Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX0413

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
01/845096-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaar voor poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Geen sprake van ''enig onderzoek'' als bedoeld in artikel 268 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845096-12

Parketnummer vordering: 01/845046-11

Datum uitspraak: 05 juli 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 juni 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 mei 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

op of omstreeks 17 maart 2012 te 's-Hertogenbosch

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet een of meerdere malen met een auto op voornoemde [slachtoffer] is ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Artikel 287/302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 maart 2012 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers is verdachte toen daar opzettelijk dreigend een of

meerdere malen met een auto op voornoemde [slachtoffer] ingereden;

(Artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/845046-11 is aangebracht bij vordering van 24 mei 2012. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 2 mei 2011. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

Overweging terzake artikel 268 van het Wetboek van Strafvordering.

In het dossier bevindt zich een beschikking inzake een verzoek ingevolge artikel 36a van het Wetboek van Strafvordering d.d. 17 april 2012 die door mr. drs. J.M.A. van Atteveld is ondertekend. De rechtbank overweegt ambtshalve, met betrekking tot de vraag of daarmee sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 268 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, als volgt.

Mr. drs. J.M.A. van Atteveld heeft op voornoemd verzoek niet inhoudelijk beslist dan wel enig onderzoek in onderhavige zaak verricht, maar heeft enkel de beschikking namens zijn ambtsgenoot, mr. I.M.E.A. van Eldonk, ondertekend.

De rechtbank is bij deze stand van zaken van oordeel dat de enkele omstandigheid dat mr. drs. J.M.A. van Atteveld, een van deze rechtbank deeluitmakende rechters, als rechter-commissaris namens een ambtsgenoot een beschikking op een verzoek ingevolge artikel 36a van het Wetboek van Strafvordering heeft ondertekend niet met zich brengt dat hij in onderhavige strafzaak tegen verdachte 'enig onderzoek', als bedoeld in art. 268 lid 2 W.v.Sv. heeft verricht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting niet aan de orde is.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen maken deel uit van een dossier van de regiopolitie Brabant-Noord met dossiernummer PL21XO 2012028763 afgesloten d.d. 3 mei 2012 aantal doorgenummerde bladzijden 119 en het onderzoek ter terechtzitting.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte de primair tenlastegelegde poging tot doodslag heeft begaan. Zij is van mening dat uit de verklaringen van aangever [slachtoffer] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], de in het dossier aanwezige foto's en het sporenmateriaal blijkt dat verdachte met een auto met hoge snelheid meermalen op [slachtoffer] is ingereden met het opzet hem van het leven te beroven.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling. Niet gezegd kan worden dat verdachte door het gras op te rijden in de richting van [slachtoffer] het opzet dan wel de aanmerkelijke kans op de dood van die [slachtoffer] heeft aanvaard. Het slippend bandenspoor zichtbaar op de foto's kan zijn veroorzaakt doordat verdachte met zijn auto van de stoeprand in zacht, vochtig gras terechtkwam. Deze lezing vindt bevestiging in het feit dat als verdachte met hoge snelheid had gereden de schade aan de auto en de boom waarmee verdachte met de auto in botsing is gekomen aanzienlijk erger zou zijn geweest. Daarenboven bevinden zich enige discrepanties in de verschillende getuigenverklaringen. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde bedreiging refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.1

[slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]) heeft aangifte gedaan van poging tot doodslag gepleegd op 17 maart 2012 omstreeks 06.00 uur te 's-Hertogenbosch gepleegd door [verdachte] (lees hierna: [verdachte]), de broer van zijn vriendin [getuige 1] [slachtoffer] werd wakker van lawaai afkomstig van een auto. Hij ging samen met zijn vriendin naar beneden. [slachtoffer] zag de auto voorbij rijden, pakte zijn fiets en reed achter de auto aan om het kenteken te kunnen achterhalen. Plots zag hij twee koplampen of zich afkomen. [slachtoffer] hoorde dat de auto versnelde omdat de auto meer toeren maakte. De koplampen kwamen steeds sneller op [slachtoffer] af, hij week uit naar rechts het grasveld op en kwam met zijn fiets ten val dicht bij een boom. [slachtoffer] zag dat de auto rakelings achter hem doorreed. [slachtoffer] zag dat de auto voorbij reed. Plots hoorde [slachtoffer] de auto schakelen en zag hij de achteruitrijdverlichting oplichten. [slachtoffer] wilde opstaan maar zat met de mouw van zijn vest vast aan het stuur van zijn fiets. [slachtoffer] zag dat de auto wederom met snelheid op hem af kwam gereden. [slachtoffer] zag dat de auto achteruit reed en probeerde zo snel mogelijk op te staan. Hij voelde dat het stuur van zijn fiets nog aan zijn mouw vastzat. Met het stuur van zijn fiets nog vast aan zijn mouw is [slachtoffer] opgestaan. [slachtoffer] kon nog net op tijd weg maar voelde dat de auto zijn fiets raakte. De auto reed rakelings langs [slachtoffer], die kon nog net op tijd twee stappen naar rechts zetten. [slachtoffer] hoorde dat de auto met hoge snelheid tegen de boom aanreed, hij hoorde een luide klap en kon de auto nog net ontwijken. [slachtoffer] heeft moeten rennen en vluchten voor zijn leven. [slachtoffer] zag dat [verdachte] de bestuurder was. Op de bijrijderstoel zat ook iemand. 2

[getuige 1] (hierna te noemen: [getuige 1]) zag dat haar vriend [slachtoffer] zijn fiets pakte en naar het eind van de straat reed om te gaan kijken. [getuige 1] zag een auto aan komen rijden en zag dat haar broer, [verdachte], uitstapte en schreeuwde: "Als ik je op straat tegenkom, rijd ik je kapot". [verdachte] stapte toen weer in de auto en reed weg. [getuige 1] zag dat [verdachte] het gras opreed, daar fietste [slachtoffer]. [getuige 1] zag dat de auto doelbewust twee keer in de richting van [slachtoffer] reed, één keer vooruit en één keer achteruit. 3

[getuige 2] (hierna te noemen: [getuige 2]) heeft verklaard dat [verdachte] op 17 maart 2012 bij hem was. [getuige 2] had de auto van zijn vader gepakt maar [verdachte] reed in die auto. [verdachte] reed naar de [straat 1]. [getuige 2] zag twee mensen op een fiets. [getuige 2] hoorde [verdachte] roepen: "Ik rijd hem kapot". [verdachte] reed vervolgens het gras op. Hierbij ging hij vol gas, de wielen spinden. [verdachte] probeerde de fietser aan te rijden. [verdachte] kon die fietser de eerste keer niet raken omdat er een boom in de weg stond. Vervolgens zette [verdachte] de auto in de achteruitrijdversnelling, hij was erg snel en reed als een bezetene. De auto kwam niet eens helemaal tot stilstand. Vervolgens gaf [verdachte] weer vol gas waardoor de auto achteruit reed. Op dat moment was die fietser achter de auto. [getuige 2] zag dat die jongen daar bij de boom met zijn fiets stond. [verdachte] reed er gewoon vol op in. De auto raakte vervolgens de boom en hard ook. [getuige 2] heeft niet gemerkt dat [verdachte] nog heeft geremd voordat zij de boom raakten. Daarna is [verdachte] naar [straat 2] gereden. 4

Verdachte heeft op 17 maart 2012 om 06.37.32 uur en 07.07.52 uur telefonisch contact gehad met telefoonnummer [telefoonnnummer] op naam van [persoon 1]. 5

[persoon 1] kreeg op 17 maart 2012 [verdachte] in paniek aan de telefoon. [verdachte] zei dat hij dronken was en iets had gedaan. [verdachte] zei dat hij ruzie had met zijn schoonbroer [slachtoffer] en dat hij op die [slachtoffer] was ingereden. 6

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich op 17 maart 2012 omstreeks 05.00 uur op de [straat 1] te 's-Hertogenbosch bevond als de bestuurder van een auto. Hij zag [slachtoffer] en zijn zus [getuige 1] fietsen hetgeen verdachte tot wanhoop dreef omdat dat betekende dat de kinderen van [slachtoffer] en [getuige 1] alleen thuis waren. Verdachte is een grasveld opgereden terwijl [slachtoffer] zich aldaar met zijn fiets bevond. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij op voornoemd grasveld achteruit tegen een boom is gereden. 7

Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte meermalen met een auto op aangever [slachtoffer] is ingereden met het oogmerk om met die auto [slachtoffer] van het leven te beroven. Als straf omdat [slachtoffer] en [getuige 1] - naar verdachtes zeggen -

's-nachts rondfietsten terwijl hun kinderen op dat moment alleen thuis waren en dat zij verdachte daarmee tot wanhoop hadden gedreven. Op het moment dat verdachte [slachtoffer] zag fietsen, is verdachte met die auto meermalen op die [slachtoffer] ingereden. Er bevinden zich in het dossier geen aanwijzingen die erop duiden dat verdachte handelingen heeft verricht om [slachtoffer] niet te raken. De lezing van de verdediging dat het slippend bandenspoor kan zijn veroorzaakt doordat verdachte met zijn auto van de stoeprand in vochtig gras terechtkwam, wordt weerlegd door de getuigenverklaringen. De rechtbank acht de getuigenverklaringen aannemelijk en heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid daarvan. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat bij verdachte sprake is geweest van opzet. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans aanmerkelijk is dat een aanrijding tussen een auto en een voetganger/fietser tot de dood van deze voetganger/fietser kan leiden. Derhalve acht de rechtbank de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 17 maart 2012 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meerdere malen met een auto op voornoemde [slachtoffer] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie houdt bij het bepalen van de eis rekening met het feit dat het een bijzonder ernstig delict betreft en verdachte in het verleden vaker is veroordeeld terzake forse geweldsdelicten maar ook met het feit dat de verhouding tussen verdachte en het slachtoffer is genormaliseerd. De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 2 jaar, ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar, teruggave van de GSM aan rechthebbende [persoon 2], verbeurdverklaring van de overige goederen alsmede toewijzing van de gehele vordering tenuitvoerlegging.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de eis aanzienlijk te matigen en te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals onder meer het feit dat de vriendin van verdachte depressief is, zij twee minderjarige kinderen hebben die dringend bijstand nodig hebben en verdachte en zijn vriendin hun derde kind in september verwachten.

Verzocht wordt om opheffing van de voorlopige hechtenis met een beroep op artikel 67a lid 3 wetboek van Strafvordering, subsidiair om schorsing.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden in het nadeel van verdachte. Verdachte heeft de onderhavige strafbare feiten gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling en heeft door zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor een medemens in het leven geroepen door met gebruikmaking van de door hem bestuurde auto als instrument meermalen op de partner van zijn zus in te rijden.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij ter zitting verantwoording heeft genomen voor zijn gedragingen, dat hij in een opwelling heeft gehandeld en inmiddels zijn spijt heeft betuigd. Uit de brief van [slachtoffer] en [getuige 2] d.d. 8 juni 2012, alsmede verdachtes verklaring ter terechtzitting blijkt dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer], het slachtoffer, en [getuige 2], de zus van verdachte, is hersteld. De rechtbank zal derhalve een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf (voor een gedeelte) voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn die ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan de rechthebbende[persoon 2]nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/845046-11.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De verdediging bepleit afwijzing, subsidiair verlenging van de proeftijd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 45, 57, 287, 14g

Wegenverkeerswet 1994 art. 179a.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Primair: poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3

jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

T.a.v. primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 5 jaar.

T.a.v. primair:

Teruggave inbeslaggenomen goederen, aan de rechthebbende [persoon 2],

wonende [adres] te weten: 1 GSM merk Samsung,

goednummer 410676.

T.a.v. primair:

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- 1 oplaadkabeltje navigatiesysteem, goednummer 402721;

- 1 jas, merk Lafuma, kleur rood, goednummer 410091;

- 1 glas, goednummer 410126;

- 1 stuks verf, goednummer 410127.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij

vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 2 mei 2011, gewezen onder

parketnummer 01/845046-11, te weten: gevangenisstraf voor de duur van 26 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. J.M.A. van Atteveld, voorzitter,

mr. M.L.P. van Cruchten en mr. G.J.W.M. van der Leeuw, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 5 juli 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord, genummerd PL21XO 2012028763.

2 Aangifte van [slachtoffer], pag. 43, 44

3 Verklaring van [getuige 1], pag. 116, 117

4 Verklaring [getuige 2], p. 55 t/m 57

5 Als relaas van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant] p. 107

6 Verklaring van [persoon 1] p. 113

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting