Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW9585

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
01/833015-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie voorwaardelijke met een proeftijd van 2 jaren voor poging tot zware mishandeling.

Verdachte heeft tijdens een handenarbeidles op school met een schaar naar een medeleerling gegooid, waardoor deze een verwonding aan het hoofd heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/833015-12

Datum uitspraak: 02 juli 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1997],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2012 (achter gesloten deuren).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 mei 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 januari 2012 te Helmond aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een bloeding in de

hersenen met een afmeting van -ongeveer- 1,5 centimeter bij 3 centimeter),

heeft toegebracht, door opzettelijk een schaar, althans een puntig en/of

scherp voorwerp, naar, althans in de richting van, het hoofd van die [slachtoffer 1]

te gooien, waardoor, althans mede waardoor, die schaar, althans dat puntige

en/of scherpe voorwerp, in (de slaap van) het hoofd van die [slachtoffer 1] is

terechtgekomen;

[artikel 302 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 januari 2012 te Helmond ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een schaar,

althans een puntig en/of scherp voorwerp, naar, althans in de richting van,

het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gegooid, waardoor, althans mede waardoor,

die schaar, althans dat puntige en/of scherpe voorwerp, in (de slaap van) het

hoofd van die [slachtoffer 1] is terechtgekomen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

[artikel 302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing ten aanzien van het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrijspraak geëist. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het herstel van het slachtoffer voorspoedig is verlopen en dat er geen hersenletsel is opgetreden.

Het standpunt van de verdediging.

Van de zijde van de verdediging is op dezelfde grond als door de officier van justitie aangevoerd, vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Aan de orde is de vraag of het letsel van het slachtoffer valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht geeft een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid Daarbij wegen factoren mee als de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting blijken over het letsel van het slachtoffer [slachtoffer 1] de volgende gegevens.

In de geneeskundige verklaring op pagina 30 van het procesdossier wordt vermeld dat er weliswaar een bloeding in de hersenen is geconstateerd, doch daar ging geen drukkende werking van uit zodat er niet geopereerd hoefde te worden. Blijkens voornoemde geneeskundige verklaring is volledig herstel te verwachten.

In de schriftelijke slachtofferverklaring zegt het slachtoffer voornoemd dat hij enkele weken na het incident weer naar school ging.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het bij het slachtoffer geconstateerde letsel niet van dien aard is, dat dit als zwaar lichamelijk letsel aan te merken is. De rechtbank acht mitsdien het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte hiervan vrij.

De bewijsmiddelen1 en de beoordeling daarvan ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.

Vaststaande feiten.

Verdachte heeft op 24 januari 2012 een conflict gekregen met [slachtoffer 1] waarbij [slachtoffer 1] verdachte heeft geduwd.2 Hierop werd verdachte boos.3 Verdachte heeft vervolgens een schaar gegooid Deze schaar is in het hoofd van [slachtoffer 1] terecht gekomen.4

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde. Zij heeft zich hierbij gebaseerd op de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1] waaruit blijkt dat verdachte bovenhands vanuit zijn pols gooide, de verklaring van [getuige] alsmede de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd waarin hij heeft aangegeven op een afstand van 1,5 meter bovenhands een schaar naar [slachtoffer 1] te hebben gegooid.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsvrouwe is bepleit dat verdachte de schaar niet bewust in de richting van [slachtoffer 1] heeft gegooid, maar dat hij in een reflex gooide. De raadsvrouwe acht opzet in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht derhalve niet aanwezig.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen:

De verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1], verkort en zakelijk weergegeven:

Ik zit op het [naam school] in Helmond. Op 24 januari 2012 was ik op school. Ik liep naar de kast om een blaadje te pakken. Ik zag dat [verdachte] ook naar de kast toe liep. Ik heb [verdachte] naar achteren geduwd. Ik zag dat [verdachte] iets gooide. Ik zag dat hij bovenhands gooide, vanuit zijn pols.5 De schaar die [verdachte] gooide kwam in mijn hoofd terecht. Ik trok de schaar er meteen uit. Ik zag dat het begon te bloeden.6

De verklaring van [getuige 1], verkort en zakelijk weergeven:

[verdachte] ging naar het materialenhok om papier te halen. [slachtoffer 1] begon op dat moment [verdachte] uit te dagen dan wel te irriteren. [verdachte] had op dat moment een schaar in zijn rechterhand.

[slachtoffer 1] sloeg met zijn rechterhand tegen de linkerkant van het gezicht van [verdachte].7

[slachtoffer 1] stond op een kleine 2 meter afstand van [verdachte].8

Ineens gooide [verdachte] een schaar naar [slachtoffer 1]. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand, bovenhands, een schaar naar [slachtoffer 1] gooide. Ik schrok ervan dat [slachtoffer 1] twee keer nodig had om de schaar uit zijn hoofd te trekken.9

Ik zag dat [slachtoffer 1] de schaar op de grond gooide. Ik zag dat beide punten onder het bloed zaten. Dit was ongeveer 4 centimeter wat onder het bloed zat. De schaar is aan de linkerkant net boven zijn slaap in het hoofd gekomen.10

De verklaring van verdachte ter terechtzitting, verkort en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 24 januari 2012 tijdens de handenarbeidles een schaar naar [slachtoffer 1] heb gegooid.11

De verklaring van verdachte bij de politie, verkort en zakelijk weergegeven:

Op de vraag van verbalisant wat er gebeurde nadat [slachtoffer 1] hem een elleboogje had gegeven verklaart verdachte: "Ik deed een of twee stappen naar achter. Ik zag dat hij dit ook deed. [slachtoffer 1] had zijn vuisten omhoog. Hij keek in mijn richting. Er was toen 1,5 meter afstand tussen ons. Ik gooide gewoon. Ik gooide bovenhands. Toen zat de schaar plotseling in zijn hoofd.12

Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1]:

[slachtoffer 1] heeft een schaar links in zijn hoofd gekregen net voor/boven het oor. Uitwendig wondje van 1,5 centimeter. Echter in de hersenen een bloeding van 1,5 x 3 centimeter.13

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouwe dat, omdat verdachte in een reflex zou hebben gegooid, er geen sprake is geweest van enige vorm van opzettelijk handelen. Verdachte had de schaar in zijn hand en heeft de schaar met een bovenhandse beweging naar het slachtoffer gegooid. Uit de wijze waarop verdachte heeft gegooid, leidt de rechtbank af dat hij zich tenminste in enige mate bewust moet zijn geweest van zijn handelen.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden geconcludeerd dat verdachte doelbewust en doelgericht de schaar in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gegooid teneinde hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Wel acht de rechtbank het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt daartoe dat indien men op korte afstand van het slachtoffer bovenhands met een schaar in de richting van het hoofd van het slachtoffer gooit, men daarmee de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het slachtoffer ernstige verwondingen oploopt. Aan en in het hoofd bevindingen zich immers verschillende kwetsbare lichaamsfuncties. Het op korte afstand gooien van een schaar in de richting van het hoofd is, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dergelijk letsel bewust heeft aanvaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 24 januari 2012 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een schaar in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gegooid, waardoor die schaar in de slaap van het hoofd van die [slachtoffer 1] is terechtgekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een werkstraf voor de duur van 120 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte alsmede de omstandigheden van het geval, primair verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf. Subsidiair heeft de raadsvrouwe verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Strafverzwarende omstandigheden.

Verdachte heeft het feit gepleegd op school tijdens een handenarbeidles. Verdachte heeft het slachtoffer flink pijn aangedaan en hem een zeer angstige ervaring bezorgd. Ook zijn klasgenoten die zagen hoe de schaar in het hoofd van hun klasgenoot werd gegooid zijn erg geschrokken. Dit terwijl een school juist een plek moet zijn waar de leerlingen zich veilig moeten kunnen voelen.

Strafmatigende omstandigheden.

De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van verdachte en ook met het feit dat verdachte in de aanloop naar de terechtzitting te maken heeft gehad met grote belangstelling vanuit de media voor zijn strafzaak en hiervan, veel hinder heeft ondervonden.

Verdachte heeft er blijk van gegeven in te zien dat zijn handelen laakbaar is geweest.

Hij heeft samen met zijn ouders contact gezocht met het slachtoffer en diens ouders teneinde het voorval te bespreken en daaromtrent zijn spijt te betuigen.

Het handelen van verdachte lijkt een incident te zijn; uit niets blijkt dat verdachte zich eerder agressief naar anderen heeft gedragen.

Gelet hierop acht de rechtbank een werkstraf van na te melden duur op zijn plaats.

De rechtbank zal deze werkstraf (voor een gedeelte) voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gevorderde materiële schadevergoeding geheel toewijsbaar, te weten een bedrag ter hoogte van €433,=.

De officier van justitie acht het redelijk en billijk om een materiële schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van €1000,=. Zij verzoekt het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict en hierbij tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich gerefereerd ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding. Zij heeft verzocht om het bedrag van de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van €500,-.

Beoordeling.

De rechtbank acht op gronden van redelijkheid en billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van €1183,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit schade heeft geleden.

De rechtbank begroot de immateriële schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op €750,00. Voorts zal worden toegewezen het bedrag van €433,00 dat de benadeelde partij aan daggeldvergoeding voor het verblijf in het ziekenhuis alsmede voor reiskosten heeft gemaakt.

De rechtbank zal het overige deel van de vordering afwijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m,

77n, 77x, 77y, 77z en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair

poging tot zware mishandeling

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel

T.a.v. subsidiair:

Werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie waarvan 50

uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

T.a.v. subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1183,00 subsidiair 21 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 1183,= (zegge:

eenduizendeenhonderddrieëntachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te

vervangen door 21 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

EUR 750,= immateriële schadevergoeding en EUR 433,= materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag

en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij,

[slachtoffer 1], van een bedrag van EUR 1183,=

(zegge: eenduizendeenhonderddrieëntachtig euro), te weten EUR 750,= immateriële

schadevergoeding en EUR 433,= materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. M. Lammers, voorzitter, tevens kinderrechter-plv.

mr. J.W.H. Renneberg en mr. A.M. Kooijmans-de Kort, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 2 juli 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, genummerd PL2233 2012012521.

2 Verklaring van verdachte d.d. 25 januari 2012, proces-verbaal pag.19

3 Verklaring van verdachte d.d. 25 januari 2012, proces-verbaal pag 19.

4 Verklaring van aangever [slachtoffer 1] d.d. 03 februari 2012, proces-verbaal pag. 28-29.

5 Verklaring van aangever [slachtoffer 1] d.d. 03 februari 2012, proces-verbaal pag 28.

6 Verklaring van aangever [slachtoffer 1] d.d. 03 februari 2012, proces-verbaal pag. 29.

7 Verklaring van [getuige 1] d.d. 24 januari 2012, proces-verbaal pag. 42.

8 Verklaring van [getuige 1] d.d. 24 januari 2012, proces-verbaal pag. 42-43.

9 Verklaring van [getuige 1] d.d. 24 januari 2012, proces-verbaal pag. 43.

10 Verklaring van [getuige 1] d.d. 24 januari 2012, proces-verbaal pag. 43.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 18 juni 2012.

12 Verklaring van verdachte d.d. 25 januari 2012, proces-verbaal pag. 20.

13 Geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1] d.d. 31 januari 2012 van arts [naam], proces-verbaal pag. 30.