Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX0760

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
01/839295-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:3408, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard zijn: verduistering, meermalen gepleegd, oplichting, meermalen gepleegd en verduistering. Verdachte heeft gelden verduisterd die bestemd waren voor een door hem te organiseren voetbalkamp. Ook heeft hij onder valse voorwendselen geld afhandig gemaakt van een bank en geld van de bank ter sponsoring van een schoolkrantje verduisterd. In totaal gaat het om EUR. 37.500,-.

Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest. Tevens zijn bijzondere voorwaarden opgelegd en dient verdachte aan diverse slachtoffers schade te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839295-09

Datum uitspraak: 10 juli 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1958],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 januari 2012 en 26 juni 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 november 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2008

tot en met 7 april 2009 te Eindhoven, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels,

een of meer ouders van leden van voetbalvereniging [slachtoffer 2], te weten

[benadeelde 6] en/of

[benadeelde 15] en/of [benadeelde 7] en/of

[benadeelde 16] en/of [benadeelde 17] en/of

[benadeelde 18] en/of

[benadeelde 19] en/of [benadeelde 20] en/of

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 21] en/of

[benadeelde 22] en/of [benadeelde 23] en/of

[benadeelde 24] en/of [benadeelde 2] en/of

[benadeelde 8] en/of

[benadeelde 25] en/of [benadeelde 26] en/of

[benadeelde 9] en/of

[benadeelde 3] en/of [benadeelde 27] en/of

[benadeelde 4] en/of

[benadeelde 5] en/of [benadeelde 28] en/of

[benadeelde 10] en/of

[benadeelde 29] en/of [benadeelde 30] en/of

[benadeelde 31] en/of

[benadeelde 32] en/of

[benadeelde 11] en/of

[benadeelde 12] en/of

[benadeelde 33] en/of

[benadeelde 34]

(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer contante en/of girale

geldbedragen (tot een totaalbedrag van (ongeveer) 12.263,- euro), in elk geval

van enig goed,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

een brief opgesteld, gericht aan de ouder(s) van de elftallen B3 en D7, met de

titel "Voetbalkamp Zwitserland 2009" en/of

in die brief vermeld - zakelijk weergegeven - dat er voor de derde keer een

voetbalkamp in Zwitserland zou worden georganiseerd en/of dat de kosten voor

dat voetbalkamp 245 euro per persoon zouden zijn en/of dat dit bedrag in 7

termijnen kon worden betaald, en/of in die brief verzocht de eerste termijn

meteen over te maken, zodat duidelijk zou zijn wie er mee zouden gaan op dat

voetbalkamp en/of

het rekeningnummer doorgegeven waarop de/het bedrag(en) diende(n) te worden

overgemaakt en/of

aangedrongen op tijdige betaling en/of aangegeven dat er ook contant kon

worden betaald en/of

voornoemde [benadeelde 5] in of omstreeks december 2008 medegedeeld dat hij,

verdachte, nog niet alle bedragen had ontvangen en/of die [benadeelde 5] gevraagd

bedragen voor te schieten zodat de bus betaald zou kunnen worden,

waardoor voornoemde personen (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven

afgifte(s);

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

(delict 4)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 30 september 2008 tot en met 15 mei 2009,

te Eindhoven en/of elders in Nederland, en/of te Veysonnaz, en/of elders in

Zwitserland,

opzettelijk een of meer contante en/of girale geldbedrag(en) (tot een

totaalbedrag van (ongeveer) 12.263,- euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan een of meer ouders van leden van

voetbalvereniging [slachtoffer 2], te weten

[benadeelde 6] en/of

[benadeelde 15] en/of [benadeelde 7] en/of

[benadeelde 16] en/of [benadeelde 17] en/of

[benadeelde 18] en/of

[benadeelde 19] en/of [benadeelde 20] en/of

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 21] en/of

[benadeelde 22] en/of [benadeelde 23] en/of

[benadeelde 2] en/of

[benadeelde 8] en/of

[benadeelde 25] en/of [benadeelde 26] en/of

[benadeelde 9] en/of

[benadeelde 3] en/of [benadeelde 27] en/of

[benadeelde 4] en/of

[benadeelde 5] en/of [benadeelde 28] en/of

[benadeelde 10] en/of

[benadeelde 29] en/of [benadeelde 30] en/of

[benadeelde 31] en/of

[benadeelde 32] en/of

[benadeelde 11] en/of

[benadeelde 12] en/of

[benadeelde 33] en/of

[benadeelde 34],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten behoeve

van het organiseren van een voetbalkamp in Zwitserland, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 321 Wetboek van Strafrecht)

(delict 4)

2.

A.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008

tot en met 12 mei 2009 te Eindhoven en/of elders in Nederland,

opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van (ongeveer)

23.280,- euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan de gemeente Eindhoven, in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als subsidie

voor het uitbrengen van een of meer schoolkrant(en), te weten de "[naam 1]"

en/of de "[naam 2]", onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 321 Wetboek van Strafrecht)

(delict 3)

en/of

B.

hij in of omstreeks de periode van 2 juni 2008 tot en met 20 juni 2008 te

Eindhoven,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels,

(een of meer ambtena(a)r(en) van) de gemeente Eindhoven,

heeft bewogen tot de afgifte van een (giraal) geldbedrag van 11.400,- euro, in

elk geval van enig goed,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

een subsidie aangevraagd voor het uitbrengen van vier edities van een

(school)krant "[naam 2]" met een totale oplage van 95.000 per editie

en/of

met de [gemeente Eindhoven] afgesproken dat zij per editie van die uit te

brengen (school)krant minimaal 1 en maximaal 3 full-colour pagina's zou kunnen

vullen met informatie over gemeentelijk onderwijs- en jeugdbeleid,

waardoor voornoemde (rechts)perso(o)n(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven

afgifte;

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

(delict 3)

3.

A.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 november

2007 tot en met 7 december 2007 te Veldhoven en/of te Eindhoven, althans in

Nederland,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels,

(een of meer personeelslid/-leden van) de [bank] heeft

bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag

van (ongeveer) 17.642,75 euro), in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

op of omstreeks 13 november 2007 contact opgenomen met (een personeelslid van)

de [bank] en/of (dat personeelslid van) de [bank]

[bank] medegedeeld -zakelijk weergegeven- dat er een subsidie van

15.000,- onderweg zou zijn en/of voorgewend dat die 15.000,- onderweg zou zijn

naar de bankrekening van de [Stichting 1] en/of dat er met spoed een

drukker diende te worden betaald en/of (dat personeelslid van) de [bank]

[bank] verzocht om vooruitlopend op de binnenkomst van de

subsidie alvast een betalingsopdracht uit te voeren ter hoogte van 13.400,-

naar de rekening van [zakelijke rekening verdachte] en/of

op of omstreeks 7 december 2007 contact opgenomen met (een personeelslid van)

de [bank] en/of (dat personeelslid van) de [bank]

[bank] wederom medegedeeld -zakelijk weergegeven- dat er met

spoed een drukker diende te worden betaald en/of (dat personeelslid van) de

[bank] een betalingsopdracht gegeven ter hoogte van

4.242,75 naar de rekening van [zakelijke rekening verdachte],

waardoor (voornoemd(e) personeelslid/- leden van) de [bank]

[bank] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

(delict 5)

en/of

B.

hij in of omstreeks de periode van 13 november 2007 tot en met 31 december

2007, althans in of omstreeks de periode van 13 november 2007 tot en met 15

oktober 2009, te Eindhoven en/of elders in Nederland,

opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van (ongeveer)

25.432,75 euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [bank] en/of de

[Stichting 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten behoeve

van het uitbrengen van een schoolkrant, onder zich had, wederrechtelijk zich

heeft toegeëigend;

(artikel 321 Wetboek van Strafrecht)

(delict 5)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde heeft gehandeld en derhalve niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. De raadsman heeft daartoe het navolgende gesteld.

