Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW8523

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
Awb 12 3423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deskundig onderzoek naar de identificatie van het voertuig. Deze deskundige is tot de conclusie gekomen dat het op het chassis aangetroffen VIN niet door de fabrikant is aangebracht, omdat rond het aangetroffen nummer slijpsporen zijn aangetroffen. Het door de fabrikant aangebrachte nummer kon door de deskundige niet worden vastgesteld. Aangezien verweerder het VIN van het chassis niet heeft kunnen vaststellen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het voertuig geen Nederlands kentekenbewijs kan worden afgegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Rijkevoort, eiser,

en

de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.B.J. Maenhout).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd een Nederlands kentekenbewijs af te geven aan eiser voor het voertuig Land Rover, type [type], voorzien van het eendaagse kenteken [kenteken].

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 31 augustus 2011 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 5 januari 2012, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 19 februari 2011 in Duitsland een Land Rover gekocht. Op 24 juni 2011 heeft hij een aanvraag ingediend voor afgifte van een Nederlands kentekenbewijs voor deze auto.

De motor en de versnellingsbak van deze auto zijn niet meer origineel, deze zijn in het verleden vervangen door een motor en versnellingsbak van een auto van een ander merk, te weten een Nissan Patrol. De keurmeester had de indruk dat het typeplaatje los zat en hij twijfelde aan de authenticiteit van het op het chassis aangetroffen voertuigidentificatie-nummer (vin). De keurmeester heeft besloten dat het voertuig nader diende te worden onderzocht.

Het voertuig is op 5 juli 2011 onderzocht door [deskundige 1], deskundige voertuigidentificatie bij het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (LIV). Deze deskundige is tot de conclusie gekomen dat het op het chassis aangetroffen vin niet door de fabrikant is aangebracht, omdat rond en onder het aangetroffen nummer slijpsporen zijn aangetroffen en tijdens een etsbehandeling op die plaats fragmenten van het door de fabrikant aangebrachte nummer zichtbaar werden. Het door de fabrikant aangebrachte nummer kon door de deskundige niet worden vastgesteld. Uit interne navraag is verweerder gebleken dat het nummer van de aandrijflijn niet kan worden achterhaald.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder de bevindingen van de keurmeester op

24 juni 2011, het deskundigenrapport van het LIV en interne informatie ten grondslag gelegd. Verweerder wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat het onvoldoende is gemotiveerd dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen en omdat eiser een te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt.

4. Artikel 26, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 luidt als volgt:

Een goedkeuring voor een individueel voertuig wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend indien het voertuig bij een door de dienst verrichte keuring heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg, welke eisen voor verschillende groepen van voertuigen verschillend kunnen worden gesteld.

Artikel 48, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 luidt als volgt:

Een kentekenbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst

Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief slechts afgegeven aan in Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van achttien jaren dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op een kentekenbewijs voor een bromfiets, de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt en aan in Nederland gevestigde rechtspersonen, indien het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de afgifte wordt verlangd, overeenkomstig artikel 22 of 26 is goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg (…).

5. Artikel 2.1 van de Regeling voertuigen luidt als volgt:

1. In het kader van een aanvraag van een kentekenbewijs, een individuele goedkeuring of een door de Dienst Wegverkeer uitgevoerd onderzoek kan door de Dienst Wegverkeer het voertuigidentificatienummer worden vastgesteld.

2. Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.

3. Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in bijlage I.

6. Artikel 1 van Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

hoofdonderdelen van een voertuig met een volledig dragend of semi-dragend chassis: chassis, aandrijflijn en carrosserie;

(…)

Artikel 3 van Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen luidt als volgt:

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.

Artikel 4 van Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen luidt als volgt:

1. De vaststelling van het voertuigidentificatienummer als bedoeld in artikel 3 geschiedt aan de hand van het originele door de voertuigfabrikant in het voertuig ingeslagen voertuigidentificatienummer en overige voertuigkenmerken.

2. Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3 van deze bijlage.

3. Indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen, wordt door de Dienst Wegverkeer geen voertuigidentificatienummer toegekend.

4. In afwijking van het derde lid wordt, indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer door de voertuigfabrikant oorspronkelijk geen voertuigidentificatienummer is ingeslagen, door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer toegekend.

Artikel 5 van Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen luidt als volgt:

Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Artikel 6 van Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn

(…)

6. Indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren of indien blijkt dat

één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn, wordt geen

voertuigidentificatienummer vastgesteld.

7. Het door eiser ter keuring aangeboden voertuig is voorzien van een motor en een versnellingsbak uit een ander voertuig. Om deze reden is het voertuig aan te merken als een samengesteld voertuig. Uit artikel 6, zesde lid, van Bijlage I behorende bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen volgt dat het verweerder niet vrij staat om een vin vast te stellen op het moment dat van een of meer hoofdonderdelen - te weten het chassis, de carrosserie en/of de aandrijflijn - de identiteit niet kan worden vastgesteld.

8. Het betoog van eiser dat de door verweerder ingeschakelde deskundige niet beschikt over voldoende kennis met betrekking tot het door hem aangeboden voertuig en dat de bevindingen van de deskundige zijn conclusie dat geen sprake is van een origineel vin op het chassis niet kunnen dragen slaagt niet. De geraadpleegde deskundige is als deskundige voertuigidentificatie verbonden aan het LIV en er bestaat geen grond voor het oordeel dat hij niet is aan te merken als een deskundige op het gebied van voertuigidentificatie. Verweerder mag in beginsel dan ook op het uitgebrachte rapport afgaan.

De enkele omstandigheid dat eiser een meer exacte plaats benoemt waar het identificatieplaatje is gemonteerd dan deze deskundige in zijn rapport, is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van deze rapporteur.

De door verweerder ingeschakelde deskundige heeft in zijn rapport gemotiveerd weergegeven hoe hij tot de conclusie komt dat het vin dat op het chassis staat vermeld niet origineel is. De door eiser overgelegde email waarin [deskundige 2] van Classic Defenders

verklaart dat het vin wel origineel is, is van onvoldoende gewicht om gerede twijfel aan de conclusie van de deskundige te doen ontstaan. Niet gebleken is dat [deskundige 2] beschikt over een met de door verweerder ingeschakelde deskundige te vergelijken niveau van deskundigheid met betrekking tot het vaststellen van de identiteit van hoofdonderdelen van voertuigen. Bovendien blijkt ook niet dat [deskundige 2] het voertuig daadwerkelijk heeft gezien. De door eiser overgelegde foto’s van andere voertuigen doen niets af aan de bevindingen van de deskundige met betrekking tot het door hem onderzochte vin.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit mede heeft mogen baseren op het deskundigenrapport.

9. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan de documenten die eiser heeft overgelegd, zoals een kentekenbewijs, schriftelijke verklaringen van derden en een keuringsrapport van TÜV SÜD Auto Service GmbH te Heidelberg.

De door eiser overgelegde documenten zijn echter niet relevant voor het vaststellen van de identiteit van een voertuig. Uit artikel 4 van Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen volgt dat het vin wordt vastgesteld door middel van onderzoek aan het voertuig.

10. Aangezien verweerder het vin van het chassis niet heeft kunnen vaststellen, heeft

verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het voertuig geen Nederlands kentekenbewijs kan worden afgegeven.

11. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Eiser stelt dat hij voor het sluiten van de koopovereenkomst telefonisch informatie heeft ingewonnen bij verweerder en dat hem toen is verteld dat het verkrijgen van een Nederlands kentekenbewijs voor dit voertuig geen probleem zou zijn, mits de gegevens van de huidige, niet originele, motor correct op het Duitse kentekenbewijs zouden staan vermeld. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 november 2008, LJN: BG5360) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Niet gebleken is dat in dit geval enige concrete toezegging is gedaan over het al dan niet afgeven van een kentekenbewijs. Er is slechts in algemene zin informatie verstrekt over het op kenteken zetten van een uit het buitenland afkomstig voertuig waarbij sprake is van een niet originele motor.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

3 februari 2012.

griffier rechter

?