Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX0752

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/1300
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag senior technisch medewerker bij de afdeling Ingenieursbureau bij verweerders gemeente. Ernstig plichtsverzuim. Met zijn handelwijze heeft eiser bepaalde bedrijven bevoordeeld ten koste van andere bedrijven. Op deze wijze heeft hij in ernstige mate het vertrouwen dat verweerder in hem heeft moeten kunnen stellen, beschaamd. Als eiser had gemeend dat om redenen van snelheid en beperking van de kosten afwijking van de procedureregels gerechtvaardigd was (waarin de procedureregels ook voorzien) dan had hij daarover in overleg moeten treden met zijn leidinggevende. Eiser heeft echter volstrekt eigenmachtig de aanbestedingsregels opzij gezet, waarbij hij zelfs, om dat de verdoezelen, processen-verbaal valselijk heeft opgemaakt. Ontslag niet onevenredig.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2012/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/1300

Uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2012

inzake

[eiser],

te [plaats],

eiser,

(gemachtigde: mr. M. de Vries),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder,

(gemachtigde: mr. M.J.J. Rutten).

<b>Procesverloop</b>

Op 4 augustus 2010 heeft verweerder eiser mondeling de toegang ontzegd tot de kantoren van het stadskantoor dan wel het verblijf aldaar. Dit geldt eveneens voor de toegang tot gebouwen, werkplaatsen en bouwplaatsen die verband houden met projecten waarbij eiser vanuit zijn functie en/of afdeling betrokken is. Bij brief van 5 augustus 2010 heeft verweerder dit bevestigd. De maatregel zal voortduren tot het ingestelde onderzoek is afgerond en besluitvorming heeft plaatsgevonden.

Bij besluit van 8 december 2010 heeft verweerder eiser met ingang van 15 december 2010 de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

De door eiser tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaren heeft verweerder bij besluit van 16 maart 2011 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. H.J.M. Richters, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, A.M. Krop en ing. I. van Hunen.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is sinds 1 oktober 1977 bij verweerders gemeente werkzaam, laatstelijk in de functie van senior technisch medewerker bij de afdeling Ingenieursbureau.

Bij verweerder is het signaal binnengekomen dat eiser zich niet aan de regels houdt met betrekking tot tijdsverantwoording, declaraties en aanbestedingen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) ingeschakeld om nader onderzoek te verrichten.

2. Door Hoffmann is een onderzoek verricht met betrekking tot de e-mailbox van eiser en een administratief onderzoek. Ook is eiser op 4 augustus 2010 door twee medewerkers van Hoffmann gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een (ongedateerd) rapport.

3. Bij brief van 4 oktober 2010 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt dat hem disciplinair ontslag wordt verleend. Eiser heeft op 4 november 2010 zijn zienswijze hierop gegeven.

4. Het wettelijk kader luidt als volgt.

5. Ingevolge artikel 15:1:33 van de Rechtspositieregeling gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: Rechtspositieregeling) kan door of namens burgemeester en wethouders de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.

6. In artikel 16:1:1, eerste lid, van de Rechtspositieregeling is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in het tweede lid van de Ambtenarenwet, deswege disciplinair kan worden gestraft. Volgens het tweede lid van deze bepaling omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift, als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

7. Op grond van artikel 8:13 van de Rechtspositieregeling kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend.

8. In de beoordeling van deze zaak betrekt de rechtbank ook de stukken die zich bevinden in het dossier van zaak AWB 11/1291. Partijen hebben van de stukken in dit dossier kennis kunnen nemen en deze zaak is aansluitend aan de behandeling van de onderhavige zaak op de zitting van 12 juni 2012 behandeld, waarbij beide partijen aanwezig waren.

<u>Ontzegging toegang</u>

9. Naar vaste jurisprudentie vindt een bestuursorgaan in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar waardoor aan diens integriteit moet worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in de ambtenaar te stellen vertrouwen dermate is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 oktober 2000, LJN: AA8869).