1.De zaak is op weinig voortvarende wijze afgehandeld. Er is sprake van een tijdsverloop

van 22 maanden tussen de datum waarop de voorlopige hechtenis van verdachte werd

geschorst en de datum van de eerste zitting;

2.De Salduznorm is geschonden. Verdachte werd na zijn aanhouding contact met zijn

raadsman onthouden;

3.Verdachte heeft bij de rechter-commissaris aangegeven dat de politieverhoren niet correct

zijn verlopen. Er is sprake geweest van druk en manipulatie. Het openbaar ministerie heeft

verzuimd hiernaar onderzoek te verrichten;

4.Er is sprake geweest van tunnelvisie bij de verhorende verbalisanten. Er heeft geen

objectief en correct onderzoek plaatsgevonden.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen termijn is geschonden en

dat er geen sprake is geweest van schending van de Salduznorm, ondeugdelijke ver- hoormethoden of tunnelvisie. De officier van justitie wijst in dit verband naar de inhoud

van een aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2010 van de verhorende verbalisanten. De officier van justitie acht zich dan ook ontvankelijk in de vervolging.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ad 1. Een verdachte heeft het recht op berechting binnen een redelijke termijn. Deze termijn neemt een aanvang op het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Volgens vaste jurisprudentie dient in gevallen waarbij de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeert, zoals in casu het geval is, de behandeling van de zaak ter terechtzitting (in eerste aanleg) te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

In dit geval is de redelijke termijn gaan lopen op 26 januari 2010 (inverzekeringstelling verdachte). De termijn is vervolgens gestuit door de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting op 6 december 2011. Het tijdsverloop sedertdien tot de voortzetting van de behandeling op 26 juni 2012 komt geheel voor rekening van de verdediging, nu de behandeling van de zaak op verzoek van de verdediging die eerste zittingsdag werd aangehouden omdat de raadsman van verdachte verhinderd was. De rechtbank stelt vast

dat de zitting van 6 december 2011 ruim 22 maanden na 26 januari 2010 is aangevangen en dat aldus het eindvonnis binnen de gestelde twee jaar gewezen had kunnen worden indien de verdediging niet om uitstel had gevraagd. Hoewel een afdoening binnen 22 maanden bezwaarlijk als voortvarend kan worden aangemerkt valt dit tijdsverloop binnen de

genoemde termijn van twee jaar en leidt dit niet tot enig rechtsgevolg. De rechtbank merkt tot slot nog op dat het tijdsverloop mede verklaard wordt door de aard, complexiteit en omvang van de zaak.

Ad 2.De rechtbank stelt vast dat verdachte is aangehouden op 26 januari 2010 te 07:10 uur (blz. 29) en dat hij bij gelegenheid van zijn verhoor inverzekeringstelling om 07:55 uur heeft aangegeven te willen overleggen met zijn advocaat (blz. 31)

De daarop volgende gang van zaken wordt - naar aanleiding van een klacht van de raadsman dienaangaande - uiteengezet in een door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op ambtseed opgemaakt en ondertekend aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 2 maart 2010 ([pv-nummer]). De raadsman heeft ter zitting de door verbalisanten omschreven gang van zaken voor wat betreft de consultatie met verdachte niet weersproken. De rechtbank beschouwt de bevindingen van verbalisanten op dit punt dan ook als een getrouwe weergave van hoe een en ander is verlopen.

De rechtbank oordeelt dat op basis van de inhoud van genoemd proces-verbaal niet kan worden gezegd dat verdachte het contact met zijn raadsman (bewust) is onthouden.

Uit de bevindingen van verbalisanten volgt veeleer het tegendeel, hetgeen mede bevestiging vindt in de diverse processen-verbaal van verhoor van verdachte. Zo wordt in het proces-verbaal van het (tweede) verhoor van verdachte op 27 januari 2010 te 10:22 uur uitdrukkelijk opgemerkt dat verdachte in de gelegenheid is gesteld om in afzondering telefonisch contact met zijn raadsman te zoeken (blz 42). In het proces-verbaal van zijn derde verhoor (27 januari 2010 te 13:20 uur) wordt opgemerkt dat verdachte telefonisch zijn raadsman heeft gesproken, waarbij hem kennelijk werd geadviseerd op zijn (de raadsman) komst te wachten en tot dat moment geen verklaring af te leggen (blz. 45). Voorts blijkt uit het proces-verbaal van het (vierde) verhoor van verdachte van 28 januari 2010 te 08:41 uur dat hij op 27 januari 2010 een onderhoud met zijn raadsman heeft gehad en dat verdachte

- tegen het advies van zijn raadsman in - openheid van zaken wenst te geven met betrekking tot het voetbalkamp te Zwitserland (blz. 47).

Uit alle relevante stukken volgt dat verdachte in de onderhavige zaak gedurende de verhoren op verschillende momenten de gelegenheid is geboden om met zijn raadsman in contact te treden. Gedurende het derde verhoor (27 januari 2010 te 13:20 uur) heeft verdachte ook daadwerkelijk zijn raadsman geconsulteerd. Alles overziende concludeert de rechtbank dat er geen sprake is geweest van enige belemmering in de contacten tussen verdachte en de raadsman, doch dat er hooguit sprake is geweest van communicatie- en afstemmings-problemen.

De rechtbank acht voorts nog van belang op te merken dat verdachte in zijn eerste en tweede verhoor (resp. 26 januari 2010 te 13:39 uur en 27 januari 2010 te 10:22 uur) enkel over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard, tijdens zijn derde verhoor (27 januari 2010

te 13:20 uur) geen voor zichzelf belastende verklaring heeft afgelegd toen hij met de aanklachten en enkele onderzoeksbevindingen werd geconfronteerd, en pas voor het eerst tijdens zijn vierde verhoor (28 januari 2010), nadat hij een dag ervoor een onderhoud met zijn raadsman heeft gehad, een inhoudelijke verklaring heeft afgelegd.

Ad 3. en 4. De rechtbank erkent het gegeven dat een verhoorsituatie een ingrijpende gebeurtenis is waarvan enige psychische druk uitgaat. Met name verhoren zoals in de onderhavige zaak, waarbij de ondervraagde wordt geconfronteerd met onderzoeksresultaten, kunnen een indringend en confronterend karakter hebben en (mede daardoor) een intimiderend effect op de ondervraagde hebben. De rechtbank acht dit effect inherent aan (nagenoeg) ieder strafrechtelijk onderzoek waarin verdachten verhoord worden. Een verdachte mag echter niet gedwongen worden een verklaring af te leggen, waarvan niet kan worden gezegd dat deze in vrijheid is afgelegd. Zolang de verhoormethode geen afbreuk doet aan dat beginsel is er geen sprake van ongeoorloofde druk.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte bij gelegenheid van alle verhoren de cautie

is gegeven en dat hij, nadat hij zijn verklaringen heeft gelezen en daarin heeft volhard, enkel zijn eerste verklaring heeft ondertekend. Verdachte heeft zijn tweede en derde verklaring niet willen ondertekenen omdat hij zijn raadsman wilde raadplegen. De vierde en vijfde verklaring heeft verdachte vervolgens op advies van zijn raadsman niet willen onder-tekenen. De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte bij latere verhoren noch tijdens het onderzoek ter terechtzitting enig onderdeel van de eerder door hem afgelegde verklaringen heeft herroepen.

In het hiervoor onder 2. vermelde aanvullend proces-verbaal weerleggen de verhorende verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op overtuigende wijze de gestelde onvolkomenheden gedurende de verhoren van verdachte en hun beweerdelijke gebrek aan objectiviteit. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de bevindingen van verbalisanten te twijfelen, te meer ook nu de door de verbalisanten geschetste feitelijke

gang van zaken door verdachte niet is weersproken

De rechtbank concludeert dat uit de processtukken en het verhandelde ter zitting niet

is gebleken van ongeoorloofde pressie of manipulatie tijdens de verhoren als gevolg waarvan verdachte in zijn verklaringsvrijheid zou zijn aangetast. Evenmin is de

rechtbank gebleken van een gebrek aan objectiviteit bij de verhorende verbalisanten dat

tot tekortkomingen in het voorbereidend onderzoek heeft geleid.

Conclusie.

Er is geen redelijke termijn overschreden en de overige gestelde onvolkomenheden worden niet door de rechtbank onderschreven. Er zijn geen beginselen van een behoorlijke proces-orde geschonden. De officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen nu evenmin van andere gebreken is gebleken.

Er zijn tot slot geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bronnen bewijsmiddelen.

I.een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling divisie recherche, met dossiernummer [nummer], afgesloten d.d. 25 maart 2010, aantal doorgenummerde bladzijden: 787. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-

verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden;

II.een proces-verbaal van de openbare terechtzitting van deze rechtbank in deze zaak d.d. 20 januari 2012.

III.een verklaring van [betrokkene 2] d.d. 27 maart 2012 afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris.

IV.een verklaring van [betrokkene 1] d.d. 27 maart 2012 afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris.

feit 1 Inleiding.

Verdachte wordt verweten dat hij gelden ten behoeve van de organisatie van een voet-

balkamp voor kinderen te Zwitserland heeft geworven, terwijl hij niet voornemens was

een dergelijk voetbalkamp te organiseren en hij wist dat hij deze gelden voor zichzelf zou houden (oplichting). Mocht hij wel de intentie hebben gehad het kamp te organiseren dan heeft hij de voor dat doel ontvangen gelden voor eigen gebruik aangewend (verduistering).

feit 1 Het standpunt van de officier van justitie.

De tenlastegelegde oplichting kan worden bewezen. Verdachte heeft nimmer de bedoeling gehad om een voetbalkamp te organiseren. Hij heeft de voetballende kinderen en hun ouders een voetbalkamp voorgespiegeld met de enkele bedoeling om hen geld af te troggelen voor eigen gebruik.

feit 1 Het standpunt van de verdediging.

Verdachte was wel degelijk voornemens een voetbalkamp te organiseren. Hij had daartoe ook enige voorbereidingen getroffen. Enkel vanwege onvoorziene financiële problemen heeft verdachte zich de door de ouders betaalde gelden toegeëigend en voor eigen gebruik aangewend. Er is dan ook geen sprake van oplichting maar van verduistering.

feit 1 Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft de ouders van de betrokken kinderen per brief gevraagd geld aan hem te geven voor het organiseren van het voetbalkamp. Er is sprake van oplichting in strafrechtelijke zin als verdachte daarbij het oogmerk had zichzelf te bevoordelen en het ingezamelde geld niet te besteden aan het organiseren van het voetbalkamp. Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijk oogmerk niet in voldoende mate komen vast te staan. De verklaringen die verdachte daarover heeft afgelegd leveren voor het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling geen aanknopingspunten op. Verdachte verklaarde immers ter terechtzitting op 20 januari 2012 dat hij ten tijde van het schrijven van de brief aan de ouders in september 2008 nog niet het idee had om het geld van de ouders te gebruiken voor persoonlijke doeleinden. Verdachte verklaarde op die zitting voorts, dat hij in december 2008 nog hoop koesterde dat het allemaal nog goed zou komen, omdat hij op dat moment bezig was met een project, het uitgeven van een sportkrant. Rond maart 2009 drong het tot verdachte door, zo verklaarde hij, dat dit project mislukt was.

De rechtbank miskent niet dat verdachte de ingezamelde gelden heeft aangewend voor eigen gebruik en met deze gelden geen fonds heeft gevormd voor de bekostiging van het voetbal-kamp. Dat betekent echter nog niet dat bij verdachte van meet af aan de intentie heeft ontbroken om dit voetbalkamp daadwerkelijk te organiseren. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking, dat verdachte reeds twee keer eerder, in 2006 en 2007, een dergelijk voetbalkamp daadwerkelijk had georganiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dus niet worden bewezen, dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, toen hij de ouders bewoog tot afgifte van geld voor het voetbalkamp. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde oplichting.

De rechtbank acht op grond van:

*de aangifte van [benadeelde 5] (bron I, blz. 612 t/m 626);

*overzichten van betalingen (bron I, blz. 632 t/m 633) en onderliggende stukken (bron I,

blz. 634 t/m 676);

*bankafschriften [zakelijke rekening verdachte] (bron I: blz. 367 t/m 373; blz. 375 t/m 383, blz. 385 t/m 388, blz. 390

t/m 394);

*de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie (bron I, blz. 47 t/m 48) en ter

zitting van 20 januari 2012 (bron II, blz. 3 onderaan t/m blz. 6 bovenaan),

wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidair tenlastegelegde verduistering van de ten behoeve van een voetbalkamp te Zwitserland ontvangen gelden. Verdachte was in civielrechtelijke zin houder van de ontvangen gelden en zou uit dien hoofde ten behoeve van de ouders de kosten van het voetbalkamp betalen. Omdat verdachte deze gelden voor eigen gebruik heeft aangewend, acht de rechtbank bewezen, dat hij zich deze gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 Sr.

feit 2 Inleiding.

Verdachte wordt verweten dat hij subsidiegelden van de gemeente Eindhoven ten behoeve

van de schoolkranten '[naam 1]' en [naam 2]' heeft verduisterd dan wel de gemeente daartoe heeft opgelicht.

feit 2 Het standpunt van de officier van justitie.

De onder A. tenlastegelegde verduistering kan worden bewezen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder B. tenlastegelegde oplichting.

feit 2 Het standpunt van de verdediging.

Vrijspraak van de onder A. tenlastegelegde verduistering, omdat verdachte eigenaar van de verstrekte gelden was geworden en het geld aldus niet aan een ander toebehoorde. Van het zich toe-eigenen kan dan geen sprake zijn. Bovendien had verdachte geen opzet om zich de gelden wederrechtelijk toe te eigenen.

Vrijspraak van de onder B. tenlastegelegde oplichting, vanwege het ontbreken van het opzet (de rechtbank begrijpt: oogmerk) om zich wederrechtelijk te bevoordelen. Bovendien was er geen sprake van -kort gezegd- een valse naam, een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels.

feit 2 Het oordeel van de rechtbank.

Verduistering

Op grond van de aangifte van de gemeente Eindhoven en de aanvullend op deze aangifte door de gemeente Eindhoven toegezonden documenten (bron I, p. 540 - 588) staat vast dat de gemeente subsidie heeft verstrekt aan verdachte ten behoeve van de uitgifte van de schoolkrant [naam 1] en het blad [naam 2]. De subsidieaanvragen werden blijkens deze stukken telkens door verdachte gedaan en op basis daarvan werd de subsidie ook telkens aan verdachte toegekend. De gemeente was, zo geeft zij zelf ook aan, tot augustus 2008 niet op de hoogte van het bestaan van de [Stichting 1] en van het feit dat de bladen waarop de subsidiebesluiten betrekking hadden niet door verdachte maar door deze stichting werden uitgegeven. De uitbetaling van de aan verdachte toegekende subsidies vond plaats aan verdachte zelf, met als gevolg dat de uitgekeerde gelden tot het vermogen van verdachte gingen behoren. Daar stond tegenover de verplichting van verdachte om een aantal edities van de schoolkrant [naam 1] en het blad [naam 2] te verzorgen en te bekostigen. Omdat de uitgekeerde subsidiegelden tot het vermogen van verdachte gingen behoren, kan er geen sprake van zijn dat verdachte zich deze gelden heeft toegeëigend. Hij was immers al rechthebbende van deze gelden. De omstandigheid dat verdachte in strijd met de op hem rustende verplichtingen er niet voor heeft gezorgd dat de betreffende bladen (allemaal) werden uitgegeven, maakt dit niet anders. Dit leidt hooguit tot een (bestuursrechtelijk en eventueel civielrechtelijk te effectueren) verplichting tot terugbetaling van subsidiegelden.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de hem tenlastegelegde verduistering van de subsidiegelden.

Oplichting

Verdachte wordt subsidiair verweten dat hij - met het oogmerk om zichzelf te bevoordelen - de gemeente Eindhoven heeft bewogen tot betaling van € 11.400,-. Dit betreft de subsidietoekenning en -betaling ter zake van de uitgave van het blad [naam 2]. Ook ten aanzien van dit feit is naar het oordeel van de rechtbank niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte al ten tijde van de subsidieaanvraag bij de gemeente de bedoeling heeft gehad om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen en het gevraagde subsidiebedrag niet aan te wenden voor de bekostiging van [naam 2]. Uit de e-mail van verdachte van 18 april 20081 blijkt dat verdachte kennelijk al geruime tijd vóór de subsidieaanvraag bij de gemeente2 doende was met de nieuw uit te geven krant. Uit de aangifte namens de [Stichting 1] blijkt dat verdachte daarnaast ook met het bestuur van de stichting over deze plannen heeft gesproken.3 Concrete indicaties dat verdachtes opzet desondanks van meet af aan erop was gericht om zich met de subsidiegelden te bevoordelen, ontbreken. De rechtbank zal verdachte dan ook van de hem - subsidiair - verweten oplichting vrijspreken.

feit 3 Inleiding.

Tot slot wordt verdachte verweten dat hij middels leugens de [bank] geldbedragen heeft laten storten op een rekening ten behoeve van verdachte

(oplichting). In elk geval heeft verdachte deze geldbedragen verduisterd.

feit 3A en feit 3B Het standpunt van de officier van justitie.

De onder A. tenlastegelegde oplichting van een geldbedrag van 17.642,75 euro kan worden bewezen. De onder B. tenlastegelegde verduistering kan worden bewezen tot een bedrag van 7.790 euro (subsidie [bank]).

feit 3A en feit 3B Het standpunt van de verdediging.

Vrijspraak van de onder A. tenlastegelegde oplichting, vanwege het ontbreken van het opzet (de rechtbank begrijpt: oogmerk) om zich wederrechtelijk te bevoordelen. Bovendien was er geen sprake van -kort gezegd- een valse naam, een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels.

Vrijspraak van de onder B. tenlastegelegde verduistering, omdat verdachte de gelden niet onder zich had. Het geld was immers onder de [Stichting 1] en de [bank]. Boven-

dien had verdachte geen opzet om het geld zich wederrechtelijk toe te eigenen.

feit 3A en feit 3B Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht de navolgende bewijsmiddelen van belang.

1.Aangifte [aangever] namens de [bank] d.d. 15 oktober 2009.4

Aangever heeft tegenover de politie het volgende verklaard.

"Op 11 oktober 2007 werd in het kantoor van de [bank] te [bank] een rekening geopend op naam van [Stichting 1]. De overeenkomst werd getekend door [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Bij deze gesprekken was steeds [alias van verdachte] aanwezig. Het inschrijvingsformulier op het uittreksel van de Kamer van Koophandel betrof het woonadres [adres] te Eindhoven. Doordat [alias van verdachte] zich als gemachtigde van genoemde stichting had voorgedaan, werd hij als beschikkingsbevoegd aangemerkt. Ten tijde van de eerste gesprekken had [alias van verdachte] (= [verdachte]) een tennispas bij zich ter identificatie.

Op 13 november 2007 werd door [alias van verdachte] aan een bankemployee medegedeeld, dat er een bedrag van EUR 15.000,= aan subsidie onderweg zou zijn, maar dat hij met spoed de drukker moest betalen. Vooruitlopend op de subsidietoekenning gaf hij een betalings-opdracht. Deze betalingsopdracht betrof een overboeking van EUR 13.400,= naar [zakelijke rekening verdachte].

Op 7 december 2007 deed [alias van verdachte] weer een beroep op de bank met de mededeling dat nogmaals met spoed de drukker betaald moest worden. Omdat hij nu een andere persoon van de [bank] sprak, stond de betreffende persoon toe dat er een bedrag van EUR 4.242,75 naar [zakelijke rekening verdachte] werd overgeboekt.

Inmiddels was er ook al een contact geweest met de afdeling communicatie van de [bank]. Omdat [verdachte] alias [alias van verdachte] wederom een goed verhaal had opgehangen omtrent de plannen en de mogelijkheden [van de kinderkrant [naam 1]], werd er een subsidie-aanvraag toegekend van EUR 11.602,50. De sponsovereenkomst werd door de penningmeester en de voorzitter ondertekend op 23 januari 2008. Er werd door de penningmeester van de stichting een betaalopdracht klaargezet in het systeem voor betaling. Nadat er een fiat was gegeven omtrent de subsidiegelden van de [bank] werd er een bedrag van EUR 7.790,= overgeboekt naar [zakelijke rekening verdachte].

Op 1 april 2008 en 13 mei 2008 werd [alias van verdachte] benaderd voor de ongeoorloofde debet-standen. Hij gaf aan dat hij zijn best ging doen om er voor te zorgen dat de ongeoorloofde debetstanden konden worden geherfinancierd. Op 7 augustus 2008 vond er een gesprek plaats met [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Hierbij bleek dat er sprake was van een oplichter te weten [verdachte] alias [alias van verdachte].

Uit onderzoek bleek dat [alias van verdachte] een bedrag van totaal EUR 25.433,= zich onrecht-matig had toegeëigend. Tijdens een gesprek op 8 september 2008 beloofde [alias van verdachte] de schulden aan de bank terug te zullen betalen.

Op 23 september 2008 werd de [Stichting 1] failliet verklaard en bleef de bank zitten met een vordering die niet te incasseren was. Ook [verdachte] kwam zijn afspraken niet na. De [bank] had [verdachte] alias [alias van verdachte] geen toestemming gegeven om over de bankrekening van de [Stichting 1] te beschikken. Door zijn gedrag en uitlatingen werden mede-werkers van de [bank] misleid en werden er gelden naar de rekening van [zakelijke rekening verdachte] geboekt voor een totaalbedrag van EUR 25.433,=. Hiertoe heeft hij gebruik gemaakt van telefonische overboekingen, waarbij als gevolmachtigde van de Stichting overboekingen uit heeft laten voeren, terwijl deze bevoegdheid niet voor hem bestemd was."

2.Overzicht van de rekening van de [Stichting 1] periode 1 mei 2007 t/m 4 juli 2007.5

Op dit overzicht is te zien dat er op 13 november 2007, 7 december 2007 en 18 februari 2008 bedragen van respectievelijk EUR 13.400,=, EUR 4.242,75 en EUR 7.790 naar

het rekeningnummer van [zakelijke rekening verdachte] zijn overgeboekt.

Voorts is op dit overzicht te zien dat de [Stichting 1] op 18 februari 2008 EUR 33.952,81 in het rood stond en dat de Stichting op 20 februari 2008 een bedrag van

EUR 11.602,50 gestort kreeg door de [bank].

3.Overzicht dagafschriften [zakelijke rekening verdachte], [adres] Eindhoven, periode 1 november 2007 t/m 19 februari 2008.6

Hierop is te zien dat er op 13 november 2007, 7 december 2007 en 18 februari 2008 middels spoedopdrachten bedragen van respectievelijk ER 13.400,=, EUR 4.2.42,75 en EUR 7.790,=

op de rekening van [zakelijke rekening verdachte] zijn bijgeschreven vanaf de rekening van [Stichting 1], met als omschrijvingen respectievelijk 'betaling drukkerij', 'overboeking [naam 1] drukkerij' en

[naam 1] drukwerk'.

4. Bijlage 1.3 bij de aangifte van de [gemeente Eindhoven] d.d. 12 mei 20097. Uit dit stuk blijkt dat de [gemeente Eindhoven] aan verdachte een subsidie heeft toegekend van € 16.200,- voor de uitgifte van 6 edities van de schoolkrant [naam 1] in 2008, en dat een betaling van een voorschot van 95% (= € 15.390,-) op 15 februari 2008 heeft plaatsgevonden.

5. Overzicht verloop [zakelijke rekening verdachte] over de periode 18 januari 2006 tot en met 2 juni 2009 met de bijbehorende dagafschriften over diezelfde periode8. In dit overzicht is te zien dat op 13 februari 2008 een bedrag van de [bank] wordt ontvangen van € 15.390,- onder vermelding van 'schoolkrant ok'

6.Uittreksel handelsregister Kamer van Koophandel d.d. 5 juni 2009.9

Betreft: [bedrijf].

Adres: [adres] Eindhoven.

De onderneming wordt gedreven voor rekening van: [verdachte].

De activiteiten zijn m.i.v. 1 maart 2009 gestaakt (registratie op 22 april 2009).

7.Uittreksel handelsregister [Stichting 1] d.d. 8 mei 2008.10

Betreft: [Stichting 1], [adres] te Eindhoven

Inschrijving d.d. 27 september 2007.

Bestuurders: [betrokkene 2] (voorzitter), [betrokkene 3] (secretaris) en [betrokkene 1] (penningmeester).

8.Verklaringen [betrokkene 2].11,12

"Ik was voorzitter van het bestuur van de Stichting (de rechtbank leest: [Stichting 1]).

[verdachte] was de uitvoerder van de krant (de rechtbank leest: schoolkrant [naam 1]).

Hij had alle contacten. Hij woonde meestal de vergaderingen van de stichting bij. Hij moest ons voorzien van officiële stukken. Tussen september 2007 en april 2008 hebben wij [verdachte] honderden malen verzocht de officiële stukken aan te leveren. De stichting had een rekening bij de [bank]. Uit gesprekken met een accountmanager van de [bank] is gebleken dat er tot twee maal toe een bedrag van 10.000 euro is overgemaakt naar de rekening van [zakelijke rekening verdachte] ( dit is de handelsonderneming van [verdachte])". (noot 11)

"[verdachte] is bij mij gekomen met het idee van de krant [naam 1]. [verdachte] wilde niet in het bestuur van de stichting (de rechtbank leest: [Stichting 1]). [betrokkene 1] is penningmeester geworden, [betrokkene 3] de secretaris en ik de voorzitter.

De [naam 1]-krant was afhankelijk van inkomsten van vaste relaties die een advertentie hadden in de krant, waaronder de [bank]. De gelden hiervan zijn nooit op de bank- rekening van de stichting binnengekomen, behalve een bedrag van de [bank] van ongeveer 1500 euro. U vraagt mij of de financiën bij [betrokkene 1] terecht zijn gekomen. Nee, dat is nooit gebeurd. Wij hebben sinds de [Stichting 1] officieel is geworden op elke vergadering aan [verdachte] gevraagd om contracten en dergelijke over te leggen. Hij deed namelijk de marketing en wij kregen hier nimmer iets van te zien. Hij zei elke keer dat het wel goed kwam. Uiteindelijk hebben wij nooit stukken van contracten en dergelijk gezien. Wij hebben meerdere malen gevraagd of het geld binnen was gekomen en [verdachte] zei dan dat het geld binnen was gekomen. Later zei hij dat het geld op de rekening van [zakelijke rekening verdachte] was binnen gekomen. Wij zeiden tegen [verdachte] dat het geld op de rekening van de [bank] van de stichting binnen moest komen en dat hij dit moest regelen. [verdachte] zei dan altijd dat we niet zo moeilijk moesten doen en dat het wel geregeld werd." (noot 12)

9.[betrokkene 1]13,14

"Ik heb [verdachte] in juni 2007 leren kennen. [verdachte] vertelde dat hij bezig was met het uitgeven van een schoolkrant. [verdachte] vroeg mij deel te nemen aan het bestuur van de [Stichting 1]. Ik besloot deel te nemen. Ik werd penningmeester. Echter, ik heb nooit enige vorm van betalingsverkeer geregeld. Begin 2008 werd door mij een bankrekening bij de [bank] geopend voor de [Stichting 1]. Ik ben daartoe naar [bank] gegaan. [verdachte] had van te voren contact opgenomen met deze bank en een afspraak voor mij gemaakt.

Ik was de enige gemachtigde van deze rekening. Ik heb verder niemand gemachtigd voor deze rekening. Echter, deze rekening werd niet gebruikt. Ik benadruk dat ik geen enkel betalingsverkeer heb geregeld van gelden voor de [Stichting 1].

Tijdens vergaderingen hebben wij [verdachte] veelvuldig gevraagd om inzage van stukken. Deze stukken kon hij nooit overleggen. Van het oprichten van de [Stichting 1] tot en met juli 2008 zijn er een aantal uitgaven van het blad [naam 1] gedrukt maar heeft nooit iemand geld ontvangen van [verdachte]." (noot 13)

"Ik ken [verdachte] als [verdachte]. Ik ben 6 à 7 maanden penningmeester geweest en sinds de tijd dat de stichting officieel was regelde [verdachte] nog steeds alle financiële zaken. Door de leden van het bestuur is aan [verdachte] herhaaldelijk gevraagd om de administratie te overleggen, maar dit is nooit gebeurd. [verdachte] werd gevraagd naar de administratie en hij zei steeds dat het wel goed kwam. De raadsman vraagt wie de betalingen deed. [verdachte] regelde dit allemaal en ook de eventuele rekeningen.

De stichting had een eigen rekening. Deze rekening heeft [verdachte] geregeld en (het) was rekening bij de [bank]. Het klopt dat ik bij de opening van de rekening van de [bank] ben geweest. [verdachte] had de contacten met de [bank]. De [bank] sponsorde de krant ook. [verdachte] heeft mij een keer gezegd dat er een aanzienlijk bedrag, zo'n 20.000 euro, van de [bank] richting de stichting zou komen. [verdachte] zei dat de drukkerij met spoed betaald moest worden anders werd de krant niet gedrukt. Ik heb toen via telebankieren gekeken of het bedrag op de rekening van de stichting terecht kwam. Toen dit het geval was heb ik kort daarna dit bedrag overgemaakt naar de rekening van [verdachte]. [verdachte] regelde alles en derhalve ook deze betaling en ik vertrouwde hem. Ik vertrouwde [verdachte] volledig." (noot 14)

10.Verklaringen verdachte.15,16

"Ik gebruik al twaalf jaar de naam [alias van verdachte]. (noot 15)

"Mijn bedrijf [zakelijke rekening verdachte] heeft een rekening bij de [bank]." (noot 15)

"Ik ben één keer met [betrokkene 1] bij de [bank] geweest. Ik heb mij toen met een tennispasje geïdentificeerd. Ik heb op 13 november 2007 contact opgenomen met de [bank]. Uiteindelijk is er een bedrag van EUR 13.400,= overgemaakt naar mijn rekening. Ik ben vervolgens gedurende een periode van enkele weken telkens gaan pinnen in Eindhoven. Ik kon telkens niet meer dan EUR 2.500,= per keer pinnen. Op 7 december 2007 heb ik wederom een beroep op de [bank] gedaan. Ik vroeg de bank een bedrag van EUR 4.242,75 naar mijn rekening over te maken. De [bank] bood vervolgens aan de kinderkrant te sponsoren voor een bedrag van EUR 7.790,=. Dat geld is door de bank overgemaakt op mijn rekening." (noot 16)

11. Conclusie rechtbank.

Uit het voorgaande volgt dat de [bank] op verzoek van verdachte EUR 13.400,= en EUR 4.242,75 naar de rekening van het bedrijf van verdachte, [zakelijke rekening verdachte], heeft overgemaakt in verband met spoed te betalen kosten aan een drukkerij. De verzoeken

van verdachte werden ingewilligd, omdat hij te kennen had gegeven dat er een subsidie

van EUR 15.000,= van de gemeente onderweg was naar de [Stichting 1].

Verdachte heeft ter zitting van 20 januari 2012 verklaard dat hij hierbij in opdracht van de

heer [betrokkene 1], de penningmeester, zou hebben gehandeld. Verdachte zou de aan hem ([zakelijke rekening verdachte]) overgemaakte geldbedragen in kleinere bedragen hebben opgenomen en contant aan [betrokkene 1] hebben verstrekt. Verdachte zou hierbij te goeder trouw hebben gehandeld in opdracht van [betrokkene 1].

De rechtbank leidt uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] af, dat verdachte feitelijk de financiën van de [Stichting 1] beheerde en dat hij hierbij een ondoorzichtig beheer voerde. Uit de aangifte van [aangever] blijkt, dat de [bank] verdachte als gemachtigde en beschikkingsbevoegd namens [Stichting 1] beschouwde. [betrokkene 1] ontkent de lezing van verdachte over de gang van zaken en het dossier biedt voor het overige voor die lezing ook geen aanknopingspunten. De rechtbank hecht daarom geen geloof aan verdachtes verklaring over de besteding van de aan hem overgemaakte bedragen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte voor eigen gewin de [bank] door een samen-weefsel van verdichtsels heeft bewogen genoemde geldbedragen naar hem, verdachte, over te maken.

Ten aanzien van het overboekte geldbedrag van 7.790 euro ter sponsoring van (de uitgifte van) het blad [naam 1] overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte was in civiel-rechtelijke zin houder van het ontvangen geldbedrag en was uit dien hoofde gehouden dit geldbedrag aan te wenden ter bekostiging van genoemd blad. Verdachte heeft dit niet gedaan. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte dit geldbedrag zich opzettelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 Sr.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is

dat verdachte:

1. subsidiair:

in 30 september 2008 tot en met 15 mei 2009 te Eindhoven en/of elders in Nederland, en/of te Veysonnaz, en/of elders in Zwitserland, opzettelijk contante en/of girale geldbedragen (tot een totaalbedrag van (ongeveer) 12.263,- euro), toebehorende aan een of meer ouders van leden van voetbalvereniging [slachtoffer 2], te weten:

[benadeelde 6] en

[benadeelde 15] en/of [benadeelde 7] en

[benadeelde 16] en/of [benadeelde 17] en

[benadeelde 18] en

[benadeelde 19] en/of [benadeelde 20] en

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 21] en

[benadeelde 22] en/of [benadeelde 23] en

[benadeelde 2] en

[benadeelde 8] en

[benadeelde 25] en/of [benadeelde 26] en

[benadeelde 9] en

[benadeelde 3] en/of [benadeelde 27] en

[benadeelde 4] en

[benadeelde 5] en/of [benadeelde 28] en

[benadeelde 10] en

[benadeelde 29] en/of [benadeelde 30] en

[benadeelde 31] en

[benadeelde 32] en

[benadeelde 11] en

[benadeelde 12] en

[benadeelde 33] en

[benadeelde 34],

welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten behoeve

van het organiseren van een voetbalkamp in Zwitserland, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3.

A.

hij op 13 november 2007 en 7 december 2007 te [slachtoffer 2] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, personeelsleden van de [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen tot een totaalbedrag van 17.642,75 euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

op 13 november 2007 contact opgenomen met een personeelslid van de [bank] en dat personeelslid van de [bank] medegedeeld -zakelijk weergegeven- dat er een subsidie van 15.000,- onderweg zou zijn

naar de bankrekening van de [Stichting 1] en dat er met spoed een drukker diende te worden betaald en dat personeelslid van de [bank] verzocht om vooruitlopend op de binnenkomst van de subsidie alvast een betalingsopdracht uit te voeren ter hoogte van 13.400,- naar de rekening van [zakelijke rekening verdachte]

en

op 7 december 2007 contact opgenomen met een personeelslid van de [bank] en dat personeelslid van de [bank] wederom medegedeeld -zakelijk weergegeven- dat er met spoed een drukker diende te worden betaald en dat personeelslid van de [bank] een betalingsopdracht gegeven ter hoogte van 4.242,75 naar de rekening van [zakelijke rekening verdachte],

waardoor voornoemde personeelsleden van de [bank] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte.

en

B.

in de periode van 18 februari 2008 tot en met 15 oktober 2009 te Eindhoven en/of elders

in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van 7.790 euro toebehorende aan de [Stichting 1], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten behoeve

van het uitbrengen van een schoolkrant, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

Een gevangenisstraf van 27 weken, met aftrek, waarvan 1 week voorwaardelijk.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op uitspraken in soortgelijke zaken dient te worden volstaan met de oplegging van een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft gelden verduisterd die bestemd waren voor een door hem te organiseren voetbalkamp voor kinderen. Hij heeft de [bank] onder valse voorwendselen geld afhandig gemaakt en een door de [bank] overgeboekt geldbedrag ter sponsoring van

een schoolkrantje verduisterd. Met zijn laakbare handelen is een geldbedrag van ruim

EUR 37.500,= gemoeid. Verdachte heeft door zijn gedragingen ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem stelden. In dit verband neemt de rechtbank

het verdachte met name kwalijk, dat hij de opgewekte verwachtingen van de jonge kinderen die zich op het voetbalkamp hadden verheugd, niet waar heeft gemaakt. Verdachte heeft zijn eigen belang boven dat van de kinderen en hun ouders gesteld.

Uit het strafblad van verdachte blijkt onder meer dat hij in 2000 en in 2008 tot werkstraffen is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Bij laatstgenoemde veroordeling heeft verdachte voorts een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd gekregen. Verdachte heeft het bewe-zen verklaarde feit 1 subsidiair gepleegd kort na deze veroordeling en in de daarbij opgelegde proeftijd. De eerdere strafopleggingen hebben blijkbaar niet het gewenste effect gehad. Verdachte heeft de hem geboden kansen om zijn leven te beteren niet aangegrepen . De rechtbank zal met dit alles ten nadele van verdachte rekening houden bij de op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf, welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

In het advies van het voortgangsverslag van de reclassering d.d. 11 januari 2012 ziet de rechtbank aanknopingspunten om nogmaals een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, echter thans met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht met onder meer

een behandelverplichting en inzage in de financiële huishouding van verdachte.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie en de rechtbank voorts van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Het standpunt van de officier van justitie.

Toewijzing van alle vorderingen met daarbij de oplegging van de schadevergoedings-maatregel, met dien verstande dat:

-de door benadeelde [benadeelde 11] gevorderde EUR 1.800,= (onderhandse lening) niet

voor toewijzing in aanmerking komt, omdat deze lening geen onderdeel vormt van het

strafgeding;

-benadeelde [benadeelde 7] kennelijk abusievelijk uit is gegaan van een

bedrag van 345 euro in plaats van 245 euro ten behoeve van het voetbalkamp. Derhalve

dient op het gevorderde bedrag 100 euro in mindering te worden gebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De vorderingen van de benadeelde partijen die betrekking hebben op feit 1 kunnen worden toegewezen, met inachtneming van de opmerkingen die officier van justitie ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 11] en [benadeelde 7] heeft gemaakt.

De benadeelde partijen gemeente Eindhoven en de [bank] dienen, gelet op de bepleite vrijspraken te dier zake, niet ontvankelijk in hun vordering te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

Integrale toewijzingen.

De rechtbank acht de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 6],

[benadeelde 4], [benadeelde 8], [benadeelde 2], [benadeelde 12], [benadeelde 14], [benadeelde 7] en [benadeelde 10] (monde-linge voeging ter zitting van 20 januari 2012) telkens voor het volledige bedrag toewijsbaar, met dien verstande dat benadeelde [benadeelde 7] kennelijk abusievelijk uit is gegaan van een bedrag van 345 euro in plaats van 245 euro ten behoeve van het voetbal-kamp. De rechtbank zal de vordering aldus begrijpen en verstaan dat gevorderd wordt het voor deelname van één kind verschuldigde bedrag ad 245 euro vermeerderd met de betaalde verhoging ad 75 euro.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens telkens de schadevergoedings-maatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte telkens van de schadevergoedings-plicht jegens de benadeelden is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Deels toewijzen, deels niet-ontvankelijk.

De rechtbank acht de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 5]/[benadeelde 28] en [benadeelde 9] deels toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, en wel tot een bedrag van 710 euro ([benadeelde 5]/[benadeelde 28]) en 320 euro, zijnde het verschuldigde bedrag voor 1 kind voor het voetbalkamp ([benadeelde 9]).

De rechtbank zal benadeelde partij [benadeelde 5]/[benadeelde 28] niet ontvankelijk verklaren in de

gevorderde immateriële schade (350 euro), omdat de rechtbank van oordeel is dat de behandeling van dit onderdeel van vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, aangezien een nadere onderbouwing ontbreekt en zonder verdergaand onderzoek

- waarvoor het strafgeding zich niet leent - de hoogte van de daadwerkelijk geleden

schade niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal benadeelde partij [benadeelde 9]

op dezelfde grond niet ontvankelijk verklaren in het hoger gevorderde bedrag aan

materiële schade (880 euro). De benadeelde partijen kunnen deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens telkens de schadevergoedings-maatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte telkens van de schadevergoedings-plicht jegens de benadeelden is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Deels toewijzen, deels afwijzen

De rechtbank acht de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3], [benadeelde 1]/[benadeelde 1], [benadeelde 11] en [bank] deels toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, en wel tot bedragen van 260 euro ([benadeelde 3]), 800 euro ([benadeelde 1]), 490 euro ([benadeelde 11]) en 17.642,75 euro ([bank]).

De rechtbank zal het hoger gevorderde bedrag van de benadeelde partij [bank] ad 19.729,25 euro afwijzen en wel om het navolgende. De [bank] heeft een totaalbedrag van 37.372 euro gevorderd, terwijl uit de bewezenverklaring volgt dat verdachte de [bank] voor een bedrag van 17.642,75 euro heeft opgelicht (feit 3A) en verdachte

een geldbedrag van 7.790 euro, toebehorende aan de [Stichting 1], heeft verduisterd (feit 3B). De [bank] heeft een vordering in het faillissement van de [Stichting 1] ingediend van 24.105,85, zijnde de debetstand op de door deze stichting bij de bank aangehouden betaalrekening.. Ter terechtzitting is vastgesteld dat het faillissement van de stichting in 2011 is opgeheven bij gebrek aan baten. Dat betekent dat aan geen van de schuldeisers een uitkering werd gedaan.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de vordering uit van de in de bewezenverklaring genoemde schadebedragen. De bedragen die verdachte door oplichting heeft verkregen zijn primair ten laste gekomen van het vermogen van de [Stichting 1]. De rechtbank neemt aan dat de [bank], als verdachte de strafbare gedragingen niet had gepleegd, de genoemde bedragen nooit ten laste van de rekening van [Stichting 1] naar verdachte zou hebben overgemaakt, vanwege het ontbreken van een toereikend saldo. Haar schade als gevolg van het faillissement zou in dat geval dienovereenkomstig lager zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaarde oplichting en de schade die de bank als gevolg daarvan heeft geleden.

De [bank] heeft als gevolg van de verduistering van 7.790 euro (feit 3B) geen schade geleden, omdat dit bedrag is onttrokken aan het vermogen van de [Stichting 1]. De schade die de bank vordert als gevolg van de verduistering is niet haar schade, maar die van de [Stichting 1]. Voor zover de bank schade lijdt als gevolg van het feit dat de debetstand op de rekening van de stichting niet wordt aangezuiverd, wordt deze schade veroorzaakt door het faillissement van de stichting en niet door de verduistering van een deel van de sponsorbijdrage door verdachte. Resteert voor toewijzing het onder feit 3A bewezenverklaarde bedrag van 17.642,75 euro.

De rechtbank zal de hoger gevorderde bedragen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] (post lening ad 65 euro), [benadeelde 1] (post lening ad 250 euro) en [benadeelde 11] (post onderhandse lening ad 1.800 euro) afwijzen vanwege gebrek aan voldoende causaal verband met het bewezenverklaarde.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens telkens de schadevergoedings-maatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte telkens van de schadevergoedings-plicht jegens de benadeelden is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Niet-ontvankelijkverklaringen.

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde 13] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien geen sprake is van rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit (1) toegebrachte schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij Gemeente Eindhoven niet-ontvankelijk verklaren in vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van de feiten (2A en 2B) waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

Nu de genoemde vorderingen niet worden toegewezen zal de rechtbank de benadeelde partijen veroordelen in de kosten van verdachte tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 60a, 63,

321, 326.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1 primair, feit 2A en feit 2B: vrijspraak.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor onder feit 1 subsidiair, feit 3A en feit 3B is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 subsidiair: verduistering, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 3A.: oplichting, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 3B.: verduistering.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 3A en feit 3B.:

Gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

-zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar

feit en

-ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan

het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als

bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio

's-Hertogenbosch, [adres], [woonplaats], zolang deze

instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt:

*een meldingsgebod en de reclassering op de hoogte houden van zijn woonadres,

*het voortzetten van de behandeling bij de GGzE-instelling De Omslag,

*inzage geven in financiële gegevens met betrekking tot zijn inkomsten en uitgaven.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 800,00 subsidiair 16 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van

het slachtoffer [benadeelde 6] van een bedrag van EUR 800,= (zegge: achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van

deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 6], van een bedrag van EUR 800,= (zegge: achthonderd euro euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 620,00 subsidiair 12 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] van een bedrag van EUR 620,= (zegge: zeshonderd-twintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4], van een bedrag van EUR 620,= (zegge: zeshonderd-twintig euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 8] van een bedrag van EUR 200,= (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 8], van een bedrag van EUR 200,=

(zegge: tweehonderd euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 320,00 subsidiair 6 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] van een bedrag van EUR 320,= (zegge: driehonderd-twintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2], van een bedrag van EUR 320,= (zegge: driehonderd-twintig euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 245,00 subsidiair 4 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 12] van een bedrag van EUR 245,= (zegge: tweehonderd-vijfenveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 12], van een bedrag van EUR 245,=

(zegge: tweehonderd-vijfenveertig euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 735,00 subsidiair 14 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 14] van een bedrag van EUR 735,= (zegge: zevenhonderd-vijfendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

14 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 14], van een bedrag van EUR 735,= (zegge: zevenhonderd-vijfendertig euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 10] van een bedrag van EUR 250,= (zegge: tweehonderd-vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de (mondelinge) vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 10], van een bedrag van EUR 250,= (zegge: tweehonderd-vijfig euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 710,00 subsidiair 14 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5]/[benadeelde 28] van een bedrag van EUR 710,= (zegge: zevenhonderd-tien euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5]/[benadeelde 28], van een bedrag van EUR 710,= (zegge: zevenhonderd-tien euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (de gevorderde immateriele schade) niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 320,00 subsidiair 6 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 7] van een bedrag van EUR 320 ,= (zegge: driehonderd-twintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 7], van een bedrag van EUR 320,= (zegge: driehonderd-twintig euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 260,00 subsidiair 5 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] van een bedrag van EUR 260,= (zegge: tweehonderd-zestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 3],

van een bedrag van EUR 260,= (zegge: tweehonderd-zestig euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af (post: lening ad 65 euro).

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 800,00 subsidiair 16 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1]/[benadeelde 1] van een bedrag van EUR 800,= (zegge: achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 1]/[benadeelde 1], van een bedrag van EUR 800,= (zegge: achthonderd euro ), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af (post: extra lening ad 250 euro).

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 490,00 subsidiair 9 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 11] van een bedrag van EUR 490,= (zegge: vierhonderd-negentig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 11] , van een bedrag van EUR 490,= (zegge: vierhonderd-negentig euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af (post: onderhandse lening).

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 320,00 subsidiair 6 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 9] van een bedrag van EUR 320,= (zegge: driehonderd-twintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 9], van een bedrag van EUR 320,= (zegge: driehonderd-twintig euro), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (880 euro) niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde 13] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. feit 2A en feit 2B:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [gemeente Eindhoven] in haar vordering. Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. feit 3A en feit 3B:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 17.642,75 subsidiair 123 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van

het slachtoffer [bank] van een bedrag van EUR 17.642,75 (zegge: zeventienduizend-zeshonderd-tweeenveertig euro en vijfenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 123 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [bank] , van een bedrag van EUR 17.642,75 (zegge: zeventienduizend-zeshonderd-tweeenveertig euro en vijfenzeventig eurocent), zijnde een materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige (EUR 19.729, 25) af.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. van Dellen, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. S.J.O. de Vries, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 10 juli 2012.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 (bron I, bijlage 1.5 bij de aangifte van de [Stichting 1], p. 443)

2 (2 juni 2008; bron I, bijlage 1.3 bij de aangifte van de [gemeente Eindhoven], p. 570)

3 (bron I, p. 426).

4verklaring van [aangever] (bron I, blz. 717-720)

5overzicht rekeningnummer [Stichting 1] (bron I, blz. 732)

6overzicht dagafschriften [bank] rekening [zakelijke rekening verdachte] (bron I, blz. 736-738)

7 Subsidiebeschikking [gemeente Eindhoven] d.d. 17 juni 2008 (bron I, p. 575)

8 Overzicht rekeningverloop (bron I, p. 194-237) met dagafschriften (bron I, p. 238 - 396)

9uittreksel Kamer van Koophandel m.b.t. [zakelijke rekening verdachte] (bron I, blz. 464)

10uittreksel Kamer van Koophandel m.b.t. [Stichting 1] (bron I, blz. 727)

11verklaring [betrokkene 2] (bron I, blz. 457 t/m 458)

12verklaring [betrokkene 2] (bron III)

13verklaring [betrokkene 1] (bron I, blz. 468 t/m 470 midden, blz. 472)

14verklaring [betrokkene 1] (bron IV)

15verklaring verdachte (bron I, blz. 42 en blz 51)

16verklaring verdachte (bron II; blz. 10 onderaan t/m blz. 11 midden)

31

Parketnummer: 01/839295-09

[verdachte]