Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW9251

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
01/839802-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nachtelijke overval (in vereniging) met fors geweld (vuurwapens) op een tweetal personen in hun woning op een camping in Heeze bestraft met een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. De rechbank houdt er rekening mee dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte dient tevens schade te betalen aan beide slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839802-11

Datum uitspraak: 28 juni 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1962],

wonende te [woonplaats], [adres] a,

thans gedetineerd te: P.I. Zuid Oost, HvB Roermond.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 maart 2012 en 14 juni 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 maart 2012.

De voorlopige tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 14 juni 2012 aangepast conform het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

Met inachtneming van deze aanpassing is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 december 2011, te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een

woning (op camping Heezerenbosch) gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,

een geldbedrag (ongeveer 250 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader,

en/of zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door

middel van inklimming,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren

welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader:

-een schot heeft gelost met een vuurwapen in of voor de woning, en/of

-(een) vuurwapen(s) heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], en/of

-de loop van een vuurwapen tegen het voorhoofd van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt, en/of

-meermalen heeft/hebben geroepen:"dekens over jullie hoofd en liggen blijven

anders schieten we je/jullie kapot" en/of "geld, geld", en/of

-die [slachtoffer 2] met een vuurwapen tegen zijn voet heeft geslagen, en/of

-die [slachtoffer 2] met een vuist tegen zijn lichaam heeft geslagen, en/of

-die [slachtoffer 1] met een vuurwapen tegen haar buik heeft geslagen en/of tegen haar buik heeft gedrukt/gehouden;

artikel 312 lid 1 en lid 2 sub 1, 2 en 3 van het wetboek van strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank acht, gelet op de aangiftes van [slachtoffer 2]2 en [slachtoffer 1]3, de processen-verbaal van bevindingen4, het rapport het NFI5, het proces-verbaal sporenonderzoek6 de foto's van het letsel van [slachtoffer 1]7, de verklaring van [persoon 1]8, alsmede gelet op de bekennende verklaring van [verdachte]9, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich - kort gezegd - samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan een diefstal van een geldbedrag van ongeveer € 250,-, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd en waarbij zij zich de toegang tot de woning hebben verschaft door middel van inklimming. Voorts acht de rechtbank bewezen dat deze diefstal is voorafgegaan en vergezeld van geweld en van bedreiging met geweld, op de wijze zoals in de tenlastelegging genoemd, met uitzondering van na te noemen drie handelingen. De rechtbank acht het slaan van [slachtoffer 2] met een vuurwapen op zijn voet en het slaan van [slachtoffer 2] met de vuist op zijn lichaam niet bewezen, nu enkel [slachtoffer 1] hierover heeft verklaard en [slachtoffer 2] - die dit zou zijn overkomen - niet heeft verklaard dat dit heeft plaatsgevonden. De rechtbank is voorts van oordeel dat vaststaat dat er bij het chalet een schot is gelost die bewuste nacht waarbij [verdachte] in zijn been is geraakt, maar de rechtbank acht gezien de overige feiten en omstandigheden niet bewezen dat het schot is gelost met het oogmerk de diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken. De rechtbank zal verdachte dan ook van die delen van de tenlastelegging vrijspreken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 09 december 2011, te Heeze, gemeente Heeze-Leende, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een

woning op camping Heezerenbosch gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,

een geldbedrag van ongeveer 250 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- (een) vuurwapen(s) heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], en

- de loop van een vuurwapen tegen het voorhoofd van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt, en

- meermalen heeft/hebben geroepen:"dekens over jullie hoofd en liggen blijven anders schieten we je/jullie kapot" en "geld, geld", en

- die [slachtoffer 1] met een vuurwapen tegen haar buik heeft geslagen en tegen haar buik heeft gedrukt/gehouden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie verzoekt de teruggave van het in beslag genomen geld aan de aangevers te gelasten.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie erg hoog is. De verdediging heeft aangegeven naar de LOVS-oriëntatiepunten te hebben gekeken en is van mening dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar een goed uitgangspunt is.

Voorts is aangevoerd dat het geweld niet excessief is geweest. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de persoon van verdachte en het reclasseringadvies.

De verdediging verzoekt een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte en zijn medeverdachte zijn 's nachts via het slaapkamerraam het chalet van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], die op dat moment lagen te slapen, binnengeklommen. Zij wilden geld van hen hebben. Verdachte en zijn medeverdachte hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vervolgens onder meer met de dood bedreigd en hebben beiden een vuurwapen op hen gericht. Ook hebben zij geweld jegens [slachtoffer 1] gepleegd, die hierdoor ook letsel is toegebracht.

Verdachte en zijn medeverdachte zijn bovendien professioneel te werk gegaan, getuige hun gedegen voorbereiding. Zij hebben beiden een vuurwapen meegenomen, hadden bivakmutsen op, hadden hun gezichten zwart gemaakt en droegen handschoenen. Na de overval zijn zij met de auto gevlucht en hebben zij zich onderweg van hun wapens, kleding en bivakmutsen ontdaan. Ook heeft verdachte zijn knie verbonden.

