Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW7367

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2012
Datum publicatie
04-06-2012
Zaaknummer
01/995002-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van valsheid ingeschrifte [valselijk opmaken van een "evaluatierapport grondsanering" en van overtredingen van artikel 13 en 27 van de Wet Bodembescher ming [ontgraven van een bouwput en het daarin opslaan van afvalstoffen].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/995002-11

Datum uitspraak: 04 juni 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [woonplaats], [locatie].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 mei 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 mei 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 december 2007

tot en met 17 december 2007 te Veghel opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

een vals(e) of vervalst(e) evaluatierapport "evaluatie grondsanering [locatie]

ong. te Veghel" welke grondsanering op 21 november 2007 is uitgevoerd, -

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin

dat dit rapport aan [getuige 1] van de gemeente Veghel

en/of aan een of meer anderen is gezonden/verstuurd en bestaande die valsheid

of vervalsing hierin dat in voormeld rapport is aangegeven dat er op de sterk

verontreinigde grond welke in depot is gezet en afkomstig is uit de bouwput

(en vallend buiten het kader van de eerder uitgevoerde grondsanering) een

AP04-keuring werd uitgevoerd, terwijl in werkelijkheid geen AP04-keuring was

uitgevoerd;

artikel 225, tweede lid Wetboek van strafrecht

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 22 november 2007 tot

en met 25 januari 2008 te Veghel, in de gemeente Veghel, op een perceel

gelegen aan of nabij de [locatie], tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, als degene, die op of in

de bodem handelingen had verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11

van de Wet bodembescherming, te weten het (verder) ontgraven van een bouwput

en/of (vervolgens) opslaan/storten van voormelde ontgraven grond in depot en

daarbij kennis had genomen van een verontreiniging of aantasting van de bodem

die door die handelingen werd veroorzaakt, geen, althans niet zo spoedig

mogelijk, melding heeft gedaan van de verontreiniging of de aantasting bij

gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant en/of daarbij niet heeft

aangegeven welke van de in artikel 13 genoemde maatregelen zij voornemens is

te treffen of reeds heeft getroffen;

artikel 27 Wet bodembescherming

3.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 21 februari 2008 tot

en met 22 februari 2008 te Veghel, althans in de gemeente Veghel,

op een perceel gelegen aan of nabij de [locatie], tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk,

op of in de bodem handelingen heeft verricht, te weten het in en rondom de

fundering(svakken) aanbrengen en/of storten van een partij (met PBC's en/of

EOX) verontreinigde grond, waarbij stoffen (PCB's en/of EOX) die de bodem

kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem worden gebracht, ten

einde deze daar te laten, en toen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)

wist/en, althans redelijkerwijs had/den kunnen vermoeden dat door die

handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, niet aan de

verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs

van hem/hun konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting

te voorkomen dan wel, indien die verontreiniging of aantasting zich voordeed,

de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te

beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

artikel 13 Wet bodembescherming

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode 21 februari 2008 tot en met 22 februari 2008 te

Veghel, in de gemeente Veghel, op een perceel gelegen aan of nabij de

[locatie], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, al dan niet opzettelijk, handelingen met betrekking tot afvalstoffen,

te weten een hoeveelheid (met PCB's en/of EOX) verontreinigde grond

heeft/hebben verricht en/of heeft/hebben nagelaten, te weten het storten/aan

brengen van voornoemde partij grond in en rondom fundering(vakken) teneinde

deze daar te laten terwijl zij en/of haar medeverdachte(n) wist/wisten en/of

redelijkerwijs had/hadden kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het

milieu ontstonden en/of konden ontstaan, en niet aan haar/hun verplichtingen

heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen en/of na te laten die

redelijkerwijs van haar/hun konden worden gevergd, teneinde die gevolgen

zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken;

artikel 10.1, eerste lid Wet milieubeheer

althans meer subsidiair, dat

zij in of omstreeks de periode 21 februari 2008 tot en met 22 februari 2008

te Veghel, in de gemeente Veghel, op een perceel gelegen aan of nabij de

[locatie], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, zich van afvalstoffen, te weten een (met PCB's en/of EOX)

verontreinigde partij grond, heeft/hebben ontdaan, door deze - al dan niet in

verpakking - buiten een inrichting te storten en/of anderszins op of in de

bodem heeft/hebben gebracht en/of verbrand;

artikel 10.2 Wet milieubeheer

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van feit 1.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging:

De raadsvrouwe heeft tot vrijspraak geconcludeerd omdat niet bewezen kan worden dat [verdachte] opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals (onjuist) geschrift.

De rechtbank overweegt als volgt:

Vaststaat dat het in de tenlastelegging genoemde evaluatierapport een onjuistheid bevat, in die zin dat erin is opgenomen dat de in depot gezette grond AP04 gekeurd is, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was. Het rapport is opgesteld door de [getuige 2] en heeft als datum 14 december 2007. [vertegenwoordiger van medeverdachte 1], werknemer van [verdachte], heeft het rapport vervolgens op 17 december 2007 doorgezonden aan onder andere het college van b en w van de gemeente Veghel en de heer [getuige 1], als ambtenaar werkzaam voor de gemeente Veghel.

Om tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen, zal moeten worden aangetoond dat [verdachte] (in de persoon van [vertegenwoordiger van medeverdachte 1]) op het moment van doorzenden van het rapport wist dat hierin een onjuistheid stond. Bewijsmiddelen waaruit die wetenschap direct kan blijken, heeft de rechtbank in het dossier niet aangetroffen. [vertegenwoordiger van medeverdachte 1] heeft, geconfronteerd met de onjuistheid in de rapportage, verklaard dat hij 'eroverheen' gelezen heeft en de onjuiste passage had moeten opmerken en anders had moeten laten formuleren. Wetenschap van de onjuistheid wordt door [vertegenwoordiger van medeverdachte 1] ontkend. De rechtbank acht deze verklaring van [vertegenwoordiger van medeverdachte 1] niet onaannemelijk, mede gelet op het verloop van de gebeurtenissen in de dagen volgend op de verzending van het rapport.

Op 17 december 2007 is de bouwplaats gecontroleerd door de [getuige 1] van de gemeente Veghel, waarbij is aangegeven dat de in het evaluatierapport genoemde AP04-keuring nog niet heeft plaatsgevonden. Op 19 december 2007 heeft [vertegenwoordiger van medeverdachte 1] aan [vertegenwoordiger van medeverdachte 2] per mail geadviseerd de AP04-keuring alsnog zo snel mogelijk in te plannen en dit kort te sluiten met de gemeente. De rechtbank acht in dit kader nog relevant dat van enig (eigen) belang dat [verdachte] zou kunnen hebben bij opzettelijk onjuiste voorlichting van de gemeente, niet is gebleken.

Gelet op het vorenstaande spreekt de rechtbank [verdachte] vrij van het onder 1 aan haar tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier acht wettig overtuigend bewezen dat [verdachte] dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging:

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en hiertoe gesteld dat:

1. er geen handelingen als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming (hierna WBB) zijn verricht;

2. [verdachte] niet de normadressaat is van artikel 27 lid 1 WBB. Zij was dus ook niet verplicht de in dat artikel bedoelde melding aan Gedeputeerde Staten te doen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op 27 december 2007 heeft [vertegenwoordiger van medeverdachte 3]aan [verdachte] verzocht een AP04-keuring uit te voeren op een partij 'verdachte' grond die is ontgraven en in depot is gezet. Naar aanleiding van dit verzoek heeft [verdachte] op 21 januari 2008 een AP04-rapport uitgebracht. [verdachte] is niet betrokken geweest bij het ontgraven en in depot zetten van deze grond.

Artikel 27 lid 1 WBB richt zich tot 'degene die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van die wet'.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de handelingen die [verdachte] heeft verricht (keuring grond en hiervan een rapport opmaken) niet als zodanig te beschouwen, zodat de meldingsplicht van artikel 27 lid 1 WBB zich niet tot [verdachte] richt.

Vervolgens is de vraag of [verdachte] kan worden beschouwd als medepleger van het door een ander achterwege laten van de melding ex artikel 27 lid 1 WBB. De rechtbank heeft in de vonnissen van de medeverdachten[medeverdachte 2][medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]geoordeeld dat deze verdachten ieder voor zich de meldplicht niet zijn nagekomen. Er is echter geen bewijsmiddel voorhanden waaruit blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking tussen (één van) de medeverdachten en [verdachte], gericht op het achterwege laten van de melding.

Gelet op het vorenstaande dient [verdachte] van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte heeft nooit geweten dat niet toepasbare grond vanuit het depot is toegepast in de funderingsvakken, totdat de provincie haar op 22 februari 2008 heeft gemeld dat zij deze overtreding hadden geconstateerd. Verdachte heeft de medeverdachten steeds aangegeven dat de grond niet toegepast mocht worden en dat deze grond moest worden afgevoerd. Verdachte had derhalve - kort samengevat - geen wetenschap van het toepassen van de grond en daarnaast had zij hierbij ook geen enkele betrokkenheid.

Het oordeel van de rechtbank.

Het procesdossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit direct kan blijken van wetenschap of betrokkenheid van verdachte bij het toepassen van de verontreinigde grond in de funderingsvakken op de locatie [locatie] te [woonplaats].

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 primair, 3 subsidiair en 3 meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen het ten laste gelegde onder feit 1, feit 2, feit 3 primair, feit 3 subsidiair en feit 3 meer subsidiair en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. N.M. Spelt en mr. M.J. Smit, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 4 juni 2012.

mr. M.J. Smit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

6

Parketnummer: 01/995002-11

[verdachte]