10. Eiser heeft op 4 augustus 2010 een verklaring afgelegd tegenover medewerkers van Hoffmann, waarbij hij onder meer heeft erkend dat hij heeft meegewerkt aan fraude bij het project Willem II-fabriek; dat hij in processen-verbaal van aanbesteding met betrekking tot het project Theater Artemis heeft aangegeven dat er drie inschrijvingen zijn ingekomen, terwijl er in werkelijkheid maar één inschrijving was; en dat hij zijn reisdeclaraties onjuist heeft ingevuld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten eiser de toegang te ontzeggen tot de kantoren van het stadskantoor dan wel het verblijf aldaar en tot gebouwen, werkplaatsen en bouwplaatsen die verband houden met projecten waarbij eiser vanuit zijn functie en/of afdeling betrokken is, totdat het ingestelde onderzoek zou zijn afgerond en besluitvorming zou hebben plaatsgevonden.

11. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat dit onderdeel van het bestreden besluit in stand kan blijven.

<u>Ontslag</u>

12. Eiser heeft aangevoerd dat de volledige handelwijze van verweerder in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij heeft hij er onder meer op gewezen dat hij onder het voorwendsel “even bijpraten” door zijn leidinggevende naar de medewerkers van Hoffmann is gebracht, door wie hij vervolgens 5,5 uur is verhoord. Hij heeft daarbij geen enkele bijstand gehad.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn overtuiging dat eiser zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt, heeft gebaseerd op voldoende zorgvuldig onderzoek en dat hij daar met name het horen van eiser door medewerkers van Hoffmann aan ten grondslag heeft mogen leggen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat eiser niet van tevoren is gemeld dat hij door Hoffmann zou worden gehoord om te voorkomen dat hij bewijsmateriaal zou vernietigen. De rechtbank kan dit billijken. Dat het horen 5,5 uur heeft geduurd acht de rechtbank eveneens gerechtvaardigd, gelet op de veelheid aan gedragingen waarover het onderzoek zich uitstrekte. Met het oog op het voorkomen van de vernietiging van bewijsmateriaal is ook te rechtvaardigen dat aaneengesloten is gehoord. Uit het verslag van het horen door Hoffmann blijkt voorts op geen enkele wijze dat ontoelaatbare druk op eiser is uitgeoefend. Geen rechtsregel ten slotte gebiedt verweerder eiser in staat te stellen zich in een horen als dit te laten bijstaan.

14. Eiser heeft ook naar voren gebracht dat het verslag van het horen op onderdelen onjuist is, mede doordat hij door de medewerkers van Hoffmann op het verkeerde been is gezet. De rechtbank wijst er echter op dat voormeld verslag aan eiser op 31 augustus 2010 is toegezonden. Eiser heeft daarop niet gereageerd, bijvoorbeeld met correcties op het verslag. Aan geruime tijd later aangegeven correcties gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaringen van eiser zoals deze zijn opgenomen in het bedoelde verslag.

15. Verweerder heeft aan het ontslag de volgende gedragingen ten grondslag gelegd:

1. eiser heeft tijdens werktijd deelgenomen aan niet-werkgerelateerde activiteiten en zijn agenda onjuist ingevuld;

2. eiser heeft zich niet gehouden aan de aanbestedingsregels;

3. eiser heeft bepaalde nevenactiviteiten niet gemeld en er is sprake is van belangenverstrengeling; en

4. eiser heeft zijn reiskosten niet juist gedeclareerd.

16. Met betrekking tot punt 2 heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat vaststaat dat eiser de regels en procedureafspraken omtrent de aanbestedingsprocedure in ten minste drie gevallen heeft geschonden, namelijk bij de werkzaamheden aan de Willem II-fabriek, de bouwkundige werkzaamheden voor de renovatie van Theater Artemis en de werktuigbouwkundige werkzaamheden aan dit theater. Deze gedragingen leveren volgens verweerder zodanig plichtsverzuim op dat alleen hierom al strafontslag op zijn plaats is.

17. Eiser heeft erkend dat de twee aanbestedingen betreffende theater Artemis niet volgens de regels zijn verlopen. De redenen daarvoor waren tijdsdruk en budgetproblemen. De gemeente ’s-Hertogenbosch is daardoor zeker niet financieel benadeeld, aldus eiser. Wat betreft het project Willem II-fabriek heeft eiser ter zitting ontkend dat hij [bedrijf] heeft doorgegeven welke offertes de andere twee inschrijvers hadden gedaan. Eiser heeft gesteld dat hij onmiddellijk na ontvangst van de eerste offerte van [bedrijf] contact heeft opgenomen met dit bedrijf om door te geven dat met het door [bedrijf] opgegeven aanbestedingsbedrag het drempelbedrag zou worden overschreden. Pas later zijn meer offertes aangevraagd, omdat toen bleek dat het project in ieder geval boven het drempelbedrag uitkwam.

18. Wat betreft het project Willem II-fabriek houdt de rechtbank eiser aan zijn verklaring ten overstaande van de medewerkers van Hoffmann, luidende:

“Toen ik de offertes van [bedrijf], VHV-architecten en De Twee Snoeken binnen had, bleek dat [bedrijf] niet de goedkoopste was. Ik heb toen naar [bedrijf] gebeld. Ik heb gezegd dat [bedrijf] te hoog zat, en dat ze op € 40.000,- moesten gaan zitten. Vervolgens is er een aangepaste offerte gestuurd.”

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de door eiser overgelegde zienswijze van 4 november 2010 strookt met de verklaring tegenover Hoffmann, terwijl deze haaks staat op de door eiser ter zitting gegeven verklaring.

19. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder, met het oog op het aanzien en de geloofwaardigheid van de gemeente en het vertrouwen dat verweerder in zijn medewerkers moet kunnen stellen, hoge eisen stellen aan de integriteit van zijn werknemers. Dat geldt in versterkte mate voor een werknemer die belast is met het doen van aanbestedingen en het begeleiden van bouwprojecten, waarmee veel geld is gemoeid. Verweerder heeft er groot belang bij dat zelfs de schijn van het bevoordelen van bepaalde aannemers wordt vermeden. Bovendien loopt verweerders gemeente het risico met schadeclaims te worden geconfronteerd wanneer aanbestedingen niet volgens de regels verlopen.

20. Met zijn handelwijze heeft eiser bepaalde bedrijven bevoordeeld ten koste van andere bedrijven. Op deze wijze heeft hij in ernstige mate het vertrouwen dat verweerder in hem heeft moeten kunnen stellen, beschaamd. Als eiser had gemeend dat om redenen van snelheid en beperking van de kosten afwijking van de procedureregels gerechtvaardigd was (waarin de procedureregels ook voorzien) dan had hij daarover in overleg moeten treden met zijn leidinggevende. Eiser heeft echter volstrekt eigenmachtig de aanbestedingsregels opzij gezet, waarbij hij zelfs, om dat de verdoezelen, processen-verbaal valselijk heeft opgemaakt.

21. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de hierboven onder punt 2 genoemde gedraging terecht aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Reeds vanwege dit plichtsverzuim is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder na afweging van de daartoe in aanmerking komende belangen aan eiser opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is. Hieraan kan niet afdoen dat eiser ten tijde van het ontslag 57 jaar was, sinds 1977 bij verweerder in dienst is geweest en steeds goed heeft gefunctioneerd.

22. De rechtbank voegt daaraan toe dat eiser niet heeft betwist dat hij zijn reiskosten niet juist heeft gedeclareerd. Ook dit acht de rechtbank plichtsverzuim. Dat eiser niet uit geldelijk gewin zou hebben gehandeld, maar omdat hij het invullen van een reisdeclaratie op de juiste wijze te omslachtig achtte, doet aan dit oordeel niet af.

23. De rechtbank zal de overige aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen onweersproken laten, nu zij van oordeel is dat de, in overweging 15, onder de punten 2 en 4 genoemde gedragingen het ontslag al kunnen dragen.

24. Eiser heeft ter zitting gewezen op het geval van een collega die ook op vergelijkbare wijze plichtsverzuim zou hebben gepleegd, maar daarvoor niet disciplinair gestraft is. Dit geval is reeds daarom niet vergelijkbaar, omdat deze medewerker, zoals door verweerder ter zitting onbetwist is gesteld, niet in een dienstbetrekking tot verweerder stond. Voor zover eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan, faalt dit daarom.

25. Ook dit onderdeel van het bestreden besluit kan derhalve in stand blijven.

26. Het beroep is ongegrond.

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als voorzitter en mr. J.H.L.M. Snijders en mr. I. Ravenschlag als leden in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Laro als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: