Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW8635

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/2075 TUSSENUITSPRAAK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Planschade en normaal maatschappelijk risico

Een projectontwikkelaar komt op tegen een toegekende planschadevergoeding in verband met een vrijstelling ex art. 19, lid 1, van de WRO, voor het oprichten van dertien woningen in Leende. Het betoog dat verweerder ten onrechte niet heeft bezien in hoeverre de geleden schade valt binnen het normale maatschappelijke risico, zoals bedoeld in art. 6.2, lid 1, van de Wro, slaagt. De ABRS heeft in haar uitspraak van 29 februari 2012, LJN: BV7254, in een zaak waarin, net als in dit geval, het schadeveroorzakende besluit in werking is getreden in de periode tussen 1 september 2005 en 1 juli 2008 en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade is ingediend in de periode tussen 1 juli 2008 en 1 september 2010, geoordeeld dat artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening met zich brengt dat artikel 6.2, eerste lid, van de Wro op de aanvraag van toepassing is. Dat artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro niet op de aanvraag van toepassing is, doet daaraan niet af.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze uitspraak, verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een korting vanwege de algemene voorzienbaarheid als gevolg van normale maatschappelijke ontwikkelingen niet mag worden toegepast binnen het stelsel van planschade en dat hiervan niet, in het licht van het overgangsrecht op basis van de Invoeringswet met een enkele verwijzing naar artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, mag worden afgeweken. De rechtbank stelt verweerder bij tussenuitspraak in de gelegenheid de geconstateerde gebreken te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/2075 TUSSENUITSPRAAK

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2012

inzake

[eiseres],

gevestigd te [plaats],

eiseres,

gemachtigde: ir. C.W.J.M. van der Vleuten,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze-Leende,

verweerder,

gemachtigde ing. Y. Trienekens.

Als partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam A], wonende te [plaats].

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft verweerder de aanvraag van [naam A] om vergoeding van planschade toegewezen en hem een planschadevergoeding toegekend van € 16.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2010 tot aan de dag van uitbetaling.

Verweerder heeft het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 10 mei 2011 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 27 januari 2012, waar eiseres is vertegenwoordigd door A.W.A.T. Verbakel, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of verweerders besluit van 10 mei 2011, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de (hoogte van de) aan [naam A] toegekende planschadevergoeding ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

<u>Feiten en omstandigheden</u>

2. Verweerder heeft bij besluit van 20 juni 2006, bekendgemaakt op 28 juni 2006, aan eiseres vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor het oprichten van 13 woningen aan de Broekerstraat te Leende, kadastraal bekend [kadastergegevens]. Deze inbreidingslocatie wordt omsloten door de Oostrikkerstraat, de Eikenlaan en de Broekerstraat.

3. [naam A] en [naam B] zijn sinds 11 mei 1988 ieder voor 50% eigenaar van het perceel [perceel], kadastraal bekend [kadastergegevens]. De familie [naam A] heeft op 11 maart 2010 een aanvraag om planschadevergoeding ingediend in verband met het in werking treden van het hiervoor genoemde vrijstellingsbesluit. Dit vrijstellingsbesluit heeft het mogelijk gemaakt op de projectlocatie een vrijstaande woning, tien geschakelde woningen en twee aaneengebouwde woningen op te richten.

4. Op 7 maart 2006 heeft verweerder met eiseres een overeenkomst gesloten op basis waarvan eiseres gehouden is om aan de gemeente het volledige bedrag te compenseren van de voor vergoeding in aanmerking komende planschade die voortvloeit uit het vrijstellingsbesluit.

5. Verweerder heeft, alvorens een besluit te nemen op de aanvraag om planschadevergoeding, advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) te Rotterdam. De SAOZ heeft verweerder in september 2010 geadviseerd een planschadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van € 16.000 en dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van aanvraag tot het moment van uitbetaling.

<u>Wettelijk kader</u>

6. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden.

7. Ingevolge artikel 6.1 van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

8. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel – voor zover hier relevant – blijft, van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak, in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

9. Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, voor zover hier van belang, blijft het recht, zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Ingevolge het tweede lid geldt artikel 6.2, tweede lid, van de Wro tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

<u>Beoordeling</u>

10. Bij de beoordeling van een aanvraag om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de aanvrager door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt kan worden afweken.

11. De rechtbank stelt vast dat verweerder, in navolging van de SAOZ, in het kader van de vergelijking van de planologische regimes, is uitgegaan van een maximale invulling van die regimes.

Ingevolge het bestemmingsplan “Oostrik-Boschhoven” waren de gronden direct ten oosten van het perceel [perceel], grenzend aan de achterste perceelsgrens, bestemd tot “Erf”, behorend bij het bouwvlak ten behoeve van de bestemming “Woondoeleinden 2”. Binnen dit bouwvlak mochten, op een kortste afstand van ca. 15 meter ten noordoosten van de perceelsgrens, twee woningen met een maximale goot- en nokhoogte van onderscheidenlijk 6,05 meter en 8,80 meter worden opgericht. Voorts mochten op de bijbehorende gronden met de bestemming “Erf” twee vrijstaande bijgebouwen met een maximale oppervlakte van 82,50 m² en een bouwhoogte van 5,50 meter worden opgericht. Ook waren bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een hoogte van 2,75 meter toegestaan.

Het uitzicht vanuit het perceel [perceel] richting het projectgebied kon aldus op grond van het bestemmingsplan bij een voor dat perceel meest ongunstige situering reeds beperkt worden door de oprichting tot op de perceelsgrens van twee vrijstaande bijgebouwen met een maximale oppervlakte van 82,50 m² en een maximale hoogte van 5,50 meter.

12. In de nieuwe situatie schuift de hoofdbebouwing in zuidelijke richting op. Het vrijstellingsbesluit heeft het mogelijk gemaakt direct ten noordoosten van het perceel van de familie [naam A] twee aaneengebouwde woningen te realiseren, bestaande uit twee bouwlagen met kap en een bouwhoogte van circa 10 meter. Ten oosten en ten zuidoosten van het perceel is de bouw van geschakelde woningen mogelijk geworden. Deze woningen hebben een bouwhoogte van circa 9 meter. De meest nabij gelegen woning ten zuidoosten van het perceel van de familie [naam A] bevindt zich op een afstand van circa 4 meter van de perceelsgrens.

13. De SAOZ is van mening dat gelet op het feit dat de (hoofd)bebouwing die in de nieuwe situatie op korte afstand van de perceelsgrens kan worden opgericht beduidend hoger is dan de voorheen toegestane erfbebouwing, het vrijstellingsbesluit heeft geleid tot een uitzichtverslechtering en een verdergaande aantasting van de situeringswaarde van het perceel [perceel]. Voorts, kan gezien de oostelijke ligging van de nieuwbouw en de hoogte daarvan, een verdergaande schaduwwerking naar het perceel [perceel] niet worden uitgesloten, aldus de SAOZ. Ook is het gebruik volgens de SAOZ geïntensiveerd. Waar voorheen binnen het projectgebied sprake was van voornamelijk een erfbestemming, is nu sprake van een woonbestemming. Gelet op de invulling van de oude bestemming als erf behorende bij woningen, was voor de eigenaren van het perceel [perceel] reeds sprake van enige overlast in de vorm van bijvoorbeeld geluidhinder. Door de nieuwe bestemming krijgt de familie [naam A] echter te maken met een intensivering van het gebruik in hun directe woonomgeving en de daaraan gerelateerde hinder. De permanente bewoning van de nieuwbouw heeft, mede gelet op de ligging en oriëntatie van het object van [naam A] op en over het plangebied, de privacy in relevante mate verdergaand aangetast, aldus de SAOZ. Een en ander heeft volgens de SAOZ geleid tot een planologische verslechtering, te waarderen op een bedrag van € 16.000.

14. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de conclusies die de SAOZ aan de planvergelijking verbindt, niet onredelijk of anderszins onjuist te achten. Dat de door de SAOZ genoemde effecten te weten uitzichtverlies, schaduwwerking en een aangetaste ligging en toegenomen hinder, zich bij maximale invulling van het bestemmingsplan ook – en deels zelfs in aanzienlijk sterkere mate – konden voordoen zoals eiseres betoogt, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Deze beroepsgrond van eiseres faalt.

15. Het betoog van eiseres dat verweerder ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan de planschaderisicoanalyses van Van der Vleuten Raadgevers B.V. en Meeùs uit 2005, waarin de conclusie werd getrokken dat als gevolg van het vrijstellingsbesluit geen planschade was te verwachten, wordt niet gevolgd. Deze planschaderisicoanalyses, bevatten slechts een globale indicatie van mogelijke planschadevergoeding. In het rapport van Van der Vleuten wordt ook gesteld dat het een voorlopig oordeel behelst en dat de begrote planschades als louter indicatief moeten worden beschouwd. Gelet hierop heeft verweerder bedoelde planschaderisicoanalyses terecht buiten beschouwing gelaten.

16. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder, in navolging van de SAOZ, bij de vaststelling van de waardevermindering, is uitgegaan van een onjuiste peildatum, overweegt de rechtbank het volgende.

De SAOZ is van mening dat – gelet op het bepaalde in artikel 49, vijfde lid van de Woningwet zoals dat op dat moment luidde – moet worden aangenomen dat de vrijstelling tegelijk met de verzending van de bouwvergunning op 13 oktober 2006 in werking is getreden. Deze aanname is onjuist. Zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft overwogen in haar uitspraak van 18 juni 2003, LJN: AG1714, treedt een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19 van de WRO ingevolge artikel 3:40 van de Awb in werking op de datum waarop het vrijstellingsbesluit is bekendgemaakt en geldt die datum als peildatum voor de beoordeling van planschade. Dat tegen het vrijstellingsbesluit, voor zover dat ziet op bouwvergunningplichtige activiteiten, eerst rechtsmiddelen kunnen worden aangewend nadat bouwvergunning is verleend, maakt dit niet anders.

In zoverre is het advies van de SAOZ gebrekkig en slaagt het betoog van eiseres.

Het besluit is in zoverre dan ook niet voorzien van een deugdelijke motivering.

17. Eiseres heeft voorts betoogd dat verweerder ten onrechte niet heeft bezien in hoeverre de geleden schade valt binnen het normale maatschappelijke risico, zoals bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wro. Zij heeft er daarbij op gewezen dat ingevolge artikel 9.1.18, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening op het onderhavige planschadeverzoek uitsluitend artikel 6.2, tweede lid, van de Wro niet van toepassing is.

18. De ABRS heeft in haar uitspraak van 29 februari 2012, LJN: BV7254, in een zaak waarin, net als in dit geval, het schadeveroorzakende besluit in werking is getreden in de periode tussen 1 september 2005 en 1 juli 2008 en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade is ingediend in de periode tussen 1 juli 2008 en 1 september 2010, geoordeeld dat artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening met zich brengt dat artikel 6.2, eerste lid, van de Wro op de aanvraag van toepassing is. Volgens de ABRS bleef daarom het binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de appellant in die zaak, ondanks dat artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro niet op de aanvraag van toepassing was.

19. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze uitspraak, verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een korting vanwege de algemene voorzienbaarheid als gevolg van normale maatschappelijke ontwikkelingen niet mag worden toegepast binnen het stelsel van planschade en dat hiervan niet, in het licht van het overgangsrecht op basis van de Invoeringswet met een enkele verwijzing naar artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, mag worden afgeweken. Verweerder heeft ten onrechte niet gemotiveerd in hoeverre sprake is van schade die valt binnen het normale maatschappelijke risico. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering, zodat het beroep ook op dit punt slaagt.

20. De in de rechtsoverwegingen 16 en 19 genoemde gebreken kunnen in de beroepsfase worden hersteld. De rechtbank ziet, ten einde het geschil zo spoedig mogelijk te beëindigen, dan ook aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen.

21. In de einduitspraak zal worden beslist over de vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

22. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank:

- verzoekt verweerder haar zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, mede te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen;

- verzoekt verweerder, indien hij van deze gelegenheid gebruik maakt, de in de rechtsoverwegingen 16 en 19 geconstateerde gebreken te herstellen;

- verzoekt verweerder om, indien hij gebruik maakt van de geboden gelegenheid, de rechtbank zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 10 weken na verzending van de hiervoor bedoelde mededeling, schriftelijk mede te delen op welke wijze de gebreken zijn hersteld en tot welke bevindingen of nader besluit hij is gekomen.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. Anssems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden: