Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW9678

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
AWB 11-3724
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom wegens gebruik van een paardenstal voor woondoeleinden. Eiseres doet een beroep op het (gebruiks)overgangsrecht. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling dient zij feiten en omstandigheden waarop het beroep rust aannemelijk te maken. Eiseres heeft ten bewijze van haar stelling onder meer schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd en gewezen op correspondentie van verweerder. Voorts is er ter zitting een getuige gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres haar stelling onvoldoende aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft zelf steeds wisselend verklaard over de ingangsdatum van haar permanente verblijf in de stal. De door haar daarvoor gegeven motivering maakt haar verklaringen nog niet geloofwaardig. Zo is ook uit de getuigenverklaringen onvoldoende gebleken van bewoning van de stal op de peildatum, aangezien er in diverse verklaringen tevens sprake is van verblijf van eiseres in een caravan op het betreffende perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/3724

Uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2012

inzake

[eiseres],

te [plaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. C.A.M.J. de Wit

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel

verweerder,

gemachtigde: E.G. Grigorian.

Aan het geding hebben als derde-partij deelgenomen:

[de heer en mevrouw A], te [plaats],

gemachtigde: mr. R.E. Wannink en

[de heer B] te [plaats].

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 16 maart 2011 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruik van de voormalige paardenstal op het perceel [perceel A] te [gemeente A] voor woondoeleinden en het zonder vergunning aanleggen van een pad op dit perceel.

Verweerder heeft het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bewaar bij besluit van 5 oktober 2011 deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Onder aanvulling van de motivering heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiseres bij brief van 8 november 2011 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 11/3724.

Eiseres heeft tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 11/3723).

Bij uitspraak van 17 januari 2012 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en daarbij de werking van het besluit op bezwaar van 5 oktober 2011 en van de last onder dwangsom opgeschort tot zes weken nadat op het beroep is beslist.

De zaak is behandeld op de zitting van 29 maart 2012, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde. Voorts zijn verschenen de heer en mevrouw [A], bijgestaan door hun gemachtigde, alsmede de heer [B].

<b>Overwegingen </b>

1. Aan de orde is of verweerder in redelijkheid aan eiseres een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen.

<u>Bestreden besluit.</u>

2. In het thans bestreden besluit is na heroverweging aan eiseres de last opgelegd dat zij onder verbeurte van een dwangsom binnen zes weken na de verzenddatum de overtreding met betrekking tot de strijdigheid van artikel 2.1, lid 1, sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dient te beëindigen door de bewoning van de paardenstal op het perceel [perceel A] te [gemeente A] te staken en gestaakt te houden.

Tevens dient zij onder verbeurte van een dwangsom binnen 6 weken na verzenddatum van het besluit het zonder vergunning gerealiseerde pad te verwijderen en verwijderd te houden.

3. Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een geslaagd beroep op het overgangsrecht, waar het gaat om het strijdig gebruik van de opstal (het bewonen van de paardenstal). Verweerder acht zich derhalve bevoegd om tot oplegging van een last onder dwangsom over te gaan.

Ten aanzien van de aanleg van het pad is verweerder van mening dat het op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied” verboden is om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van verweerder de in de Tabel Aanlegvergunningen/strijdig gebruik weergegeven werken en/of werkzaamheden uit te voeren. In casu is met het aanleggen van het zandpad sprake van ophogen en vergraven. Het aanbrengen van verhardingen is niet van toepassing.

Er is geen sprake van een concreet zicht op legalisatie. Gelet op de omstandigheid dat de paardenstal wordt gebruikt voor woondoeleinden en er geen sprake is (kan zijn) van een agrarische uitoefening van een bedrijf of ander agrarisch hoofdgebruik, kan er feitelijk geen sprake zijn van een extensief dagrecreatief medegebruik. Het pad lijkt in dit geval meer te zijn aangelegd voor het vergroten van het woongenot. Er is ook geen rekening gehouden met de landschapswaarden, het natuurgebied en het leefgebied van dassen.

<u>Gebruik van de paardenstal voor woondoeleinden.</u>

4. Eiseres stelt in beroep dat het gebruik van de paardenstal valt onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Eiseres heeft hetgeen zij in de aanvraag om een gedoogbeschikking heeft verklaard, namelijk dat zij sinds 1998 in de woning verblijft, ingetrokken. Uit het verslag van 13 januari 1995 blijkt voorts dat er vermoedelijk bewoning plaatsvond, omdat de verwarming brandde. Verweerder had dit nader dienen te onderzoeken.

Eiseres stelt sinds 1991 aldaar woonachtig te zijn. Eiseres is voorts van mening dat verweerder bij brief van 5 juni 1996 uitdrukkelijk toestemming heeft verleend om ter plaatse te verblijven. Ook hieruit blijkt dat het jaartal 1998 niet kan kloppen. Door deze brief zijn bij eiseres verwachtingen gewekt dat er niet tegen haar zou worden opgetreden.

5. Ingevolge het ten tijde van het primaire besluit geldende bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel”, vastgesteld op 31 mei 2001, rust op het perceel de bestemming ‘Agrarisch gebied’.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming ‘Agrarisch gebied’ (mede) bestemd voor ‘extensief dagrecreatief medegebruik’.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder ‘extensieve dagrecreatie’ verstaan die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.

6. Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van de paardenstal voor bewoning in strijd is met de gebruiksvoorschriften van dit bestemmingsplan. Ter beoordeling staat of het gebruik onder het overgangsrecht valt.

8. Ingevolge artikel 23 (Overgangsbepalingen), tweede lid, van het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel” mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing alsmede het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het in artikel 24 bepaalde en dat reeds plaatsvond vóór de datum waarop het plan onherroepelijke rechtskracht heeft verkregen, worden voortgezet.

Ingevolge het derde lid is het bepaalde in lid 2 niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen, tot die datum, geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan en waartegen wordt of alsnog kan worden opgetreden.

9. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het gebruik van de opstal voor bewoning in strijd is met de bepalingen van het voorheen geldende bestemmingsplan “Buitengebied, gedeeltelijke herziening”.

Ter beoordeling van de rechtbank staat vervolgens of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebruik niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van dit voorheen geldende bestemmingsplan valt.

10. Ingevolge artikel 30 (Overgangsbepalingen), lid B, onder 1, van het bestemmingsplan “Buitengebied, gedeeltelijke herziening” mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van gronden (anders dan bebouwing) en opstallen, dat met het in het plan aangewezen gebruik in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge artikel 30, lid B, onder 2 is het verboden het onder 1 bedoelde gebruik van gronden en opstallen te wijzigen, tenzij door wijziging van het gebruik de afwijking van het plan niet wordt vergroot.

11. Het bestemmingsplan “Buitengebied, gedeeltelijke herziening” heeft rechtskracht verkregen op 25 augustus 1994. Tussen partijen is niet in geschil dat deze datum voor de onderhavige zaak als peildatum heeft te gelden.

12. Verweerder heeft de volgende feiten en omstandigheden aan de last met betrekking tot het gebruik van de stal voor woondoeleinden ten grondslag gelegd.

Bij besluit van 8 augustus 1989 heeft verweerder aan [C] een bouwvergunning verleend voor het vernieuwen van een paardenstal op het perceel [perceel B] te [gemeente A]. De vergunning is op 8 juli 1991 overgeschreven op naam van eiseres.

Uit een zich bij de stukken bevindende gemeentelijk tijdsoverzicht (Termijnkalender) blijkt dat er sedert 1993 meerdere controles hebben plaatsgevonden. Op 1 juni 1994 is (wederom) geconstateerd dat geen bouwwerkzaamheden plaatsvonden. Er heeft op 13 januari 1995 een gemeentelijke controle plaatsgevonden. Geconstateerd is toen dat niemand aanwezig was en dat vermoedelijk wel sprake was van bewoning omdat er verwarming brandde (rook uit schoorsteen).

In dit overzicht is tevens aangegeven dat op 2 mei 1995 tussen de controlerende ambtenaar en eiseres een gesprek heeft plaatsgevonden waarin nogmaals is aangegeven dat ze er absoluut niet mag wonen.

Op 7 mei 1996 is van gemeentewege geconstateerd dat er niet wordt gewoond in de paardenstal. Blijkens het verslag van de Onafhankelijke Commissie Rechtsbescherming (ORC) heeft eiseres dit desgevraagd bevestigd.

Verweerder heeft bij brief van 5 juni 1996 aangegeven dat het verblijven in de paardenstal wordt toegestaan zolang dit niet ontaardt in bewoning.

Bij brief van 12 mei 2010 hebben de heer en mevrouw [A] verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het illegale bewonen van de paardenstal op het perceel [perceel A]. Bij de kennismaking van dit echtpaar met eiseres heeft zijzelf aangegeven in [gemeente B] te wonen.

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft verweerder aan de schuur op de [straat] ongenummerd het nummer [A] toegekend. Tevens is hierin aangegeven dat het toekennen van een nummer niet betekent dat het gebruik van de schuur in strijd met de wettelijke voorschriften als (recreatie)woning is toegestaan.

Op 27 juli 2010 heeft een gemeentelijke controle plaatsgevonden waarbij eiseres heeft verklaard dat zij de stal al sinds 1996 permanent bewoont.

Bij brief van 29 juli 2010 heeft eiseres aan verweerder verzocht haar ontheffing te verlenen van het verbod om in een recreatiewoning aan de [perceel A] te mogen wonen. Hierin heeft eiseres aangegeven dat ze sinds 1998 permanent verblijft in bovengenoemd pand. Dit verzoek is door verweerder op 20 april 2011 afgewezen.

Uit de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (GBA) blijkt dat eiseres zich in augustus 2010 heeft laten uitschrijven uit de gemeente [gemeente B] en op 2 augustus 2010 is ingeschreven in de gemeente [gemeente A].

In een e-mail van 23 juni 2011 heeft de heer [B] aan verweerder geschreven dat de paardenstal de eerste tien jaar alleen in de zomer bij mooi weer soms is gebruikt om te kamperen, dat eiseres in [gemeente B] woonde, waar zij vrijwel elke avond naar toe ging en dat zij de laatste jaren wel vaak in de paardenstal verblijft.

Voorts heeft verweerder als reactie op de door eiseres ingebrachte verklaringen aan buurtbewoners gevraagd in hoeverre zij als ondertekenaar van die verklaring met zekerheid kunnen stellen dat eiseres vanaf 1991 permanent woont en dus ook slaapt op genoemd perceel. Vijf buurtbewoners reageren met: “Nee, dat kunnen wij niet”.

13. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraak van 8 juni 2011 (LJN: BQ7429) dient degene die zich op het overgangsrecht beroept, de feiten en omstandigheden waarop dat beroep rust aannemelijk te maken, zodat het aan eiseres is aannemelijk te maken dat het door haar gestelde gebruik van de paardenstal als woning reeds bestond op de peildatum, 25 augustus 1994.

14. Eiseres heeft ten bewijze van haar stelling het volgende aangevoerd, dan wel de volgende stukken overgelegd.

Ter zitting heeft eiseres verklaard, zoals zij ook ter zitting van de voorzieningenrechter heeft verklaard, dat zij sinds medio 1991 eigenaresse is van het perceel en dat zij de paardenstal geheel heeft verbouwd/ gerenoveerd. Zij was dag en nacht op het perceel aanwezig, aanvankelijk in een caravan. Vanaf het moment dat de paardenstal na de verbouwing geschikt werd voor bewoning (eind 1992) woont zij in deze stal. Voorts heeft eiseres ter zitting verklaard dat de controlerend ambtenaar in een gesprek in 1995 tegen haar heeft gezegd dat, indien zij het niet op bewoning liet lijken, de gemeente verder geen actie zou ondernemen.

Tijdens de hoorzitting van de ORC heeft eiseres verklaard dat zij eerder heeft aangegeven er sinds 1998 te wonen, maar dat dat zijn reden vond in het feit zij nooit duidelijk heeft kunnen zijn, omdat het verblijf illegaal was. Verder heeft zij aangegeven dat het juist is dat bij een controle op 7 mei 1996 is vastgesteld dat ze overnachtte in een camper bij het gebouw.

Eiseres heeft schriftelijke verklaringen dat zij sinds 1991 permanent verblijft op het perceel [perceel A] overgelegd van mevrouw [D] d.d. 8 oktober 2010, van acht buurtbewoners d.d.1 juni 2011 en van mevrouw [E] d.d. 4 juni 2011.

Voorts bevindt zich bij de stukken een schriftelijke verklaring d.d. 18 juni 2011 van 5 ex-collega’s van eiseres, dat eiseres ten tijde van haar werk als sluis-/brugwachter woonachtig was aan de [perceel A], alsmede een brief d.d. 18 juli 2011 van mevrouw [F] dat eiseres op het perceel woont sinds 1991.

Eiseres heeft een verslag, gedateerd 4 juni 2011, opgesteld van een telefoongesprek met de heer [getuige C] van de Stichting Das en Boom, inhoudende dat in verband met de zich op het perceel van eiseres bevindende dassenburcht eiseres rust creëert voor de dassen door haar levensstijl en het niet vrij toegankelijk zijn van het perceel.

Bij de stukken bevinden zich een schriftelijk verklaring d.d. 28 mei 2011 van [G] dat hij in de zomer van 1991 diverse malen bezittingen van eiseres heeft vervoerd van het [straat] (te [gemeente B]) naar de [straat], alsmede een verklaring d.d. 28 mei 2011 van [getuige A] dat eiseres in het jaar 1991 uit haar woning aan het [straat] is vertrokken en is gaan wonen aan de [perceel A].

Voorts heeft eiseres OZB-beschikkingen over de jaren 2005 tot en met 2010 in het geding gebracht, waarop het belastingobject staat aangeduid als “RECR”.

15. Bij brief van 12 maart 2012 heeft eiseres de rechtbank medegedeeld drie getuigen, te weten [getuige A], [getuige B] en [getuige C] naar de zitting mee te brengen en de getuige [getuige D] schriftelijk te hebben opgeroepen. Ter zitting zijn drie van de vier aangekondigde getuigen verschenen; de getuige [getuige A] is niet verschenen.

De rechtbank heeft afgezien van het horen van de verschenen getuigen [getuige B] en [getuige C], nu zij van oordeel is dat dit niet redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Van beide getuigen bevinden zich reeds verklaringen in het dossier. De getuige [getuige D] heeft zich daarentegen niet eerder uitgelaten over de onderhavige kwestie. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet zozeer de geloofwaardigheid van de getuigen in het geding is - reden waarom eiseres deze getuigen heeft meegebracht, zoals zij ter zitting heeft verklaard - als wel de waarde die aan het ingebrachte bewijs dient te worden toegekend bij de beoordeling van de zaak.

16. De getuige [getuige D] heeft ter zitting - kort gezegd - verklaard dat hij elke week bij zijn ouders woonachtig aan de [perceel B] kwam en dat eiseres in 1991 in een caravan op het perceel [perceel A] zat. Volgens zijn ouders was ze er ook ’s nachts. Van zijn ouders hoorde de getuige ook dat eiseres in 1992 echt in de stal ging wonen. Getuige had af en toe over de heg contact met eiseres. Desgevraagd geeft de getuige aan dat hij uit de manier waarop het ging afleidde dat er sprake was van wonen.

17. De hierboven opgesomde feiten en omstandigheden leiden de rechtbank tot het oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar gestelde bewoning van de voormalige paardenstal reeds bestond op de peildatum. Met name het feit dat eiseres zelf wisselend heeft verklaard over de ingangsdatum van haar permanente verblijf in de stal aan de [straat] maakt dat de door haar ingebrachte getuigenverklaringen voor de rechtbank aan overtuigingskracht inboeten. Dat eiseres wist dat zij er op de peildatum illegaal woonde en er derhalve niet vrij over kon praten - zoals zij heeft gesteld - maakt het steeds wisselen van haar verklaringen nog niet geloofwaardig. Het intrekken van een van deze verklaringen maakt dit niet anders.

