Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW9963

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
Awb 12 / 181
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1908, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel het lange tijd heeft geduurd alvorens verweerder heeft beslist op de aanvraag voor verlening van een exploitatievergunning voor coffeeshop The Grasshopper heeft verweerder de Bibob-adviezen aan zijn weigeringsbesluit ten grondslag kunnen leggen.

De verzochte exploitatievergunning is door verweerder geweigerd vanwege het ernstige gevaar dat de door eisers gevraagde exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen. Dit heeft verweerder gebaseerd op aanwijzingen en vermoedens van strafbare feiten die door eiser en door zijn broer zijn gepleegd. Verweerder gaat er daarbij, in navolging van het Bureau Bibob, van uit dat beide eisers in relatie staan tot de door de broer van eiser gepleegde strafbare feiten, omdat hij tot eisers in een zakelijk samenwerkingsverband staat als bedoeld artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob.

Het vermoeden dat eiser handelt in strijd met de Opiumwet is gebaseerd op de verklaringen omtrent de handelsvoorraad van de coffeeshop en de zeer grote hoeveelheid aangetroffen softdrugs in een door eiser gehuurd pand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/181

Uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2012 in de zaak tussen

[eisers] The Grasshopper V.O.F., te Eindhoven,

eisers,

(gemachtigden mr. F.A. Pommer en prof. mr. E. Steyger),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder,

(gemachtigde mr. R.W. Veldhuis).

Procesverloop

Op 30 juli 2008 hebben eisers een aanvraag ingediend om verlening van een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Eindhoven voor het horecabedrijf “The Grasshopper” (hierna ook wel: coffeeshop) aan de Grote Berg 22A te Eindhoven.

Bij besluit van 20 december 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder de gevraagde exploitatievergunning geweigerd.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 13 januari 2012 heeft verweerder de rechtbank verzocht te bepalen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van de door hem ingezonden

Bibob-adviezen van 16 februari 2011 en 12 mei 2011.

Bij brief van 8 februari 2012 hebben eisers de gronden van het beroep ingediend.

Bij uitspraak van 10 februari 2012 heeft de rechtbank beslist dat beperking van de kennisneming van de Bibob-adviezen gerechtvaardigd is.

Bij brief van 15 februari 2012 hebben eisers de rechtbank toestemming verleend mede op grondslag van de Bibob-adviezen van 16 februari 2011 en 12 mei 2011 uitspraak te doen.

Verweerder heeft op 30 maart 2012 het verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.

Bij brieven van 2 april 2012 en 10 april 2012 hebben eisers nog enkele stukken toegezonden.

Bij brief van 11 april 2012 hebben eisers gereageerd op het verweerschrift.

Verweerder heeft ingestemd met rechtstreeks beroep.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 april 2012, waar eisers en hun gemachtigden zijn verschenen. Voor verweerder zijn naast de gemachtigde tevens mr. [medewerker] en

[medewerker], beiden werkzaam in dienst van de gemeente Eindhoven, verschenen. Voorts was van de zijde van eisers aanwezig de accountant van de coffeeshop [accountant] van ETS Zakelijke Dienstverlening.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Op 16 juli 1985 is door de gemeente Eindhoven verlof verleend aan eiseres [eiseres 1] voor de exploitatie van een coffeeshop. De coffeeshop is op 22 juli 1985 gevestigd als eenmanszaak aan de Grote Berg 22A in Eindhoven en is tot 6 oktober 2000 gedreven voor rekening van eiseres [eiseres 1].

3. Sinds 6 oktober 2000 wordt de coffeeshop gedreven in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma. Sinds 6 april 2002 staan als vennoten ingeschreven eiseres [eiseres 1] en [(ex)vennoot].

4. Op 16 juli 2002 hebben eiseres [eiseres 1] en [(ex)vennoot] een exploitatievergunning voor de coffeeshop aangevraagd. Verweerder heeft deze vergunning bij besluit van 7 maart 2003 geweigerd op grond van slecht levensgedrag van [(ex)vennoot].

5. Met ingang van 1 april 2003 heeft [(ex)vennoot] zijn deel van de onderneming verkocht aan zijn broer eiser [eiser ]. [(ex)vennoot] is bij het Handelsregister uitgeschreven als vennoot en eiser [eiser ] is ingeschreven als vennoot van de onderneming.

6. Verweerder heeft op 14 augustus 2003 voor de exploitatie van de coffeeshop een exploitatievergunning verleend aan eisers met een looptijd van vijf jaar.

7. In verband met het verlopen van de deze vergunning hebben eisers op 30 juli 2008 onderhavige aanvraag om verlening van een exploitatievergunning ingediend.

8. Bij brief van 10 november 2008 heeft verweerder eisers – kort gezegd – bericht dat de officier van justitie hem op grond van artikel 26 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) heeft gewezen op de mogelijkheden het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bureau Bibob) om een advies te vragen over de coffeeshop en dat verweerder een dergelijk advies zal vragen.

9. Bij advies van 16 februari 2011 heeft het Bureau Bibob geconcludeerd dat er ernstig gevaar bestaat de gevraagde beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en dat er ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

10. Op 12 mei 2011 heeft het Bureau Bibob een aanvullend advies uitgebracht.

11. Bij brief van 24 mei 2011 heeft verweerder eisers meegedeeld voornemens te zijn de exploitatievergunning te weigeren.

12. Bij brief van 8 augustus 2011 hebben eisers hun zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht.

13. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd eisers een exploitatievergunning te verlenen op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, van de Wet Bibob. Verweerder heeft zich gebaseerd op de Bibob-adviezen van 16 februari 2011 en 12 mei 2011.

14. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennis te hebben genomen van de Bibob-adviezen, overweegt de rechtbank als volgt.

15. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voorzover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

16. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob, wordt, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

17. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob, wordt, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

18. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

19. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

20. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan – kort gezegd – de burgemeester een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

21. Eisers hebben aangevoerd dat de besluitvormingsprocedure onzorgvuldig is verlopen. Eisers hebben er in dit verband op gewezen dat de in de Awb en de Wet Bibob neergelegde termijnen zijn overschreden, dat een eerder gegeven Bibob-advies bij verweerder in het ongerede is geraakt en dat eisers gedurende lange tijd in grote onzekerheid hebben verkeerd over het voortbestaan van de coffeeshop.

22. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is met eisers van oordeel dat het (te) lang heeft geduurd alvorens verweerder heeft beslist op de aanvraag van eisers. Hoewel eisers in de periode dat zij niet meer beschikten over een geldige exploitatievergunning tot op de dag van de bekendmaking van het bestreden besluit hun onderneming op dezelfde wijze hebben kunnen voeren begrijpt de rechtbank dat eisers daardoor in onzekerheid hebben verkeerd over het voortbestaan van de coffeeshop. Voorts is het slordig van verweerder dat een eerder Bibob-advies in het ongerede is geraakt. Een en ander betekent echter niet dat verweerder om die reden de Bibob-adviezen van 16 februari 2011 en 12 mei 2011 niet aan de weigering ten grondslag mocht leggen dan wel dat verweerder de gevraagde exploitatievergunning moest verlenen. Wat betreft het in het ongerede geraakte Bibob-advies merkt de rechtbank nog op dat verweerder dit advies niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

23. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2012, LJN: BW8132) volgt dat een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau Bibob, in beginsel van het advies van het Bureau Bibob mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

24. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit het ernstige gevaar dat de door eisers gevraagde exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen, heeft gebaseerd op aanwijzingen en vermoedens van strafbare feiten die door eiser [eiser ] zelf en door zijn broer [(ex)vennoot] zijn gepleegd. Verweerder gaat er daarbij, in navolging van het Bureau Bibob, van uit dat eisers in relatie staan tot de door [(ex)vennoot] gepleegde strafbare feiten, omdat [(ex)vennoot] tot hen in een zakelijk samenwerkingsverband staat als bedoeld artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob.

25. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eisers en [(ex)vennoot]. Verweerder heeft het gestelde zakelijke samenwerkingsverband uitsluitend ontleend aan omstandigheden die dateren van vóór het bestreden besluit en zelfs van vóór de aanvraag om een exploitatievergunning. Volgens eisers volgt uit artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob en meer in het bijzonder uit de zinsnede ‘in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat’ dat alleen huidige, dat wil zeggen samenwerkingsverbanden die bestonden ten tijde van het bestreden besluit, ter zake doen. Voorts hebben eisers aangevoerd dat naast de familierelatie tussen eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] niet van concrete indicaties is gebleken die uitwijzen dat ten tijde van het bestreden besluit (nog) sprake was van een zakelijk samenwerkingsverband. Voor zover al gronden zouden zijn om een zakelijk samenwerkingsverband aan te nemen, is volgens eisers niet gebleken dat dit verband een duurzaam en structureel karakter had. De door verweerder aangehaalde omstandigheden betreffen incidenten die in de tijd in meer of mindere mate sterk uiteen liggen en tonen onvoldoende aan dat sprake is van een zakelijke relatie tussen eisers en [(ex)vennoot]. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

26. Aan het standpunt dat [(ex)vennoot] tot eisers in een zakelijk samenwerkingsverband staat als bedoeld artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob heeft verweerder de volgende door Bureau Bibob vastgestelde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. Eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] zijn broers. [(ex)vennoot] is van

6 oktober 2002 tot 1 april 2003 samen met eiseres [eiseres 1] vennoot geweest van de coffeeshop, heeft op 1 april 2003 zijn deel verkocht aan eiser [eiser ] en heeft hierna nog vier jaren 60% van de winst van de coffeeshop ontvangen ter financiering van de overname door zijn broer [eiser ]. Eiser [eiser ] is samen met [(ex)vennoot] op 31 januari 2007 in verband met het voornemen de coffeeshop te verhuizen naar het pand Grote Berg 28 te Eindhoven in een koopovereenkomst overeengekomen dat pand te kopen en heeft een bedrag van € 155.000,00 dat hij in verband met die overeenkomst heeft betaald als waarborgsom niet terugontvangen, hoewel de koop niet is doorgegaan en de koopovereenkomst uitdrukkelijk voorziet in de bepaling dat de overeenkomst wordt ontbonden indien eiser [eiser ] geen vergunning krijgt van de gemeente dan wel geen passende financiering heeft. Tussen eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] is een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het pand Grote Berg 28 en dat pand wordt gebruikt voor de opslag en verwerking van softdrugs ten behoeve van de coffeeshop. [(ex)vennoot] heeft in 2004 een lening verstrekt van € 100.000,00 aan eisers en dit bedrag zou door [persoon 1] (de voormalige partner van eiseres [eiseres 1]) aan [(ex)vennoot] zijn verstrekt. Op het rekeningafschrift van 13 februari 2007 van de coffeeshop staat het adres van [(ex)vennoot] en [(ex)vennoot] staat bij de Belastingdienst geregistreerd als vennoot van de coffeeshop en als kwartaalaangever voor de omzetbelasting van de coffeeshop vermeld. Voorts heeft [(ex)vennoot] blijkens verschillende politiemutaties en processen-verbaal – kort gezegd – verklaard eigenaar dan wel bedrijfsleider te zijn van de coffeeshop. Daarnaast is [(ex)vennoot] op 20 augustus 2009 veroordeeld ter zake van artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet (betrokkenheid bij het verwerken van 19.882 gram hennep, 228 hennepstekken en 30 gram hasj bestemd voor de coffeeshop) en wordt hij blijkens verschillende politiemutaties in relatie gebracht met softdrugs dan wel met mogelijke betrokkenheid bij hennepteelt, terwijl een en ander niet in verband kan worden gebracht met de zakelijke activiteiten van [(ex)vennoot] in het vastgoed. Op 8 februari 2011 is in de woning van [(ex)vennoot] ruim 17 kilogram softdrugs aangetroffen, alsook bescheiden die verband houden met de coffeeshop. Tot slot is uit, door de politie als betrouwbaar aangemerkte, CIE-informatie naar voren gekomen dat wat drugshandel betreft eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] twee handen op een buik zijn.

27. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, op het standpunt kunnen stellen dat [(ex)vennoot] tot eisers in een zakelijk samenwerkingsverband staat. Deze feiten en omstandigheden, die eisers niet gemotiveerd hebben bestreden, zijn op verschillende bronnen gebaseerd, namelijk op politiële en justitiële informatie, alsook op informatie van eisers zelf, van de Belastingdienst, het Kadaster en de Kamer van Koophandel, bestrijken de jaren 2002 tot en met 2011 en wijzen allemaal op een duurzame en structurele betrokkenheid van [(ex)vennoot] bij de coffeeshop. Hoewel eisers ten aanzien van een aantal van die feiten en omstandigheden verklaringen hebben aangedragen op grond waarvan naar hun mening geen zakelijk samenwerkingsverband kan worden afgeleid, moet worden geoordeeld dat die verklaringen geenszins overtuigen. Zoals verweerder ook ter zitting van de rechtbank terecht heeft opgemerkt is de gang van zaken rond de verstrekte lening van € 100.000,00 van [persoon 1] aan eisers en de gang van zaken rond de verkooppoging van het pand Grote Berg 28 ongebruikelijk. Aan de door eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] ten overstaan van de notaris onder ede afgelegde verklaring over het voorval dat heeft geleid tot de veroordeling van [(ex)vennoot] op 20 augustus 2009 dat – kort gezegd – [(ex)vennoot] de verantwoordelijkheid op zich had genomen door zich uit te geven als eigenaar/bedrijfsleider van de coffeeshop, komt niet de waarde toe die eiseres hieraan gehecht wensen te zien, reeds omdat de strafrechter dit verweer, voor zover dat daar is gehouden, heeft gepasseerd. Voor de stelling van eisers dat het handelen van [(ex)vennoot] de coffeeshop niet kan worden aangerekend, omdat eisers niet op de hoogte zijn van het handelen van [(ex)vennoot], bestaat, gezien het voorgaande, geen grond. Eisers hebben weliswaar terecht nog opgemerkt dat de genoemde feiten en omstandigheden vooral dateren van vóór het bestreden besluit, maar hun standpunt dat dergelijke feiten en omstandigheden niet mogen worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband vindt geen steun in het recht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009, LJN: BJ1892). Voorts bestaat onder de gegeven omstandigheden geen grond voor het oordeel dat verweerder de CIE-informatie niet bij zijn beoordeling mocht betrekken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008, LJN: BC5265).

28. Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

29. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat sprake is van een ernstig vermoeden dat eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] in strijd handelen met de Opiumwet en dat

[(ex)vennoot] zich schuldig maakt aan witwassen.

30. Eisers hebben met betrekking tot het vermoeden dat eiser [eiser ] in strijd handelt met de Opiumwet aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eiser

[eiser ] structureel de maximale toegestane handelsvoorraad softdrugs van de coffeeshop heeft overschreden. Onder verwijzing naar de door eisers overgelegde specificatie van de voorraad in de periode 2006 tot en met 2009 van 27 juni 2011 hebben eisers gesteld dat er nooit meer dan 500 gram handelsvoorraad in de coffeeshop aanwezig was. De cijfers waarop het Bureau Bibob en verweerder zich baseren omvatten niet alleen softdrugs, maar tevens andere artikelen, waaronder verpakkingsmaterialen, frisdranken, koffie, vloei en verbruiksmaterialen. De in het pand Grote Berg 28 aangetroffen hoeveelheid softdrugs kan niet tot de voorraad van de coffeeshop worden gerekend, omdat dat pand niet behoort tot de coffeeshop. Daarnaast hebben eisers betoogd dat het voorhanden hebben van softdrugs – ook buiten de coffeeshop – inherent is aan de exploitatie van een coffeeshop waarbij die handel is gedoogd. De toegestane handelsvoorraad van 500 gram in een coffeeshop is niet toereikend om gedurende de dag klanten te bedienen. De coffeeshop had in de periode voor de sluiting een oplopend dagelijks klantenbestand van 300 tot 400 klanten. Juist de bijzondere positie van coffeeshops maakt dat de vermeende overschrijding van de handelsvoorraad niet als zodanig ernstig kan worden aangemerkt dat daarin (mede) een rechtvaardiging voor de weigering van de exploitatievergunning kan worden gevonden. Onder verwijzing naar de strafrechtelijke uitspraken van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 2 februari 2012 (LJN: BV2572) (over de coffeeshop Checkpoint) en de rechtbank Zwolle van 4 april 2012 (LJN: BW0879) (over de coffeeshop de Blowboot) hebben eisers omstandig uiteengezet dat en waarom verweerder heeft miskend dat jarenlang sprake is geweest van een feitelijk gedogen van de vermoedelijke overschrijding van de handelsvoorraad en verweerder aldus in strijd handelt met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

31. In het bestreden besluit heeft verweerder het vermoeden dat eiser [eiser ] handelt in strijd met de Opiumwet gebaseerd op de omstandigheid dat de handelsvoorraad van de coffeeshop in de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 constant boven de toegestane 500 gram was en dat in het pand Grote Berg 28 tijdens een doorzoeking op 23 maart 2010 is aangetroffen 581,6 gram hennepgruis, 104 gram hasj, 134,5 gram voorgedraaide joints, 715,2 gram jointvulling en ruim vier kilo takken hennepafval.

32. Wat betreft de handelsvoorraad van de coffeeshop stelt de rechtbank vast dat verweerder in navolging van het Bureau Bibob aan de hand van de jaarrekeningen van de coffeeshop, verklaringen van eisers (dat de inkoopprijs van softdrugs € 3.500,00 tot € 4.000,00 per kilo bedraagt) en van diens accountant ETS (dat de waarde van de voorraad softdrugs die in de coffeeshop per balansdatum telkens aanwezig was € 3.750,00 is) heeft vastgesteld dat de handelsvoorraad in de betreffende jaren constant boven de 500 gram was. In hetgeen eisers hiertegen hebben aangevoerd bestaat geen aanknopingspunt voor de conclusie dat deze vaststelling onjuist is. Eisers hebben weliswaar onder verwijzing naar de specificatie van

27 juni 2011 gesteld dat de voorraad softdrugs slechts een waarde van € 1.225,00 zou vertegenwoordigen, maar zij hebben dit niet aannemelijk gemaakt, terwijl, zoals verweerder ter zitting van de rechtbank terecht heeft opgemerkt, niet duidelijk is hoe dit zich verhoudt met het betoog van eisers dat de toegestane handelsvoorraad van 500 gram al veel te weinig zou zijn om de klanten de coffeeshop te kunnen bedienen. Verweerder heeft er in dit verband voorts terecht op gewezen dat het standpunt van eisers over de handelsvoorraad zich niet verhoudt met de verklaringen van eiser [eiser ] dat hij meestal hoeveelheden softdrugs inkocht tot maximaal 5 kilogram, dat hij zijn broer [broer] in februari 2011 ruim 22 kilo wiet liet kopen ten behoeve van de coffeeshop en dat hij het pand aan de Grote Berg 28 huurt ten behoeve van de opslag en verwerking van softdrugs.

33. Wat betreft de aangetroffen hoeveelheid softdrugs in het pand Grote Berg 28 staat vast dat eiser [eiser ] dit pand huurt ten behoeve van de opslag en verwerking van softdrugs. Eisers stellen weliswaar dat dit pand niet tot de coffeeshop behoort, maar dat kan eisers niet baten, reeds omdat het (ook) buiten de coffeeshop niet is toegestaan bedoelde hoeveelheid softdrugs te bezitten en te verwerken.

34. Het betoog van eisers dat het voorhanden hebben van softdrugs – ook buiten de coffeeshop – inherent is aan de exploitatie van een coffeeshop waarbij die handel is gedoogd en dat de toegestane handelsvoorraad van 500 gram in een coffeeshop niet toereikend is om gedurende de dag klanten te bedienen en, zo begrijpt de rechtbank, dat het bij de verkoop van softdrugs in een coffeeshop dan ook onvermijdelijk is om strafbare feiten te plegen, treft geen doel. Het Bureau Bibob heeft in zijn beoordeling betrokken dat sprake is van een coffeeshop. De vastgestelde handelshoeveelheid van de coffeeshop van meer dan 500 gram valt buiten de grenzen van het gedoogbeleid (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van

3 november 2010, LJN: BO2700 en 13 juni 2012, LJN: BW8132), terwijl, zoals hiervoor reeds is overwogen, het niet is toegestaan een dergelijke hoeveelheid softdrugs te bezitten zoals aangetroffen in het pand aan de Grote Berg 28. Anders dan eisers stellen kan onderhavige zaak niet op één lijn worden gesteld met de strafrechtelijke zaken over de coffeeshops Checkpoint en de Blowboot die hebben geleid tot de door eisers aangehaalde uitspraken van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Gravenhage en de rechtbank Zwolle. Zoals verweerder terecht heeft uiteengezet ging het bij de coffeeshops Checkpoint en de Blowboot om zeer grote coffeeshops, waardoor het feitelijke beleid van de lagere overheid niet meer overeenkwam met de geformuleerde gedoogvoorwaarden. Bovendien betrof het strafrechtelijke vervolgingen wegens overtredingen van de Opiumwet. Van een dergelijke situatie is in onderhavige zaak geen sprake.

35. Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

36. Eisers hebben met betrekking tot de aanwijzingen en het vermoeden dat [(ex)vennoot] in strijd handelt met de Opiumwet en dat [(ex)vennoot] zich schuldig maakt aan witwassen het volgende aangevoerd. Over de veroordeling van [(ex)vennoot] van 20 augustus 2009 hebben eisers gewezen op (hiervoor al genoemde) ten overstaan van de notaris overgelegde onder ede afgelegde verklaring. Wat betreft de politiemutaties baseert verweerder zich enkel op vermoedens. De gegevens waarop verweerder zich baseert maken niet aannemelijk dat er strafbare feiten zijn gepleegd en dat deze zouden samenhangen met (de exploitatie van) de coffeeshop. Wat betreft het vermeende witwassen door [(ex)vennoot] hebben eisers aangevoerd dat verweerder ten onrechte rekening heeft gehouden met de door de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) als verdacht aangemerkte transacties van [(ex)vennoot], omdat geen sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eisers en [(ex)vennoot]. Voorts achten eisers het in strijd met het vertrouwensbeginsel dat verweerder thans op basis van oude vermoedens wel tot een weigering van de exploitatievergunning besluit, terwijl verweerder op basis van diezelfde vermoedens in 2002 aan [(ex)vennoot] wel een vergunning heeft verleend. Tot slot stellen eisers dat de in het aanvullend Bibob-advies gerelateerde feiten en omstandigheden niet mogen meewegen in het kader van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob, omdat het uitsluitend gaat om vermoedens en niet om gepleegde strafbare feiten. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