De overval moet voor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zeer beangstigend zijn geweest. Het zal bovendien grote impact op hun leven (blijven) hebben. Uit de toelichtingen bij de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt ook dat het een zeer beangstigende situatie is geweest. Bovendien blijkt uit die stukken dat zij hiervan psychische gevolgen hebben ondervonden en nog steeds ondervinden.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte uiteindelijk openheid van zaken heeft gegeven. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet en dat hij zijn spijt heeft betuigd.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf gezien de ernst van het door verdachte gepleegde feit niet passend.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie verzoekt de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, hoofdelijk, en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd de gevorderde immateriële schadevergoeding te hoog te vinden en heeft verzocht deze tot een bedrag van € 1.702,59 te matigen. De verdediging heeft verzocht het overige deel van de vordering voor wat betreft de immateriële schade af te wijzen dan wel de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

De verdediging heeft opgemerkt zich ten aanzien van de gevorderde schade aan het chalet en de reiskosten te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft ten aanzien van het beddengoed aangevoerd dat in de offerte meerdere afmetingen worden genoemd en dat hij dat niet kan rijmen met het feit dat het twee bedden zou betreffen. De verdediging verzoekt de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet ontvankelijk in de vordering te verklaren.

Voorts is aangevoerd dat de benadeelde partij voor wat betreft de kosten van het eigen risico niet ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard, nu deze schade niet is onderbouwd.

Beoordeling.

• Schade aan het chalet en reiskosten.

De rechtbank acht, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde schadevergoeding voor de schade aan het chalet en de reiskosten, toewijsbaar, nu de vordering op deze punten niet is weersproken.

• Beddengoed.

De rechtbank acht voorts, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde schadevergoeding voor de schade aan het beddengoed toewijsbaar. Ter terechtzitting heeft [slachtoffer 2] toegelicht dat het beddengoed voor twee bedden, te weten een lits-jumeaux en een twijfelaar, betrof. De heer [naam] van Slachtofferhulp heeft voorts toegelicht dat hetgeen op de offerte staat vermeld representatief is voor hetgeen waaraan schade is toegebracht. De verdediging heeft de vordering na deze toelichting niet meer weersproken, zodat dit deel van de vordering als onvoldoende weersproken zal worden toegewezen.

• Immateriële schade tot € 1.750,-.

De rechtbank acht voorts, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, € 1.750,- als immateriële schadevergoeding toewijsbaar. De rechtbank heeft daarbij gelet op hetgeen in soortgelijke zaken aan immateriële schadevergoeding wordt toegewezen.

De rechtbank acht in totaal € 7.079,- toewijsbaar (€ 5.329,-materiële schadevergoeding en

€ 1.750,- immateriële schadevergoeding), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

• Immateriële schade voor zover dit een bedrag van € 1.750,- te boven gaat en kosten eigen risico.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de immateriële schade voor zover deze het bedrag van € 1.750,- te boven gaat. De rechtbank zal de benadeelde partij voorts niet ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de gevorderde schade in verband met de kosten van het eigen risico, nu deze schade niet is onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie verzoekt de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, hoofdelijk, en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd de gevorderde immateriële schadevergoeding te hoog te vinden en heeft verzocht deze tot een bedrag van € 1.702,59 te matigen. De verdediging heeft verzocht de vordering voor het overige af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in dat deel van de vordering.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, € 1.750,- als immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank heeft daarbij gelet op hetgeen in soortgelijke zaken aan immateriële schadevergoeding wordt toegewezen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de immateriële schade voor zover deze het bedrag van € 1.750,- te boven gaat.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen in beslag genomen geld aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen geld.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 310, 312.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 7.079,00 subsidiair 70 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 7.079,- (zegge: zevenduizendnegenenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.750,- immateriële schade en EUR 5.329,- materiële schade (posten: schade aan het chalet, beddengoed en reiskosten).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 7.079,- (zegge: zevenduizendnegenenzeventig euro), te weten EUR 1.750,- immateriële schade en

EUR 5.329,- materiële schade (posten: schade aan het chalet, beddengoed en reiskosten).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.750,00 subsidiair 27 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 1.750,- (zegge: duizendzevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schade.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 1.750,- (zegge: duizendzevenhonderdvijftig euro), te weten voor immateriële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Teruggave in beslag genomen geld, te weten: 230 Euro,[nummer], aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. J.M.P. Willemse-Schwering en mr. W. Schoorlemmer, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Hulst, griffier,

en is uitgesproken op 28 juni 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, [pv-nummer].

2 [slachtoffer 2], 21-24.

3 [slachtoffer 1], p. 26-28.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 8, proces-verbaal van bevindingen, p. 77; proces-verbaal van bevindingen, p. 15, proces-verbaal van bevindingen, p. 30-31, proces-verbaal van bevindingen, p. 34, proces-verbaal van bevindingen, p. 39, proces-verbaal van bevindingen, p. 48-49 en proces-verbaal van bevindingen, p. 213-214.

5 Rapport van het NFI d.d. 23 februari 2012, p. 5 van het rapport.

6 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 158.

7 Foto's, p. 166-167.

8 Verklaring van [persoon 1], p. 73.

9 Verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting d.d. 14 juni 2012 en verklaring van [verdachte], p. 282-287.

??

??

12

Parketnummer: 01/839802-11

[verdachte]