Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW8751

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/353
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder wijst een verzoek op basis van artikel 4:6 Awb af. Daarbij werpt hij betrokkene tegen dat zij niet meer de beschikking heeft over het 'oude' rapport van de verzekeringsarts dat aan het betreffende besluit ten grondslag lag. De rechtbank volgt verweerder hierin niet en wijst daarbij op de Archiefwet en verweerders eigen beleid. Op basis hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder ten aanzien van het medisch rapport (dat in 1997 was opgesteld) nog een bewaarplicht had. Deze plicht geldt voor een periode van tien jaar en kan nog worden verlengd. Nu verweerder ten tijde van het verzoek nog een bewaarplicht had, oordeelt de rechtbank dat verweerders motivering van het bestreden besluit de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Verweerder moet het verzoek van betrokkene thans inhoudelijk beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/353

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2012

inzake

[eiseres],

te [plaats],

eiseres,

(gemachtigde: L.G.M. van Vugt-van Moorsel),

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

(gemachtigde: E.H.J.A. Olthof).

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 5 augustus 2011 heeft verweerder geweigerd om terug te komen op zijn besluit van 2 december 1997.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 16 december 2011 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Bij besluit van 2 april 1997 is eiseres met ingang van 25 februari 1997 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 2 december 1997 is deze uitkering met ingang van 28 januari 1998 ingetrokken omdat eiseres minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Op 27 juni 2007 heeft eiseres zich opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft verweerder geweigerd om eiseres een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toe te kennen omdat eiseres reeds arbeidsongeschikt was voor aanvang verzekering. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar en – nadat verweerder zijn besluit heeft gehandhaafd – beroep ingesteld. Bij uitspraak van 15 oktober 2010 heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld.

3. Bij brief van 20 april 2011 heeft eiseres verweerder verzocht om terug te komen op zijn besluit van 2 december 1997. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft eiseres informatie overgelegd van de WSD groep waaruit onder meer blijkt dat eiseres tot de doelgroep van de WSW behoort. Ook heeft eiseres gewezen op een brief van de huisarts E. Rasenberg van 15 oktober 2003.

4. Vast staat dat verweerder niet meer de beschikking heeft over het rapport van de verzekeringsarts dat aan het besluit van 2 december 1997 ten grondslag lag. Blijkens het bestreden besluit – en hetgeen verweerder ter zitting heeft toegelicht - is verweerder van mening dat deze omstandigheid voor rekening van eiseres dient te komen. Voorts heeft verweerder nog gesteld dat de door eiseres gestelde rugklachten al in 1997 bij hem bekend waren. Dit blijkt volgens verweerder uit de stukken – veelal arbeidskundige rapporten – die verweerder wel nog heeft. Ter zitting heeft verweerder nog een subsidiaire afwijzingsgrond naar voren gebracht, namelijk dat eiseres haar rugklachten ook tijdens een bezwaarprocedure tegen het besluit van 2 december 1997 naar voren had kunnen brengen. Nu eiseres dat niet heeft gedaan bestaat volgens verweerder niet meer de mogelijkheid om een herzieningsverzoek in te dienen.

5. Het wettelijk kader luidt als volgt.

6. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat de gronden van eiseres met name betrekking hebben op de brief van de huisarts van 15 oktober 2003 en de daarin vermelde rugklachten.

8. Uit (onder meer) het rapport van de arbeidsdeskundige van 6 april 1995 blijkt dat verweerder al vóór 1997 met de rugklachten van eiseres bekend was. Anders dan verweerder acht de rechtbank dit gegeven geen afdoende onderbouwing voor het bestreden besluit. Daarbij wijst de rechtbank op voornoemde, door eiseres overgelegde verklaring van haar huisarts. Uit deze verklaring blijkt immers van (veel) meer informatie dan alleen de vermelding dat bij eiseres sprake is van rugklachten. De huisarts geeft onder meer aan dat bij eiseres de tussenwervelruimte L4-L5 wat is versmald en dat sprake is van een standsafwijking met wat degeneratieve afwijkingen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de beschikbare stukken niet dat verweerder met al deze medische feiten bekend was. Voor verweerder bestond dan ook onvoldoende grond om te concluderen dat eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gemeld.

9. Voorts overweegt de rechtbank dat zij verweerder evenmin in zijn standpunt volgt dat het ontbreken van het betreffende rapport van de verzekeringsarts voor rekening van eiseres moet komen. Daarbij wijst de rechtbank op de bewaarplicht van verweerder zoals die is vastgelegd in de archiefwet. Verweerder heeft in de richtlijn “Beheer gegevens vallend onder het medisch beroepsgeheim van de verzekeringsarts” verwoord welke regels voor hem gelden met betrekking tot medische gegevens. Op pagina 21, onder punt 10 ‘Bewaarverplichting’ van deze richtlijn, staat aangegeven dat voor medische gegevens een bewaartermijn bestaat van 10 jaren. Hoewel moet worden vastgesteld dat in het onderhavige geval, na het besluit van 2 december 1997, meer dan tien jaar is verstreken, is de rechtbank niettemin van oordeel dat verweerder het medisch rapport had moeten bewaren. Daarbij wordt gewezen op de volgende passage van de richtlijn:

“Na het verstrijken van de bezwaartermijn moet het UWV in het daaropvolgende jaar de inhoud van het dossier vernietigen, tenzij het dossier of bepaalde stukken daaruit hun belang voor UWV nog niet verloren hebben. Doorgaans zal dat zijn omdat een nieuwe gevalsbehandeling ten aanzien van de betrokken cliënt is ontstaan. In dat geval moeten kopieën van dossierstukken die daarvoor van belang zijn, worden opgenomen in het nieuw aan te leggen medisch dossier dat dienstig wordt aan het dan actuele, nieuwe geval. Het oude medisch dossier kan daarna weg.”

10. De rechtbank is van oordeel dat laatstgenoemde passage in dit geval van toepassing is. Op 27 juni 2007 heeft eiseres zich immers opnieuw ziek gemeld waarna haar een Ziektewet-uitkering is toegekend. Nu hiermee sprake is van een nieuwe gevalsbehandeling had verweerder het hiervoor bedoelde rapport van de verzekeringsarts na de eerste tien jaar, nog eens tien jaar moeten bewaren.

11. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder, wat betreft het rapport van de verzekeringsarts, nog een bewaarplicht had toen eiseres een verzoek deed om herziening. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres niet kon tegenwerpen dat dit rapport niet meer kan worden overgelegd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 september 2010, www.rechtspraak.nl, LJN: BN8777. In deze uitspraak heeft de CRvB namelijk overwogen dat bij de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb verweerder ervoor verantwoordelijk moet worden gehouden indien relevante stukken, al dan niet ten gevolge van het schonen van dossiers, niet (meer) aanwezig zijn.

12. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde ter onderbouwing van zijn standpunt nog gewezen op de uitspraak van de CRvB van 23 februari 2011, LJN: BP6535. Weliswaar heeft de CRvB in die uitspraak het risico dat als gevolg van tijdsverloop bepaalde stukken niet te achterhalen zijn, bij betrokkene neergelegd, echter, het betreft hier niet dezelfde situatie. De uitspraak van de CRvB heeft namelijk betrekking op de situatie dat verweerders bewaartermijn (vermoedelijk) wel is verstreken. De betrokkene in die zaak had namelijk op 3 oktober 2005 verzocht om terug te komen op een besluit uit 1986. Hetzelfde geldt ten aanzien van een andere uitspraak van de CRvB, namelijk die van 14 mei 2004, LJN: AP1143. Immers, ook in die uitspraak bestond vermoedelijk voor verweerder geen bewaarplicht meer.

13. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat ook verweerders subsidiaire standpunt het bestreden besluit niet kan dragen. Daartoe overweegt zij dat eiseres niet kan worden verweten dat zij tegen het besluit van 2 december 1997 geen bezwaar had gemaakt. Eiseres heeft immers pas na ommekomst van de bezwaartermijn kennis genomen van de brief van de huisarts van 15 oktober 2003. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, de uitspraak van de CRvB van 28 september 2007, LJN: BB4589 een vergelijkbaar geval betreft, volgt de rechtbank niet. De door verweerder aangehaalde uitspraak betreft namelijk de situatie dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. In het onderhavige geval is dat juist niet vast te stellen.

14. Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering zodat het – wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb – zal worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

15. Voor toepassing van de bestuurlijke lus ziet de rechtbank gelet op de aard en de omvang van het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit geen aanleiding. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank houdt dit in dat verweerder het verzoek van eiseres thans inhoudelijk zal gaan beoordelen. Verweerder zal moeten beoordelen of de door eiseres overgelegde informatie van de huisarts reden is om het oorspronkelijke besluit van 2 december 1997 te herzien.

16. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 881,78 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00

• wegingsfactor 1

• reiskosten € 7,78.

17. Aangezien aan eiseres een toevoeging krachtens de Wet op de Rechtsbijstand is verleend, zal de rechtbank bepalen dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

18. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 41,00 dient te vergoeden.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald;

- gelast verweerder aan eiseres te vergoeden het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 881,78;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. M. van den Brink als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Laro als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2012.

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: