Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW7246

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
782542a
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Werkgever is bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld alsnog onderzoek te doen naar de (on)mogelijkheden en kosten van het plaatsen van een traplift voor werkneemster (subsidiemogelijkheden in aanmerking genomen) en onderbouwd aan te geven of het plaatsen van een traplift destijds voor haar wel of niet een onevenredige belasting zou hebben gevormd. Volgens werkgever is de investering, mede gelet op de hoogte van het maandloon van werkneemster, een onevenredige belasting. Werkneemster heeft dat betwist. De kantonrechter verwerpt het standpunt van werkgever dat de kosten, als ook de eventuele subsidie zou worden meegerekend, onevenredig hoog zijn in verhouding tot het door werkneemster verdiende loon. Dat de kosten van de traplift en de eventuele overige aanpassingen rond € 6.000,- zouden hebben bedragen kan, ook als de hoogte van het bruto maandloon van werkneemster van € 782,04 in aanmerking wordt genomen, gelet op overige relevante omstandigheden niet als een onevenredige belasting voor werkgever worden aangemerkt. De conclusie is dat de opzegging als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt.

De door werkneemster geleden schade kan niet nauwkeurig worden vastgesteld. Deze wordt geschat op een bedrag van

€ 14.000,- bruto. Dit bedrag wordt, vermeerderd met wettelijke rente, toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/199
AR-Updates.nl 2012-0528
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer : 782542

Rolnummer : 11-8695

Uitspraak : 24 mei 2012

in de zaak[eiseres],

wonende te [adres],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.T.A. Lamers,

t e g e n :

Em-Té Supermarkten B.V.,

gevestigd te Veghel,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.C.W. de Beer;

als vervolg van het tussen partijen gewezen vonnis van 22 december 2011.

1. Het vervolg van de procedure

Bij voormeld vonnis is de zaak verwezen naar de rol voor een nadere conclusie aan de zijde van Em-Té. Em-Té heeft een nadere conclusie genomen. [eiseres] heeft daarop een reactie op de nadere conclusie genomen, waarna Em-Té een nadere akte heeft genomen. Ten slotte is andermaal vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De kantonrechter volhardt bij het in het tussenvonnis overwogene, en derhalve ook bij hetgeen is overwogen ten aanzien van de 'keuze' van [eiseres] voor een traject gericht op het vinden van passend werk bij een andere werkgever. Hetgeen Em-Té dienaangaande nog heeft aangevoerd leidt niet tot een andere conclusie.

2.2. In het tussenvonnis is reeds overwogen dat Em-Té niet als goed werkgever heeft gehandeld door geen onderzoek naar de (on)mogelijkheden en kosten van het plaatsen van een traplift in te stellen. Em-Té is vervolgens in de gelegenheid gesteld alsnog een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden en kosten (subsidiemogelijkheden in aanmerking genomen) van het plaatsen van een traplift en onderbouwd aan te geven of het plaatsen van een traplift destijds voor haar wel of niet een onevenredige belasting zou hebben gevormd.

2.3. Em-Té heeft, onderbouwd met stukken, aangevoerd dat de kosten van een traplift € 9.923,01 bedragen (uitgaande van een tweedehandsstoel). Daarnaast moet volgens Em-Té een escape chair worden aangeschaft, waarvan de kosten tussen € 800,- en € 1.800,- liggen en dient het ontruimingsplan en de vluchtwegplattegrond te worden aangepast, hetgeen tussen € 1.200,- en € 2.000,- kost. De minimale kosten bedragen derhalve € 11.923,-, aldus Em-Té. Volgens Em-Té is subsidie van UWV alles behalve zeker. Ook als UWV subsidie zou verstrekken, zou deze slechts 16/40e deel van de kosten bedragen. De investering is volgens Em-Té, mede gelet op de hoogte van het maandloon van [eiseres], voor haar daarom een onevenredige belasting.

2.4. [eiseres] heeft dat betwist. Zij voert aan dat een traplift voor een veel lager bedrag, namelijk € 3.558,-, kan worden aangebracht, volgens de firma die bij haar thuis een traplift heeft geplaatst. Het aanschaffen van een escape chair houdt geen verband met de traplift en betreft een gebruikelijke voorziening bij bedrijven in het kader van bedrijfshulpverlening, en dat het ontruimingsplan en de vluchtwegplattegrond moeten worden aangepast is niet onderbouwd, aldus [eiseres]. Tevens heeft Em-Té volgens [eiseres] de subsidiemogelijkheden onvoldoende onderzocht.

2.5. Em-Té heeft slechts offerte voor een traplift opgevraagd bij één bedrijf. Vergelijking van kosten is daarom niet mogelijk. Niet uitgesloten is dat een ander bedrijf voor lagere kosten een traplift had kunnen plaatsen.

[eiseres] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat de kosten van de traplift in het filiaal te Dieren slechts € 3.558,- zouden bedragen.

Juist kan zijn dat er ook een escape chair zou moeten worden aangeschaft en dat het ontruimingsplan en de vluchtwegplattegrond zouden moeten worden aangepast. Niet uitgesloten kan worden dat de totale kosten op of rond € 10.000,- zouden zijn gelegen.

2.6. De omstandigheid dat thans niet bekend is of en zo ja, welke subsidie UWV zou hebben gegeven voor het plaatsen van een traplift, komt voor rekening en risico van Em-Té, daar zij dat destijds ten onrechte niet heeft onderzocht. Voldoende aannemelijk is evenwel, mede gelet op de door [eiseres] overgelegde stukken, dat UWV een subsidie zou hebben verstrekt. Het plaatsen van een traplift wordt met name als voorbeeld genoemd in de stukken van het UWV. Voldoende aannemelijk is voorts dat de situatie van [eiseres] aan de voorwaarden voor de subsidieverlening voldoet en dat de traplift als een noodzakelijke aanpassing als bedoeld in de voorwaarden kan worden aangemerkt. Er wordt daarom vanuit gegaan dat een subsidie van 16/40e (het aantal arbeidsuren van [eiseres] in verhouding tot de uren van een volledig dienstverband) van de investeringskosten zou zijn verstrekt. Dat komt bij kosten van (ongeveer) € 10.000,- neer op een bedrag van (ongeveer) € 4.000,-, zodat de resterende kosten voor Em-Té dan (ongeveer) € 6.000,- zouden bedragen.

2.7. Van andere bezwaren tegen het plaatsen van een traplift dan de daarmee gemoeide kosten, is niet gebleken. Technische of bouwkundige (of nog andere) bezwaren zijn er kennelijk niet.

2.8. Em-Té heeft aangevoerd dat de kosten, ook als de eventuele subsidie zou zijn meegerekend, onevenredig hoog zijn in verhouding tot het door [eiseres] verdiende loon van € 782,04 bruto per maand. Dat standpunt moet worden verworpen. Zoals hiervoor overwogen zouden de kosten voor Em-Té waarschijnlijk ongeveer € 6.000,- bedragen. Het brutoloon van [eiseres] bedraagt weliswaar € 782,04 per maand (€ 844,60 inclusief vakantietoeslag), maar daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat zij begin 2010 47 jaar oud was, dat zij geschikt was voor het verrichten van haar eigen werk en dat zij in beginsel nog vele jaren voor Em-Té zou hebben kunnen werken. De investering zou derhalve vele jaren van betekenis voor [eiseres] hebben kunnen zijn. Voorts was zij toen al ruim 11 jaar in dienst. Er rustte derhalve op Em-Té, mede gelet op de bepalingen van de Wet verbetering poortwachter en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, een bijzondere verplichting om belemmeringen weg te nemen die de hervatting van het werk door [eiseres] in de weg stonden. (Zoals reeds in het tussenvonnis overwogen kon van [eiseres] niet worden verwacht dat zij in de winkel aan de overzijde van de straat gebruik zou maken van het toilet en dat zij, gescheiden van haar collega's, in het kantoortje op de begane grond zou pauzeren.) Voorts is in deze afweging van betekenis dat Em-Té een onderneming is met een behoorlijke omvang en financiële draagkracht.

Dat de kosten van de traplift en de eventuele overige aanpassingen rond € 6.000,- zouden hebben bedragen kan dan, ook als de hoogte van het bruto maandloon van [eiseres] in aanmerking wordt genomen, niet als een onevenredige belasting voor Em-Té worden aangemerkt.

2.9. De conclusie is dat Em-Té in het kader van de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet als goed werkgever heeft gehandeld en dat de opzegging als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Em-Té dient daarom een schadevergoeding aan [eiseres] te betalen.

2.10. De schade moet zoveel mogelijk in overeenstemming met de werkelijk door [eiseres] geleden schade als gevolg van de opzegging worden begroot. Daarbij zijn haar leeftijd ten tijde van het eindigen van de arbeidsovereenkomst, de hoogte van het bij Em-Té verdiende loon en haar arbeidsmarktpositie van belang. Tevens is de duur van het dienstverband bij Em-Té relevant. De schadevergoeding dient voorts in overeenstemming te zijn met de aard en de ernst van de tekortkoming van Em-Té.

[eiseres] was ten tijde van het eindigen van de arbeidsovereenkomst 48 jaar oud. Zij is ruim 12 jaar in dienst geweest bij Em-Té. Haar laatstverdiende loon bedroeg € 782,04 bruto exclusief vakantietoeslag, € 844,60 inclusief vakantietoeslag.

Voor haar arbeidsmarktpositie is relevant dat zij een blijvende beperking aan haar enkel/voet heeft, als gevolg waarvan zij niet in staat is om trappen te lopen. De algemene arbeidsmarktpositie van [eiseres] kan, gelet op haar leeftijd en haar fysieke beperking, niet als goed worden aangemerkt. Van algemene bekendheid is echter dat er regelmatig vacatures voor caissières in supermarkten zijn. [eiseres] is geschikt voor het werk als caissière. Onvoldoende aannemelijk is dat zij, ook als haar leeftijd en fysieke beperking in aanmerking worden genomen, nimmer meer, tot haar pensioenleeftijd, passend werk als caissière zal kunnen vinden. Dat was ook onvoldoende aannemelijk op het moment van het ontslag, naar welk moment moet worden beoordeeld welke gevolgen de opzegging voor [eiseres] zou hebben.

[eiseres] ontvangt een WW-uitkering gedurende maximaal 30 maanden. Als zij geen werk vindt bedraagt haar inkomensverlies over deze periode € 7.516,59 bruto, zo heeft zij onweersproken gesteld. Na die periode heeft zij, indien zij dan nog geen werk heeft gevonden, geen inkomen, omdat zij, met een verdienende echtgenoot, geen recht heeft op een bijstandsuitkering.

Gelet op het feit dat onvoldoende aannemelijk is dat [eiseres] nooit meer werk zal kunnen vinden, maar niet valt te voorspellen wanneer zij weer werk zal vinden, kan haar schade niet nauwkeurig worden vastgesteld. Ingevolge artikel 6:97 BW dient de schade daarom te worden geschat. Daarbij dienen de billijkheid en alle hiervoor vermelde omstandigheden in aanmerking te worden genomen.

2.11. Het is, gelet op haar omstandigheden, redelijk ervan uit te gaan dat [eiseres] eerst na het eindigen van de periode waarin zij recht heeft op een WW-uitkering (30 maanden), weer werk zal hebben gevonden. Zij zal voorts ook enige pensioenschade lijden. Daar staat tegenover dat zij rentevoordeel heeft van een ineens uitgekeerd bedrag. Alle omstandigheden in aanmerking genomen zal de schade worden begroot op € 14.000,- bruto.

2.12. De primair gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. De schadevergoeding zal worden toegewezen tot voormeld bedrag. De wettelijke rente is toewijsbaar als gevorderd.

2.13. Em-Té zal, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

3. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Em-Té kennelijk onredelijk is;

veroordeelt Em-Té om aan [eiseres] ter zake van schadevergoeding te betalen de somma van € 14.000,- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 april 2011 tot de dag van voldoening;

veroordeelt Em-Té in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.266,81, waarvan € 90,81 wegens explootkosten, € 426,- wegens griffierecht en € 750,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis waar het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2012.

blad 4