Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW8610

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
01/889151-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:2579, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak Begonia. Tijdens lopend bevel 126g Sv sprake van onherstelbaar vormverzuim doordat bij de inzet van stealth sms gebruik is gemaakt van niet goedgekeurde apparatuur (126ee Sv en nadere regelgeving). Rechtbank stelt dit vormverzuim vast en volstaat daarmee. E.e.a. gelet op de zeer beperkte (extra) inbreuk van dit middel naast de overige reeds ingezette opsporingsmiddelen. Wijze van uitvoering stealth sms levert geen schending op van het verbod, bedoeld in art. 126g lid 3 Sv.

Storing registratie OVC geen invloed.

Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest ivm meermalen handelen in strijd met artikel 2B Opiumwet (amfetamine-handel), deelneming criminele organisatie (11a OW) en medeplegen van witwassen. Verdachte had geen leidinggevende rol en was geen initiatiefnemer, maar is wel vaker voor drugsdelicten en deelneming aan een criminele organisatie veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummers: 01/889151-10 en 01/885039-11 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 14 juni 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 mei, 18 augustus, 31 oktober 2011, 12 januari, 3 april, 16 april, 17 april, 19 april, 23 april, 8 mei, 15 mei, 22 mei en 31 mei 2012.

Op 16 april 2012 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 2 mei 2011 (01/889151-10) respectievelijk 6 oktober 2011 (01/885039-11).

Nadat de tenlastelegging met parketnummer 01/889151-10 op de terechtzitting van 31 oktober 2011 en 3 april 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 01/889151-10:

1.

hij op of omstreeks 18 november 2010 te Eindhoven en/of Breda en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 44 kilogram, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(delictproces-verbaal "Handel met [verdachte 2]")

(artikel 2 onder B/C juncto artikel 10 Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 30 december 2010 te Oss en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 liter, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (amfetamine-olie),

zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(delictproces-verbaal "Handel met [verdachte 3]")

(artikel 2 onder B/C juncto artikel 10 Opiumwet)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober2010 tot en met 8 februari 2011 te

Oss en/of Eindhoven en/of elders in Nederland en/of te Bocholt en/of elders in

België,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een

samenwerkingsverband van hem, verdachte en een of meer perso(o)n(en), te weten

[verdachte 4][verdachte 5] en/of [verdachte 5] (geboren [1969]) en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 7] en/of een of meer (andere) perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

-misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid van de Opiumwet, te

weten het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of

vervaardigen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet,

en/of

-misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten

het plegen van voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in laatstgenoemd

artikel;

(delictproces-verbaal "Criminele Organisatie")

(artikel 11a van de Opiumwet)

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 8 februari 2011

te Oss en/of Eindhoven en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) voorwerp(en), te weten

- een personenauto van het merk (en type) Ford Ka, kenteken [kenteken]

en/of

- een motorfiets, merk Aprilia, kenteken [kenteken]

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of

heeft omgezet en/of van een of meer voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt

en/of

van die, althans een of meer van die, voorwerp(en) de werkelijke aard, de

herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of

verhuld, danwel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat

voorwerp(en) was/waren of deze, althans een of meer van deze, voorwerp(en)

voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans

redelijkerwijs had/hadden moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420 bis/quater Wetboek van Strafrecht)

(delictprocesverbaal "Witwassen")

Ten aanzien van parketnummer 01/885039-11:

1.

hij op of omstreeks 2 november 2010 te Oss en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 12 kilogram, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(delictproces-verbaal "Handel met [verdachte 8]")

(artikel 2 onder B/C juncto artikel 10 Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 12 november 2010 te Oss en/of Breda en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 34 kilogram, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(delictproces-verbaal "Handel met [verdachte 2]")

(artikel 2 onder B/C juncto artikel 10 Opiumwet)

3.

hij op of omstreeks 17 november 2010 te Oss en/of Eindhoven en/of Breda en/of

elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 44 kilogram, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(delictproces-verbaal "Handel met [verdachte 2]")

(artikel 2 onder B/C juncto artikel 10 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Namens verdachte is met betrekking tot de inzet van het middel stealth-sms verweer gevoerd, primair strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en subsidiair tot bewijsuitsluiting. Het verweer (zie weergave onder het kopje bewijs) zal door de rechtbank om de hierna vermelde redenen worden verworpen zodat de officier van justitie ontvangen kan worden in de vervolging.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Algemene inleiding

De rechtbank zal in haar beoordeling van de strafzaak beginnen met de bespreking van een tweetal uitgebreide verweren. Het betreft de inzet van de stealth-sms in deze zaak door de politie en de problemen rond de afgeluisterde gesprekken, ook aangeduid als OVC-gesprekken. Aansluitend zullen de verschillende ten laste gelegde feiten worden besproken.

Bij een aantal feiten is een splitsing aangebracht tussen de bespreking van de zaak in het vonnis, en de bewijsmiddelen waarop die beslissing steunt. Deze bewijsmiddelen zijn in die gevallen afzonderlijk uitgewerkt in een bijlage die is aangehecht aan het vonnis, maar die uiteraard als ingelast in het vonnis moet worden beschouwd.

In veel bewijsmiddelen en de bespreking daarvan komen vaak telefoonnummers voor. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt geregeld volstaan met de vermelding van de laatste vier cijfers van het desbetreffende telefoonnummer.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt dat de bewijsmiddelen voldoende bewijs leveren dat verdachte al hetgeen ten laste is gelegd heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de "stille sms/stealth sms".

Dit middel is veelvuldig ingezet ten aanzien van verdachte, op 17 november 2010, 9 keer en op 18 november 2010, 18 keer.

Er liep een bevel stelselmatige observatie (126g Sv) tegen verdachte van 3 november 2010 tot en met 1 maart 2011. Er is dus gebruik gemaakt van een niet geregistreerd hulpmiddel. Artikel 2 van de Politiewet (verder: PW) biedt geen afdoende juridische basis voor de inzet van de stealth sms. Verder stelt de verdediging dat inzet van de stealth sms gelijkgesteld moet worden aan het (zonder toestemming) bevestigen van een hulpmiddel op of aan een persoon bevestigd hulpmiddel, hetgeen niet is toegestaan op grond van art. 126g lid 3 Sv. Ook andere Bob-bevoegdheden zoals art. 126nb Sv, 126nd Sv of 126m Sv staan inzet van stealth sms niet toe. De machtiging van de rechter-commissaris in geval van 126m Sv omvat zeker niet toestemming voor het verzenden van stealth sms-berichten omdat de rechter-commissaris volstrekt niet op de hoogte was (of kon zijn) van een dergelijke inzet van sms-berichten. Bovendien gaat het bij tappen om een passieve bevoegdheid, die vastlegt wat gebruikers van een telefoontoestel doen. Bij stealth sms berichten wordt informatie vergaard door een handeling van de politie. Bij art. 126m Sv gaat het bovendien om de inhoud van de (vertrouwelijke) communicatie en bij stealth sms worden verkeersgegevens bepaald. Van een bevel ex 126n Sv is geen sprake in de zaak tegen [verdachte 1] (p. 5 pleitnota). De enkele omstandigheid dat in de praktijk tijdens het tappen mogelijk automatisch dergelijke gegevens worden meegezonden bij toepassing van art 126m Sv, maakt het gebruik van die gegevens nog niet geoorloofd.

Dit alles levert onherstelbare vormverzuimen op als bedoeld in art. 359a Sv. De verdediging bepleit primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair bewijsuitsluiting.

Voorts heeft de verdediging zich aangesloten bij hetgeen mr. Thomas in de zaak [verdachte 2] heeft aangevoerd.

De rechtbank beschikt volgens de raadsvrouwe over te weinig kennis aangaande de stealth-sms. Om die reden verzoekt de raadsvrouwe primair heropening van het onderzoek ter terechtzitting voor nader onderzoek, onder andere door het horen van de getuigen: [getuige 1] en [getuige 5] beiden werkzaam bij de KLPD en materiedeskundig ter zake de stealth-sms.

Met betrekking tot de ten laste gelegde feiten wijst de verdediging er op dat verdachte niet de enige "zwager" is van [verdachte 5] en dat het uiterlijk van [verdachte 1] niet past in het opgegeven signalement. Mogelijk is er sprake van een persoonsverwisseling met [persoon 1], het beschreven kapsel wijst daar in elk geval op.

De verdediging acht onvoldoende bewijs aanwezig voor de ten laste gelegde feiten. Uit niets blijkt dat er op 2 november 2010 amfetamine is overgedragen door [verdachte 1] (feit 1 parketnummer 01/885039-11). De verklaring van [verdachte 8] heeft geen betrekking op [verdachte 1].

Ten aanzien van feit 2 op de dagvaardig met parketnummer 01/885039-11 geldt dat er evenmin bewijs is. [verdachte 1] staat buiten de communicatie tussen de telefoonnummers eindigend op 7195 en 7096. De communicatie tussen toestel 1511 en 7242 staat niet in verband met amfetamine, maar betreft normaal contact tussen twee familieleden. Een verzoek om "naar vader" te komen, heeft niets te maken met strafbare feiten. De verkeersgegevens ten aanzien van de telefoon 7242 zijn bovendien niet rechtmatig verkregen krachtens een bevel 126n Sv en moeten om die reden van het bewijs worden uitgesloten. Er is geen waarneming waaruit een overdracht van wat dan ook kan worden afgeleid. Er is niets in beslag genomen en onderzocht door het NFI. Het vermoeden van politie en openbaar ministerie dat er mogelijk 34 kilo amfetamine is overgedragen, mist elke feitelijke grondslag.

Hetzelfde is het geval bij feit 3 op de dagvaarding. Uit niets blijkt dat [verdachte 1] een rol heeft gehad bij de overdracht van iets, laat staan amfetamine. [verdachte 1] heeft wel telefonisch contact gehad met [verdachte 4][verdachte 5][verdachte 4]., maar dat contact had geen betrekking op drugs. De gevolgen van de inzet van stealth-sms is hierboven aangegeven. Indien de rechtbank al bewezen mocht achten dat [verdachte 1] op 17 november 2010 in de omgeving van het bedrijf van [verdachte 2] in Breda is geweest, dan betekent dat nog niet dat [verdachte 1] iets heeft vervoerd. Er is niets onderschept, dus niet kan worden vastgesteld of er sprake is geweest van amfetamine.

Ten aanzien van de 44 kilo op 18 november 2010 (dagvaarding 01/889151-10, feit 1) geldt dat er uiteindelijk bij een derde een hoeveelheid amfetamine is aangetroffen. Niet blijkt van bemoeienis aan de zijde van [verdachte 1]. Sms-verkeer noemt het getal 44, terwijl er door de politie 46 kilo amfetamine (inclusief het gewicht van de verpakking) blijkt te worden aangetroffen in Breda bij een zekere [persoon 2]. Er is echter geen bewijs dat de amfetamine is overgedragen in de growshop van [verdachte 2]. Uit de inhoud van de OVC-gesprekken tussen [verdachte 5] en [verdachte 6] volgt dat het eerder aannemelijk is dat er zich die dag in de auto van [verdachte 6] en [verdachte 5] belastend materiaal bevindt: de verdediging wijst daarbij op de paniek die ontstaat in de auto indien zij politie menen te zien. Uit niets kan worden afgeleid dat [verdachte 1] daadwerkelijk amfetamine voorhanden heeft gehad op 18 november 2010. Verbalisant 40 heeft [verdachte 1] niet herkend, zo bleek bij verhoor door de rechter-commissaris van dit lid van het observatieteam.

[verdachte 1] heeft evenmin bemoeienis gehad met de (eventuele) levering van 10 liter amfetamineolie op 30 december 2010 (dagvaarding 01/889151-10, feit 2). De gesprekken tussen [verdachte 4][verdachte 5] sr. en [verdachte 1] gaan over (het halen van) een aanhanger voor [verdachte 4][verdachte 5] sr. In de auto van [verdachte 3] wordt een jerrycan aangetroffen door de politie met als inhoud amfetamine olie (gehalte 46%). Op de jerrycan zijn geen technische sporen aangetroffen die de aangetroffen goederen koppelen aan [verdachte 1]. Niet kan worden vastgesteld dat de in de auto van [verdachte 3] aangetroffen doos met opschrift "kerstspullen" iets van doen heeft met de waarneming eerder dat de persoon die later [verdachte 3] bleek te heten uit de auto van [verdachte 1] komt met in zijn handen een schoendoos van (ongeveer) 40 cm x 20 cm x 20 cm. Er is tijdens de beschreven ontmoeting geen jerrycan gezien bij [verdachte 1] of [verdachte 3]. Ten aanzien van het witwassen (dagvaarding 01/889151-10, feit 4) merkt de verdediging op dat hij het kenteken op naam heeft genomen. [verdachte 1] heeft de auto niet in gebruik gehad. Ten opzichte van de verzekering is [verdachte 1] transparant geweest: hij heeft gemeld dat [persoon 3] de daadwerkelijke gebruiker was van het betreffende voertuig. [verdachte 1] vertrouwde er op (en mocht er ook op vertrouwen) dat [persoon 3] voldoende eigen inkomsten en (andere) financiële middelen had om zelf een [verdachte 1] op legale wijze te financieren. [verdachte 1] heeft niets willen verhullen. De motorfiets/scooter (160 cc) heeft [verdachte 1] op naam gesteld voor [verdachte 5] omdat [verdachte 5] geen rijbewijs (meer) had, en dus niet zelf de motor/scooter kon verzekeren. Ook wist hij dat [verdachte 5] nog een ontnemingsvordering diende te betalen in verband met een oude strafzaak, en om die reden liever geen goederen op zijn naam had. [verdachte 1] was er zich niet van bewust dat de motor/scooter mogelijk was betaald met geld dat op enigerlei wijze afkomstig was uit (een) misdrijf. Ten slotte wordt vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 3 van dagvaarding 01/889151-10, te weten het verwijt van deelneming aan een criminele organisatie die zich (o.a.) bezig zou houden met delicten uit de Opiumwet. De bestaande contacten zijn te relateren aan bestaande familiebanden en hebben niets te maken met misdrijven. [verdachte 1] heeft legale inkomsten uit de handel in auto's en auto-onderdelen. Ook de gesprekken/berichten over papieren/kentekens wijzen op deze (auto)handel. De informatie naar Engelse Ponden had te maken met de verkoop van een auto in die valuta. De aangetroffen methanol heeft betrekking op goedkope ruitenspoeiervloeistof. De verklaringen Van [verdachte 8] over [verdachte 1] zijn, ook ten aanzien van de herkenning van [verdachte 1], niet betrouwbaar. Er is geen bewijs dat er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband heeft bestaan.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de stealth-sms.

Verzoek aanhouding

De verdediging heeft in de loop van zijn pleidooi primair heropening van het onderzoek ter terechtzitting bepleit, onder meer om twee getuigen te horen die werkzaam zijn bij het KLPD, de heren [getuige 1] en [getuige 5]. Beide personen zijn volgens de verdediging materie-deskundig ter zake de (inzet van de) stealth-sms. Het verzoek is ter zitting gedaan en om die reden is het noodzaakcriterium van toepassing op dit verzoek.

De rechtbank acht het nader horen van de twee getuigen echter niet noodzakelijk omdat zij zich voldoende voorgelicht acht over de verschillende aspecten van de werking van de stealth-sms, niet in de minste plaats door de vanwege de verdediging overgelegde aanvullende stukken. Met name is de rechtbank van oordeel dat voor een juridische beoordeling van de inzet niet nog meer kennis vereist is over de technische werking en de inzet van de stealth-sms dan tot op heden reeds is verzameld. Aldus bezien is de verdediging in redelijkheid niet geschaad door het achterwege laten van het hiervoor genoemde aanvullend onderzoek.

Inhoudelijke beoordeling stealth-sms

Inleiding

De rechtbank zal eerst omschrijven wat een stealth-sms is en welke bijzondere aspecten dit opsporingsmiddel kenmerken. Tevens zal de rechtbank aangeven met welk doel dit middel is ingezet. De rechtbank zal daarna ingaan op de algemene juridische kaders die hebben te gelden met betrekking tot de inzet van opsporingsmethoden in relatie tot de wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden omschreven in titels IVA tot en met Ve van boek I van het Wetboek van Strafvordering

Daarbij zal nadrukkelijk de vraag aan de orde komen wanneer de inzet van een in de wet opgenomen (benoemde) bijzondere opsporingsbevoegdheid aan de orde is.

De rechtbank zal -toegespitst op deze zaak- in haar beoordeling twee situaties onderscheiden:

a. er is tegen verdachte (eerder) een bevel observatie ex art. 126g Sv gegeven door de officier van justitie

of b. er is geen sprake van een dergelijk bevel.

In de zaken waarbij er sprake is van een lopend bevel 126g Sv, zal in dat kader tevens de vraag beantwoord moeten worden of het gebruik van de telefoon op deze wijze strijd oplevert met het gestelde in artikel 126g lid 3 Sv.

Wat is een stealth-sms

Door een stealth-sms bericht te verzenden kan de politie op elk door haar gewenst moment vaststellen met welke zendmast een bepaalde telefoon in verbinding staat. Doordat bekend is waar die betreffende zendmast zich bevindt, kan de politie vaststellen dat de desbetreffende telefoon aanwezig moet zijn binnen het bereik van de desbetreffende zendmast. De gebruiker van de telefoon merkt niets van de stealth-sms.

De rechtbank gaat bij de verdere beoordeling van de inzet van de stealth-sms uit van het navolgende. Zij baseert zich daarbij onder meer op het proces-verbaal van [verbalisant 1] d.d. 10 april 20121, het proces-verbaal van de OvJ d.d. 19 april 2012 en op een deel van de zich in het dossier bevindende verkeersgegevens. Verder betrekt de rechtbank in haar beschouwing de twee processen-verbaal van verhoor van getuigen door de raadsheer-commissaris, zoals deze zijn overgelegd ter zitting door mr. Thomas. De twee getuigenverhoren zijn afgelegd in een andere strafzaak ten overstaan van de raadsheer-commissaris mw. Mr. Huurman-van Asten op resp. 14 mei 2012 en 21 mei 2012. Deze verhoren zijn ook verstrekt aan de andere advocaten en maken deel uit van de strafdossiers tegen alle verdachten in deze zaak. Uit deze verhoren van resp. [verbalisant 1] en [getuige 2] leidt de rechtbank af dat er geen preciezere informatie wordt verzameld dan de positie van de zendmast die op het moment van verzenden van de stealth-sms wordt aangestraald. Verzending van de stealth-sms berichten gebeurt in beginsel handmatig, maar kan ook automatisch op aangegeven tijdintervallen geprogrammeerd worden. Frequentie en duur van de verzending van stealth-sms berichten worden vooraf door de officier van justitie beoordeeld en goedgekeurd.2 In haar proces-verbaal van 19 april 2012 heeft de officier van justitie bevestigd dat zij in deze zaak voor de inzet van de stealth-sms toestemming heeft verleend. 3 Voor zover [verbalisant 1] weet is de betreffende apparatuur aangemerkt als "niet-Bob"apparatuur en om die reden niet gekeurd. Er is (om die reden volgens deze getuige) evenmin een keuringsprotocol. Het opsporingsteam krijgt de resultaten van de stealth-sms berichten (verkeersgegevens).4 Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de stealth-sms berichten komen op de getapte lijn. Deze sms-berichten worden verzonden door de DSRT van het KLPD en het opsporingsteam ontvangt de gebruikelijke (verkeers)gegevens. Dit gebeurt met behulp van de bestaande telecominfrastructuur. Plaatsbepaling met behulp van stealth-sms is volgens deze getuige niet erg precies, maar wel kan (eventueel) aanvullend worden vastgesteld in welk gedeelte van het bereik van een zendmast de telefoon zich heeft bevonden.5

Stealth-sms berichten zijn naar het oordeel van de rechtbank op de printlijst herkenbaar omdat bellend en gebeld nummer identiek zijn.

Doel en frequentie inzet stealth-sms

De politie heeft, na voorafgaande toestemming van de officier van justitie, een aantal maal het middel stealth-sms ingezet. Op 17 november 2010 zijn stealth-sms berichten verstuurd naar het nummer 7242 tussen 16.55 uur en 17.30 uur.6 Uit de verstrekte printlijsten bij proces-verbaal van [verbalisant 2] d.d. 17 april 2012 leidt de rechtbank af dat ook ten aan zien van nummer 7195 tussen 16.51 uur en 17.30 uur in totaal 9 stealth-sms berichten zijn verzonden met een interval van 5 minuten.7 Op 18 november 2010 zijn tussen 09.40 uur en 12.20 uur elke 10 minuten stealth-sms berichten8 verstuurd naar de nummers 7242, 7195 en 7096.

Op 19 november 2010 is hetzelfde gebeurd tussen 10.10 uur en 13.00 uur met betrekking tot nummers 0848 en 7684. Op 9 december 2010 zijn stealth-sms berichten verstuurd naar nummer 5218 tussen 11.03 uur en 12.59 uur. Op 30 december 2010, ten slotte, zijn soortgelijke berichten verstuurd naar 7242 en 0031.9 Ten aanzien van een aantal telefoonlijnen, toegeschreven aan [verdachte 6], is eveneens gebruik gemaakt van stealth-sms. Het betreft de nummers 2171, 7195 (later door de politie toegeschreven aan [verdachte 2], Rb.), 7684, 7096, 4248, 5218, 6933. De data en tijdstippen staan weergegeven in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 29 februari 2012.10 De officier van justitie geeft in haar proces-verbaal aan dat het doel van inzet van de stealth-sms was "ondersteuning bieden bij het observeren, controleren en afvangen van die vermoedelijke levering". Verder heeft zij ter terechtzitting medegedeeld dat het middel is ingezet op 7 en 8 februari 2011. Deze inzet hield verband met een aantal (geplande) aanhoudingen van verdachten in deze strafzaak. De inzet had tot doel vast te stellen waar de telefoon van die op dat moment aan te houden verdachten in de aangegeven periode aanstraalde. Van enig ander doel is de rechtbank niet gebleken.

In alle gevallen bestond er ten tijde van het verzenden van de stealth-sms berichten een telefoontap op het nummer waaraan deze stealth-sms berichten werden gericht. Uit de BOB-dossiers blijkt op dit punt het navolgende. In het onderzoek tegen [verdachte 1] heeft er op nummer 724211 gedurende drie perioden een tapbevel gelopen: van 3 november 2010 tot en met 3 december 2010, van 30 december 2010 tot en met 2 januari 2011 en tussen 7 februari 2011 en 10 februari 2011. Al deze tapbevelen omvatten niet alleen de vordering om mee te werken aan het bevel opnemen van telecommunicatie (de 126m Sv-component), maar tevens de vorderingen ex art. 126n Sv aan de provider om alle genoemde verkeersgegevens beschikbaar te stellen aan de officier van justitie12.

In het Bob-dossier van [verdachte 8] blijkt dat op nummer 0848 van 19 november 2010 tot en met 24 november 2010 met machtiging van de rechter-commissaris een bevel 126m Sv is afgegeven door de officier van justitie. Ook in dit geval omvat de vordering aan de telecomprovider om mee te werken aan het afluisteren van de telecommunicatie tevens een bevel als bedoeld in artikel 126n Sv.13

Ten aanzien van [verdachte 6] en/of een N.N-persoon die in relatie werd gebracht met [verdachte 6] zijn er stealth-sms ingezet ten aanzien van de nummers 7096, 7684, 7195 (NN-persoon) en 5218 (NN-persoon). De telefoontaps hebben geduurd van 12 november 2010 tot en met 22 december 2010 (nummers: 7096 en 7684), respectievelijk 17 november 2010 tot en met 20 november 2010 (nummer: 7195) en 9 december 2010 tot en met 16 december 2010 (nummer: 5218). Ook in dit Bob-dossier zijn voor de genoemde telefoonaansluitingen, telkens met machtiging van de rechter-commissaris, bevelen 126m Sv afgegeven door de officier van justitie. Ook in deze gevallen bevatten de vorderingen aan de telecomprovider om mee te werken aan het afluisteren van de telecommunicatie een bevel als bedoeld in artikel 126n Sv.14

Ten aanzien van telefoonnummer 0704 (toestel toegeschreven aan [verdachte 2]) heeft de officier van justitie op 20 april 2011 een vordering verstrekking historische verkeersgegevens (126n Sv) gedaan over de periode 1 september 2010 tot en met 31 december 2010. 15

Juridisch kader inzet stealth-sms berichten

Niet alle opsporingshandelingen vereisen de inzet van een bijzondere opsporingsbevoegdheid. Dit uitgangspunt is niet aangetast door invoering van de Bob-wetgeving. De Hoge Raad is op dit punt duidelijk, zie o.a. het arrest van 20 december 2011 (LJN BS1742). De Hoge Raad stelt in dit arrest (nogmaals) vast dat de wet geen uitputtende regeling bevat van in te zetten opsporingsmethoden en -wijzen. Verder volgt uit dit arrest dat de (feiten)rechter in elke strafzaak aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden dient te onderzoeken hoe de ingezette, niet in de Bob-wetgeving geregelde, opsporingsmethode(n) is/zijn toegepast. Daarbij dient dan (tevens) getoetst te worden aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Indien een niet in de wet opgenomen opsporingsmiddel/-methode is gebruikt, maar er geen sprake is van inbreuk op een van de grondrechten of deze inbreuk (gelet op alle omstandigheden van het geval) slechts beperkt van aard en/of omvang is, dan biedt artikel 2 van de Politiewet in samenhang bezien met de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering een afdoende wettelijke basis voor dergelijke opsporingshandelingen. De gebruikte opsporingsmethoden/-handelingen dienen wel steeds nauwgezet en volledig vastgelegd te worden in (een) proces(sen)-verbaal, en dit/deze proces(sen)-verbaal dient/dienen door de officier van justitie aan het dossier te worden toegevoegd.

Stealth-sms zonder voorafgaande bevel 126g Sv

Toegespitst op deze zaak dient de rechtbank allereerst te beoordelen of er in deze zaak

ten behoeve van de inzet van de stealth-sms berichten als een zelfstandige opsporinghandeling een bevel op grond van art. 126g Sv had moeten worden gegeven door de officier van justitie. Hierna zal tevens (kort) worden besproken of wellicht een andere Bob-bevoegdheid ingezet had behoren te worden.

Een bevel stelselmatige observatie is alleen dan vereist indien het geheel aan observatiehandelingen van de politie bijdraagt aan het (doen) ontstaan van een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het privéleven van een verdachte, en er aldus een aanzienlijke inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de geobserveerde. Uit eerdere rechtspraak blijkt dat een of meer van de navolgende factoren van belang kunnen zijn om te beoordelen of sprake is van een dergelijke inbreuk. Het gaat daarbij in elk geval om duur, plaats en de intensiteit van de observatie. Verder worden bij het beoordelen van de omvang van de (eventuele) inbreuk gelet op de continuïteit en/of de frequentie van de observatie en kan betekenis worden toegekend aan het gebruik van een technisch hulpmiddel dat meer biedt dan alleen versterking van de zintuigen. Ten slotte kan het doel dat men beoogt te bereiken met de inzet van bepaalde observatiehandelingen van belang zijn.

De rechtbank acht ten aanzien van de verdachten waarbij deze stealth-sms berichten zijn ingezet de periode en frequentie zodanig beperkt van omvang dat niet gezegd kan worden dat hierdoor op enig onderdeel van het privé-leven van deze verdachten een min of meer volledig beeld is ontstaan. De grofmazigheid van de informatie die kan worden verkregen uit de zendmastgegegevens is daarbij de bepalende factor. Zendmastgegevens geven naar hun aard slechts de (ruimere) omgeving aan waarbinnen een bepaalde telefoon zich op dat moment bevindt. Het gegeven dat deze plaatsgegevens worden vastgelegd buiten de wil en medeweten van de gebruiker van de betreffende telefoon maakt dit oordeel niet anders. Tot de inzet van een andere BOB-bevoegdheid dwingt het evenmin. De inzet van de stealth-sms vertoont zekere gelijkenissen met de inzet van de IMSI-catcher, een opsporingsmiddel dat ook wordt beoordeeld vanuit (het juridisch kader van) de observatie.

Uit hetgeen hierboven is weergegeven blijkt dat de officier van justitie niet geheel volledig is geweest in haar overzicht16. Zij noemt in haar proces-verbaal wel de inzet op 7242 op 17 november 2012 tussen 16.55 uur en 17.30 uur, maar er blijken in die (nagenoeg exacte dezelfde) periode ook stealth-sms berichten te zijn verstuurd aan toestel 719517. Er is echter ondanks deze onvolledigheid op basis van het huidige dossier geen begin van een vermoeden dat er op wijst dat de inzet van stealth-sms zodanige vormen heeft aangenomen qua duur en/of frequentie/intensiteit dat er door die inzet sprake is geweest van stelselmatige observatie.

De officier van justitie had, gelet op de daadwerkelijke feitelijke de inzet van de stealth-sms berichten in deze strafzaak, niet de verplichting voorafgaand aan die inzet een bevel als bedoeld in artikel 126g Sv af te geven.

Er is dus geen sprake van enig onherstelbaar vormverzuim ten aanzien van deze inzet.

De schriftelijke vastlegging en verantwoording is (uiteindelijk) inzichtelijk gemaakt, maar wel pas na actief doorvragen van de raadslieden. Hoewel er gaandeweg de inhoudelijke behandeling door de officier van justitie dit vormverzuim is hersteld , wil de rechtbank wel opgemerkt hebben dat in voorkomend geval de officier van justitie uit eigen beweging tijdig en volledig openheid van zaken dient te geven.

In de zaken tegen [verdachte 8] en tegen [verdachte 2] is op dit onderdeel dus geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Voor de door de verdediging voorgestelde sanctie (niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ([verdachte 8]), dan wel bewijsuitsluiting ([verdachte 8] en [verdachte 2]) bestaat dus geen aanleiding.

Inzet stealth-sms tijdens lopend bevel 126g Sv

Ten aanzien van verdachten [verdachte 6] en [verdachte 1] was er ten tijde van de inzet stealth-sms een bevel 126g Sv afgegeven. [verdachte 1] bestrijkt dit bevel de periode 3 november 2010 tot en met 1 maart 2011 (inclusief verlenging)18. Voor [verdachte 6] omvat het bevel 126g Sv het tijdvak van 30 september 2009 tot en met 15 februari 2011. 19

De rechtbank zal allereerst het verweer bespreken dat er op neerkomt dat het op deze wijze toezenden van sms-berichten strijd oplevert met het gestelde in artikel 126g lid 3 Sv.

In artikel 126g lid 3 bepaalt de wet dat een technisch hulpmiddel niet op het lichaam van een persoon wordt bevestigd, anders dan met toestemming van die persoon. In deze zaak is de telefoon van een verdachte gebruikt om vast te stellen met welke zendmast die telefoon in verbinding stond. Een telefoon is echter geen heimelijk op het lichaam geplaatst technisch hulpmiddel in de zin van de wet. Een telefoon wordt niet op de persoon bevestigd onder gezag of in opdracht van het openbaar ministerie en/of de politie. Er wordt namelijk gebruikgemaakt van een voorwerp dat een verdachte reeds voor een ander doel bij zich draagt. De enkele omstandigheid dat deze plaatsgegevens naar believen van de officier van justitie (en ongemerkt voor de gebruiker van de telefoon) zijn vast te leggen, maakt dat in niet anders.

Tijdens een lopend bevel observatie geldt dat alle aanvullende waarnemingen met behulp van hulpmiddel(en) dat/die bijdragen aan de totale observatieresultaten (ook) vallen onder het al lopende bevel 126g Sv. Dit leidt ertoe dat, gelet op artikel 126ee Sv, de regels van het besluit Technische hulpmiddelen Strafvordering van toepassing zijn op de inzet ervan.

Voor de gebruikte apparatuur bestaat niet een goedkeuring als bedoeld in het Besluit, zodat er in die zin sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

De verdediging heeft uitsluiting bepleit van alle bewijs dat is verzameld door en met behulp van de inzet van de stealth-sms berichten.

De rechtbank zal de ernst van het vormverzuim dienen te bepalen, en vervolgens zal zij de gevolgen ervan bepalen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat er door de officier van justitie (onder meer) bevelen ex 126g Sv, 126m (met voorafgaande RC-machtiging) en 126n Sv waren afgegeven. Daarnaast zijn tegen beide medeverdachten in dit onderzoek een veelheid aan (deels) zeer ingrijpend Bob-bevoegdheden en andere dwangmiddelen ingezet gedurende het opsporingsonderzoek. Deze bevoegdheden omvatten bij [verdachte 6] tevens direct afluisteren.

Verder betrekt de rechtbank in haar beoordeling de omstandigheid dat, anders dan bij een GPS-baken of ander peilbaken, de plaatsbepalingsgegevens van de zendmast niet (tevens) de (min of meer exacte) locatie aangeven van de persoon in kwestie. Zendmastgegevens geven immers naar hun aard slechts de (ruimere) omgeving aan waarbinnen een bepaalde telefoon zich bevindt.

De extra inbreuk die een gevolg is van de inzet van de stealth-sms gedurende een korte periode tijdens bij de uitvoering van een bevel observatie is zodanig gering dat de rechtbank reeds om deze reden volstaat met het vaststellen dat er zich op dit punt een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de OVC-gesprekken

In dit gedeelte zal de rechtbank in meer algemene zin ingaan op een aantal aspecten van het ingezette Bob-middel van art. 126l Sv, in meer gangbaar spraakgebruik aangeduid als "direct afluisteren" en/of OVC (Opnemen Vertrouwelijke Communicatie). Indien hierna wordt gesproken over OVC dan heeft het betrekking op vertrouwelijke communicatie (in deze zaak: gesprekken) die zonder medeweten van de deelnemers aan die communicatie is opgenomen en vastgelegd.

Gedurende het onderzoek Begonia is een aantal maal, telkens met machtiging van de rechter-commissaris, direct afgeluisterd. Dit heeft onder meer plaatsgevonden in auto's (OVC320 en OVC421) en in de woning van [verdachte 4][verdachte 5] te Oss (OVC2)22.

Bij het direct afluisteren wordt gebruikt gemaakt van bepaalde technische configuraties. Ten aan zien van een ervan, gebruikt in de Alfa Romeo van [verdachte 6], heeft zich een aantal storingen voorgedaan. Deze installatie is in het proces-verbaal aangeduid als OVC4. De storingen hebben ertoe geleid dat een eerder op 10 maart 2010 - op basis van art. 126ee Sv (en nadere regels) - verleende goedkeuring is ingetrokken op 27 juni 201123.

Verder blijkt uit het proces-verbaal dat de tijdsaanduiding in gesprekken opgenomen met behulp van OVC3 is aangepast met twee uur en dat deze aanpassing al door de verbalisant is verwerkt in de weergegeven tijdsaanduidingen. 24

Ten aanzien van de technische configuratie die is gebruikt voor OVC4 blijkt dat gedurende de opnamen van vertrouwelijke communicatie bepaalde storingen zijn opgetreden. In het aanvullend proces-verbaal van verbalisant 28 van Team Observatie en Technische Ondersteuning worden de opgetreden storingen beschreven. Uit dit proces-verbaal leidt de rechtbank af dat er storingen zijn geweest met betrekking tot de tijdsaanduiding van gesprekken en dat sommige tekstbestanden meer dan eens werden vastgelegd. Uit niets is gebleken dat de inhoud van de opgenomen gesprekken is beïnvloed of gewijzigd door de geconstateerde storingen.25 Van storingen ten aan zien van de andere OVC-configuraties of componenten daarvan is niet gebleken.

Ten aanzien van een aantal OVC4 -gesprekken geldt dat gedurende deze vastgelegde OVC-gesprekken door de verdachten ook tapgesprekken zijn gevoerd en/of SMS-berichten zijn verstuurd en ontvangen. Ook van deze bewijsmiddelen zijn de tijdstippen bekend wanneer deze zijn verricht. De tijdsaanduiding van deze bewijsmiddelen zal hierna door de rechtbank worden betrokken bij de verdere beoordeling van de bewijswaarde van de OVC-gesprekken. Uitgangspunt voor de rechtbank daarbij is, omdat niet is gebleken van enigerlei storing bij de registraties van tapgesprekken en sms-berichten en het verdere gegevensverkeer rond deze opgenomen communicatie, de aldaar aangegeven tijdsaanduiding (nagenoeg) exact overeenkomt met de werkelijke tijd van die communicatie. De rechtbank zal dan ook die tijden aanhouden als de werkelijke tijd van de weergegeven delen van de opgenomen OVC-gesprekken.

Ter verduidelijking van dit punt:

Op 17 november 2010 werd er gegevensverkeer afgetapt tussen 7096 en 7195. De navolgende sms-berichten worden vastgelegd26:

17 november 2010 21.11 uur , sms-bericht van 7096 naar 7195: "ga langs bij vader. Ik ben er niet je kan daar terecht oké"

17 november 2010 21.12 uur, sms-bericht van 7195 naar 7096: kan ik daar gelijk bestelling voor morgen achterlaten"

17 november 2010 21.12 uur, sms-bericht van 7096 naar 7195: "Ja"

Om 21.12 uur belt [verdachte 5] (Tap 105) naar [verdachte 4][verdachte 5] ([telefoonnummer]). [verdachte 5] [verdachte 5] zegt tegen [verdachte 4] (sr.) - zakelijk weergegeven- dat die jongen alleen iets komt afgooien en even meteen doorspreken voor morgen. 27

Om 21.19 uur belt [verdachte 5] naar [verdachte 1] en vraagt of [verdachte 1] thuis is en naar [verdachte 5] [verdachte 5] kan komen. 28

In de weergave van het OVC(4) gesprek wordt het volgende gerelateerd door de verbalisant:

OVC4, 17 november 2010 vanaf (volgens het proces-verbaal) 22.10 uur (p.111)

Gespreksdeelnemers: [verdachte 6] en [verdachte 5]

22.10 uur. [verdachte 5] "Luister. Hij belde mij. "Ik ben over een uurtje bij vader"

[verdachte 6]: Zegt ie dat door de telefoon

[verdachte 5]: Nee, met sms-en, weet te wel

[verdachte 6]: Ohh, Gelukkig maar

De tijdstippen die worden genoemd in het OVC-verslag zijn ongeveer 1 uur later dan de tijd die wordt aangegeven bij de sms-berichten. Uit de hiervoor aangeduide bewijsmiddelen, in combinatie met de inhoud van de verkeersgegevens bij (afzonderlijk) proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 17 april 201229 leidt de rechtbank af dat de tijdstippen van zoals aangeduid in de OVC niet juist zijn, maar (ongeveer) een uur te laat. Ook de hiervoor weergegeven tapgegevens bevestigen dit tijdverschil.

Verdere toetsing van de inhoudelijke betrouwbaarheid:

Ter zitting is gehoord verbalisant [verbalisant 3], een verbalisant die een aantal OVC-gesprekken heeft uitgewerkt. In zijn verklaring beschrijft hij de gevolgde werkwijze bij het uitwerken van de opgenomen gesprekken. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij bij twijfel omtrent de inhoud van het gesprek en/of de persoon die spreekt, een tweede verbalisant heeft verzocht ook het betreffende gesprek(sgedeelte) te beluisteren. Indien er twijfel blijft over de juiste inhoud van dat gedeelte van het gesprek of omtrent de persoon die de betreffende woorden uitspreekt, dan wordt dat aangegeven in het desbetreffende proces-verbaal.

De getuige heeft tevens uiteengezet op welke wijze bepaalde gedeelten van een gesprek beter verstaanbaar kunnen worden gemaakt. Naast gebruik van een koptelefoon en een rustige werkplek heeft verbalisant bij het beluisteren de mogelijkheid gebruikt om tijdelijk uit het bronmateriaal (de opgenomen OVC-gesprekken) bepaalde toonhoogten (frequentiebereik) weg te filteren. Het bronmateriaal wordt daardoor niet gewijzigd, wel wordt op deze wijze gericht beluisteren van (een) bepaalde stem(men) in een gesprek beter mogelijk.

Ter zitting heeft de getuige de rechtbank, de officier van justitie en de verdediging aan de hand van een voorbeeld het effect van dit filteren laten beluisteren.

Overigens heeft de verdediging de inhoud van de weergegeven gesprekken niet betwist.

Op het punt van de betwisting door mr. Thomas ter zake de deelname van [verdachte 2] aan een OVC-gesprek op 20 november 2010 in de woning van [verdachte 4][verdachte 5] te Oss komt de rechtbank nader terug bij de bespreking van feit 1 op de dagvaarding in dit vonnis.

De rechtbank ziet gelet op dit alles geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de weergegeven OVC-gesprekken zoals deze zijn opgenomen als bewijsmiddel in dit vonnis. De omstandigheid dat de goedkeuring geruime tijd na de inzet in deze zaak is ingetrokken, maakt dat niet anders. Ten tijde van de inzet van de betreffende configuratie was er een goedkeuring en voorafgaand aan de daadwerkelijke inzet is door de plaatsende verbalisant nog gecontroleerd of (en vastgesteld dat) het betreffende onderdeel naar behoren functioneerde.30

Ten aanzien van parketnummer 01/889151-10, feit 1 en 01/885039-11, feit 3:

Op grond van de aan dit vonnis gehechte bijlage "Handel met [verdachte 2]" omschreven bewijsmiddelen acht de rechtbank de in de bewezenverklaring genoemde strafbare feiten wettig en overtuigend bewezen. De daar genoemde bewijsmiddelen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Ter toelichting het volgende.

De telefoon met nummer eindigend op 7096 is in gebruik geweest bij [verdachte 6] en [verdachte 5].

Het feit dat een aantal maal sms-berichten die afkomstig zijn van toestel 7195 worden voorgelezen door [verdachte 6] en [verdachte 5], is daartoe al afdoende bewijs. Beide personen zijn daarbij bovendien (veelal) in elkaars aanwezigheid, men leest de hierboven genoemde SMS-berichten aan elkaar voor en bespreekt daarna onderling de inhoud ervan. De overige, uitgebreid door de politie gerelateerde feiten en omstandigheden bevestigen dit gegeven verder. De telefoon 7195 is, in elk geval vanaf 8 november 2010, in gebruik bij [verdachte 2]. De plaats waar de telefoon zich bevindt, de samenhang met (het gebruik van) de andere telefoon van [verdachte 2] (nummer eindigend op 0704) vormen al zeer wezenlijke aanwijzingen voor dit gegeven. De inhoud van het (bijna) exclusieve SMS-verkeer met 7096 versterken de juistheid van dit gegeven.

De inhoud van deze SMS-berichten blijkt te maken te hebben met grootschalige handel in amfetamine. Een partij van 44 kilogram amfetamine is op 18 november 2010 kort na de aflevering in beslag genomen.

De inhoud van de OVC-gesprekken tussen [verdachte 5] en [verdachte 6] geven betekenis aan een belangrijk deel van de inhoud van de SMS-berichten en laten bovendien zien dat er al voor 22 oktober 2010 zakelijke criminele contacten waren tussen [verdachte 2] enerzijds en [verdachte 6] en [verdachte 5] c.s. anderzijds. De gang van zaken in de woning van [verdachte 4][verdachte 5] op 20 november 2010 is een logisch voortvloeisel uit de levering van partijen drugs: [verdachte 2] komt afrekenen.

Over de rol van [verdachte 1] overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de samenhang tussen het OVC-gesprek op 17 november 2010 en hetgeen daarop aansluitend is verricht door [verdachte 6], [verdachte 5] en [verdachte 1] volgt dat [verdachte 1] de persoon is die op 18 november 2010 de partij van 44 kilo amfetamine naar Breda heeft gebracht. In het genoemde OVC-gesprek wordt door [verdachte 5] en [verdachte 6] besproken dat er een persoon om 10.00 uur naar Eindhoven moet komen. Uit opeenvolging van de verkeersgegevens van de telefoon van [verdachte 1] (nummer eindigend op 7242) leidt de rechtbank af dat het aannemelijk is dat [verdachte 1] die ochtend eerst vanuit (de richting van) Oss naar Eindhoven is gereden. Verder staat het vast dat zijn telefoon in Eindhoven omstreeks 10.00 uur een zendmast aanstraalt in de omgeving van het Kastelenplein. Waar de auto in die periode exact is, kan niet worden bepaald, omdat de bakengegevens van de auto van [verdachte 1] over deze periode zich niet in het dossier bevinden. De rechtbank merkt daarbij echter wel op dat het Kastelenplein te Eindhoven ook bij (drugs)leveringen aan [verdachte 8] en [verdachte 3] de plaats van levering/overdracht is geweest. Aansluitend rijdt [verdachte 1] naar het bedrijf van [verdachte 2] aan de [adres] in Breda. Het observatieteam ziet hem daar op een tijdstip dat overeenkomt met de inhoud van de SMS-berichten d.d. 17 november 2010 tussen 7096 en 7195, waarin wordt afgesproken hoe laat en op welke plaats de 44 kilogram amfetamine op 18 november 2010 geleverd zal worden. Dat het [verdachte 1] is die de drugs heeft afgeleverd, blijkt verder uit de gang van zaken op het bedrijf van [verdachte 2], het SMS-verkeer tussen 7195 en 7096 op 18 november 2010 en uit een (nagenoeg) aansluitend telefoongesprek tussen [verdachte 1] en [verdachte 5] diezelfde dag.

De rechtbank acht ten aanzien van [verdachte 5], [verdachte 6] en [verdachte 1] bewezen dat zij op 17 november 2010 en 18 november 2010 telkens in vereniging een hoeveelheid van 44 kilogram amfetamine hebben geleverd aan [verdachte 2]. [verdachte 5] en [verdachte 6] hebben deze hoeveelheid amfetamine eerder bewerkt: de omzetting van amfetamine-olie naar amfetaminepasta is door hen gedaan. Ook zijn zij medeplegers ten aan zien van het vervoer van de 44 kilo amfetamine op 18 november 2010. [verdachte 2] heeft beide partijen amfetamine opzettelijk aanwezig gehad. [verdachte 4][verdachte 5] is achteraf op de hoogte gebracht van de levering op 17 november 2010, hij ontvangt immers van [verdachte 2] de betaling van deze partij van 44 kilo amfetamine na instructie van [verdachte 5]. Dit betekent echter niet dat hij medepleger is van dit feit. Er is immers geen bewijs van betrokkenheid bij de uitvoering en/of voorafgaande planvorming/voorbereiding van dit feit. Wel acht de rechtbank bewezen dat [verdachte 4][verdachte 5] medepleger is ten aanzien van de op 18 november 2010 vervoerde en afgeleverde 44 kilogram amfetamine.

Ten aanzien van parketnummer 01/889151-10:

Feit 2:

Op grond van de in bijlage "Handel met [verdachte 3]" omschreven bewijsmiddelen acht de rechtbank het in de bewezenverklaring genoemde strafbare feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3:

Ter wille van de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die zien op het bestaan van een criminele organisatie en de deelname van verdachte daaraan uitgewerkt in de bijlage met de naam "Bewijsmiddelenoverzicht deelname criminele organisatie, 11a Ow".

Daarnaast worden de bewijsmiddelenoverzichten die zien op de afzonderlijke delicten die door anderen binnen het georganiseerde verband zijn gepleegd als bijlagen bij dit vonnis gevoegd.

Het betreft:

- bewijsmiddelenoverzicht "Handel met [persoon 5]";

- bewijsmiddelenoverzicht "Handel met [verdachte 2]";

- bewijsmiddelenoverzicht "Handel met [verdachte 8]";

- bewijsmiddelenoverzicht "Handel met [verdachte 3]";

- bewijsmiddelenoverzicht "Handel met Gebruiker [telefoonnummer]".

De rechtbank acht op grond van de weergegeven bewijsmiddelen, maar ook gelet op de bewijsmiddelen die de rechtbank ten aanzien van de afzonderlijke delicten heeft gebruikt, bewezen dat er sprake is van een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige drugshandel.

Immers uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte 5] en [verdachte 6] zich gedurende een lange periode hebben bezig gehouden met de handel in drugs, met name in amfetamine, en dat zij daar in die periode veel tijd en geld in investeerden en ook veel geld mee verdienden. Ook [verdachte 4][verdachte 5] was financieel bij de handel betrokken en hij nam ook wezenlijke beslissingen ten aanzien van de drugshandel. De woning van [verdachte 4][verdachte 5] en het woonwagenkamp fungeerden als ontmoetingsplaatsen van de groepering en haar afnemers en in de woning van [verdachte 4][verdachte 5] werd het met de handel verdiende geld bewaard. [verdachte 1] zijn aandeel bestond uit het voor de organisatie vervoeren van drugs en voor de productie van synthetische drugs benodigde stoffen en hij stelde zijn garagebox en woning beschikbaar voor de opslag van drugs en/of stoffen die nodig zijn bij de productie of bewerking van amfetamine. Hij kreeg zijn opdrachten van [verdachte 4][verdachte 5] en [verdachte 5]. De deelname van [verdachte 7] blijkt met name uit haar betrokkenheid bij de levering van amfetamineolie aan [verdachte 3], maar blijkt ook uit haar deelname in een discussie over de kwaliteit van aan ene [persoon 6] geleverde amfetamine in de woning van [verdachte 4][verdachte 5].

Een aantal van de leveringen door de organisatie zijn afgevangen door de politie en daarbij zijn amfetamine houdende pasta of olie en voor de productie van synthetische drugs benodigde stoffen in beslag genomen. Uit gesprekken tussen [verdachte 5] en [verdachte 6] volgt dat zij plannen hadden voor de productie van partijen amfetamine van 75 en/of 100 kilogram en dat zij konden beschikken over grote hoeveelheden amfetamineolie. Uit die gesprekken volgt bovendien dat er sprake was van een hiërarchie binnen de groepering: [verdachte 5] en [verdachte 6] bepaalden wat er gebeurde. Bij de onderlinge contacten tussen [verdachte 5] en [verdachte 6] en bij contacten van de organisatie met afnemers en leveranciers ([persoon 7]) werd vaak gebruik gemaakt van SMS-berichten in versluierd taalgebruik. Zo was zowel voor de organisatie als voor afnemers duidelijk dat met "bij vader" de woning van [verdachte 4][verdachte 5] werd bedoeld. [verdachte 6] instrueerde ook anderen ([verdachte 8] en [verdachte 3]) om dat te doen. Er golden wat betreft de wijze van communicatie regels binnen de organisatie en ook in de contacten met derden. In essentie werd communicatie via speciaal daarvoor aangeschafte telefoons uitgevoerd, waarbij verdachten bovendien geregeld van toestel en nummer wisselden.

Gelet op deze beschrijving is er sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad. Er waren gemeenschappelijke regels en doelstellingen en er was ook een zekere gelaagdheid en een rolverdeling. Naar buiten toe werd veelal gezamenlijk opgetreden. Dat enkele leden van de organisatie familie van elkaar waren ([verdachte 4][verdachte 5], [verdachte 5] en [verdachte 1]) doet aan het vorenstaande niet af, nu duidelijk is dat die familiebanden juist werden benut voor het verwezenlijken van het misdadige doel van de organisatie.

De rechtbank bezigt ondanks de bezwaren van de verdediging de verklaringen van [verdachte 8] tot bewijs.

Dat door de verhorende verbalisanten op [verdachte 8] te veel druk zou zijn uitgeoefend, waardoor niet langer gezegd zou kunnen worden dat hij zijn verklaringen in vrijheid heeft afgelegd, acht de rechtbank ter zitting niet aannemelijk geworden. Het op tafel slaan of het omgooien van een koffiebeker is, voor zover al aannemelijk is dat dit is gebeurd, onvoldoende om tot dat oordeel te kunnen komen. Bij gelegenheid van zijn verhoor op 7 april 2011 te 14:16 uur heeft [verdachte 8] juist verklaard zich opgelucht te voelen nu hij heeft kunnen verklaren dat hij de verdovende middelen heeft gekocht van [verdachte 6], [verdachte 4] en[verdachte 5] en heeft hij gezegd dat hij volledig wilde meewerken aan het onderzoek en dat hij alle vragen naar waarheid zou beantwoorden. Ook heeft [verdachte 8] medegedeeld dat aan hem geen enkele belofte is gedaan en dat hij de verklaring in alle vrijheid heeft afgelegd.

Bij gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft [verdachte 8] verklaard dat hij bij de politie steeds de waarheid heeft verteld. Het zou volgens hem alleen anders door de politie zijn verwoord. Wat op papier is komen te staan, was niet verzonnen, alleen anders geformuleerd, zo verklaarde hij. Op de vraag wat dan anders zou zijn verwoord, kon hij vervolgens geen antwoord geven aan de rechter-commissaris.

De rechtbank hecht waarde aan de door politie in processen-verbaal vastgelegde verklaringen van [verdachte 8] omdat deze verklaringen op essentiële onderdelen overeenkomen met onderzoeksgegevens van de politie en steun vinden in de verklaringen van [getuige 3] ten overstaan van de rechter-commissaris.

Van een schending van beginselen van een goede procesorde of van het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering is geen sprake.

Feit 4:

Ford Ka, kenteken [kenteken]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [verdachte 5] in maart 2010 met zijn drie zussen, zijn nichtje en zijn levenspartner [persoon 3] een garagebedrijf heeft bezocht. Het gezelschap wilde vijf Ford Ka's kopen, bestemd voor de vrouwen onder hen. [verdachte 5] heeft onderhandeld over de prijs. De koopovereenkomst en het kenteken van vier van de vijf Ford Ka's werden op naam gesteld van de zussen en het nichtje. De koopovereenkomst van de vijfde Ford Ka werd op naam van [verdachte 7] gesteld en het kenteken op naam van [persoon 8]. Een aantal maanden later werd dit kenteken op naam van [verdachte 1] gesteld. Van iedere auto werd een afzonderlijke factuur opgemaakt, bij twee van de auto's was sprake van inruil. De Ford Ka's zijn alle contant betaald, op verschillende data. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen is niet gebleken dat de betalingen werden verricht door [verdachte 5] of [verdachte 4][verdachte 5] en evenmin door [verdachte 1] of [verdachte 7]. De bewijsmiddelen bevatten aanwijzingen dat de auto's zijn betaald met geld dat afkomstig is van [verdachte 4][verdachte 5] maar evenzeer dat ze zijn betaald met geld dat de overleden echtgenote van [verdachte 4][verdachte 5] aan haar kinderen had geschonken. De rechtbank komt tot de conclusie dat niet is bewezen dat de vijf Ford Ka's, waaronder de Ford Ka met kenteken [kenteken], zijn betaald met geld dat van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat [verdachte 1] de Ford Ka met kenteken [kenteken] heeft witgewassen.

Motorfiets, merk Aprilia, kenteken [kenteken]

Op 16 oktober 2010 heeft [verdachte 5] de motorfiets Aprilia, type Scarabeo, met kenteken

[kenteken] gekocht door middel van inruil van de twee bromfietsscooters Sym, type MIO en contante bijbetaling van € 1.750,--. 31

Volgens opgave van de belastingdienst heeft [verdachte 5] in 2008 en 2009 een uitkering uit vroegere arbeid van € 15.668,-- ontvangen en bezat hij geen spaartegoeden van enige omvang32. Op 8 februari 2011 heeft [verdachte 5] ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat hij samen met zijn levenspartner [persoon 3] en haar dochter leefde van de uitkering van [persoon 3] van ongeveer € 1.200,-- per maand en van € 500,-- `a € 600,-- per maand aan inkomsten die hij verwierf door te bemiddelen bij de aan- en verkoop van auto's. [verdachte 5] en [persoon 3] waren niet gehuwd noch geregistreerde partners.33 Van verdere inkomsten en/of vermogen is uit het onderzoek niet gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat deze uitgave van € 1.750,-- in redelijkheid niet past bij het legaal verworven inkomen en vermogen van [verdachte 5] in 2010 en dat een dergelijke uitgave in relatie tot dat legaal verworven inkomen en vermogen ongebruikelijk en bovenmatig is. Nu voorts ten aanzien van [verdachte 5] omvangrijke handel in amfetamine en deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11a Opiumwet vanaf 1 september 2009 bewezen is verklaard, acht de rechtbank bewezen dat de motorfiets Aprilia, type Scarabeo door [verdachte 5] is aangeschaft met geld dat uit enig misdrijf afkomstig is.

Uit informatie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer is gebleken dat het kenteken van voornoemde motorfiets vanaf 15 oktober 2010 op naam van [verdachte 1] was gesteld 34.

[verdachte 1] heeft verklaard dat hij op verzoek van [persoon 3], de levenspartner van [verdachte 5], het kenteken van deze motor op zijn, [verdachte 1], naam heeft gesteld en eveneens op zijn, [verdachte 1], naam een verzekering voor dit voertuig heeft afgesloten. De reden hiervoor was dat het rijbewijs van zijn zwager [verdachte 5] was ingenomen waardoor deze de motor niet kon verzekeren 35.

Ten aanzien van [verdachte 1] is bewezen verklaard dat hij tezamen met onder andere [verdachte 5] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten en de voorbereiding ervan. [verdachte 1] wist dat [verdachte 5] een zeer wezenlijke rol vervulde in deze criminele organisatie en dat met dergelijke handel aanzienlijke geldbedragen worden verdiend, zeker indien het - zoals [verdachte 1] wist - gaat om grootschalige handel in amfetamine. Door met deze wetenschap het kenteken op zijn naam te stellen en op zijn naam ten behoeve van dit voertuig een verzekering af te sluiten, heeft [verdachte 1] welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij verborg of verhulde dat [verdachte 5] de rechthebbende op die motorfiets was terwijl de door [verdachte 5] gekochte motorfiets was betaald met geld dat uit enig misdrijf afkomstig was.

Op grond hiervan acht de rechtbank bewezen dat [verdachte 1] de motorfiets heeft witgewassen.

Ten aanzien van parketnummer 01/885039-11:

Feit 1:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte direct bij de levering van de amfetamine betrokken is, zodat de verdachte van dit feit behoort te worden vrijgesproken.

Feit 2:

De rechtbank kan uit de aanwezige bewijsmiddelen niet met de wettelijk vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de 34 waarover wordt gesproken in de sms-berichten ook daadwerkelijk heeft geleid tot de levering aan [verdachte 2] van een hoeveelheid van 34 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine, of enig ander strafbaar feit dat op dit onderdeel in de tenlastelegging wordt verweten aan [verdachte 6], [verdachte 5], [verdachte 1] en [verdachte 2].

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van parketnummer 01/889151-10:

1.

op 18 november 2010 te Eindhoven en Breda en elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd ongeveer 44 kilogram,

van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 30 december 2010 te Oss tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, ongeveer 10 liter van een materiaal bevattende amfetamine (amfetamine-olie), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 8 februari 2011 te Oss en Eindhoven en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en [verdachte 4][verdachte 5], [verdachte 5], [verdachte 6] en

[verdachte 7],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

-misdrijven als bedoeld in artikel 10derde en vierde lid van de Opiumwet, te

weten het bereiden en bewerken en verkopen en afleveren en vervoeren en aanwezig hebben

van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

en

-misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten

het plegen van voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in laatstgenoemd

artikel;

4.

in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 8 februari 2011

te Oss tezamen en in vereniging met een ander van een voorwerp, te weten

- een motorfiets, merk Aprilia, kenteken [kenteken]

heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was,

terwijl hij en zijn mededader wisten, dat dat voorwerp -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Ten aanzien van parketnummer 01/885039-11:

3.

op 17 november 2010 te Oss en Eindhoven en Breda en elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, ongeveer 44 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de inhoud van het eerder vermelde pleidooi, is namens verdachte geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de persoon van de verdachte, zoals een en ander ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is gedurende een langere periode betrokken geweest bij het, in georganiseerd verband, handelen in amfetamine. Daarbij ging het om aanzienlijke hoeveelheden. Zo is aan [verdachte 2] alleen al 88 kilogram amfetamine geleverd. Harddrugs als de onderhavige leveren grote gevaren voor de gezondheid van gebruikers op, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Verdachte heeft geen oog gehad voor de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Hem ging het alleen maar om het geld dat met de drugshandel kon worden verdiend.

Daarnaast heeft verdachte een motorfiets witgewassen. Daarmee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Bovendien is verdachte meerdere meerdere malen veroordeeld tot langdurige gevangenisstraf, terzake delicten vermeld in de Opiumwet alsook terzake artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (deelname aan een criminele organisatie). Deze veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden wederom ernstige Opiumwet-delicten te plegen.

Daar staat tegenover dat verdachte bij de bewezen verklaarde feiten geen initiatieven nam en geen leidende rol heeft vervuld, maar van met name [verdachte 5] en [verdachte 6] opdrachten kreeg in het kader van de handel in verdovende middelen.

Dit alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming.

Weliswaar zijn door de verdediging klemmende persoonlijke omstandigheden aangevoerd die met name zien op het gezin van verdachte, maar gelet op de betrokkenheid van verdachte bij handel in harddrugs en de hoeveelheid die door hem is vervoerd, kan niet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest. De verdachte had zich rekenschap dienen te geven van de grote gevolgen die zijn handelen voor zijn gezin mee zou brengen op het moment dat hij de keuze maakte voor een ander drugs te gaan vervoeren. Afschrikking (generale preventie) maakt dat rechtbanken voor drugsdelicten hoge straffen opleggen.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf nu de gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezenverklaarde, ondanks het feit dat de rechtbank vrijspreekt van een aantal ten laste gelegde (deel)feiten.

Op grond van het voorafgaande zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijf (5) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Beslag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert:

- verbeurdverklaring van de goederen vermeld op de lijst in beslag genomen voorwerpen met de nummers 2, 3 en 13;

- onttrekking aan het verkeer van het voorwerp genummerd 12 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- teruggave van de goederen met de nummers 1, 8, 14 t/m 17 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen aan verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

Over het beslag merkt de verdediging op dat de Ford Ka niet van verdachte is en dat deze terug zou moeten naar de rechthebbende. Van de Renault Megane heeft de verdediging teruggave verzocht. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De spullen die in verband met financieel onderzoek in beslag genomen zijn, kunnen terug omdat er geen financieel onderzoek loopt.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte dan wel de rechthebbende nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslaggenomen Renault Megane en het kentekenbewijs (nummers 3 en 13) vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn die aan verdachte toebehoren en met behulp waarmee de feiten zijn begaan.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan het verkeer onttrokken dient te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan of ter voorbereiding van soortgelijke misdrijven, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan, en dit voorwerp toebehoort aan verdachte en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 91 en 420 bis;

Opiumwet art. 2, 10, 11a.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder feit 1 en 2 van 01/885039-11 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/889151-10 feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

T.a.v. 01/889151-10 feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

T.a.v. 01/889151-10 feit 3:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;

T.a.v. 01/889151-10 feit 4:

medeplegen van witwassen;

T.a.v. 01/885039-11 feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Zij legt op de volgende straffen en maatregel.

T.a.v. 01/889151-10 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, 01/885039-11 feit 3:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank gelast de teruggave van de goederen zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met de nummers 1, 8, 14 t/m 17 aan verdachte.

De rechtbank gelast de teruggave van het voorwerp zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met nummer 2 aan de rechthebbende.

Zij verklaart verbeurd de op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen met de nummers: 3 en 13.

Zij onttrekt aan het verkeer het op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerp met nummer 12.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. J.G. Vos, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs en mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffiers,

en is uitgesproken op 14 juni 2012.

1 [verbalisant 1] d.d. 10 april 2012, verspreid als bijlage bij het proces-verbaal van [verbalisant 2], nr. 29-815 760 d.d. 6 april 2012, waarin [verbalisant 2] aangeeft dat hij de vragen van de raadsman heeft doorgeleid aan [verbalisant 1].

2 Zie ook proces-verbaal OvJ d.d. 19 april 2012 en proces-verbaal d.d. 20 december 2011 van [verbalisant 2], opgenomen als bijlage 31 in de op 29 december 2011 verspreide ordners "Onderzoeksvragen advocatuur"

3 Zie noot 1, pv OvJ, p. 1 (bovenaan)

4 Proces-verbaal raadsheer-commissaris d.d. 14 mei 2012 p. 1 en 2

5 Proces-verbaal raadsheer-commissaris d.d. 21 mei 2012 p. 2

6 Proces-verbaal officier van justitie d.d. 19 april 2012, p. 1, zie ook noot 22

7 [verbalisant 2] d.d. 17 april 2012 printlijst pag. 42

8 Proces-verbaal [verbalisant 4] d.d. 8 mei 2012, bijlage printlijsten pagina's 1 en 2

9 Proces-verbaal officier van justitie d.d. 19 april 2012, p. 1 en 2.

10 [verbalisant 2] d.d. 29 februari 2012.

11 Voor de leesbaarheid geeft de rechtbank telkens alleen de laatste 4 cijfers van het betreffende

telefoonnummer weer.

12 [verdachte 1] p. 0007, p 0044 en 0051 en 0053 (combi vordering medewerking)

13 Bob-dossier [verdachte 8] p. 002 (machtiging RC), p.0004 (bevel OvJ) en p. 0006 (combi vordering medewerking)

14 Bob-dossier [verdachte 6] p. 854, p. 866 p. 875, p. 878 , p. 913 (machtigingen RC, incl. 1x verlenging), p. 856, p. 868, p. 880, p. 915, (bevelen OvJ) en p. 858, p. 870, p. 876 p. 882 en p. 917 (combi vorderingen medewerking)

15 Bob-dossier [verdachte 2] p. 0002/0003

16 Zie noot 7

17 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 4] d.d. 8 mei 2012, zie bijlage p. 42: de stealth sms-berichten zijn te zien tussen 16.51 uur en 17.30 uur, frequentie 1 x per 5 minuten.

18 Bob dossier [verdachte 1], p. 1 en 2

19 Bob dossier [verdachte 6] p. 0001 tot en met 0008

20 Proces-verbaal Productie en Opslag drugs p. 24 e.v.

21 Proces-verbaal Handel met [verdachte 2], p. 31, geeft aan dat het de Alfa Romeo van [verdachte 6] betreft, kenteken [kenteken]. Zie ook paragraaf 11 van Dossier "onderzoeksvragen advocatuur, twee mappen, eerste map, onderdeel 11, een niet ondertekend geschrift, kennelijk afkomstig van verbalisant nummer 28, brigadier van politie Brabant-Noord, van wie door [verbalisant 5], inspecteur van politie en (plv.) teamchef van Team observatie en technische ondersteuning wordt verklaard (op de hierna te noemen vindplaats bij noot 4) dat "verbalisant 28" een bevoegd opsporingsambtenaar is. In dit geschrift wordt vermeld dat deze verbalisant 28 in de auto met kenteken [kenteken] (o.a.) component COv033 heeft geplaatst, aangesloten, gecontroleerd op goede werking en fysiek beveiligd.

22 (o.a.) Bob-dossier [verdachte 5], vanaf 2 juli 2010 omvat de RC-machtiging 126l Sv tevens woning [verdachte 4][verdachte 5], zie p 38 en 39, verlengingen p. 41/42, p. 44, p. 47/48, p. 49/50, p. 51/52, p 53/54

23 Dossier "onderzoeksvragen advocatuur, twee mappen, tweede map, onderdeel 25, ambtsedig proces-verbaal van verbalisant nummer 28, brigadier van politie Brabant Noord, van wie door [verbalisant 5], inspecteur van politie en (plv.) teamchef van Team observatie en technische ondersteuning, wordt verklaard dat verbalisant 28 een bevoegd opsporingsambtenaar is.

24 Proces-verbaal Productie en Opslag drugs p. 165

25 Zie p. 2 van het in noot 4 genoemd proces-verbaal

26 (overzichts-proces-verbaal "Handel met [verdachte 2]" pagina's 27 en verder

27 P. 96 pv dossier "Handel met [verdachte 2]"

28P. 97 pv dossier "Handel met [verdachte 2]"

29 proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 17 april 2012, p. 42 en 43, omstreeks 22.10 uur en later is er geen sms-verkeer vastgesteld tussen 7195 en 7096, wel een uur eerder.

30 Bijlage 11 van de map "onderzoeksvragen advocatuur", betreft een niet ondertekend geschrift van een persoon aangeduid als verbalisant 28. In een aanvullend proces-verbaal bij bijlage 25 verklaart [verbalisant 5] dat verbalisant 28 een bevoegd opsporingsamnbtenaar is.

31 Delictproces-verbaal "Witwassen motor/bromfietsen" met nummer 29-613234, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], met 12 bijlagen en bestaande uit 80 doorgenummerde pagina's, proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] (bijlage 8), p. 45-46 en de daarbij behorende bijlage 1, p. 49

32 Aanvullend proces-verbaal met nummer 29-613869 bij het persoonsdossier van verdachte [verdachte 5] met nummer 29-526353, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], met als bijlage "Financiën betreffende verdachte [verdachte 5]", met 3 doorgenummerde pagina's, p. 3.

33 Delictproces-verbaal "Witwassen c.q. opzetheling 5 [verdachte 1]'s" met nummer 29-612941, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], met 25 bijlagen en bestaande uit 205 doorgenummerde pagina's, proces-verbaal van verhoor [verdachte 5] (bijlage 24), p. 192-195

34 Delictproces-verbaal "Witwassen motor/bromfietsen" met nummer 29-613234, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], met 12 bijlagen en bestaande uit 80 doorgenummerde pagina's, p. 9

35 Proces-verbaal ter terechtzitting van 19 april 2012

??

??

7

Parketnummers: 01/889151-10 en 01/885039-11 (ter terechtzitting gevoegd)

[verdachte 1]