Voorts is uit deze getuigenverklaringen onvoldoende gebleken van bewoning van de paardenstal op de peildatum, nu er in diverse verklaringen sprake is van verblijf in een caravan op het perceel. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in de door verweerder overgelegde controlerapporten. Diverse opmerkingen die mogelijkerwijs in de richting van bewoning wijzen - onder meer dat er rook uit de schoorsteen komt - zien op tijdstippen van ná de peildatum. Zo passeert de rechtbank ook het standpunt van eiseres dat zij aan verweerders brief van 5 juni 1996 verwachtingen mocht ontlenen. In de eerste plaats is deze brief van na de peildatum en in de tweede plaats laat deze brief niets aan duidelijkheid te wensen over. Van algemene bekendheid mag immers worden geacht dat ‘verblijf’ niet hetzelfde is als ‘bewoning’.

Evenmin kan aan de door eiseres overgelegde OZB-beschikkingen enige bewijskracht worden ontleend. Een registratie als recreatiewoning ten behoeve van de Wet waardering onroerende zaken biedt geen grond voor de stelling dat de gemeente niet meer handhavend kan optreden. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2011, LJN: BQ5943. Ten slotte kan naar het oordeel van de rechtbank de stelling van eiseres omtrent hetgeen een gemeenteambtenaar in 1995 tegen haar gezegd heeft - nog daargelaten dat eiseres geen bewijs voor deze stelling heeft geleverd - niet bijdragen aan bewoning vóór de peildatum.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

18. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de bewoning van de paardenstal niet wordt beschermd door het overgangsrecht en derhalve in strijd is met de geldende bestemming. Verweerder was bevoegd om handhavend op te treden.

19. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan hiervan afzien. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

20. Ten aanzien van het concreet zicht op legalisatie heeft eiseres aangevoerd dat haar op grond van het bepaalde in artikel 5.18, vierde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het permanente gebruik van de paardenstal als recreatiewoning, nu zij aan de daar gestelde voorwaarden voldoet.

21. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat genoemd artikel in het onderhavige geval geen toepassing vindt, nu de op grond van het bestemmingsplan als ‘Agrarisch gebied’ aangewezen gronden niet zijn bestemd voor recreatie- en woondoeleinden. Voorts heeft verweerder een eerder verzoek van eiseres om ontheffing van het verbod tot bewoning bij brief van 20 april 2011 afgewezen.

Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gemotiveerd waarom hij niet bereid is aan eiseres een gedoogverklaring te verlenen.

22. Tot slot heeft eiseres nog gesteld dat verweerder na verloop van zo lange tijd redelijkerwijs niet meer tot handhaving kan overgaan.

23. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling rechtvaardigt het louter stilzitten van verweerder en/ of het enkele tijdsverloop niet de verwachting dat niet meer handhavend zal worden opgetreden. Zo er al sprake is van stilzitten - eiseres is er immers door verweerder meerdere malen op gewezen dat het verblijf niet mag verworden tot bewonen - dan is verweerder in het onderhavige geval in redelijkheid tot handhaving overgegaan naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van omwonenden.

Nu geen overige omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan handhaving onevenredig zou zijn, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom wat betreft de bewoning van de paardenstal.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

<u>Aanleg van een pad zonder vergunning.</u>

24. Met betrekking tot het aangelegde pad stelt eiseres dat geen sprake is van het ophogen en vergraven. Het bodemprofiel wordt niet gewijzigd. Een pad betreft infrastructuur. Daarvoor geldt alleen een aanlegvergunning indien sprake is van verharden, hetgeen in casu niet het geval is.

Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat over een lengte van ongeveer 50 meter en een breedte van 1 meter 10 centimeter zwarte grond is uitgegraven en dat daarvoor in de plaats gele grond is teruggestort. Hierop is geen verharding aangebracht.

25. Aan de hand van de bij het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel” behorende verbeelding heeft de rechtbank ter zitting samen met partijen vastgesteld dat het onderhavige perceel tevens is bestemd voor de instandhouding van (de biotoop) van: leefgebied van dassen (artikel 6, derde lid, sub b onder (7) van de planregels) en dat het pad is aangelegd in het als zodanig aangewezen gebied.

26. Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de planregels van dat bestemmingsplan inzake aanlegvergunningplichtige werken en werkzaamheden, voor zover hier van belang, is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de in “Tabel Aanlegvergunningen/strijdig gebruik” weergegeven werken en/of werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel geldt het in lid 1 vervatte verbod niet voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen, die passen binnen de bestemming.

Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 1.a slechts toelaatbaar indien:

a. deze verband houden met de doeleinden, die aan de betreffende bestemming of medebestemming zijn toegekend;

b. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Onder werken en werkzaamheden betrekking hebben op de bodem wordt - voor zover hier van belang - verstaan:

2. ophogen

3. vergraven

Onder infrastructuur wordt verstaan: 19. het aanbrengen van verhardingen.

27. In bijlage 2 “Aanlegvergunningenstelsel” van dat bestemmingsplan wordt onder ‘vergraven’ verstaan het verwijderen van een of meerdere bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders.

‘Ophogen’ wordt in deze bijlage gedefinieerd als het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag.

28. In voornoemde Tabel is bij de aanduiding “Dassenleefgebied” bij het onderdeel “Bodemopbouw en reliëf” het vergraven en ophogen door de aanduiding -A- als aanlegvergunningplichtig aangemerkt.

29. De rechtbank is, op grond van de stukken en de ter zitting getoonde foto’s, van oordeel dat, anders dan eiseres heeft betoogd, in dit geval sprake is van ‘vergraven’. Nu niet gebleken is van het aanbrengen van verhardingen dan wel van wijziging van de perceelindeling kunnen de werkzaamheden, mede gelet op de definitie van Infrastructuur, niet als zodanig worden gekarakteriseerd. Gelet op de uitgevoerde werkzaamheden is er evenmin sprake van ‘ophogen’.

Het vorenstaande betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van de aanleg van een pad zonder de daarvoor vereiste vergunning. Verweerder was derhalve bevoegd handhavend op te treden. Deze beroepsgrond faalt.

30. Voorts heeft verweerder overwogen dat voor de aanleg van het pad geen vergunning verleend kan worden, nu het pad niet is aangelegd ten behoeve van de op het perceel geldende agrarische bestemming maar veeleer ter vergroting van het woongenot, hoewel de paardenstal niet mag worden bewoond. Volgens verweerder is er geen rekening gehouden met de landschapswaarden, het natuurgebied en het leefgebied van de dassen. De rechtbank acht dit een voldoende onderbouwing van verweerders standpunt dat er geen concreet zicht op legalisatie is.

Door eiseres zijn geen overige omstandigheden gesteld op grond waarvan handhaving onevenredig zou zijn. Derhalve is de rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom wat betreft het zonder vergunning aanleggen van een pad.

31. Tot slot heeft eiseres nog aangevoerd dat in het advies van de Commissie is uitgegaan van een ander adres dan [perceel A]. Verweerder had derhalve de Commissie om een nieuw advies moeten vragen.

De rechtbank deelt deze opvatting niet. Verweerder heeft uitgebreid gemotiveerd waarom hij het advies van de Commissie ten aanzien van dit onderdeel niet volgt. Niet gezegd kan worden dat er sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van verweerders besluit ondanks dat in het advies sprake was van een - naar de rechtbank aanneemt - verschrijving.

Deze beroepsgronden slagen niet.

32. Bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken dan wel te bepalen dat het griffierecht door verweerder aan eiseres dient te worden vergoed.

33. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen als voorzitter en mr. D.J. de Lange en mr. A.W.C.M. van Emmerik als leden in tegenwoordigheid van mr. J.F.M. Emons als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: