Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW8702

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
AWB 10-1728
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ7564, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het ontrekken van een kerk aan de eredienst en verkoopplannen staan aanwijzing als gemeentelijk monument niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3055
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/1728

Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2012 in de zaak tussen

het bestuur van de R.K. Parochie Sint Norbertus

gevestigd te Berlicum, eiser,

(gemachtigden mr. M.B.P. Geeraedts en mr. F.C.J.J. Jessen)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel,

verweerder,

(gemachtigden mr. D. de Jong en B.A.H. Leenen).

Als partij van rechtswege heeft aan de zaak deelgenomen de Historische Vereniging Berlicum Middelrode.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 20 april 2010 (bestreden besluit) heeft verweerder de Sint Petruskerk te Berlicum aangewezen als gemeentelijk monument.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is gevoegd behandeld met de zaak geregistreerd onder nummer AWB 10/2878 op de zitting van 23 maart 2012, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door [naam A], bijgestaan door de gemachtigden van eiser. Namens de partij van rechtswege is verschenen [naam B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

<b>Overwegingen</b>

<u>De feiten.</u>

1. Naar aanleiding van een (mondeling) verzoek van de Monumentencommissie van de gemeente Sint-Michielsgestel (hierna: de monumentencommissie) van 1 september 2008 heeft verweerder beoordeeld of de Sint Petruskerk te Berlicum in aanmerking komt te worden aangewezen als gemeentelijk monument. De monumentencommissie heeft, mede in aanmerking genomen de redengevende omschrijving van 3 november 2008 van Stichting Monumentenhuis Brabant (SMB), verweerder op 22 januari 2009 geadviseerd de Sint Petruskerk als gemeentelijk monument aan te wijzen. Naar aanleiding van de, door eiser tegen het vervolgens door verweerder genomen voornemenbesluit ingediende, zienswijze, heeft PRC B.V. Bodegraven (hierna: PRC) op verzoek van verweerder onderzoek gedaan naar de monumentwaardigheid en de transformatiemogelijkheden van de Sint Petruskerk, waarbij hergebruik, herbestemming van de kerk en herontwikkeling van de locatie zijn onderzocht. Bij besluit van 23 juli 2010 heeft verweerder ook de Sacramentskerk te Middelrode aangewezen als gemeentelijk monument. Eiser is voornemens de Sint Petruskerk te slopen en de Sacramentskerk te verkopen. Volgens eiser zijn beide plannen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Mede uit de opbrengst van de verkoop van de Sacramentskerk is eiser voornemens een nieuw liturgisch centrum in Berlicum te bouwen ter vervanging van de beide kerken.

<u>Het wettelijk kader ten tijde hier van belang.</u>

2. De rechtbank oordeelt dat in dit geval, anders dan in het bestreden besluit is vermeld, gelet op de datering van dat besluit, de per 27 februari 2009 in werking getreden Erfgoedverordening gemeente Sint-Michielsgestel 2009 (hierna: de verordening) van toepassing is. De in het besluit genoemde gemeentelijke Monumentenverordening uit 2005 is immers per 27 februari 2009 ingetrokken. De rechtbank ziet geen reden voor toepassing van het overgangsrecht van artikel 22, tweede lid van de verordening. Het (mondelinge) verzoek van de monumentencommissie merkt de rechtbank niet aan als een aanvraag zoals bedoeld in artikel 3 van de verordening, nu dit verzoek afkomstig is van een (interne) gemeentelijke commissie. Overigens zijn de in deze relevante bepalingen in beide verordeningen - vrijwel - gelijkluidend. Verweerders besluit zal dan ook worden gelezen als een besluit op grond van de verordening uit 2009. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, eerste onderdeel, van deze verordening wordt onder gemeentelijk monument verstaan: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 2 van de verordening wordt bij de toepassing van deze verordening rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de verordening kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

Ingevolge het derde lid, vraagt het college advies aan de monumentencommissie, voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt. (…).

Ingevolge het vierde lid voert het college overleg met de eigenaar, voordat het een (kerkelijk) monument als gemeentelijk monument aanwijst.

<u>De monumentale waarde.</u>

3. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de Sint Petruskerk geen monumentale waarde heeft, omdat er in Nederland vele gelijksoortige naoorlogse kerken bestaan. In dit verband is tevens aangevoerd dat in 2003 in opdracht van verweerder en in samenwerking met onder meer de partij van rechtswege alle cultuurhistorisch waardevolle panden en objecten in de gemeente zijn geïnventariseerd, waarbij de Sint Petruskerk niet is geselecteerd. Daarbij werd door de monumentencommissie in het advies van 21 januari 2004 onder meer overwogen dat het kerkgebouw niet als gemeentelijk monument is opgenomen, omdat de gehele voorbouw van te recente datum is.

4. Het betoog van eiseres faalt. Naar het oordeel van de rechtbank ontneemt een op advies van de monumentencommissie door verweerder eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de monumentale waarde van een pand verweerder niet de bevoegdheid hetzelfde pand op een later moment alsnog als gemeentelijk monument aan te wijzen. Daarbij komt dat het thans bestreden besluit is gebaseerd op de redengevende omschrijving van de SMB van 3 november 2008, het advies van de monumentencommissie van 22 januari 2009, de cultuurhistorische analyse en waardebepaling van november 2009 van het Monumenten Advies Bureau Nijmegen en het rapport van PRC van 19 februari 2010.

Ook eisers stelling dat de door SMB opgestelde redengevende omschrijving niet objectief en niet verifieerbaar is, omdat geen gebruik gemaakt is van de zogeheten Richtlijn Bouwhistorisch Onderzoek, volgt de rechtbank niet. Uit de tekst van de redengevende omschrijving valt niet op te maken dat SMB van deze richtlijnen of andere, gangbare criteria ten aanzien van het bepalen van de monumentale waarde van een pand gebruik heeft gemaakt. Het in opdracht van PRC gegeven advies van het Monumenten Adviesbureau Nijmegen vermeldt wel een overzicht van de diverse waarden van de kerk conform de Richtlijn Bouwhistorisch Onderzoek. De rechtbank acht de redengevende omschrijving gezien de tekst voldoende gemotiveerd en concludent. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet staande worden gehouden dat verweerder dit advies niet mede aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Bij gebreke van een door eiseres overgelegd deskundigenrapport heeft verweerder zich op basis van de redengevende omschrijving en het door PRC verrichte onderzoek in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de Sint Petruskerk (ook waar het betreft bepaalde onderdelen van het interieur van de kerk) monumentale waarde heeft. Dat er meerdere met de Sint Petruskerk vergelijkbare naoorlogse kerken zijn, doet hier niet aan af. Dat de Sacramentskerk monumentale waarde heeft is door eiser overigens ter zitting erkend.

5. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de sloopplannen van eiser verweerder hebben aangezet tot oneigenlijk gebruik van de verordening.

<u>De belangenafweging.</u>

6. Eiser heeft voorts betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het behoud van de Sint Petruskerk in redelijkheid zwaarder heeft mogen wegen dan het financiële belang van eiser om de kerk te slopen en de locatie te herontwikkelen. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat het handhaven van de Sint Petruskerk (en de Sacramentskerk te Middelrode) met de gegeven onderhoudskosten en het teruglopend aantal kerkgangers niet meer is op te brengen. De door PRC onderzochte optie om de kerk te hergebruiken is geen reële optie, omdat dit leidt tot intering op het eigen vermogen en uiteindelijk zal leiden tot het faillissement van eiser. De maximaal te verstrekken subsidie voor onderhoud aan het kerkgebouw bedraagt slechts € 14.000, -, hetgeen te weinig is om faillissement te voorkomen. PRC heeft in het rapport aangegeven dat het exploitatietekort varieert van € 30.000, - wanneer de kerk niet als monument wordt aangewezen en er volstaan kan worden met het plegen van minimaal onderhoud -, tot € 185.000, - wanneer op hoog niveau moet worden gerenoveerd. Het faillissement zal bijgevolg plaatsvinden tussen 2017 en 2021. Extra donaties van € 60.000, - per jaar bij minimaal onderhoud tot een bijdrage van € 1.700.000, - bij onderhoud op hoog niveau zullen noodzakelijk zijn om een faillissement af te wenden, aldus eiser. Herbestemming is volgens eiser ook geen reële optie, omdat het Bisdom als voorwaarde heeft gesteld dat het pand niet meer als kerk herkenbaar mag zijn, hetgeen de mogelijkheden te zeer beperkt.

7. Aan verweerder komt op grond van de verordening de discretionaire bevoegdheid toe de Sint Petruskerk als gemeentelijk monument aan te wijzen. Verweerder dient daarbij rekening te houden met het gebruik van het monument, zoals voorgeschreven in artikel 2 van de verordening, alsmede met de belangen, zoals genoemd in de toelichting op artikel 3 van de verordening.

8. Ten aanzien van het gebruik van de Sint Petruskerk is de rechtbank van oordeel dat het teruglopend aantal kerkgangers, de stijgende kosten voor onderhoud en het onttrekken van de kerk per 1 juli 2012 aan de eredienst voor verweerder geen beletselen behoeven te zijn voor aanwijzing van de kerk als gemeentelijk monument. PRC heeft in het rapport van 19 februari 2010 immers geconcludeerd dat de mogelijkheden voor herbestemming van de kerk als redelijk kunnen worden aangemerkt. Dat inmiddels gebleken is dat het gezondheidscentrum niet voor vestiging in het kerkgebouw heeft gekozen en zich met ingang van 1 mei 2012 op een andere locatie heeft gevestigd, sluit naar het oordeel van de rechtbank andere mogelijkheden tot herbestemming niet uit, zoals ook door verweerder gemotiveerd is uiteengezet. Daarbij is het niet noodzakelijk dat er een concreet plan tot herbestemming voorhanden is. Uit het rapport van PRC blijkt dat herbestemming niet onmogelijk is. Verweerder heeft gehandeld in overeenstemming met artikel 2 van de verordening.

9. Dat uit het haalbaarheidsonderzoek van PRC naar voren is gekomen dat herontwikkeling van de locatie voor eiser financieel de meest gunstige optie is, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder, na afweging van alle belangen, niet in redelijkheid heeft mogen besluiten de Sint Petruskerk als gemeentelijk monument aan te wijzen. Op grond van de door partijen ingebrachte financiële gegevens, waaronder de gegevens met betrekking tot de kosten van een al dan niet uitgebreide renovatie, is naar het oordeel van de rechtbank immers niet aannemelijk dat het behoud van de kerk financieel onmogelijk is.

10. Tot slot overweegt de rechtbank dat de aanwijzing als gemeentelijk monument van de Sint Petruskerk aan verlening van een sloopvergunning niet in de weg hoeft te staan. Zo'n vergunning kan worden verleend indien in het concrete geval de belangen van de aanvrager, afgewogen tegen de belangen van het beschermde monument, naar het oordeel van de vergunningverlener in redelijkheid moeten prevaleren. Bij deze afweging kunnen de slechte bouwkundige staat van de kerk en de financiële gevolgen van renovatie betrokken worden.

11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden voldoende heeft meegewogen zodat het besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid. Voorts kan de motivering het besluit dragen.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

14. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.A.J. Zijlstra, voorzitter en mr. A. Venekamp en mr. F. Tadic, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: