieubeheer" aangewezen inrichting, in werking hebben (heeft) gehad, tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven. (artikel 8.1 lid 2 Wet milieubeheer)

Voor zover in de gewijzigde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman van verdachte bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte moet worden verklaard. Door de vervolging van verdachte zijn de beginselen van behoorlijke procesorde geschonden. De raadsman baseert zich daarbij op de navolgende feiten en omstandigheden.

a. Op 4 augustus 2010 heeft de politie Brabant Zuid-Oost een persbericht over deze zaak naar buiten gebracht onder de kop "Politie houdt man aan voor onjuist opslaan van kankerverwekkende stoffen". Deze kop en de inhoud van het bericht zijn onjuist en tendentieus. Dit bericht is door de media opgepakt en door de daarmee gepaard gaande publiciteit is verdachte door de media al veroordeeld voordat de rechtbank over deze zaak heeft geoordeeld. De mogelijkheid op een eerlijk proces is verdachte daardoor ontnomen en de belangen van verdachte zijn op grove wijze veronachtzaamd.

b. Mogelijk andere personen of bedrijven die bij de aan verdachte ten laste gelegde feiten waren betrokken, zijn niet vervolgd. De keuze van de officier van justitie verdachte wel te vervolgen is willekeurig en disproportioneel.

c. In 2007 heeft de politie in de loods, gelegen aan de [adres] te Asten al carbon black aangetroffen. Verdachte is toen niet opgedragen de carbon black te verwijderen en hij is voor het bezit daarvan ook niet vervolgd. Daaruit heeft verdachte geconcludeerd dat het strafrechtelijk onderzoek zich niet meer op die partij carbon black zou richten. Verdachte wordt nu alsnog vervolgd voor het in bezit hebben van die partij carbon black.

De rechtbank overweegt hierover het navolgende.

ten aanzien van onderdeel a

Op 4 augustus 2010 heeft de politie Brabant Zuid-Oost, onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie, een persbericht doen uitgaan onder de kop "Politie houdt man aan voor onjuist opslaan kankerverwekkende stof". Verderop in het persbericht staat vermeld dat in de loods van verdachte gelegen aan de [adres] te Asten de gevaarlijke fijnstof carbon black is aangetroffen die kankerverwekkend kan zijn. Deze laatste conclusie ('kan zijn') wordt bevestigd door de uitkomst van onderzoeken die het Nederlands Forensisch Instituut naar de stof carbon black heeft gedaan. Anderzijds was er volgens het NFI geen sprake van een gevaarlijke afvalstof. Nadat de politie voormeld persbericht had uitgebracht, heeft de media hier aandacht aan besteed, hetgeen voor verdachte negatieve publiciteit heeft opgeleverd.

Het gebruik van de woorden 'kankerverwekkend' en 'gevaarlijk' zonder dat dit wordt ondersteund door de conclusies van het NFI, levert in de gegeven omstandigheden - de stof is volgens het NFI wel mogelijk kankerverwekkend - geen zodanige schending van de beginselen van behoorlijke procesorde op dat dit de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg moet hebben.

ten aanzien van onderdeel b

In artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering is het opportuniteitsbeginsel vastgelegd. Dit houdt in dat enkel de officier van justitie kan besluiten dat naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek vervolging van een verdachte moet plaatshebben, maar dat daarvan kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Hierop is een ruime discretionaire bevoegdheid van de officier van justitie gebaseerd om al dan niet tot vervolging over te gaan. Deze bevoegdheid kan onder meer worden beperkt door de werking van de beginselen van behoorlijke procesorde, zoals het gelijkheidsbeginsel.

Het enkele feit dat verdachte wel is vervolgd en dat andere betrokken bedrijven of personen niet zijn vervolgd, brengt nog niet zonder meer mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Feiten of omstandigheden die zouden leiden tot het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel in deze zaak is geschonden, zijn niet aannemelijk geworden.