37. Niet in geschil is dat [(ex)vennoot] strafbare feiten heeft gepleegd die verband houden met Opiumwetdelicten in 2002, 2004 en 2009 en dat hij hiervoor is veroordeeld. Aan de door eisers overgelegde notariële verklaring komt ook in dit verband niet de betekenis toe die eisers daaraan gehecht wensen te zien. Verweerder heeft ten aanzien van deze feiten en omstandigheden terecht gesteld dat deze erop wijzen dat [(ex)vennoot] in strijd handelt met de Opiumwet. Voorts heeft verweerder gemotiveerd feiten en omstandigheden uiteengezet die vermoeden dat [(ex)vennoot] in strijd handelt met de Opiumwet en zich schuldig maakt aan witwassen. Verweerder heeft niet alleen gewezen op verschillende politiemutaties, informatie van FIU-NL over vier transacties op 24 februari 2006, 25 januari 2010, 7 juni 2010 en 7 juni 2010 voor een totaalbedrag van € 2.564.268,00 waarvan FIU-NL aanleiding heeft te veronderstellen dat de transacties mogelijk verband houden met witwassen, maar ook op processen-verbaal ter zake van het aantreffen van softdrugs en geld (€ 38.000,00) in de auto (van de vriendin) van [(ex)vennoot] en in de woning (€ 91.650,00 en Nlg 10.010,00) en garage van [(ex)vennoot] op 8 februari 2011. Een deugdelijke verklaring voor een en ander hebben eisers dan wel [(ex)vennoot] niet gegeven. Voorts heeft verweerder in dit verband gewezen op de eerder genoemde en door de politie betrouwbaar geachte CIE-informatie dat eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] twee handen op een buik zijn en zij hun broer [broer] niet helemaal vertrouwen, dat [broer] om die reden niet mee mag doen in de drugshandel en dat [broer] elke dag van [(ex)vennoot] € 500,00 krijgt om hem rustig te houden. Anders dan eisers lijken aan te nemen is niet vereist dat de strafbare feiten in het kader van het zakelijk samenwerkingsverband zijn gepleegd (zie de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2006, LJN: AZ2786). Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de in het aanvullend Bibob-advies gerelateerde feiten en omstandigheden niet heeft mogen betrekken bij het vermoeden dat [(ex)vennoot] handelt in strijd met de Opiumwet en zich schuldig maakt aan witwassen. Dat ten aanzien van [(ex)vennoot] in 2002 ook al vermoedens bestonden dat hij handelde in strijd met de Opiumwet maar dat verweerder [(ex)vennoot] toen wel een vergunning heeft verleend voor de exploitatie van de coffeeshop betekent niet dat verweerder bij eisers een gerechtvaardigd vertrouwen heeft opgewekt dat het handelen van [(ex)vennoot] bij de beoordeling van onderhavige aanvraag niet meer ter discussie staat. Overigens miskennen eisers dat verweerder in 2003 juist vanwege het slechte levensgedrag van [(ex)vennoot] de aanvraag om een exploitatievergunning voor de coffeeshop heeft geweigerd.

38. Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

39. Verweerder heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat sprake is van een ernstig gevaar dat de aangevraagde exploitatievergunning mede zal worden gebruikt (-) om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten en (-) om strafbare feiten te plegen.

40. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte dat ernstige gevaar heeft aangenomen. Het ernstige gevaar is uitsluitend gebaseerd op vermoedens en suggestieve aannames. Volgens eisers ontleend verweerder aan de familierelatie tussen eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] verdachtmakingen en is de betaalde waarborgsom van € 155.000,00 strikt zakelijk. Voor het oordeel dat sprake is van ernstige vermoedens dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten (die zijn gepleegd bij de activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is aangevraagd) ontbreekt volgens eisers iedere grond. Voorts ontbreekt iedere grondslag voor het bestaan van een relatie tussen de gepleegde strafbare feiten en de exploitatie van de coffeeshop. [(ex)vennoot] heeft geen voordelen genoten bij de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

41. Wat betreft het ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de feiten en omstandigheden, zoals hiervoor ten aanzien van eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] uiteengezet, die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat zij in relatie staan tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob niet als ernstig heeft kunnen aanmerken. Verweerder heeft voorts, zoals ook volgt uit het voorgaande, terecht aangenomen dat eisers met de coffeeshop in relatie staan tot de strafbare feiten, omdat er ernstige vermoedens zijn dat eiser [eiser ] deze heeft gepleegd en dat (er ernstige vermoedens zijn dat) [(ex)vennoot] deze heeft gepleegd en hij in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot eisers. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen niet als groot heeft kunnen aanmerken. Hierbij heeft verweerder van belang kunnen achten de frequentie en duur van de betrokkenheid van eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] bij dergelijke strafbare feiten, de omvang van de bij verschillende gelegenheden aangetroffen softdrugs en de omvang van de betrokken geldbedragen, waaronder de hiervoor reeds genoemde transacties waarvan FIU-NL veronderstelt dat deze verband kunnen houden met witwassen. Gezien het voorgaande en meer in het bijzonder dat Opiuwetdelicten er naar hun aard op gericht zijn om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009, BI8427), heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de door eisers aangevraagde exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit de gepleegde strafbare feiten voortkomende voordelen te benutten.

42. Wat betreft het ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de feiten en omstandigheden, zoals hiervoor ten aanzien van eiser [eiser ] en [(ex)vennoot] uiteengezet, die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is aangevraagd niet als ernstig heeft kunnen aanmerken. Voorts bestaat voldoende samenhang tussen de activiteiten waartoe de exploitatievergunning strekt en de strafbare feiten waarmee eiser [eiser] en [(ex)vennoot] in verband worden gebracht, omdat een dergelijke vergunning het plegen van deze strafbare feiten kan faciliteren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2012, LJN: B2452). Daarnaast heeft verweerder blijkens het bestreden besluit rekening gehouden met het aantal van de gepleegde strafbare feiten. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de door eisers aangevraagde exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

43. Dit betekent dat ook deze beroepsgrond faalt.

44. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder zijn vergewisplicht heeft geschonden. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat de Bibob-adviezen zorgvuldig tot stand gekomen zijn. Verweerder was dan ook gehouden zelf onderzoek te doen. Eisers zijn in een bewijspositie geplaatst die in strijd is met het in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op een eerlijk proces.

45. Er bestaat geen aanknopingspunt voor de conclusie dat verweerder zijn vergewisplicht heeft geschonden. Uit het bestreden besluit blijkt genoegzaam dat verweerder zich ervan heeft vergewist dat de Bibob-adviezen van 16 februari 2011 en 12 mei 2011 en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Gelet hierop en in aanmerking genomen het hiervoor weergegeven toetsingskader dat verweerder, gelet op de deskundigheid van het Bureau Bibob, in beginsel van die adviezen mag uitgaan, was verweerder niet gehouden zelf onderzoek te doen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eisers in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze op het voornemen van verweerder tot weigering van de exploitatievergunning naar voren te brengen en gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid bedoelde adviezen in te zien. Eisers hebben zich dus gedurende de hele procedure kunnen verdedigen tegen de inhoud daarvan. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat eisers door beperkte mogelijkheid van inzage in het advies op ontoelaatbare wijze in hun verweermogelijkheden zijn geschaad.

46. Eisers hebben tot slot aangevoerd dat de weigering van de exploitatievergunning disproportioneel is. Volgens eisers had verweerder aan de exploitatievergunning voorschriften kunnen verbinden teneinde het gevreesde gevaar weg te nemen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

47. Ingevolge artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob kan, voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. In aanmerking genomen dat, zoals hiervoor overwogen, een ernstig gevaar bestaat dat de door eisers aangevraagde exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit de gepleegde strafbare feiten voortkomende voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen, bestond voor verweerder geen ruimte voorschriften aan de exploitatievergunning te verbinden. Verweerder kon in zoverre dus niet volstaan met een minder verstrekkende maatregel dan de weigering van de exploitatievergunning, terwijl ook anderszins geen grond bestaat voor het oordeel dat die weigering disproportioneel is.

48. Het beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.H.L.M. Snijders als voorzitter en mr. H.M.H. de Koning en

mr. A. Venekamp als leden in tegenwoordigheid van mr. D.M. Manie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2012.

De griffier is buiten staat de uitspraak

mede te ondertekenen.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending

van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State.

Afschriften verzonden: