Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW8626

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
AWB 11-3918
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding taxatiekostent; Factuur niet verzonden aan eiser; Verwevenheid rechtsbijstandverlener en taxateur

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kosten van het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ter zitting heeft verweerder hieromtrent in de eerste plaats aangevoerd dat de kosten worden geacht te vallen onder de forfaitaire vergoeding voor kosten rechtsbijstand. Daartoe heeft verweerder gewezen op de verwevenheid tussen de rechtsbijstandverlener en taxateur. In dit verband heeft verweerder – onder meer - gewezen op de factuur van de taxateur die aan de gemachtigde is verzonden en niet aan eiser. Eiser heeft hieromtrent aangevoerd dat de factuur aan eiser wordt doorgefactureerd. Ter onderbouwing heeft eiser onder meer een kopie van de overeenkomst van opdracht overgelegd die tussen eiser en diens gemachtigde is gesloten. In artikel 3 van genoemde overeenkomst wordt ingegaan op de afhandeling van kosten met betrekking tot rechtsbijstand en deskundigheid. Daarin is vermeld dat de opdrachtnemer de betreffende werkzaamheden uitvoert voor de opdrachtgever en indien nodig een taxateur inschakelt: “De hiermee samenhangende kosten drukken op opdrachtgever en deze proceskosten worden door de gemeente op grond van wettelijke voorschriften vergoed indien de opdrachtgever zich beroepsmatig tegen vergoeding door opdrachtnemer heeft laten bijstaan en het bezwaarschrift/beroepschrift geheel of gedeeltelijk gegrond wordt/worden vergoed. De vergoeding van de proceskosten door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer bedraagt nimmer meer dan de door de gemeente uit te keren proceskostenvergoeding bij geheel of gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar en/of beroep.” Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de overeenkomst van opdracht niet worden opgemaakt dat op eiser, verdergaand dan hetgeen in het kader van de forfaitaire vergoeding voor rechtsbijstand wordt toegekend, kosten drukken in verband met taxatie. De overeenkomst van opdracht vermeldt immers dat de proceskosten worden vergoed indien de opdrachtgever zich laat bijstaan door een persoon die beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Over kosten van taxatie, ten aanzien waarvan andere voorwaarden gelden om voor vergoeding in aanmerking te komen, vermeldt de overeenkomst in dit opzicht niets. Om deze reden kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat de taxatiekosten in dit geval worden geacht te zijn inbegrepen in de toegekende forfaitaire vergoeding voor kosten rechtsbijstand. Dit geldt om dezelfde redenen ook voor de gevorderde kadasterkosten. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de taxatiekosten en kadasterkosten derhalve af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3918

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: dr.ir. M.J.M. Möhlmann-Bronkhorst),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Uden, verweerder

(gemachtigden: J. Tammel en O.M. Harmsen).

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 28 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder krachtens de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de woning aan de [adres1] te [plaats], per waardepeildatum 1 januari 2010 en voor het belastingjaar 2011, vastgesteld op € 443.000.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard en de waarde van de woning verlaagd naar € 439.000 en eiser in aanmerking gebracht voor een vergoeding van de kosten rechtsbijstand tot een bedrag van € 436.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2012. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en taxateur dr. G.R. Möhlmann. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eisers woning betreft een twee-onder-één kap woning uit 1983 met een inhoud van 522 m³, een inpandige garage van 50 m³ en twee dakkapellen. Het perceel is 500 m².

2. Vooraf is de rechtbank van oordeel dat de goede procesorde niet is geschaad doordat eiser op 4 mei 2012, bij de rechtbank ingekomen op 8 mei 2012, een conclusie van repliek heeft ingediend. Partijen kunnen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit betekent dat de laatste dag waarop nog nadere stukken kunnen worden ingediend de elfde dag voor de zitting is. Dat is in dit geval 7 mei 2012. Naar het oordeel van de rechtbank kan de conclusie van repliek, hoewel niet tijdig ingediend, toch in de procedure worden betrokken nu deze grotendeels een herhaling bevat van hetgeen reeds eerder in de procedure naar voren is gebracht en ter zitting namens eiser nogmaals uitvoerig zijn standpunt naar voren is gebracht en niet gebleken is dat verweerder is geschaad in zijn mogelijkheid om adequaat verweer te kunnen voeren.

<i>De hoogte van de woz-waarde.</i>

3. De bewijslast inzake de juistheid van de hoogte van de aan de woning toegekende waarde ligt bij verweerder. Verweerder heeft ter onderbouwing van de woz-waarde een taxatierapport en een matrix overgelegd. Verweerder heeft de woning vergeleken met een drietal objecten, te weten [adres2], [adres3] en [adres4]. Deze vergelijkingsobjecten zijn allemaal kort voor of na de waardepeildatum verkocht en wat type, bouwjaar, ligging en onderhoudstoestand betreft voldoende vergelijkbaar met de woning van eiser. Eiser heeft aangevoerd dat in het gemeentelijk taxatierapport slechts een opsomming van getallen is gegeven, maar dat niet duidelijk is gemaakt hoe, uitgaande van de kenmerken, tot die woz-waarde is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee de door verweerder gestelde waarde voldoende betwist. Verweerder heeft met de overgelegde matrix in dit geval onvoldoende inzicht geboden in de waardeopbouw van eisers woning in relatie tot de verkoopprijzen van de objecten die verweerder in de vergelijking heeft betrokken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de matrix niet valt af te leiden hoe, uitgaande van de verkoopprijs van de betrokken objecten, wordt gekomen tot de waardeopbouw van de objecten. Wanneer de afzonderlijke waardes van ondergrond, woning, dakkapel etcetera worden opgeteld resulteert dit in het bedrag dat in de matrix wordt aangeduid als taxatiewaarde. Ter zitting is door taxateur Harmsen aangegeven dat dit de woz-waarde is. Bij wijze van voorbeeld wijst de rechtbank op het object Hurk 108 waarbij de verkoopprijs € 462.000 bedroeg en verweerder in de matrix concludeert tot een taxatiewaarde van € 456.361. Voor de objecten [adres3] en [adres4] geldt dat verweerder komt tot een hogere taxatiewaarde dan de feitelijke verkoopprijs. De matrix dient echter inzicht te bieden in de waardeopbouw die moet worden afgeleid van de (geïndexeerde) verkoopprijzen van de betrokken objecten en niet van de woz-waarde van deze objecten. Dit betekent dat verweerder de vastgestelde waarde met de overgelegde matrix niet aannemelijk heeft gemaakt.

4. Dit brengt de rechtbank tot de vraag of eiser de vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft daartoe een modelmatige vergelijking van zijn taxateur overgelegd waarin wordt geconcludeerd tot een waarde van € 425.000 of € 427.000. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat eisers taxateur een rekenmodel heeft overgelegd, maar dat taxeren geen exacte wetenschap is. Volgens verweerder wordt met onderlinge verschillen in bijvoorbeeld bijgebouwen onvoldoende rekening gehouden. Eisers taxateur rekent standaard voor een garage € 15.000. Desgevraagd heeft de taxateur van eiser ter zitting aangegeven dat hij een garage van 100 m³ als twee garages telt en een garage van 75 m³ in zijn systeem invoert als één garage en een dakkapel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, gelet op de door verweerder gestelde beperkingen die de overgelegde modelmatige vergelijking kent, evenmin de door hem bepleite waarde aannemelijk gemaakt. Het systeem biedt immers onvoldoende mogelijkheid om voldoende rekening te houden met individuele verschillen. Hurk 126 heeft bijvoorbeeld een garage van 65m³. Uit de overgelegde prints blijkt onvoldoende hoe met dergelijke nuances in de waardeopbouw rekening wordt gehouden.

5. Nu geen van de partijen de door hen voorgestane waarde aannemelijk heeft gemaakt, zal de rechtbank in goede justitie de waarde van het object Hurk 123 per waardepeildatum 1 januari 2010 vaststellen op € 430.000.

<i>Vergoeding van het taxatierapport</i>

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kosten van het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ter zitting heeft verweerder hieromtrent in de eerste plaats aangevoerd dat de kosten worden geacht te vallen onder de forfaitaire vergoeding voor kosten rechtsbijstand. Daartoe heeft verweerder gewezen op de verwevenheid tussen de rechtsbijstandverlener en taxateur. In dit verband heeft verweerder – onder meer - gewezen op de factuur van de taxateur die aan de gemachtigde is verzonden en niet aan eiser. Eiser heeft hieromtrent aangevoerd dat de factuur aan eiser wordt doorgefactureerd. Ter onderbouwing heeft eiser onder meer een kopie van de overeenkomst van opdracht overgelegd die tussen eiser en diens gemachtigde is gesloten. In artikel 3 van genoemde overeenkomst wordt ingegaan op de afhandeling van kosten met betrekking tot rechtsbijstand en deskundigheid. Daarin is vermeld dat de opdrachtnemer de betreffende werkzaamheden uitvoert voor de opdrachtgever en indien nodig een taxateur inschakelt: “De hiermee samenhangende kosten drukken op opdrachtgever en deze proceskosten worden door de gemeente op grond van wettelijke voorschriften vergoed indien de opdrachtgever zich beroepsmatig tegen vergoeding door opdrachtnemer heeft laten bijstaan en het bezwaarschrift/beroepschrift geheel of gedeeltelijk gegrond wordt/worden vergoed. De vergoeding van de proceskosten door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer bedraagt nimmer meer dan de door de gemeente uit te keren proceskostenvergoeding bij geheel of gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar en/of beroep.” Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de overeenkomst van opdracht niet worden opgemaakt dat op eiser, verdergaand dan hetgeen in het kader van de forfaitaire vergoeding voor rechtsbijstand wordt toegekend, kosten drukken in verband met taxatie. De overeenkomst van opdracht vermeldt immers dat de proceskosten worden vergoed indien de opdrachtgever zich laat bijstaan door een persoon die beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Over kosten van taxatie, ten aanzien waarvan andere voorwaarden gelden om voor vergoeding in aanmerking te komen, vermeldt de overeenkomst in dit opzicht niets. Om deze reden kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat de taxatiekosten in dit geval worden geacht te zijn inbegrepen in de toegekende forfaitaire vergoeding voor kosten rechtsbijstand. Dit geldt om dezelfde redenen ook voor de gevorderde kadasterkosten. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de taxatiekosten en kadasterkosten derhalve af.

De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en stelt deze vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Voor toekenning van hetgeen overigens is gevorderd, zoals de gevorderde overmaking van de vergoeding op de rekening van de gemachtigde, ziet de rechtbank geen ruimte.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar behoudens de daarbij toegekende proceskosten;

- vermindert de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2010 tot € 430.000, en vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag € 874,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.E. Dijkstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

<b>Rechtsmiddel</b>

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.