Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW6428

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
AWB 12/53 en 12/56
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ1287, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking subsidie voor restauratie molen; artikel 4:48 Awb

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid, op grond van het bepaalde in artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a van de Awb, de subiside heeft kunnen intrekken. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding hoefde te zien om de hardheidsclausule toe te passen. Daarbij neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat restauratie van de molen voor hem, vanuit een oogpunt van het in stand houden van het culturele erfgoed van de provincie, thans niet hoog meer op de agenda staat, mede vanwege de op dit moment heersende financiële crisis. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder rechtsongelijkheid voorziet wanneer aan eiser alsnog subsidie wordt verleend, terwijl anderen die in het kader van Impuls 2 de vereiste start- dan wel einddatum evenmin hebben gehaald en ten aanzien van wie eveneens intrekkingsbesluiten zijn genomen, niets ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/53 en 12/56

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2011 in de zaken tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: G.H. Keunen)

en

het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigden: mr. R.H. Pereira en F.J. Teurlings)

<b>Procesverloop</b>

Bij besluiten van 7 juli 2011 (de primaire besluiten) heeft verweerder twee eerdere besluiten tot subsidieverlening ten behoeve van de restauratie van de bij eiser in eigendom zijnde molen ingetrokken.

Bij besluiten van 28 november 2011 en 1 december 2011 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de daartegen door eiser ingediende bezwaarschriften ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2002. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

<b>Overwegingen</b>

<i>Feiten en voorgeschiedenis</i>

1. Eiser is eigenaar van een molen, plaatselijk bekend als “[naam molen]”, gelegen aan de [adres] te [plaats]. In de molen en de aangelegen gebouwen baat eiser een restaurant uit. De molen verkeert in slechte staat en benodigt restauratie.

2. Op 5 december 2008 is ten aanzien van eiser door verweerder een besluit tot verlening van subsidie ter hoogte van € 74.000,-- genomen ten behoeve van de restauratie van de molen. Op 14 april 2010 is vervolgens door verweerder besloten tot subsidieverlening ten bedrage van € 129.233,--. Het besluit van 5 december 2008 was gegrond op de “Kaderstellende notitie Erfgoed 2008-2011”, ook wel genoemd “Impuls 1”. Het besluit van 14 april 2010 was gegrond op de “Subsidieregeling Impuls Restauratie Monumenten 2009”, ook wel genoemd “Impuls 2”.

3. Aan het besluit van 5 december 2008 (hierna te duiden als: besluit Impuls 1) was als voorwaarde verbonden dat het restauratieproject vóór 31 december 2011 klaar moest zijn. Aan het besluit van 14 april 2010 (hierna te duiden als: besluit Impuls 2) was de voorwaarde verbonden dat het restauratieproject vóór 1 december 2010 moest zijn gestart en dat het vóór 1 juli 2012 klaar moest zijn. In verband met het besluit Impuls 2 is de termijn die aan het besluit Impuls 1 was verbonden, eveneens vastgesteld op 1 juli 2012.

4. Tegen het besluit Impuls 1 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Tegen het besluit Impuls 2 heeft eiser bezwaar gemaakt, waarbij hij zich op het standpunt stelde dat het verleende subsidiebedrag te laag was. Dat bezwaar is door verweerder bij besluit van 9 december 2010 niet-ontvankelijk verklaard vanwege een onverschoonbare termijnoverschrijding. Dit standpunt van verweerder is door deze rechtbank bij uitspraken van 17 maart 2011 (in beroep) en 21 juli 2011 (in verzet) bevestigd.

5. In de periode die is gelegen tussen het besluit Impuls 1 en de primaire besluiten van 7 juli 2011 heeft eiser aan verweerder meermalen te kennen gegeven dat hij de aan de besluiten Impuls 1 en 2 verbonden termijnen niet kon halen, nu onduidelijkheid bestond over de hoogte van het subsidiebedrag. Eiser heeft daarbij medegedeeld dat het niet mogelijk was om investeerders te zoeken voor het restant van het voor de restauratie benodigde bedrag (de subsidie was niet kostendekkend) zolang die onduidelijkheid er was.

6. Bij brief van 31 januari 2011 heeft verweerder aan eiser bericht dat hij, in strijd met de aan het besluit Impuls 2 verbonden voorwaarde, niet vóór 1 december 2010 met de werkzaamheden was gestart. Verweerder heeft eiser bij die brief in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 22 februari 2011 schriftelijk te onderbouwen wat de stand van zaken is rondom de restauratie en waarom uitstel nodig is. Voorts wenste verweerder inzicht te krijgen in de manier waarop eiser werkt aan het oplossen van de knelpunten die restauratie verhinderen. Tot slot verzocht verweerder eiser om informatie te verstrekken over de (data van de) verschillende te nemen stappen tot aan afronding van de restauratie. Verweerder heeft in genoemde brief eiser medegedeeld dat afhankelijk van de inhoud van eisers reactie zal worden beslist of er uitstel zal worden verleend, waarbij met name zal worden gekeken naar de mate waarin verweerder het project levensvatbaar acht.

7. Omdat de hierop zijdens eiser gekomen reactie verweerder er niet van heeft overtuigd dat het project levensvatbaar was en dat de werkzaamheden waarvoor subsidie was verleend nog zouden plaatsvinden, heeft verweerder bij de primaire besluiten de besluiten Impuls 1 en 2 met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingetrokken, welke intrekkingen hij bij de bestreden besluiten heeft gehandhaafd.

<i>Standpunten van partijen</i>

8. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten (onder verwijzing naar de door zijn hoor-en adviescommissie voor de behandeling van bezwaar-en beroepschriften opgestelde adviezen) op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat voldoende zekerheid bestaat over de financiering en dat er geen plan is voor de feitelijke uitvoering van de restauratie. Om die reden is volgens verweerder terecht geen uitstel verleend. Nu de activiteiten voorts niet tijdig zijn aangevangen, kon de verlening van de subsidie op grond van artikel 4:48 van de Awb worden ingetrokken. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat (gelijk in de primaire besluiten is vermeld) hij van mening is dat geen redenen bestonden voor toepassing van de in de aan het besluit Impuls 2 ten grondslag liggende regeling opgenomen hardheidsclausule.

9. Eiser heeft in beroep, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Nadat een aanvankelijk ingezet traject waarin het Rijk subsidie zou verlenen ten behoeve van de restauratie, op niets was uitgelopen, is uiteindelijk door verweerder het besluit Impuls 2 genomen. Voor eiser was echter niet aanstonds duidelijk waarom de vaststelling van het subsidiabele bedrag € 108.000,-- euro lager was dan het bedrag waarom hij had verzocht, nu het schrappen van dat bedrag door verweerder niet was onderbouwd. Eiser heeft daarom meerdere malen, eerstens op 20 april 2010, verzocht om een nadere toelichting. Verweerder heeft daarop echter pas drie maanden later gereageerd en daarom kon op dat moment pas bezwaar worden gemaakt tegen het besluit Impuls 2. Gedurende de tijd dat de bezwaar-, beroeps- en verzetprocedures liepen, bestond steeds onduidelijkheid over de uiteindelijke hoogte van het subsidiebedrag en was het niet mogelijk om de benodigde aanvullende fondsen te werven. Dat is te wijten aan het nalatige gedrag van verweerder. Als gevolg van de intrekkingen heeft de gemeente Heusden, die zich in een eerder stadium bereid had verklaard om een substantiële financiële bijdrage te leveren, zich teruggetrokken. Ook dat is aan verweerder te wijten. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat nu het restauratieproject ten tijde van de subsidieverlening door verweerder als uitvoeringsgereed is beoordeeld, verweerder in strijd heeft gehandeld met haar eigen subsidieregelingen door de subsidie thans in te trekken omdat er geen deugdelijk uitvoeringsplan zou zijn. Tot slot is aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule.

<i>Het oordeel van de rechtbank</i>

10. In artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a van de Awb is – voor zover hier van belang – bepaald dat het bestuursorgaan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de subsidieverlening kan intrekken indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden.

11. Tussen partijen staat vast dat de aan de subsidieverlening verbonden termijn waarbinnen met de werkzaamheden had moeten zijn gestart (vóór 1 december 2010) niet is gehaald. Voorts staat tussen partijen vast dat de termijn waarbinnen de werkzaamheden gereed dienden te zijn (vóór 1 juli 2012) evenmin zou worden gehaald; eiser had immers met het oog op die verwachting verzocht om verlenging van die termijn. De activiteiten waarvoor de subsidie was verleend, zouden dus niet meer (binnen de gestelde termijn) plaatsvinden. Dat betekent dat verweerder bevoegd was om de besluiten Impuls 1 en 2 met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a van de Awb in te trekken.

12. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

13. De rechtbank zal in het kader daarvan allereerst beoordelen of eiser terecht aanvoert dat het voor hem niet mogelijk was om de voor de restauratie benodigde aanvullende fondsen te werven gedurende de periode dat onzekerheid bestond over de hoogte van het subsidiebedrag, en dat hij om die reden geen aanvang kon maken met de restauratie van de molen. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