ten aanzien van onderdeel c

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat van de partij carbon black die op 20 juli 2010 op de locatie [adres] te Asten is aangetroffen, in 2007 al bekend was dat die partij daar stond. In 2007 is besloten verdachte daarvoor niet strafrechtelijk te vervolgen, maar om de bestuursrechtelijke weg te volgen. Een van de doelstellingen daarbij was dat de aangetroffen hoeveelheid carbon black, met inachtneming van de geldende regelgeving, zou worden afgevoerd. Deze doelstelling heeft verdachte echter niet gerealiseerd en daarom heeft de officier van justitie besloten verdachte alsnog te volgen toen de partij carbon black op 20 juli 2010 wederom in de locatie [adres] te Asten werd aangetroffen. Aan de beslissing, genomen in 2007 om verdachte niet strafrechtelijk te vervolgen, kon en mocht verdachte niet het vertrouwen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd als zou worden geconstateerd dat hij de partij carbon black niet op de voorgeschreven wijze had afgevoerd.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt de rechtbank het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot niet ontvankelijkverklaring van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.1

Bewijsmiddelen feit 1

Op 20 juli 2010 heeft [verbalisant 1], toezichthoudend ambtenaar Wet milieubeheer, deelgenomen aan een transportcontrole. Hij zag daarbij een voertuig dat een open containerbak vervoerde waarin afvalstoffen waren opgeslagen. Hij zag dat het afval was besmeurd met een zwartkleurig poeder. De bestuurder van het voertuig deelde mede dat hij de container had opgehaald bij een leegstaand bedrijfspand van [bedrijf 3] op de locatie [adres] te Asten en dat er op deze locatie nog een container met afvalstoffen stond die hij moest ophalen.2

Vervolgens heeft genoemde toezichthoudend ambtenaar een onderzoek ingesteld op de locatie [adres] te Asten. Hij zag dat op de inrit nabij de loods een container stond met soortgelijke afvalstoffen als die tijdens de transportcontrole was aangetroffen. Hij zag dat in een deel van de loods pallets met carbon black lagen opgeslagen, die afkomstig waren van [bedrijf 14] uit de Botlek. Die naam stond vermeld op de zakken. Vervolgens kwam de hem bekende [verdachte] (rechtbank: verdachte) naar hem toelopen die hem meedeelde dat de pallets met carbon black al ongeveer vier jaar lagen opgeslagen in dit deel van de loods en dat het een restpartij betrof die afkomstig was van [bedrijf 11], destijds gevestigd aan de [adres] te Helmond. Verdachte deelde verder mee dat hij wist dat het afval was maar dat hij toch nog probeerde dit te verkopen om er nog iets aan te verdienen.3

[verbalisant 2], brigadier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, rechercheur milieu, heeft op 20 juli 2010 eveneens een onderzoek ingesteld op de locatie [adres] te Asten. Zijn bevindingen heeft hij als volgt weergegeven:

Bij binnenkomst in de hal zag ik, na telling, dat in de hal 53 pallets met carbon black stonden. Op alle pallets waren zakjes gestapeld. Iedere pallet was omwikkeld met zwart plastic en op de meeste pallets hing een brief met schijnbaar de inhoud. Verschillende brieven werden gecontroleerd en vergeleken met de zakken in het zwarte plastic. De opschriften van de brieven bleken te corresponderen met het opschrift op de zakken. Verschillende zakken werden door mij onderzocht en ik zag alleen [bedrijf 14] als producent. Ik zag o.a. de navolgende types carbon black:

Vulcan 500, 44 zakken à 15 kg. (660 kg);

Elftex 280, 43 zakken à 25 kg. (1075 kg);

Vulcan 1436, 40 zakken à 20 kg. (800 kg);

CSX, 44 à 15 kg. (660 kg);

e254a001, 40 à 25 kg. (1.000 kg).

Uit onderzoek bleek dat dit door [bedrijf 14] in het verleden geproduceerde stoffen betroffen.4

Door Bureau Milieumetingen van de provincie Noord-Brabant werden monsters genomen van de aangetroffen carbon black in zakken. Van het in zakken verpakte materiaal zijn vier grepen genomen met behulp van een gutsboor. De vier grepen zijn samengevoegd tot één mengmonster en verpakt in een emmer met de codering 7B.5 Het NFI heeft het materiaal in de emmer met monstercode 7B (SIN-nummer AACE4857NL) onderzocht.6 Het NFI heeft het resultaat van het onderzoek als volgt weergegeven:

Het materiaal in de emmer (afkomstig uit de aangetroffen zakken) bestaat voor 92% uit koolstof. Dit betekent dat het monster carbon black kan bevatten.7

Verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], voornoemd, verklaard dat [bedrijf 3] eigenaar is van het pand [adres] te Asten en dat [bedrijf 3] dat pand verhuurde aan [bedrijf 2]8, die het op haar beurt verhuurde aan [bedrijf 1]9 Voorts heeft verdachte verklaard dat hij carbon black heeft verkocht aan [bedrijf 12] en heeft hij daarvan een nota getoond die was gefactureerd door [bedrijf 1] De door de politie aangetroffen hoeveelheid carbon black in [adres] te Asten werd afgevoerd naar [bedrijf 13] te Tilburg. Op de door verdachte overgelegde begeleidingsbrieven staat [bedrijf 1] vermeld als de ontdoener en geadresseerde van de factuur.10 Volgens verdachte was [bedrijf 1] de eigenaar van de carbon black.11 Gedurende de periode 1 januari 2010 tot 22 juni 2010 was verdachte bestuurder van [bedrijf 2]12 en middelijk bestuurder van [bedrijf 1]13 en [bedrijf 3]14. Ook de neef van verdachte was middellijk bestuurder van laatstgenoemde twee BV's. Verdachte heeft verklaard:

Mijn neef is niet inhoudelijk bezig met [bedrijf 3] Ik ben de verantwoordelijke persoon. Wij beiden zijn in gelijke mate aandeelhouder maar ik vertegenwoordig de BV. Namens [bedrijf 3] voer ik overleg en sluit ik eventuele contracten. Ik geloof niet dat [persoon 1] ooit een contract gesloten heeft.

(...)

Ik heb het pand in gedeeltes verhuurd en heb zelf een gedeelte in gebruik gehad voor opslag van goederen. Naast de verhuur van onroerend goed heb ik mijn hoofdinkomsten uit een logistiek bedrijf, te weten [bedrijf 2] te Deurne. [bedrijf 3] verhuurt aan derden en de ruimte die niet verhuurd is, wordt in gebruik genomen door [bedrijf 2]

(...)

Ongeacht de vraag wie als natuurlijk persoon de bestuurder over [bedrijf 2] is, bestuur ik in praktijk in mijn eentje deze BV en bemoeit mijn neef [persoon 1] zich nergens mee.15

(...)

In zijn totaliteit heb ik nu zo'n 190 ton carbon black verkocht aan [bedrijf 12], die ook feitelijk afgevoerd zijn. (...) Wij hebben zelf de carbon black van Deurne naar Asten gereden. Ik weet niet welke chauffeur. (...) Ik heb de instructie gegeven om persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken, omdat er mogelijk kapotte zakken op de pallets zaten en dat er mogelijk stof vrij zou kunnen komen.16

Mijn warehousemanager is verantwoordelijk voor de plaatsing van de carbon black. (...) Ik heb hem opdracht gegeven de carbon black elders te plaatsen tegen het licht van de herbestemming van de locatie.17

Bewijsmiddelen feit 4

Naar aanleiding van het onderzoek naar de locatie [adres] te Asten heeft verdachte op 4 augustus 2010 ten overstaan van verbalisant [verbalisant 2], voornoemd, verklaard dat in een loods van [bedrijf 3] aan de [adres] te Deurne 150 tot 200 ton aan zakjes carbon black lag. Deze waren in 2004/2005 door huurder [getuige 2] achtergelaten in een loods van hem aan de [adres] te Deurne.18

De opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 1] hebben op 5 augustus 2010 op het perceel aan de [adres] te Deurne een onderzoek ingesteld. Op het perceel waren meerdere loodsen aanwezig. In een van de loodsen zagen zij twaalf rijen pallets met daarop big bags, (papieren en plastic) zakken en houten kisten. De rijen waren één, twee of drie pallets breed. Tussen de twaalf rijen waren looppaden aanwezig. Op de big bags was zwart, poederachtig materiaal aanwezig, sterk lijkend op carbon black. Sommige big bags en zakken waren geopend en daarin zagen zij hetzelfde zwarte, poederachtige materiaal. Op big bags en zakken zagen zij onder andere de teksten:

- Vulcan XC 305, [bedrijf 14][adres], [woonplaats] R'dam, en

- [bedrijf 14] Regal*SRF Ex Bulk-113, en

- [bedrijf 14] black pearls 900.

Op enkele big bags was een oranje formulier bevestigd met de letters "O.Q.". Op enkele andere big bags stond met groene (spuitbus)-letters "DUMP" geschreven.19

De opsporingsambtenaren hebben foto's gemaakt waarop hun bevindingen waarneembaar zijn.20 Zij hebben berekend dat in totaal circa 733 kubieke meter aan zwart poeder- en korrelachtig materiaal in de loods aanwezig was.21

Door Bureau Milieumetingen van de provincie Noord-Brabant werden monsters genomen. Van het in papieren zakken, plastic zakken en big bags verpakte materiaal zijn per verpakkingseenheid grepen genomen met behulp van een gutsboor. Het materiaal in de houten kist is bemonsterd met behulp van een monsterschep. In totaal zijn veertien monsters genomen. Deze zijn verzegeld. Aan ieder monster is een zegelnummer toegekend.22 Het NFI heeft zeven monsters onderzocht. De andere zeven monsters zijn niet onderzocht omdat het duplomonsters zijn.23

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat alle zeven onderzochte monsters een hoog percentage koolstof bevatten. Dit betekent dat alle monsters carbon black kunnen bevatten.24

Op het perceel aan de [adres] te Deurne was nog een tweede loods aanwezig. Deze werd door opsporingsambtenaar [verbalisant 4] op 12 augustus 2010 onderzocht. Hij zag in het oostelijk gedeelte van de loods 26 pallets met daarop zakken, die geseald waren in zwart plastic. Elke pallet was voorzien van een witte sticker met daarop de tekst "Black pearls 800". In het westelijk gedeelte van de loods zag hij in totaal 46 pallets met daarop zakken die geseald waren in zwart plastic. Elke pallet was voorzien van een witte sticker. Daarop stonden teksten als "Botlek Elftex TP B04", "Cabot Elftex tp", "Cabot Botlek black pearls 4560" en "Botlek Vulcan csx 605".25

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat op de locatie aan de [adres] in Deurne 22 loodsen stonden en dat in twee daarvan carbon black stond.26

Uit kadastrale gegevens is gebleken dat de gemeente Deurne vanaf 12 februari 2010 eigenaar was van het perceel [adres] en dat de eigendom van een gedeelte van het perceel op 5 augustus 2010 is overgegaan op [bedrijf 5]27 Verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verklaard dat de carbon black die in beide loodsen op de [adres] te Deurne werd aangetroffen eigendom is van [bedrijf 1] Voorts heeft verdachte verklaard dat de gemeente Deurne in 2006 een intentiekoopovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de [adres] en dat eind 2009, begin 2010 het beheer van het terrein is overgedragen naar [bedrijf 16], een van de bedrijven van verdachte. [bedrijf 16] is een dochter van [bedrijf 5]28 Ten aanzien van de loods die op 5 augustus 2010 werd onderzocht heeft verdachte verklaard dat deze van [bedrijf 3] was.29

Gedurende de periode 1 januari 2010 tot 12 augustus 2010 was verdachte bestuurder van [bedrijf 5]30 en middelijk bestuurder van [bedrijf 16]31, [bedrijf 1] en [bedrijf 3]32. Ook de neef van verdachte was middellijk bestuurder van laatstgenoemde twee BV's.

Verdachte heeft verklaard:

Mijn neef is niet inhoudelijk bezig met [bedrijf 3] Wij beiden zijn in gelijke mate aandeelhouder maar ik vertegenwoordig de BV. Namens [bedrijf 3][ voer ik overleg en sluit ik eventuele contracten. Ik geloof niet dat [persoon 1] ooit een contract gesloten heeft.

(...)

Binnen alle [verzamelnaam] bedrijven zijn mijn neef [persoon 1] en ik de verantwoordelijke natuurlijke personen.33

Bewijsmiddelen feit 1 en feit 4

Getuige [getuige 1] heeft het volgende verklaard:

Ik ben technisch manager bij [bedrijf 14]. (...) In het verleden, in de periode 2002 tot 2004 en wellicht 2005, hebben we met [bedrijf 8] afspraken gemaakt over de afvoer van carbon black. Met [bedrijf 8] hadden wij overeenstemming over de locaties waar de carbon black vanaf [bedrijf 8] heen ging. Dit was enerzijds naar Duitsland en anderzijds naar de bedrijven van [getuige 2] in Deurne/Helmond te weten [bedrijf 17], [bedrijf 11] en [bedrijf 18] Er werden bij ons drie soorten producten van carbon black afgevoerd. Dit was als ompakmateriaal, afval oftewel 'Off Quality' en goed product. Het afval ging naar [bedrijf 8] en via [bedrijf 8] naar Duitsland of [getuige 2]. Het ompakmateriaal is één keer met een hoeveelheid van 150 ton direct van [bedrijf 14] naar [getuige 2] gegaan. Van deze hoeveelheid is uiteindelijk alles teruggekomen met een voorraadverschil van ongeveer 15 ton. Dus al het materiaal wat van [bedrijf 14] bij [getuige 2] terecht is gekomen is, met uitzondering van de 15 ton, afval wat onder begeleiding van een PMV-formulier via [bedrijf 8] afgevoerd was. Alles wat naar [bedrijf 8] ging had een negatieve waarde. Hiervoor moesten we betalen. We betaalden circa 100 euro per ton plus transportkosten aan [bedrijf 8] voor het ontdoen. We hebben destijds 3.950 ton afval via [bedrijf 8] afgevoerd naar [getuige 2] of één van zijn bedrijven te weten [bedrijf 17], [bedrijf 18] en [bedrijf 11]. Van deze 3.950 ton is bij ons 300 ton teruggekomen. Het materiaal op de foto's die u me heeft getoond van de locaties Asten en Deurne, herken ik als carbon black wat van ons afkomstig is. De sticker met de tekst "O.Q." wijst in dit geval op afval. De letters "DUMP" die op de foto's te zien waren, staan bij ons voor afval.34

Getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard:

[bedrijf 11] is gevestigd geweest aan de [adres] te Deurne. Ik heb op een gegeven moment vanaf 2003, toen [bedrijf 11][bedrijf 9] nog van een hal van [verdachte] (rechtbank: verdachte) in Deurne gebruik maakte, afval carbon black afgenomen van [bedrijf 8] te Schiedam. Dit afval kwam rechtstreeks van de ontdoener, [bedrijf 14] uit Botlek. [Het bedrijf van verdachte] transporteerde in mijn opdracht van [bedrijf 14] naar Deurne. Ik haalde de carbon black uit de verpakking en schudde het in een bulkwagen, waarna ik het transporteerde naar een afvalverbrander te Rotterdam. Daarnaast deed ik ook carbon black ompakken. Het ompakmateriaal was alleen Vulcan 500 in plastic verpakking à 25 kilo. Al het andere was afval. U laat mij foto's van het aangetroffen afval zien. Voor zover ik kan zien, betreft dit afval dat ik via [bedrijf 8] heb afgenomen van [bedrijf 14]. Toen ik in 2004 met [bedrijf 11] verhuisde van Deurne naar Helmond, vertelde [verdachte] tegen mij dat hij een afzetmarkt zag voor het materiaal in Marokko. Op zijn verzoek zijn na de verhuizing de pallets achter gebleven in Deurne.35

Bewijsoverweging feit 1 en feit 4

Door en namens verdachte is aangevoerd dat de aangetroffen carbon black geen afvalstof is. Onder verwijzing naar de conclusie van A.-G. Machielse bij HR 29-01-2008, LJN BB9829, interpreteert de rechtbank de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie als volgt:

Het begrip afvalstoffen moet niet zo beperkt worden opgevat dat daaronder niet de stoffen vallen die voor hergebruik geschikt zijn. De enkele omstandigheid dat stoffen waarvan afstand wordt gedaan nog commerciële waarde hebben, betekent niet dat die stoffen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt samen met de betekenis van de term zich ontdoen. Het zwaartepunt ligt bij de intentie en de gedragingen van de houder van de stoffen die daarvan afstand doet. Een aanknopingspunt kan zijn of en zo ja welke vergoeding de ontvanger voor de desbetreffende stoffen betaalt.

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat [bedrijf 14] zich heeft ontdaan van de carbon black die via [bedrijf 8] naar [getuige 2] werd getransporteerd. Dit betrof bijna 4000 ton. Slechts éénmaal heeft [bedrijf 14] rechtstreeks naar [getuige 2] getransporteerd. Dat transport had een ander doel dan zich ervan ontdoen (namelijk ompakken). Het betrof toen slechts 150 ton en deze is op 15 ton na naar [bedrijf 14] teruggegaan. Verdachte heeft veel meer dan 150 ton, laat staan 15 ton, op zijn locaties aanwezig gehad. Dit blijkt reeds uit zijn verklaring dat hij zo'n 190 ton carbon black had verkocht aan [bedrijf 12]. Ook voor het overige is het verweer dat de aangetroffen carbon black geen afval is, strijdig met de bewijsmiddelen. Verdachte heeft immers aanvankelijk verklaard dat hij wist dat het afval was, op de beide locaties zijn veel meer soorten carbon black aangetroffen dan de soort die door [getuige 2] is genoemd als het ompakmateriaal (Vulcan power 500 in plastic verpakking à 25 kilo) en [getuige 2] heeft de carbon black op verzoek van verdachte achtergelaten. Tegenover de verkrijging van de carbon black door (een van) de bedrijven van verdachte staat geen enkele prestatie.

De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat de carbon black die werd aangetroffen aan de [adres] te Asten en de [adres] te Deurne, een afvalstof is. Zelfs indien de carbon black als een bijproduct moet worden beschouwd, gaat het om een afvalstof, nu [bedrijf 14] zich ervan heeft ontdaan en de handelswaarde ervan zich niet laat vergelijken met die van het hoofdproduct.

Gelet op de bewijsmiddelen is het verdachte zelf geweest die de beschikking heeft gekregen over de door [getuige 2] achtergelaten carbon black en die over die partij(en) carbon black heeft beslist, daarbij gebruik makend van diverse van zijn vennootschappen. Aldus heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de carbon black reeds vóór 1 januari 2010 aan de [adres] te Asten was opgeslagen zodat de verandering van inrichting zich heeft voorgedaan buiten de ten laste gelegde periode. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen. Immers is niet gebleken dat vergunning was verleend voor het in werking hebben van een afvalstoffeninrichting. Ook voor de locatie [adres] te Deurne is niet gebleken van zodanige vergunning, zodat bewezenverklaring dient te volgen.

Bewijsmiddelen feit 2

Tijdens het op 20 juli 2010 door [verbalisant 1], toezichthoudend ambtenaar Wet Milieubeheer, ingestelde onderzoek op de locatie [adres] te Asten, zag deze aan de rechterzijkant van het gebouw een poort. Achter deze poort was de bodem verhard met klinkers, die zichtbaar met een zwarte stof, vermoedelijk carbon black, verontreinigd waren.36 Hier was geen sprake van een vloeistofdichte of vloeistofkerende vloer.37

Verdachte heeft op 3 augustus 2010 verklaard:

De carbon black heeft een paar jaar in de hal in Asten gestaan en stond er nog toen u daar kwam. Ik heb de stof tot afgelopen maand daar laten staan. Toen heb ik het verkocht aan [bedrijf 12] (...) [bedrijf 12] heeft zelf de carbon black bij mij opgehaald. (...) Alle carbon black heb ik eerst naar Asten getransporteerd en daarna afgevoerd. (...) Personeel van mij heeft de carbon black omgezet op een andere pallet. Dit moest omdat in de pallet zakken kapot waren gegaan. (...) De kapotte zakken werden in big bags gedaan. Hierdoor kwam er carbon black vrij.38

(...)

De vervuiling naar de stoep buiten is ontstaan met het laden van de afvalcontainers.39

Verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], voornoemd, verklaard dat [bedrijf 3] eigenaar is van het pand [adres] te Asten en dat [bedrijf 3] dat pand verhuurde aan [bedrijf 2]40, die het op haar beurt verhuurde aan [bedrijf 1]41 Voorts heeft verdachte verklaard dat hij carbon black heeft verkocht aan [bedrijf 12] en heeft hij daarvan een nota getoond die was gefactureerd door [bedrijf 1] De door de politie aangetroffen hoeveelheid carbon black in [adres] te Asten werd afgevoerd naar [bedrijf 13] te Tilburg. Op de door verdachte overgelegde begeleidingsbrieven staat [bedrijf 1] vermeld als de ontdoener en de geadresseerde van de factuur.42 Volgens verdachte was [bedrijf 1] de eigenaar van de carbon black.43 Gedurende de periode 1 januari 2010 tot 22 juni 2010 was verdachte bestuurder van [bedrijf 2]44 en middelijk bestuurder van [bedrijf 1]45 en [bedrijf 3]46. Ook de neef van verdachte was middellijk bestuurder van laatstgenoemde twee BV's. Verdachte heeft verklaard:

Mijn neef is niet inhoudelijk bezig met [bedrijf 3] Ik ben de verantwoordelijke persoon. Wij beiden zijn in gelijke mate aandeelhouder maar ik vertegenwoordig de BV. Namens [bedrijf 3] voer ik overleg en sluit ik eventuele contracten. Ik geloof niet dat [persoon 1] ooit een contract gesloten heeft.

(...)

Ik heb het pand in gedeeltes verhuurd en heb zelf een gedeelte in gebruik gehad voor opslag van goederen. Naast de verhuur van onroerend goed heb ik mijn hoofdinkomsten uit een logistiek bedrijf, te weten [bedrijf 2] te Deurne. [bedrijf 3] verhuurt aan derden en de ruimte die niet verhuurd is, wordt in gebruik genomen door [bedrijf 2]

(...)

Ongeacht de vraag wie als natuurlijk persoon de bestuurder over [bedrijf 2] is, bestuur ik in praktijk in mijn eentje deze BV en bemoeit mijn neef [persoon 1] zich nergens mee.47

(...)

In zijn totaliteit heb ik nu zo'n 190 ton carbon black verkocht aan [bedrijf 12], die ook feitelijk afgevoerd zijn. (...) Wij hebben zelf de carbon black van Deurne naar Asten gereden. Ik weet niet welke chauffeur. (...) Ik heb de instructie gegeven om persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken, omdat er mogelijk kapotte zakken op de pallets zaten en dat er mogelijk stof vrij zou kunnen komen.48

Bewijsoverweging feit 2

Nu in de inrichting te Asten op- en overslag van emballage plaatsvond valt het bodemrisico volgens de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten in categorie C (emissiescore 3-5). Men dient dan voorzieningen te treffen en maatregelen te nemen om het bodemrisico naar categorie A (emissiescore 1) terug te brengen. Volgens de NRB moet daarbij gedacht worden aan voorzieningen als ten minste een kerende vloer of opvangbak. Verder moet er algemene zorg zijn bij het morsen van stoffen en moeten er voldoende faciliteiten zijn om de gemorste stoffen op te ruimen. Van deze voorzieningen, zorg en faciliteiten is niet gebleken. De rechtbank acht feit 2 bewezen.

Gelet op de bewijsmiddelen is het verdachte zelf geweest die de beschikking heeft gekregen over de door [getuige 2] achtergelaten carbon black en die over die partij(en) carbon black heeft beslist, daarbij gebruik makend van diverse van zijn vennootschappen. Aldus heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging.

Vrijspraak feit 3

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen is niet gebleken dat voorzieningen en maatregelen als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, die erop zijn gericht het bodemrisico naar categorie A terug te brengen, ontbraken. Het ten laste gelegde kan derhalve niet bewezen worden en verdachte zal voor dit feit worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] in de periode 1 januari 2010 tot en met 22 juni 2010, te Asten, gemeente Asten, aan of nabij de [adres], tezamen en in vereniging, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28 van het "Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer", zijnde een in Bijlage 1 onder II. van het "Besluit algemene regels voor inrichtingenmilieubeheer" aangewezen inrichting, in werking hebben gehad, aan welke boven omschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode van 1 juni 2010 tot 20 juli 2010 te Asten, op een perceel gelegen aan of nabij de [adres], tezamen en in vereniging, opzettelijk handelingen op of in de bodem hebben verricht, immers hebben zij carbon black, op zodanige wijze opgeslagen en omverpakt en vervoerd tengevolge waarvan die carbon black op of in de bodem kon geraken, zulks terwijl zij wisten of redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast en toen niet alle maatregelen hebben genomen die redelijkerwijs van hen gevergd konden worden teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, aan welke boven omschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 3] of [bedrijf 16] of [bedrijf 5] in de periode 1 januari 2010 tot en met 12 augustus 2010, te Deurne, gemeente Deurne, in loodsen op of aan het terrein aan de [adres], opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28van het "Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer", zijnde een in Bijlage 1 onder II van het "Besluit algemene regels voor inrichtingenmilieubeheer" aangewezen inrichting, in werking heeft gehad, aan welke boven omschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte heeft gedwaald over de aard van de partij carbon black omdat verdachte op grond van de door de raadsman genoemde regelgeving in de veronderstelling verkeerde dat de partij carbon black normale handelswaar en geen afvalstof betrof waarvoor geen milieuvergunning nodig was. Hieruit concludeert de raadsman dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de onder 1 en onder 4 bewezen verklaarde feiten wegens afwezigheid van alle schuld door rechtsdwaling.

Zoals hiervoor onder de bewijsmiddelen is weergegeven, heeft verdachte op 20 juli 2010 tegenover verbalisant [verbalisant 2] verklaard dat hij wist dat de partij carbon black afval was. Verdachte wist of had moeten weten dat voor de opslag van afvalstoffen van meer dan 35m3 een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer nodig was en dat een dergelijke vergunning niet was afgegeven voor de inrichtingen gevestigd aan de [adres] te Asten en de [adres] te Deurne.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt de rechtbank het door de raadsman van verdachte gevoerde verweer dat verdachte voor de onder 1 en onder 4 bewezen verklaarde feiten van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.

Voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

ten aanzien van feit 1 primair

Vrijspraak

ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4

* een geldboete van € 10.000,-- subsidiair 85 dagen hechtenis

* een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Door en namens verdachte is aangevoerd dat bij een veroordeling van verdachte voor een of meer van de ten laste gelegde feiten, kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of met de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het voordeel van verdachte weegt mee

De bewezen verklaarde feiten zijn geruime tijd geleden (2010) gepleegd. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is op 14 maart 2011 gesloten. Eerst bij dagvaarding van 4 april 2012 is de officier van justitie tot dagvaarding van verdachte tegen de zitting van 25 juni 2012 overgegaan. Bovendien is verdachte niet eerder voor vergelijkbare feiten veroordeeld. Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenmin gebleken dat [een van] de bedrijven waarvan hij directeur is, zich met enige regelmaat aan overtreding van de milieuwetgeving schuldig heeft / hebben gemaakt.

Conclusie

Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf nu nog niet aan de orde is, maar de rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten te ernstig om verdachte een voorwaardelijke geldboete op te leggen of om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel [art. 9a Sr.] zoals de raadsman heeft bepleit.

Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van de door de officier van justitie gevorderde geldboete.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

1a, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten,

1.1, 8.1 en 22.2 van de Wet milieubeheer en

1, 13 en 105 Wet bodembescherming.

DE UITSPRAAK

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde feiten.

Verklaart de onder 1 subsidiair, 2 en 4 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

* een geldboete van € 10.000,-- subsidiair 85 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 9 juli 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld het ambtsedig proces-ver-

baal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, regionaal milieuteam, onderzoek "Mierenkever", met onderzoeksnummer

2219100206 en proces-verbaalnummer PL22MT2010109759, aantal doorgenummerde pagina's 368

2 Proces-verbaal, p. 135

3 Proces-verbaal, p. 136

4 Proces-verbaal, p. 123

5 Proces-verbaal, p. 176 en 177

6 Proces-verbaal, p. 197 (tabel 2)

7 Proces-verbaal, p. 201 (samenstelling en identificatie)

8 Proces-verbaal, p. 102

9 Proces-verbaal, p. 112 (4e alinea)

10 Proces-verbaal, p. 66, 76-78

11 Proces-verbaal, p. 112

12 Proces-verbaal, p. 80

13 Proces-verbaal, p. 82 en p. 90

14 Proces-verbaal, p. 79, p. 89 en 90

15 Proces-verbaal, p. 102

16 Proces-verbaal, p. 109

17 Proces-verbaal ter terechtzitting, verklaring van verdachte

18 Proces-verbaal, p. 294 (aanleiding)

19 Proces-verbaal, p. 300-310

20 Proces-verbaal, p. 300-310

21 Proces-verbaal, p. 309-310

22 Proces-verbaal, p. 312, 316, 321 (achterzijde)

23 Proces-verbaal, p. 327(toelichting op tabel 1)

24 Proces-verbaal, p. 333 (samenstelling en identificatie)

25 Proces-verbaal, p. 359-363

26 Proces-verbaal ter terechtzitting, verklaring van verdachte

27 Proces-verbaal p. 294 (kadastrale gegevens) en p. 356-357

28 Proces-verbaal, p. 112

29 Proces-verbaal, p. 109 (10e regel van onder)

30 Proces-verbaal, p. 80

31 Proces-verbaal, p. 82 en p. 90

32 Proces-verbaal, p. 79, p. 89 en 90

33 Proces-verbaal, p. 102

34 Proces-verbaal, p. 44

35 Proces-verbaal, p. 57

36 Proces-verbaal, p. 122

37 Proces-verbaal, p. 124 (bodemverontreiniging)

38 Proces-verbaal, p. 103

39 Proces-verbaal, p. 104

40 Proces-verbaal, p. 102

41 Proces-verbaal, p. 112 (4e alinea)

42 Proces-verbaal, p. 66, 76-78

43 Proces-verbaal, p. 112

44 Proces-verbaal, p. 80

45 Proces-verbaal, p. 82 en p. 90

46 Proces-verbaal, p. 79, p. 89 en 90

47 Proces-verbaal, p. 102

48 Proces-verbaal, p. 109