Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW9815

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/2200
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van ambtenaar gebruik te mogen maken van non-acitiviteitenregeling op goede gronden afgewezen, nu er een passende functie was. Staken bezoldiging. Strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/2200

Uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2012

inzake

[eiser],

te [plaats],

eiser,

(gemachtigde: mr. M.H.G. in de Braekt),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grave,

verweerder,

(gemachtigde V.L.S. van Cruijningen).

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft verweerder eisers verzoek om gebruik te mogen maken van de non-activiteitenregeling, afgewezen.

Bij brief van 10 februari 2010 heeft verweerder eiser zijn voornemen bekend gemaakt om hem met ingang van 1 januari 2010 te plaatsen in de functie medewerker stafteam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Cuijk, Grave, Mill (ISD-GCM).

Op 11 februari 2010 heeft de bedrijfsarts F.A.M. Wiebe een rapport opgesteld waarin hij heeft aangegeven dat eiser met ingang van 17 februari 2010 weer hersteld is voor zijn werk.

Bij besluit van 11 juni 2010 heeft verweerder de bezoldiging van eiser met onmiddellijke ingang gestaakt.

Bij besluit van 1 september 2010 heeft verweerder eisers bezoldiging opnieuw met onmiddellijke ingang gestaakt.

Bij besluit van 8 december 2010 heeft verweerder eiser met ingang van 15 december 2010 ongevraagd ontslag verleend.

Tegen bovenvermelde besluiten c.q. brieven heeft eiser bij afzonderlijke brieven bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 mei 2011 heeft verweerder op eisers bezwaren beslist. De bezwaren, voor zover gericht tegen de besluiten van 9 februari 2010, 11 juni 2010, 1 september 2010 en 8 december 2010, heeft verweerder ongegrond verklaard. De bezwaren tegen het rapport van de bedrijfsarts van 11 februari 2010 en de brief van 10 februari 2010 heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [...].

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser was bij verweerder werkzaam in de functie van medewerker sociale zaken. In verband met een samenwerking tussen verschillende gemeentes is de ISD-CGM ontstaan.

2. Bij brief van 14 oktober 2009 heeft eiser verzocht om hem geen passende functie bij de ISD-CGM aan te bieden maar hem de mogelijkheid te bieden gebruik te maken van de non-activiteitenregeling uit het Sociaal Statuut gemeente Grave 2005 (hierna: het Sociaal Statuut). Bij besluit van 9 februari 2010 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft bij brief van 10 februari 2010 zijn voornemen kenbaar gemaakt dat eiser in de functie van medewerker stafteam bij de ISD-GCM zal worden geplaatst.

3. Begin 2010 heeft eiser zich ziek gemeld, waarna hij op 17 februari 2010 door verweerder hersteld is gemeld. Eiser heeft zich per 17 februari 2010 wederom ziek gemeld. Een hieropvolgende hersteldmelding is – naar aanleiding van een door eiser aangevraagd deskundigenoordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 8 april 2010 – weer ongedaan gemaakt.

4. Op 6 mei 2010 is eiser gezien door de bedrijfsarts. Omdat eiser volgens deze bedrijfsarts in staat was om het werk te hervatten, heeft verweerder hem daartoe opgedragen per 8 juni 2010. Eiser heeft aan deze opdracht geen gehoor gegeven. In verband hiermee heeft verweerder bij besluit van 11 juni 2010 de doorbetaling van de bezoldiging met onmiddellijke ingang gestaakt. Eiser heeft een deskundigenoordeel bij het Uwv gevraagd. Dit oordeel is op 22 juli 2010 door verweerder ontvangen en houdt in dat geen sprake meer is van ongeschiktheid tot arbeid wegens ziekte of gebrek.

5. Bij brief van 10 augustus 2010 heeft verweerder eiser opgedragen om met ingang van 16 augustus 2010 het werk te hervatten. Op 11 augustus 2010 heeft eiser zich ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft eiser op 13 augustus 2010 gezien en geadviseerd om de werkhervatting met twee weken uit te stellen. Verweerder heeft dit advies overgenomen en eiser opgedragen het werk per 31 augustus 2010 te hervatten.

6. Op 30 augustus 2010 heeft eiser zich opnieuw ziek gemeld. Omdat verweerder het vermoeden had dat het geen valide ziekmelding betrof, heeft verweerder bij besluit van 1 september 2010 de bezoldiging gestaakt. In dit besluit heeft verweerder ook aangegeven dat eiser voor een spoedcontrole zou worden opgeroepen door de bedrijfsarts. Indien de bedrijfsarts verweerders vermoeden zou bevestigen, zou een procedure tot strafontslag in werking worden gezet. Eiser is op 3 september 2010 beoordeeld door de bedrijfsarts. In zijn rapport van (eveneens) 3 september 2010 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat eiser beperkingen heeft met betrekking tot concentratie en het geheugen. De bedrijfsarts heeft eiser geschikt geacht voor passende werkzaamheden.

7. Eiser heeft zich op 10 september 2010 wederom ziek gemeld. Bij brief van 28 september 2010 heeft verweerder zijn voornemen bekend gemaakt om eiser disciplinair ontslag te verlenen. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een zienswijze in te dienen, waarna verweerder zijn besluit van 8 december 2010 heeft genomen.

<u>De non-activiteitenregeling</u>

8. Artikel 7:3, eerste lid, van het Sociaal Statuut luidt als volgt:

“Voor de oudere ambtenaar als bedoeld in artikel 7:1 voor wie op advies van de herplaatsingscommissie het college van burgemeester besluit dat voor hem/haar geen passende functie voorhanden is, geldt de non-activiteitenregeling, dit onder de voorwaarde dat de ambtenaar te kennen geeft geen andere functie te ambiëren en mits hij/zij uitdrukkelijk schriftelijk verklaart op de spilleeftijd van de (gemeentelijke) regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU/FPU+) gebruik te maken.

Een definitie van het begrip “passende functie” is opgenomen in artikel 1;1 van het Sociaal Statuut.

9. Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiser niet aan de voorwaarden van deze regeling voldoet. Voor eiser is een passende functie voorhanden, namelijk de functie van medewerker stafteam bij de ISD-CGM.

10. Met betrekking tot deze functie stelt de rechtbank vast dat eiser nimmer een definitief plaatsingsbesluit heeft ontvangen, hetgeen verweerders gemachtigde ook heeft toegegeven ter zitting. Naar het oordeel van de rechtbank neemt deze omstandigheid niet weg dat sprake is van een passende functie in de zin van artikel 1:1 van het Sociaal Statuut. Dat, zoals eiser heeft gesteld, verweerder op een later moment is afgestapt van zijn voornemen om eiser bij de ISD-CGM te plaatsen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit de gedingstukken blijkt immers dat verweerder dit enkel heeft gedaan in verband met klachten die pas later zijn ontstaan. Ten tijde hier van belang was hiervoor nog geen aanleiding.

11. Eisers stelling dat de nieuwe organisatie ISD-CGM ziekmakend voor hem is, volgt de rechtbank niet. Daarbij overweegt zij dat – anders dan eiser heeft gesteld – voor deze stelling geen bevestiging is te vinden in de rapporten van het Uwv of de bedrijfsarts. Ter zitting heeft eiser nog opgemerkt dat hij bang was dat hij door verweerder misbruikt zou worden voor bepaalde taken, hetgeen in het verleden ook het geval zou zijn geweest. Ook deze opmerking overtuigt de rechtbank er niet van dat sprake is van een ziekmakende organisatie, nu eiser de stelling dat daarvan in het verleden sprake was, niet heeft onderbouwd.

12. Eisers stelling dat door de plaatsingscommissie geen rekening is gehouden met de beoordelingsgesprekken (zoals is vereist krachtens artikel 3:4 van het Sociaal Statuut) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Door eiser is namelijk niet gesteld en evenmin is anderszins gebleken welke informatie uit de beoordelingsgesprekken relevant zou kunnen zijn. Het enkele feit dat verweerder mogelijk niet op afdoende wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 3:4 van het Sociaal Statuut, acht de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat voormelde functie niet passend is.

13. Voor zover eiser van mening is dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische voorgeschiedenis, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Met betrekking tot het door eiser overgelegde rapport van een preventief medisch onderzoek stelt de rechtbank vast dat dit rapport vooral bestaat uit een door eiser ingevulde vragenlijst. De rechtbank acht onvoldoende objectieve medische gegevens aanwezig om te concluderen dat eiser als gevolg van een aandoening bepaalde werkzaamheden niet meer kan verrichten.

14. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat eiser de functie van medewerker stafteam bij de ISD-CGM niet zou kunnen verrichten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden eisers verzoek om gebruik te kunnen maken van de non-activiteitenregeling heeft afgewezen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule is ook de rechtbank niet gebleken.

15. <u>Het rapport van de bedrijfsarts F.A.M. Wiebe</u>

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het rapport van de bedrijfsarts F.A.M. Wiebe geen rechtsgevolgen heeft. De bedrijfsarts brengt immers louter advies uit en het is aan verweerder om voor eiser al dan niet verplichtingen in het leven te roepen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het rapport van de bedrijfsarts geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch dat het een handeling is als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar tegen voornoemd rapport terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

<u>Het voornemen tot plaatsing van eiser in de functie van medewerker stafteam</u>

16. Ook het voornemen tot plaatsing van eiser in de functie van medewerker stafteam is geen besluit of handeling in voormelde zin. Verweerders brief van 10 februari 2010 betreft slechts een voornemen en nog geen definitief besluit. Voor eiser stond dan ook nog niet de mogelijkheid open om bezwaar te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar tegen de brief van 10 februari 2010 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

<u>Het staken van de bezoldiging per 11 juni 2010 en 1 september 2010</u>

17. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser bij brief van 4 juni 2010 is opgedragen om vanaf 8 juni 2010 het werk bij ISD-CGM te gaan verrichten. Bij e-mail van 26 augustus 2010 is eiser opgedragen om tijdelijk passende arbeid te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ten onrechte aan deze opdrachten geen gehoor gegeven. Daarbij wijst de rechtbank op de beschikbare adviezen van de bedrijfsarts. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen reden om aan de juistheid van deze adviezen te twijfelen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat door eiser geen medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat hij de opgedragen arbeid niet kon verrichten. Voor zover eiser in dit verband verwijst naar het eerste deskundigenoordeel van het Uwv overweegt de rechtbank dat dit oordeel betrekking heeft op een andere datum (17 februari 2010) dan de hier bestreden beslissingen. Reeds hierom kan dit deskundigenoordeel geen afbreuk doen aan de adviezen van de bedrijfsarts. Ook de omstandigheid dat eiser in het kader van de Ziektewet per 11 augustus 2010 arbeidsongeschikt is bevonden, kan eiser niet baten. Daarbij overweegt de rechtbank dat het ziekengeld is toegekend omdat eiser zijn (oude) functie van medewerker sociale zaken niet kon verrichten. In de onderhavige procedure speelt de geschiktheid voor laatstgenoemde functie geen rol.

18. Eiser heeft zich vervolgens nog gekeerd tegen het feit dat verweerder de bedrijfsarts F.A.M. Wiebe heeft ingezet, terwijl hij het vertrouwen in deze bedrijfsarts heeft opgezegd. Met betrekking tot dit punt stelt de rechtbank vast dat verweerder - mede gelet op eisers bezwaren - aanvankelijk een andere bedrijfsarts had ingezet, maar dat eiser later toch weer werd beoordeeld door de bedrijfsarts Wiebe. Hoewel het - om verdere strubbelingen tussen eiser en laatstgenoemde bedrijfsarts te voorkomen - wellicht beter was geweest indien eiser blijvend door een andere bedrijfsarts zou zijn beoordeeld, acht de rechtbank dit punt niet dermate zwaarwegend dat geoordeeld moet worden dat het onderzoek onzorgvuldig was. Daarbij overweegt de rechtbank dat er in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden waaruit zou kunnen blijken dat de bedrijfsarts Wiebe zijn taak niet naar eer en geweten heeft vervuld. Het enkele feit dat het Uwv één keer tot een andere conclusie is gekomen dan Wiebe, acht de rechtbank in dit opzicht onvoldoende. Ook wijst de rechtbank er hierbij op, dat de door eiser bij het medisch tuchtcollege ingediende klacht betreffende de bedrijfsarts Wiebe is afgewezen.

19. Eisers stelling dat zijn bezoldiging moet worden doorbetaald over de periode waarin hij op vakantie was, volgt de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank op de toelichting van verweerders gemachtigde en mevrouw [...] ter zitting dat eiser deze vakantie niet heeft doorgegeven c.q. opgenomen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. Eisers stelling ter zitting dat hij zijn vakantie heeft doorgegeven aan de collega’s die hem tijdens de vakantie zouden vervangen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Van eiser mocht worden verwacht dat hij zijn vakantie door zou geven aan een leidinggevende. Indien, zoals eiser aangaf, het digitale systeem niet zou functioneren, had eiser deze melding op andere wijze moeten doen.

20. De rechtbank is niettemin van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder aan zijn besluit ten onrechte artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder h, van de CAR/UWO ten grondslag heeft gelegd. Daarbij stelt de rechtbank vast dat dit artikel enkel betrekking heeft op de situatie dat de ambtenaar heeft verzuimd om zijn arbeid te hervatten. De rechtbank vat de woorden “zijn arbeid” op als de arbeid waarvoor eiser is aangesteld. De rechtbank stelt vast dat het in dit geval niet duidelijk is voor welke arbeid eiser is aangesteld, mede omdat eisers oude functie niet meer bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter wel met zekerheid worden vastgesteld dat eiser niet is aangesteld voor de werkzaamheden die hem bij brief van 4 juni 2010 en de e-mail van 26 augustus 2010 zijn opgedragen. Immers, wat betreft de functie bij ISD-CGM heeft eiser geen definitief aanstellingsbesluit ontvangen. Ook ten aanzien van de aangeboden passende werkzaamheden heeft eiser nimmer een aanstellingsbesluit ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder onder deze omstandigheden geen toepassing geven aan artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder h, van de CAR/UWO.

21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voornoemd artikel oneigenlijk heeft toegepast. Het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op het stopzetten van de bezoldiging per 11 juni 2010 en 1 september 2010, is dan ook in strijd met de wet. De rechtbank zal deze besluitonderdelen vernietigen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen ervan ingevolge artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank dat artikel 7:14, tweede lid, aanhef en onder c, van de CAR/UWO wel een deugdelijke wettelijke basis bevat. Ingevolge dit artikel wordt de doorbetaling van de bezoldiging gestaakt indien en voor zolang de ambtenaar weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in dit geval sprake, zodat de bezoldiging met ingang van voornoemde data terecht is gestaakt.

<u>Het disciplinair ontslag </u>

22. Vast staat dat in het voornemen tot ontslag vier gedragingen zijn genoemd die eiser worden verweten. Eiser wordt namelijk verweten dat hij:

1. herhaaldelijk en zonder geldige reden werk heeft geweigerd;

2. de bedrijfsarts op een onjuiste manier heeft benaderd;

3. na eerdere acceptatie van bepaald werk het werk uiteindelijk toch niet heeft uitgevoerd en;

4. goedbedoelde oplossingsrichtingen stelselmatig frustreerde.

23. Ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit enkel op de bij punt 1 genoemde gedraging is gebaseerd en dat de andere drie punten zijn komen te vervallen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Daarbij volgt zij verweerders opvatting dat de bezwaarcommissie heeft geadviseerd om het gehele primaire besluit te handhaven, dus ook de drie andere gedragingen. Nu verweerder in zijn bestreden besluit naar dit advies heeft verwezen, liggen alle vier de gedragingen aan het bestreden besluit ten grondslag.

24. Met betrekking tot het eerste punt, de herhaalde werkweigering, wijst de rechtbank allereerst op haar overwegingen ten aanzien van het stopzetten van de bezoldiging. Hieruit volgt dat eiser tot twee keer toe geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht om het werk te hervatten, terwijl daar geen legitieme reden voor was. De rechtbank voegt hieraan nog het volgende toe met betrekking tot de door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden inzake het ontslag.

25. Eiser heeft gewezen op het rapport van de verzekeringsarts drs. P. Schouten van 18 februari 2011 dat is opgesteld in het kader van de Ziektewet. In dit rapport heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat het ontslag eiser niet te verwijten is. De rechtbank kent aan dit rapport echter geen doorslaggevende betekenis toe. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat uit het rapport van de verzekeringsarts niet blijkt welke stukken de verzekeringsarts tot zijn beschikking had. Onduidelijk is dan ook of de verzekeringsarts op de hoogte was van alle feiten die tot het ontslag hebben geleid. Vervolgens wijst de rechtbank op pagina twee van het rapport van de verzekeringsarts en wel de voorlaatste alinea. Hierin is aangegeven dat na het ontslag eisers (verwerkings)mechanisme is weggevallen en het ontslag eiser zeer aangrijpt. Uit onder meer deze passage leidt de rechtbank af dat eisers beperkingen voor een deel pas zijn ontstaan na het ontslag. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de verzekeringsarts voormelde conclusie (mede) heeft gebaseerd op beperkingen die pas na het ontslag zijn ontstaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de conclusie van de verzekeringsarts omtrent eisers verwijtbaarheid niet van belang is in deze procedure.

26. In verband met eisers ziekmelding per 10 september 2010 wijst de rechtbank op de toelichting van verweerders gemachtigde ter zitting. Deze heeft aangegeven dat eisers brief van 10 september 2010 is voorgelegd aan de bedrijfsarts en dat de bedrijfsarts geen reden heeft gezien om terug te komen van zijn eerdere adviezen. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat met betrekking tot deze ziekmelding ten onrechte geen bedrijfsarts is ingeschakeld. De rechtbank wijst er hierbij nog op dat voor eiser de mogelijkheid bestond om weer bij het Uwv een deskundigenoordeel aan te vragen.

27. Ook eisers stelling dat verweerder hem niet heeft medegedeeld welke werkzaamheden hem werden opgedragen, treft geen doel. Uit de CAR/UWO, noch enige andere regeling, blijkt namelijk dat verweerder daartoe verplicht is. Het stond verweerder dan ook vrij om pas op de dag van eisers werkhervatting - al dan niet in overleg met hem - te bepalen welke werkzaamheden eiser diende te verrichten.

28. Uit voorgaande overwegingen volgt dat eiser kan worden verweten dat hij de opgedragen arbeid niet heeft verricht en daarin heeft volhard. Ook de hierboven bij nummer 3 en 4 genoemde verwijten staan naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast. Daarbij wijst de rechtbank met name op het feit dat verweerder eiser alternatieve functies heeft aangeboden waaronder een functie bij Vluchtelingenwerk. Hoewel eiser aanvankelijk had ingestemd met verweerders aanbod, heeft eiser uiteindelijk toch geen van de betreffende functies geaccepteerd. De rechtbank zal niet meer ingaan op het bij nummer 2 genoemde verwijt. Zoals uit de volgende overwegingen zal blijken, kan het ontslag reeds stand houden op grond van de andere drie, hierboven besproken, gedragingen.

29. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De rechtbank is van oordeel dat voornoemd plichtsverzuim eiser is toe te rekenen.

30. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde straf van disciplinair ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Van belang hierbij acht de rechtbank dat eiser meerdere malen is gewaarschuwd, zelfs door middel van het staken van zijn bezoldiging, maar dat hij hierin geen reden heeft gezien zijn gedrag te wijzigen. Eisers leeftijd en het feit dat hij 35 jaar bij verweerder in dienst is, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat het ontslag geen passende straf is.

31. Hetgeen door eiser overigens is aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

32. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

33. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 152,00 zal moeten voldoen.

34. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluitonderdelen in stand zal laten.

35. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond, voor zover het betreft het stopzetten van de bezoldiging per 11 juni 2010 en 1 september 2010;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluitonderdelen in stand blijven;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht van € 152,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als voorzitter en mr. M. van den Brink en mr. M. van 't Klooster als leden in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Laro als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

<b>Rechtsmiddel</b>

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.