Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW9006

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
01/825119-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk omdat hij heeft getracht een zevental minderjarige meisjes tussen zeven en dertien jaar aan het ouderlijk gezag te onttrekken. Verdachte is vrijgesproken van overtreding van art. 248a Sr omdat niet is bewezen dat verdachte met zijn handelen de opzet op het plegen van ontuchtige handelingen had. Tevens is verdachte vrijgesproken van bedreiging van een hulpofficier van jusitite omdat als het bewijs uit een bron, niet zijnde een ambtsedig proces-verbaal, komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825119-12

Datum uitspraak: 22 juni 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in p.i. Vught, PPC, te Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 juni 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 mei 2012. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij meerdere malen, althans een maal, ter uitoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op of omstreeks 25 februari 2012 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, althans in het arrondissement 's-hertogenbosch, door giften of beloften van geld of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, als (voor haar/hen onbekende) volwassene meerdere kinderen/personen, althans een kind/ persoon, te weten

- [slachtoffer 1] (geboren op [2004]) door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "Hoi schatje wat ben je mooi. Ga je met me mee," althans woorden van gelijke aard of strekking; en/of

- [slachtoffer 2] (geboren op [2002]) door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "Weten jullie dat jullie hele sexy dames zijn. Ik wil met jullie bij mij thuis wel een feestje bouwen. Ik heb veel puppy hondjes," althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens) de fiets van die [slachtoffer 2] en/of van de haar vergezellende (minderjarige) [slachtoffer 3] vast te pakken, althans trachten vast te pakken en/of vervolgens (opdringerig) achter die [slachtoffer 2] aan te (blijven) fietsen; en/of

- [slachtoffer 3] (geboren [2002]) door tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: "Jullie zijn hele mooie meisjes, weten jullie dat. Ga je met mij mee? Ik heb puppy's thuis," althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (verolgens) de fiets van die [slachtoffer 3] en/of van de haar vergezellende [slachtoffer 2] vast te pakken, althans trachten vast te pakken en/of vervolgens (opdringerig) achter die [slachtoffer 2] aan te (blijven) fietsen; en/of

- [slachtoffer 4] (geboren op [2001]), door tegen die [slachtoffer 4] te zeggen: "Wat zie je er leuk uit. Ga je met mij mee?"althans woorden van gelijke aard of strekking;

- [slachtoffer 5] (geboren op [2000]) door naast/nabij die [slachtoffer 5] (en de haar vergezellende minderjarige [slachtoffer 6]) te gaan fietsen en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer 5] te zeggen: "Heej mooi meisje ga je met mij mee naar huis," althans woorden van gelijke aard of strekking; en/of

- [slachtoffer 7] (geboren op [1997]) door (in een winkel) die [slachtoffer 7] te blijven aankijken en/of (met zijn arm) het lichaam van die [slachtoffer 7] (aan) te raken en/of die [slachtoffer 7] zeer dicht te naderen (met zijn kin op haar schouder) en (daarbij) tegen die [slachtoffer 7] te zeggen: "Wat heb jij een lekker kontje zeg," althans woorden van gelijke aard of strekking; en/of

- [slachtoffer 8] (geboren op [1998]) door (over grotere afstand) achter die [slachtoffer 8] aan te (blijven) fietsen en/of (daarbij) zijn snelheid aan die van haar aan te passen en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer 8] te zeggen: "He lekker ding, ga je met mij mee. Alsjeblieft ga mee met mij," althans woorden van gelijke aard of strekking; en/of

- [slachtoffer 9] (geboren op [2000]) door achter/bij die [slachtoffer 9] (aan) te (blijven) fietsen en tegen die [slachtoffer 9] te zeggen "Moet jij huilen";

waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze(n) de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen, te weten seksuele handelingen van zijn gading, te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 248a jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om op of omstreeks 25 februari 2012 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, althans in het arrondissement

's-Hertogenbosch, opzettelijk meerdere, althans een minderjarige(n), te weten

- [slachtoffer 1] (geboren op [2004]) door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "Hoi schatje wat ben je mooi. Ga je met me mee," althans woorden van gelijke aard of strekking; en/of

- [slachtoffer 2] (geboren op [2002]) door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "Weten jullie dat jullie hele sexy dames zijn. Ik wil met jullie bij mij thuis wel een feestje bouwen. Ik heb veel puppy hondjes," althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens) de fiets van die [slachtoffer 2] en/of van de haar vergezellende (minderjarige) [slachtoffer 3] vast te pakken, althans trachten vast te pakken en/of vervolgens (opdringerig) achter die [slachtoffer 2] aan te (blijven) fietsen; en/of

- [slachtoffer 3] (geboren [2002]) door tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: "Jullie zijn hele mooie meisjes, weten jullie dat. Ga je met mij mee? Ik heb puppy's thuis," althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (verolgens) de fiets van die [slachtoffer 3] en/of van de haar vergezellende [slachtoffer 2] vast te pakken, althans trachten vast te pakken en/of vervolgens (opdringerig) achter die [slachtoffer 2] aan te (blijven) fietsen; en/of

- [slachtoffer 4] (geboren op [2001]), door tegen die [slachtoffer 4] te zeggen: "Wat zie je er leuk uit. Ga je met mij mee?"althans woorden van gelijke aard of strekking;

- [slachtoffer 5] (geboren op [2000]) door naast/nabij die [slachtoffer 5] (en de haar vergezellende minderjarige [slachtoffer 6]) te gaan fietsen en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer 5] te zeggen: "Heej mooi meisje ga je met mij mee naar huis," althans woorden van gelijke aard of strekking; en/of

- [slachtoffer 7] (geboren op [1997]) door (in een winkel) die [slachtoffer 7] te blijven aankijken en/of (met zijn arm) het lichaam van die [slachtoffer 7] (aan) te raken en/of die [slachtoffer 7] zeer dicht te naderen (met zijn kin op haar schouder) en (daarbij) tegen die [slachtoffer 7] te zeggen: "Wat heb jij een lekker kontje zeg," althans woorden van gelijke aard of strekking; en/of

- [slachtoffer 8] (geboren op [1998]) door (over grotere afstand) achter die [slachtoffer 8] aan te (blijven) fietsen en/of (daarbij) zijn snelheid aan die van haar aan te passen en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer 8] te zeggen: "He lekker ding, ga je met mij mee. Alsjeblieft ga mee met mij," althans woorden van gelijke aard of strekking; en/of

- [slachtoffer 9] (geboren op [2000]) door achter/bij die [slachtoffer 9] (aan) te (blijven) fietsen en tegen die [slachtoffer 9] te zeggen "Moet jij huilen";

te onttrekken aan het wettig over die minderjarige(n) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 279 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 26 februari 2012 te Eindhoven [persoon 1], hulpofficier van justitie, werkzaam bij de regiopolitie Brabant Zuid-oost heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk [persoon 2], werkzaam als arrestantenverzorger in het bureau van politie aan de Mathildelaan 4 te Eindhoven, dreigend de woorden toegevoegd :"Zeg maar tegen die officier dat als ik hier 3 dagen moet blijven gaat hij eraan. Zijn pik smelt ik eraf en zijn ballen smelt ik er dan ook af. Dan komen zijn voetjes en handen aan de beurt die ik er ook af ga smelten, ik maak hem helemaal kapot in kleine stukjes zal hij worden gemaakt. En als dat niet mocht lukken dan gaan zijn kinderen er aan dat zeg maar tegen hem als ik hier drie dagen moet zitten," althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking welke woorden door [persoon 2] voornoemd op 26 februari 2012 ter kennis werden gebracht aan [persoon 1], werkzaam als hulpofficier van justitie bij de regiopolitie Brabant Zuid-oost.

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

ten aanzien van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde

Het standpunt van partijen

De officier van justitie acht op grond van de signalementen en de overige bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat verdachte het primaire feit heeft begaan.

De verdachte stelt dat hij gesproken heeft met [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], maar ontkent dat hij opmerkingen heeft gemaakt over hun uiterlijk dan wel gevraagd heeft of ze met hem mee naar huis gingen. [slachtoffer 1] heeft hij aangesproken omdat hij dacht dat hij haar kende van een eerdere ontmoeting en tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft hij een opmerking gemaakt over de nieuwbouwwoningen en hij heeft ze gevraagd of ze mee wilden snoep kopen in het nabijgelegen winkelcentrum. Nergens uit blijkt dat verdachte de intentie had met de meisjes ontucht te plegen, of hen mee te nemen en daarmee te ontrekken aan het ouderlijk gezag.

De andere meisjes die aangifte hebben gedaan heeft hij niet gesproken. De raadsman benadrukt dat het door de andere aangeefsters genoemde signalement vaag is en bovendien sterk verschilt. Volgens de verdediging dient er vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden. De politie te Geldrop ontvangt op zaterdag 25 februari 2012 meldingen dat een man meisjes heeft benaderd met de vraag of zij met hem mee gaan. De politie gaat aan de hand van het opgegeven signalement op zoek naar de man. In de Reinoutlaan te Geldrop ziet de politie verdachte fietsen die volgens de politie aan het signalement voldoet. Verdachte fietst in de richting van spelende kinderen. Nadat hij is afgestapt en in de richting van de kinderen is gelopen, rent een meisje hard weg.2 Verdachte wordt ter plaatse aangehouden.3 Hij erkent dat hij vlak voor zijn aanhouding een meisje heeft aangesproken en eerder op de dag nabij de nieuwbouwwoningen op de Coevering te Geldrop twee andere meisjes.4

Het meisje dat verdachte kort voor zijn aanhouding heeft aangesproken is [slachtoffer 1] (geboren [2004])5. De twee meisjes die op de Coevering contact hadden met verdachte zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], geboren op respectievelijk 19 juli 20026 en 10 februari 20027.

Er zijn nog vijf andere meisjes die aangifte doen bij de politie dat zij op 25 februari 2012 in Geldrop zijn lastig gevallen door een man, te weten [slachtoffer 4] (geboren [2001])8, [slachtoffer 5] ([2000])9, [slachtoffer 7] ([1997]), [slachtoffer 8] ([1998])10 en [slachtoffer 9] ([2000]). Aan drie van deze meisjes, te weten [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8], heeft de man uitdrukkelijk gevraagd om mee te gaan.

Tegen [slachtoffer 4] heeft de man gezegd "Wat zie je er leuk uit. Ga je met mij mee?"11 Tegen [slachtoffer 5] heeft de man gezegd "Heej mooi meisje ga je met mij mee naar huis?"12 Tegen [slachtoffer 8] heeft de man heeft gezegd "He lekker ding, ga je met mij mee. Alsjeblieft ga mee met mij.13

Bewijsvragen

Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden dient de rechtbank allereerst vast te stellen wat er precies is voorgevallen tussen enerzijds verdachte en anderzijds [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte de man is waarover de aangeefsters [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] in hun aangifte verklaren.

[slachtoffer 1] verklaart tegenover de politie dat verdachte haar heeft aangesproken met de woorden "Hoi schatje, wat ben je mooi, ga je met me mee".14 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] vertellen dat verdachte tegen hen zei: "Weten jullie dat jullie hele sexy dames zijn. Ik wil met jullie bij mij thuis wel een feestje bouwen. Ik heb veel puppy hondjes"15 en "Jullie zijn hele mooie meisjes, weten jullie dat. Ga je met me mee? Ik heb puppy's thuis."16 Verdachte ontkent ten stelligste dat hij enige toespeling heeft gemaakt op het uiterlijk van de meisjes dan wel heeft gevraagd of zij mee wilden gaan.

De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de meisjes ten overstaan van de politie in een studioverhoor afgelegde verklaringen. Deze komen overeen met hetgeen zij aan hun ouders hebben verteld en ook de inhoud van hetgeen zij verklaren geeft geen aanleiding vraagtekens te plaatsen bij hun geloofwaardigheid. Ook de reactie van de meisjes - het snel wegrennen respectievelijk wegfietsen nadat zij door verdachte zijn aangesproken - past goed bij hun lezing van de gebeurtenissen. De verklaring van verdachte dat hij geen opmerkingen over het uiterlijk van de meisjes heeft gemaakt en ze niet heeft gevraagd mee te gaan, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De stelling van verdachte dat het wegrennen/fietsen ook verklaard kan worden door het feit dat in Geldrop recentelijk veel ophef is geweest over de ontvoering van een kind of kinderen is niet met feiten onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden.

Verdachte ontkent dat hij op zaterdag 25 februari 2012 nog met andere meisjes heeft gesproken dan [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Hij stelt dat enig bewijs voor een dergelijke ontmoeting ontbreekt. In zijn laatste woord voegt hij daar aan toe dat vrijspraak moet volgen omdat de politie geen Osloconfrontatie heeft gehouden. Desgevraagd weigert verdachte concreet aan te geven waarom hij in Geldrop was en waar hij vandaan kwam. Zijn summiere verklaring dat hij bij een kennis op bezoek wilde gaan wordt daarmee voor de rechtbank oncontroleerbaar.

In afwijking van het standpunt van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte de man is die de aangeefsters [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] heeft benaderd en (toe)gesproken. Zij neemt daarbij in ogenschouw dat de door de andere aangeefsters geschetste gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in de nabijheid van de plaatsen waar [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] werden lastig gevallen17 en binnen een kort tijdsbestek. Verdachte is op 25 februari 2012 om 14.30 uur aangehouden18 terwijl de andere aangevers afgaande op de verschillende aangiftes werden lastig gevallen op 25 februari 2012 tussen 12.30 uur en 14.00 uur.19 Drie van de vijf andere aangeefsters ([slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8]) zijn bovendien benaderd met bewoordingen die sterk lijken op de bewoordingen waarmee [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door verdachte zijn aangesproken. Tot slot zijn er door de aangevers genoemde signalementen van de man en zijn fiets.20 Ze zijn niet identiek maar tonen wel onderling overeenstemming en passen op hoofdlijnen ook bij het uiterlijk van verdachte en de fiets waarop hij reed. Het gegeven dat er geen Osloconfrontatie is gehouden staat aan het oordeel van de rechtbank niet in de weg.

Vrijspraak van het primaire feit.

Aan verdachte is als primair feit ten laste gelegd - kortweg - dat hij heeft gepoogd een achttal meisjes te bewegen ontuchtige handelingen te verrichten of te dulden. Ten einde tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient de rechtbank te bewijzen dat verdachte opzet had op het plegen van dat misdrijf. Uit de verklaringen van verdachte kan een dergelijk opzet niet worden afgeleid. Derhalve moet de aanwezigheid van dat opzet worden afgeleid uit de andere omstandigheden van het geval zoals de door de verdachte gebruikte bewoordingen en diens gedragingen. De door verdachte tegen de meisjes gemaakte opmerkingen en gestelde vragen vormen een ernstige overschrijding van een maatschappelijke fatsoensnorm maar daaruit kan niet zonder meer en met voldoende zekerheid worden afgeleid dat bij verdachte opzet bestond de meisjes te bewegen tot ontuchtige handelingen of het dulden daarvan. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het primaire feit.

Beoordeling van het subsidiaire feit

De rechtbank zal verdachte wel veroordelen voor het subsidiaire feit - kortweg - het pogen kinderen te ontrekken aan het ouderlijk gezag. Verdachte heeft in een tijdsspanne van ongeveer anderhalf uur op verschillende locaties jonge kinderen die op zijn pad kwamen, opgezocht en aangesproken zonder dat daartoe enige noodzaak bestond. Verdachte heeft in totaal aan vijf meisjes gevraagd of ze met hem mee wilden gaan. Mede gelet op de jonge leeftijd van de kinderen variërend van zeven tot dertien jaar, leidt de rechtbank uit de gedragingen van verdachte en de door hem gebruikte bewoordingen, die redelijkerwijs niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, af dat verdachte het opzet had deze vijf meisjes mee te nemen en aldus te onttrekken aan het over die meisjes gestelde wettig gezag.

Ten aanzien van de door verdachte benaderde meisjes waarvan niet vaststaat dat verdachte hen heeft gevraagd of zij mee wilde gaan (aangeefsters [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9]) zal verdachte niet worden veroordeeld omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de opzet had deze meisjes aan het wettig gezag te onttrekken.

Gelet op de genoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Aan verdachte is ten laste gelegde dat hij [persoon 1], hulpofficier van justitie bij de regiopolitie Brabant Zuid-Oost zou hebben bedreigd. Verdachte zou deze bedreiging tegen arrestantenverzorger [persoon 2] hebben geuit. [persoon 2] heeft zijn bevindingen in een e-mailbericht weergegeven. Dit e-mailbericht heeft hij aan [persoon 1] verzonden. Vervolgens heeft [persoon 1] aangifte van deze bedreiging gedaan. Verdachte heeft dit feit ontkend.

De rechtbank overweegt het navolgende. Arrestantenverzorger [persoon 2] heeft zijn bevindingen weergegeven in een e-mailbericht. Het enige steunbewijs voor de bevindingen van [persoon 2] is gelegen in de aangifte van [persoon 1]. [persoon 1] heeft zijn wetenschap echter geheel ontleend aan de bevindingen van [persoon 2]. De voor verdachte belastende verklaring is dus geheel afkomstig uit één bron en wordt niet ondersteund door enig ander, uit een andere bron afkomstig bewijsmiddel. Bovendien kan het e-mailbericht van [persoon 2] niet worden aangemerkt als een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 344 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het e-mailbericht van [persoon 2] - en daarmee ook de aangifte van [persoon 1], die zijn wetenschap immers ontleend aan hetgeen [persoon 2] hem heeft medegedeeld - geen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Daarom zal zij verdachte van de ten laste gelegde bedreiging vrijspreken bij gebrek aan wettig bewijs.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om op 25 februari 2012 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, opzettelijk meerdere minderjarigen, te weten

- [slachtoffer 1] (geboren op [2004]) door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "Hoi schatje wat ben je mooi. Ga je met me mee," en

- [slachtoffer 2] (geboren op [2002]) door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "Weten jullie dat jullie hele sexy dames zijn. Ik wil met jullie bij mij thuis wel een feestje bouwen. Ik heb veel puppy hondjes," en vervolgens achter die [slachtoffer 2] aan te fietsen en

- [slachtoffer 3] (geboren [2002]) door tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: "Jullie zijn hele mooie meisjes, weten jullie dat. Ga je met mij mee? Ik heb puppy's thuis," en vervolgens achter die [slachtoffer 2] aan te fietsen en

- [slachtoffer 4] (geboren op [2001]), door tegen die [slachtoffer 4] te zeggen: "Wat zie je er leuk uit. Ga je met mij mee?" en

- [slachtoffer 5] (geboren op [2000]) door naast die [slachtoffer 5] en de haar vergezellende minderjarige [slachtoffer 6], te gaan fietsen en tegen die [slachtoffer 5] te zeggen: "Heej mooi meisje ga je met mij mee naar huis," en

- [slachtoffer 8] (geboren op [1998]) door over grotere afstand achter die [slachtoffer 8] aan te fietsen en zijn snelheid aan die van haar aan te passen en vervolgens tegen die [slachtoffer 8] te zeggen: "He lekker ding, ga je met mij mee. Alsjeblieft ga mee met mij," althans woorden van gelijke aard of strekking;

te onttrekken aan het wettig over die minderjarigen gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde

* een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht

* terbeschikkingstelling met dwangverpleging

ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

* toewijzing van de vordering van de ouders van [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 400,-- onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 400,-- subsidiair 8 dagen hechtenis

* toewijzing van de vordering van de ouders van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 300,--, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 300,-- subsidiair 6 dagen

* toewijzing van de vordering van de ouders van [slachtoffer 3] [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 630,--, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 630,-- subsidiair 12 dagen hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden.

Verdachte heeft een aantal jonge meisjes op straat aangesproken. Hij maakte daarbij ongepaste opmerkingen en vroeg of dat zij met hem mee wilden gaan. Uit de reacties van de meisjes blijkt dat de meisjes zich daardoor ernstig bedreigd voelden. Ook de ouders zijn erg geschrokken van het feit dat een wildvreemde man hun dochters op deze manier benaderde. Verder weegt de rechtbank bij het bepalen van de ernst van de feiten mee dat de gevolgen van zijn gedrag verder reiken dan deze concrete situatie en meer in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengen bij met name ouders van jonge kinderen.

Uit de wijze waarop verdachte heeft gereageerd op het verwijt dat hem wordt gemaakt heeft hij ervan blijk gegeven geen enkel inzicht te hebben in en rekening te houden met deze gevoelens van de kinderen en hun ouders.

Tenslotte weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij niet wil meewerken aan de door de gedragsdeskundigen noodzakelijk geachte klinische behandeling.

In het voordeel van verdachte zal rekening worden gehouden met het advies van de gedragdeskundigen om aan verdachte de feiten, vanwege het bestaan van een psychische stoornis en de relatie tussen deze stoornis en de bewezen verklaarde feiten, verminderd toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een andere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Ten aanzien van de door de officier van justitie geëiste maatregel van "terbeschikkingstelling met dwangverpleging" overweegt de rechtbank het volgende.

Psychiater dr. J.J.M. van Hoof en psycholoog drs. S. Labrijn hebben verdachte onderzocht.

Zij concluderen dat het zeer waarschijnlijk is dat verdachte leidend is aan een autisme verwante stoornis en aan een persoonlijkheidsstoornis NAO met kenmerken van narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Zij schatten het recidivegevaar in als hoog. Om het recidivegevaar in te perken zou verdachte behandeld moeten worden. Zij denken daarbij aan een traject van ongeveer twee jaar, te beginnen met een klinische behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek. (FPK). De klinische behandeling zou als bijzondere voorwaarde opgelegd kunnen worden bij een voorwaardelijk strafdeel. De deskundigen geven aan dat verdachte hen echter te kennen heeft gegeven niet mee te willen werken aan een klinische behandeling. Hij zou wel instemmen met een ambulant traject, maar van een dergelijke behandeling is volgens de deskundigen weinig effect te verwachten. Om de diagnose te kunnen verfijnen, waardoor een meer op maat behandeladvies kan worden gegeven en om verdachte beter te motiveren om mee te werken adviseren zij een aanvullend milieuonderzoek te laten verrichten.

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het advies van de gedragsdeskundigen de rechtbank gevraagd om de behandeling van de zaak aan te houden voor het uitvoeren van een milieuonderzoek en om de reclassering opdracht te geven om een onderzoek te verrichten naar voorwaarden die gesteld kunnen worden in het kader van de maatregel "terbeschikkingstelling met voorwaarden". De rechtbank heeft dit verzoek tot aanhouding afgewezen. Een van de voorwaarden zou gelet op het advies van de deskundigen moeten zijn dat verdachte een klinische behandeling ondergaat. Verdachte heeft op verschillende momenten, ook op zitting, duidelijk aangeven dat hij niet bereid is om een klinische behandeling te ondergaan. De rechtbank heeft er na lezing van de rapportages, het dossier en de behandeling ter terechtzitting geen enkele vertrouwen in verdachte nog van mening zal veranderen. Omdat voor de maatregel "terbeschikkingstelling met voorwaarden" de wet eist dat verdachte instemt met de voorwaarden kan deze maatregel niet aan de orde zijn. Ook een traject waarbij de klinische behandeling als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd in het kader van een voorwaardelijk strafdeel is gelet op de weigerachtige houding van verdachte gedoemd te mislukken. Aanhouding voor genoemde onderzoeken achtte de rechtbank daarom niet zinvol.

Volgens de officier van justitie resteerde hem, omdat ter voorkoming van recidivegevaar een klinische behandeling noodzakelijk is, na afwijzing van zijn verzoek tot aanhouding, niet anders dan het eisen van de maatregel "terbeschikkingstelling met dwangverpleging".

De rechtbank zal, om de hierna volgende redenen de officier van justitie niet volgen en niet overgaan tot het opleggen van de "terbeschikkingstelling met dwangverpleging" .

Ingevolge artikel 37a juncto 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan de rechtbank terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist. Met het gevaarscriterium in de zin van artikel 37b Sr heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de mogelijkheid van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging alleen in aanmerking behoort te komen indien verdachte een ernstig gevaar (voor zijn omgeving) vormt.

Ingevolge artikel 37a, vierde lid, Sr neemt de rechtbank, naast de inhoud van de adviezen en rapporten omtrent de persoonlijkheid van verdachte, ook de ernst van het begane feit in aanmerking.

Naar het oordeel van de rechtbank moet gelet op de wettelijke bepalingen, terbeschikkingstelling met dwangverpleging een ultimum remedium zijn. Zeker in een zaak als de onderhavige is terbeschikkingstelling met dwangverpleging een zeer zware maatregel. Zonder de ernst van de bewezenverklaarde feiten te onderschatten is de rechtbank bij afweging van de ernst van de bewezen verklaarde feiten tegen de te verwachten lange duur van de TBS-maatregel van oordeel dat de feiten niet van voldoende gewicht zijn om een beslissing tot terbeschikkingstelling op te gronden.

Omdat verdachte de medewerking aan een ambulante behandeling niet geheel heeft afgewezen zal de rechtbank gelet op de noodzaak van behandeling een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijk zin opleggen met daarbij de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich laat begeleiden door de reclassering en dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook indien dit inhoudt dat hij een ambulante behandeling moet ondergaan.

De vordering van de benadeelde partij de ouder(s)/verzorger(s) van [slachtoffer 1].

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij de ouder(s)/verzorger(s) van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 2].

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij de ouder(s)/verzorger(s) van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 3] [slachtoffer 3].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde immateriële schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de gevorderde materiële schadevergoeding omdat op basis van de ingediende vordering onvoldoende aannemelijk is geworden dat de materiële schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 57, 60a en

279 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

Poging tot: Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefenen, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

* een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren een of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien zulks zou inhouden dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de in de bewezenverklaring genoemde slachtoffers te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8];

- zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd niet in Geldrop zal bevinden.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de hiervoor genoemde, op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.

De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

* De ouder(s)/verzorger(s) van [slachtoffer 1]

Maatregel van schadevergoeding van € 400,-- subsidiair 8 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de ouder(s)/verzorger(s) van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 400,-- (zegge: vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale toegewezen bedrag, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, de ouder(s)/verzorger(s) van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 1], van een bedrag van € 400,-- (zegge: vierhonderd euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

* De ouder(s)/verzorger(s) van [slachtoffer 2]

Maatregel van schadevergoeding van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de ouder(s)/verzorger(s) van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 300,-- (zegge: driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale toegewezen bedrag, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij de ouder(s)/verzorger(s) van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 300,-- (zegge: driehonderd euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

* De ouder(s)/verzorger(s) van [slachtoffer 3]

Maatregel van schadevergoeding van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de ouder(s)/verzorger(s) van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 3] [slachtoffer 3] van een bedrag van € 300,-- (zegge: driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale toegewezen bedrag, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij de ouder(s)/verzorger(s) van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 3], van een bedrag van € 300,-- (zegge: driehonderd euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, en, mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 22 juni 2012.

Mr. Rijlaarsdam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 In de voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost,

gezamenlijke recherche Helmond, registratienummer PL2233 2012 02873 afgesloten op 27 februari 2012, aantal doorge-

nummerde bladzijden: 195.

2 het relaas van verbalisant [verbalisant 1], pag. 31, 99, 100.

3 het relaas van verbalisant [verbalisant 1], pag. 31.

4 de verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris op 28 februari 2012 en ter terechtzitting van 8 juni 2012

5 de verklaring van [persoon 8] [moeder van [slachtoffer 1]], pag. 88, 89.

6 de verklaring van [persoon 4] [moeder van [slachtoffer 2]], pag. 105, 106.

7 de verklaring van [persoon 5] [moeder van [slachtoffer 3]], pag. 117, 118

8 het relaas van verbalisant [verbalisant 2], pag. 138

9 de verklaring van [persoon 6] [moeder van [slachtoffer 5]], pag. 158, 159.

10 een uittreksel uit het geboorteregister van de gemeente Eindhoven, pag. 192

11 de verklaring van [slachtoffer 4], pag. 139 en de verklaring van [persoon 7] [vader [slachtoffer 4]], pag. 135

12 de verklaring van [slachtoffer 5], pag. 162 en de verklaring van [persoon 6] [moeder [slachtoffer 5]], pag. 159

13 de verklaring van [slachtoffer 8], pag. 149

14 de verklaring van [slachtoffer 1], pag. 92 en de verklaring van [persoon 8] [moeder [slachtoffer 1]], pag. 89

15 de verklaring van [slachtoffer 2], pag. 109 en de verklaring van [persoon 4] [moeder [slachtoffer 2]], pag. 106

16 de verklaring van [slachtoffer 3], pag. 120, 121 en de verklaring van [persoon 5] [moeder [slachtoffer 3]], pag. 118

17 plattegrond met locaties waarover aangevers verklaren, pag. 188

18 het relaas van verbalisant [verbalisant 1], pag. 31

19 de verklaringen van [persoon 8] [moeder [slachtoffer 1]], pag. 88 en [persoon 4] [moeder [slachtoffer 2]], pag. 105

en [persoon 5] [moeder [slachtoffer 3]], pag. 118 en [persoon 7] [vader [slachtoffer 4]], pag. 135 en [slachtoffer 8], pag.

147 en [slachtoffer 7], pag. 153 en [persoon 6] [moeder [slachtoffer 5]], pag. 158 en [slachtoffer 9], pag. 178

20 de verklaringen van [slachtoffer 1], pag. 91, 92 en [slachtoffer 2], pag. 109, 110 en [slachtoffer 3], pag. 123 en[slachtoffer 4] pag. 146 en [slachtoffer 8], pag. 194, 150 en [slachtoffer 7], pag. 153, 154 en [slachtoffer 5], pag. 162, 163