Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW6451

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
01/839353-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor mensenhandel.

Verdachte heeft op een actieve wijze meegewerkt aan herhaald verblijf van vrouwen uit Hongarije, telkens met het doel deze vrouwen in zijn woning prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten. Gelet op de feitelijke omstandigheden voldoende voor een bewezenverklaring van ''aanwerven met het oogmerk een ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling' als bedoeld in artikel 273f, lid 1 onder 3 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839353-11

Datum uitspraak: 24 mei 2012

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van16 maart 2012 en 10 mei 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 februari 2012.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 maart 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011

tot en met 6 december 2011 te Eindhoven, althans in Nederland, en/of te Brussel, althans in België, en/of in Hongarije,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8],

(telkens) heeft aangeworven en/of medegenomen

(telkens) met het oogmerk die ander(en) in een ander land, te weten in

Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

één of meer seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n) tegen betaling;

(art 273f lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht)

ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden, SUBSIDIAIR, terzake dat

een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 1

januari 2011 tot en met 6 december 2011 te Hongarije,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8],

(telkens) heeft/hebben aangeworven en/of medegenomen

(telkens) met het oogmerk die ander(en) in een ander land, te weten in

Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

één of meer seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n) tegen betaling,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de

periode van 1 januari 2011 tot en met 6 december 2011 te Eindhoven en/of

elders in Nederland, en/of te Brussel en/of elders in België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest

door voornoemd(e) onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7]en/of [slachtoffer 8]

(telkens) (een of meer kamers in) zijn, verdachtes, woning aan de

[adres] te [gemeente] ter beschikking te stellen ten behoeve van de

huisvesting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of ten

behoeve van het verrichten van prostitutiewerkzaamheden door die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]

en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], en/of

door meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of[slachtoffer 8] te (laten) vervoeren van en/of naar het vliegveld te Eindhoven en/of

te Brussel, en/of

door (telkens) een advertentie voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] aan te maken en/of op de website www.[naam website] te plaatsen en/of die

advertentie(s) telkens op te waarderen;

(art 273f lid 1 ahf/sub 3 jo. art 48 ahf/sub 1 en sub 2 wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zoals verwoord in het schriftelijk requisitoir gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel in de periode van 1 januari 2011 tot en met 6 december 2011 door het aanwerven en medenemen van acht vrouwen met het oogmerk die vrouwen in Nederland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handelingen met of voor derden tegen betaling. Kort gezegd baseert zij dit op de volgende omstandigheden, te weten: de feitelijke gang van zaken, de aankomst van de vrouwen in Nederland, hun verklaringen, het feit dat verdachte de vrouwen vervoerde vanaf het vliegveld Eindhoven, de bevindingen van de verbalisanten in de woning van verdachte en de advertenties waarin de vrouwen hun diensten aanboden. Daarnaast acht de officier van justitie het van belang dat het verdachte was die de advertenties van de vrouwen plaatste en aan de vrouwen verdiend had. De officier van justitie vindt dat er sprake is van medeplegen nu dit volgt uit de tapgesprekken en er voldoende sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een aantal andere personen. De officier van justitie hanteert voor het aanwerven en medenemen de ruime uitleg van de Hoge Raad.

Een kopie van het door de officier van justitie gehouden requisitoir is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman bepleit vrijspraak voor de gehele tenlastelegging, kort gezegd omdat het bestanddeel oogmerk een ander in een ander land ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling ontbreekt. Er was namelijk geen sprake van initiatief van de zijde van verdachte, aldus de raadsman. Er was geen sprake van dwang en ook geen afhankelijkheidsrelatie.

Bewijsbeslissing.

Thans ligt voor de vraag of er conform het ten laste gelegde sprake is van aanwerven danwel medenemen. De officier van justitie heeft terecht betoogd dat er geen sprake hoeft te zijn van dwang. De raadsman heeft met het feit dat er geen sprake was van dwang en het initiatief bij de vrouwen zelf lag, het tegenovergestelde betoogd, zo begrijpt de rechtbank. Het verweer van de raadsman dient te worden verworpen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het aanwerven en/of medenemen van een persoon naar een ander land voor prostitutie strafbaar is, ook al stemt die persoon daarmee in. Het gaat er niet om dat de keuzevrijheid van de aangeworven persoon wordt beperkt. De raadsman heeft betoogd dat er geen bewijs is dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde vrouwen ertoe gebracht heeft in Nederland in de prostitutie werkzaam te zijn. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het initiatief van de vrouwen kwam en er dus geen sprake van is dat verdachte hen ertoe gebracht heeft. De term 'er toe brengen' heeft evenwel slechts een feitelijke betekenis. Voldoende is dat voor verdachte duidelijk was dat de vrouwen in Nederland in de prostitutie werkzaam zouden zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dit wist. Daarmee kan het bestanddeel 'er toe brengen' bewezen worden. In HR 18 april 2000, NJ 2000, 443 werd onder aanwerven verstaan 'iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat hoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt.'

De rechtbank is dan ook van oordeel dat van aanwerving in de zin van artikel 273f eerste lid onder 3 van het Wetboek van Strafrecht moet blijken uit de feitelijke gang van zaken.

Onbetwist is komen vast te staan dat in de ten laste gelegde periode de vrouwen die genoemd zijn in de tenlastelegging op verschillende tijdstippen vanuit Hongarije arriveerden op Eindhoven Airport. Uit observaties en de verklaring van verdachte is gebleken dat direct na aankomst in de woning van verdachte advertenties werden geplaatst op onder meer de website [naam website], waarin de vrouwen hun diensten aanboden op het woonadres van verdachte. Tevens zijn er cameraobservaties verricht waaruit is gebleken dat de woning van verdachte wanneer de vrouwen die in de tenlastelegging met name zijn genoemd aanwezig zijn veelvuldig door mannen is bezocht. Verdachte verklaart ter terechtzitting van 10 mei 2012 dat de vrouwen allemaal bij hem op bezoek zijn gekomen in de ten laste gelegde periode nadat hij in 2010 hierover is benaderd door ene '[persoon 1]' en een meisje genaamd [slachtoffer 8], beiden afkomstig uit Hongarije. Met '[persoon 1]' en '[persoon 2]' heeft verdachte regelmatig contact gehad via de telefoon. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat alle telefoongesprekken die in het tapdossier aan hem zijn gelinkt door hem zijn gevoerd. Verdachte spreekt hierin met derden over de 'plaatsing' en de inkomsten die hij zal krijgen. Evenzo vond er veelvuldig facebook-contact plaats met onder meer [persoon 1]. Verdachte heeft zijn huis ter beschikking gesteld en voortdurend gehouden ten behoeve van de prostitutiewerkzaamheden van de genoemde vrouwen, heeft ze herhaaldelijk opgehaald van het vliegveld, plaatste de genoemde advertenties en waardeerde deze ook op, althans instrueerde de vrouwen hoe dat te doen. Ten slotte heeft verdachte incidenteel geld doorgesluisd voor één of meer vrouwen.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte voortdurend zijn woning ter beschikking stelde en bleef stellen van de genoemde vrouwen om daar hun prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Verdachte maakte ook, al dan niet via derden, aan verschillende Hongaarse vrouwen kenbaar wanneer zijn woning beschikbaar was. Het enkele doel van verblijf van de vrouwen in Nederland was het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. Uit de tapgesprekken met '[persoon 1]' en '[persoon 2]' komt naar voren dat verdachte een planning verzorgde en geld verdiend heeft aan de komst van de vrouwen en hun prostitutiewerkzaamheden.

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte degene was die in eerste instantie het initiatief heeft genomen tot het beschikbaar stellen van zijn woning aan de Hongaarse vrouwen. Echter, verdachte heeft, toen de eerste vrouwen eenmaal bij hem in de woning geweest waren, op een actieve wijze meegewerkt aan herhaald verblijf van deze vrouwen en verblijf van andere vrouwen. Telkens met het doel deze vrouwen in zijn woning prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten. Dat de vrouwen zelf initiatief namen om naar Nederland te komen om hier prostitutie te bedrijven vanuit de woning van verdachte doet daar niet aan af. Verdachte wist immers dat de vrouwen hier kwamen om prostitutie te bedrijven en handelde daar ook op actieve wijze naar. Nu de Hoge Raad oordeelt dat de gehanteerde terminologie, gelet op het te beschermen belang, ruim moet worden uitgelegd, oordeelt de rechtbank dat er, gelet op de voorgaande feitelijke omstandigheden, is sprake van aanwerven met het oogmerk een ander in en ander land (te weten Nederland) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde(n) tegen betaling.

Voor het medenemen acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig in het dossier. Weliswaar haalde verdachte de vrouwen een aantal keren van het vliegveld op doch daarin ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding deze handelingen te kwalificeren als 'medenemen' in de zin van artikel 273 eerste lid onder 3 van het Wetboek van Strafrecht. Overigens zijn er geen aanwijzingen dat verdachte andere handelingen heeft verricht die kunnen worden opgevat als medenemen. Van het bestanddeel medenemen zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

In tegenstelling tot de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat medeplegen niet bewezen kan worden. Uit de tapgesprekken komt naar voren dat verdachte overleg pleegde omtrent onder meer de planning van de komst van de vrouwen. Voor het vervullen van een specifieke rol in samenwerking met een ander is in het dossier echter onvoldoende bewijs te vinden. Van bewuste en nauwe samenwerking is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken. Ook van het medeplegen dient verdachte te worden vrijgesproken.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel zoals hierna bewezenverklaard.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 6 december 2011 te Eindhoven en/of in Hongarije,

anderen genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8],

heeft aangeworven

telkens met het oogmerk die anderen in een ander land, te weten in

Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

één of meer seksuele handelingen met of voor derden tegen betaling.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens vordert zij de verbeurdverklaring van de in beslag genomen DVD. Bij haar strafeis neemt de officier van justitie de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee. Tevens betrekt zij bij haar eis het feit dat verdachte heeft gehandeld uit eigen gewin, dat hij een kwetsbare groep vrouwen heeft aangeworven en medegenomen voor de prostitutie en het recidivegevaar. Bij de strafmaat neemt de officier van justitie als uitgangspunt de OM-richtlijn die uitgaat van een vrijheidsbeneming van 6 maanden per aangeworven vrouw.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is tezamen met het op schrift gestelde requisitoir aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman betoogt dat de op te leggen vrijheidsbeneming korter dient te zijn dan de tot nog toe ondergane voorlopige hechtenis.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheidheden in het nadeel van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte heeft met zijn handelen het mogelijk aantasten van het recht op integriteit en vrijheid van de betrokken vrouwen door middel van illegale prostitutie gefaciliteerd en bijgedragen aan ongeoorloofde concurrentie met legale prostitutie terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat illegale prostitutie overlast kan veroorzaken. ook ontbreekt (medisch) toezicht op de door verdachte aangeworven vrouwen.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee:

- verdachte werd terzake strafbare feiten soortgelijk aan het door hem gepleegde strafbare feit niet eerder tot straf veroordeeld;

- er is niet gebleken dat de betrokken vrouwen werden gedwongen te werken in de prostitutie;

- verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in grote mate openheid van zaken gegeven.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het aantal aangeworven vrouwen niet doorslaggevend voor de op te leggen straf. Veeleer is bepalend de omvang van de bewezenverklaarde periode. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn die aan verdachte toebehoren en met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 273f.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Mensenhandel, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 1.00 STK DVD PHILIPS DVD-R A.19 - A.70.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het

onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. van Lokven, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. van der Weele, griffier,

en is uitgesproken op 24 mei 2012.

Mr. C.A. Mandemakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.