Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW8350

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
01/821022-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Er is geen enkele aanwijzing dat verdachte bewust het rode verkeerslicht heeft genegeerd. Verdachte heeft geanticipeerd op een naar zijn inschatting potentieel gevaarlijke situatie. Daarbij heeft hij niet meer op het verkeerslicht gelet met als gevolg dat hij door rood reed. In deze situatie kan zonder bijkomende omstandighed niet worden gezegd dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden. Bewezenverklaring artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/821022-11

Datum uitspraak: 14 juni 2012

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 mei 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 mei 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 juli 2011 te Valkenswaard als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,(takelwagen) daarmede rijdende

over de weg, de Europalaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk

geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

-gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg met de Valkeniersstraat,

waar een driekleurig verkeerslicht in zijn, verdachtes, richting rood licht

uitstraalde,

met het door hem bestuurde motorrijtuig niet voor dat verkeerslicht te

stoppen, maar door te rijden, die kruising op,

op een moment dat een voor hem, verdachte, van links, vanaf de

Valkeniersstraat komende bestuurder van een personenauto, bezig was die

kruising over te steken,

waardoor, althans mede waardoor een botsing is ontstaan tussen de door hem,

verdachte, bestuurde takelwagen en die personenauto,

waardoor de bestuurder van die personenauto (genaamd [slachtoffer]) werd

gedood;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2011 te Valkenswaard als bestuurder van een

voertuig (vrachtauto/takelwagen), daarmee rijdende op de weg, Europalaan,

-gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg met de Valkeniersstraat,

waar een driekleurig verkeerslicht in zijn, verdachtes, richting rood licht

uitstraalde, met het door hem bestuurde voertuig niet voor dat verkeerslicht

is gestopt, maar is doorgereden, die kruising op,

op een moment dat een voor hem, verdachte, van links, vanaf de

Valkeniersstraat komende bestuurder van een personenauto, bezig was die

kruising over te steken,

waardoor, althans mede waardoor een bosting is ontstaan tussen dat door hem,

verdachte bestuurder voertuig en die personenauto,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsoverweging.

Het standpunt van partijen.

De officier van justitie stelt voorop dat twee weken na het ongeval de heer [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval is overleden. Zij baseert haar conclusie op de verklaringen van de deskundige [deskundige] waaruit blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de hartproblemen van de heer [slachtoffer] zich zouden hebben voorgedaan als er geen ongeval had plaatsgevonden. Voorts is zij van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig heeft gehandeld waardoor er sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet. Zij neemt daarbij in aanmerking dat verdachte in een zwaar voertuig reed en veel rijervaring had. Van hem mocht daarom extra voorzichtigheid worden verwacht. Het primaire feit kan daarom worden bewezen. De verdediging stelt daarentegen dat voor het primaire feit vrijspraak moet volgen. Verdachte heeft door rood gereden maar geen andere verkeersfouten gemaakt. In de omstandigheden van het geval kan niet worden gezegd dat er sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag. Voorts stelt de verdediging dat het causale verband tussen het ongeval en het overlijden van de heer [slachtoffer] niet kan worden bewezen. Ten aanzien van het subsidiaire feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte reed in zijn takelwagen over de voorrangsweg de Europalaan in de richting van de kruising Europalaan-Valkenierstraat. Verdachte zag dat het verkeerslicht op de kruising voor hem op groen stond. Daarna werd de aandacht van verdachte getrokken door een wit busje dat hij van achteren naderde en dat stilstond op de busstrook aan de rechterzijde van de weg. Dit busje stond vlak bij de kruising met de Valkenierstraat. Uit voorzorg - verdachte wist niet wat het busje ging doen - heeft verdachte het gas losgelaten en is hij uitgeweken naar links waarbij hij uiterst links op zijn eigen rijstrook voor rechtdoor is blijven rijden (met zijn linkerwielen op de streep). Ook de auto die voor verdachte reed is op vergelijkbare wijze uitgeweken naar links. Op het moment dat verdachte het verkeerslicht passeerde stond het voor hem op rood, zoals blijkt uit de getuigenverklaring van mevrouw [getuige 1]. Verdachte heeft dit niet gezien. Bij het oprijden van de kruising kwam de heer [slachtoffer], voor wie het verkeerslicht op groen stond, in zijn auto van links de kruising oprijden. Verdachte heeft krachtig geremd maar kon een aanrijding niet meer voorkomen. De snelheid van beide voertuigen was ten tijde van de botsing niet groot. Dit leidt de rechtbank af uit de schade aan beide voertuigen zoals zichtbaar op de foto's in het dossier en uit het feit dat de airbags van beide voertuigen niet zijn uitgeklapt.

Het primaire feit.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van de officier van justitie dat van personen met veel ervaring of bijzondere kennis extra voorzichtigheid mag worden verwacht in vergelijking met weggebruikers met een "gemiddelde" ervaring en kennis. In de omstandigheden van het geval leidt dit echter niet tot een bewezenverklaring. De rechtbank stelt voorop dat er geen enkele aanwijzing is dat verdachte bewust het rode verkeerslicht heeft genegeerd. Hij heeft juist geanticipeerd op een naar zijn inschatting potentieel gevaarlijke situatie door het gas los te laten en uit te wijken naar links. Dit was geen onlogische of onjuiste reactie. Verdachte heeft daarbij niet meer op het verkeerslicht gelet met als gevolg dat hij door rood reed. In deze situatie kan zonder bijkomende omstandigheid niet worden gezegd dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden. Dit heeft tot gevolg dat niet kan worden bewezen dat verdachte schuld als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet aan het ongeval heeft gehad en hij wordt daarom vrijgesproken van hetgeen hem primair is ten laste gelegd. De rechtbank komt daarmee niet toe aan de beantwoording van de vraag of er juridisch causaal verband bestaat tussen het ongeval en het overlijden van de heer [slachtoffer].

Het subsidiaire feit.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte door bovenomschreven handelen gevaar op de weg heeft veroorzaakt. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

Subsidiair.

op 18 juli 2011 te Valkenswaard als bestuurder van een voertuig (takelwagen), daarmee rijdende op de weg, Europalaan,

- gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg met de Valkenierstraat, waar een driekleurig verkeerslicht in zijn, verdachtes, richting rood licht uitstraalde, met het door hem bestuurde voertuig niet voor dat verkeerslicht is gestopt, maar is doorgereden, die kruising op,

op een moment dat een voor hem, verdachte, van links, vanaf de Valkeniersstraat komende bestuurder van een personenauto, bezig was die kruising over te steken,

waardoor een botsing is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig en die personenauto,

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

• een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis;

• een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

• een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder de draagkracht. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verdachte is door rood licht gereden. [slachtoffer], voor wie het verkeerslicht op groen stond, kwam op dat moment van links de kruising oprijden en was doende deze kruising over te steken. Verdachte is toen met de personenauto die door [slachtoffer] werd bestuurd in botsing gekomen.

De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat bij het bepalen van de straf niet als strafverzwarend zal worden meegewogen dat [slachtoffer] ten gevolge van dit ongeval is komen te overlijden. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf op dit punt enkel rekening met het gegeven dat verdachte door rood is gereden, aan [slachtoffer] geen voorrang heeft verleend en hierdoor met de personenauto die door [slachtoffer] werd bestuurd in botsing is gekomen. Dit, omdat niet het primair ten laste gelegde, maar het subsidiair ten laste gelegde, de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet, bewezen wordt geacht en het ten gevolge van het ongeval komen te overlijden van [slachtoffer] geen onderdeel van het subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde uitmaakt.

De rechtbank houdt er ten gunste van verdachte rekening mee dat hij niet eerder wegens enig strafbaar feit is veroordeeld. Ook is hij niet eerder strafrechtelijk met politie en justitie in aanraking gekomen wegens verkeersovertredingen. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte op eigen initiatief naar de toestand van [slachtoffer] heeft geïnformeerd.

De rechtbank acht een geldboete passend en geboden. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde bewezen acht en de officier van justitie haar eis op het primair ten laste gelegde heeft gebaseerd. De rechtbank is van oordeel dat met na te noemen geldboete kan worden volstaan en zal dan ook niet daarnaast - zoals geëist - een voorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van rijbevoegdheid aan verdachte opleggen.

Het voegingsformulier van [nabestaande slachtoffer].

De rechtbank constateert dat op het voegingsformulier geen schadebedrag is ingevuld. De rechtbank is van oordeel dat er derhalve geen vordering is ingediend en beschouwt het voegingsformulier dan ook niet als een vordering van een benadeelde partij.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 23, 24, 24c.

Wegenverkeerswet 1994 art. 5, 177.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

subsidiair

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. subsidiair:

Geldboete van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. S.J.O. de Vries en mr. A.M. de Koning, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Hulst, griffier,

en is uitgesproken op 14 juni 2012.