14. Hoewel vast staat dat verweerder pas op een laat moment de door eiser op het besluit Impuls 2 verzochte toelichting heeft verschaft, en hoewel voorts vast staat dat daarna diverse juridische procedures hebben gelopen naar aanleiding van dat besluit en omtrent de hoogte van het subsidiebedrag, maakt dit niet dat eiser niet reeds op dat moment gehouden was om de aan de besluiten Impuls 1 en 2 verbonden prestaties te verrichten. Het lag op eisers weg om, ook bij het – in zijn ogen – ontbreken van duidelijkheid omtrent de definitieve hoogte van het subsidiebedrag, te trachten de financiële onderbouwing van het project rond te krijgen door middel van het aanzoeken van geldschieters dan wel het werven van fondsen. Eiser was zelf van mening dat het verleende subsidiebedrag te laag was en dat verweerder daaromtrent duidelijkheid diende te verschaffen. Eiser heeft vervolgens, toen verweerders toelichting volgens hem niet volstond, bezwaar en beroep ingesteld, welke procedures de nodige tijd in beslag hebben genomen. Dat betekent echter niet dat eiser niet op basis van de op dat moment wel voorhanden zijnde gegevens, te weten de bij de besluiten Impuls 1 en 2 verleende subsidiebedragen, kon overgaan tot fondsenwerving. Eiser heeft in zijn brief van 17 februari 2011 aan verweerder geschreven: <i>“Ten aanzien van c) wordt opgemerkt dat er slechts één knelpunt is, NL de financiering, de definitieve hoogte van de provinciale bijdrage. Wanneer dit punt helder is geworden dan zal de rest van het financiële plaatje wel rondkomen. Ondergetekende kan op dit moment niet anders dan de uitkomst van de lopende beroepsprocedure afwachten. Een rechtvaardige uitkomst zou zijn dat een subsidiabel bedrag van 400.000,- euro wordt vastgesteld met een overeenkomstig verhoogd subsidie. Dan komt het resterende bedrag wel bij elkaar.”</i> De rechtbank is mede op grond hiervan van oordeel dat eiser een te afwachtende houding heeft aangenomen. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij in de bewuste periode wel een tweetal fondsen heeft benaderd en dat één van die fondsen, het Bouwcultuurfonds, eiser te verstaan heeft gegeven dat zolang niet duidelijk was hoe hoog het subsidiebedrag zou zijn, geen uitkering kon worden gedaan uit het fonds. De rechtbank is van oordeel dat, wat daar verder ook van zij, hieruit nog niet volgt dat het voor eiser onmogelijk was om aanvullende fondsen te werven, zodat hij een aanvang kon maken met de restauratiewerkzaamheden. Gesteld noch gebleken is immers dat eiser heeft getracht om zodanige fondsen te werven onder aanvoeren van het alleszins legitieme argument dat van de bij de besluiten Impuls 1 en 2 verleende bedragen dient te worden uitgegaan en dat, eventueel na bezwaar en beroep, die bedragen hooguit nog zouden kunnen stijgen. In plaats daarvan heeft eiser klaarblijkelijk berust in de afwijzende houding van het Bouwcultuurfonds en de bal op die manier – ten onrechte – weer bij verweerder gelegd. Voorts is gesteld noch gebleken dat eiser niet – al dan niet onder aanvoeren van genoemd argument – andere fondsen dan de twee ter zitting genoemde fondsen had kunnen aanzoeken.

15. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in strijd met zijn eigen subsidieregelingen heeft gehandeld door in de brief van 31 januari 2011 te verzoeken om een onderbouwing van de te nemen stappen tot aan afronding van de restauratie. Dat het project ten tijde van de verlening van de subsidie als ‘uitvoeringsgereed’ is beoordeeld door verweerder, betekent niet dat indien (voorzien wordt dat) de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, niet worden verricht, verweerder niet met toepassing van artikel 4:48 van de Awb kan overgaan tot intrekking van de verleningsbesluiten. Aan zodanige intrekking ligt immers een andere beoordeling ten grondslag dan de beoordeling van de uitvoeringsgereedheid die plaatsvindt bij verlening van de subsidie, en wel: de beantwoording van de vraag of te verwachten valt dat het project ook daadwerkelijk, na het afleggen van rekening en verantwoording, naar behoren zal zijn uitgevoerd. De stelling treft daarom geen doel.

16. Uit het in rechtsoverweging 14 en 15 overwogene vloeit voort dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de besluiten Impuls 1 en 2.

17. Eiser heeft tot slot betoogd dat verweerder gebruik had dienen te maken van de in artikel 11 van de Subsidieregeling Impuls Restauratie Monumenten 2009 opgenomen hardheidsclausule. Die bepaling luidt als volgt: <i>“Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen in deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van het instandhouden van het culturele erfgoed in de provincie Noord-Brabant hiermee wordt geschaad en daardoor zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.”</i> De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid van verweerder die zij slechts marginaal kan toetsen. Dat toetsingskader in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding had behoeven te zien om die hardheidsclausule in het onderhavige geval toe te passen. Daarbij neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat restauratie van de molen voor hem, vanuit een oogpunt van het in stand houden van het culturele erfgoed van de provincie, thans niet hoog meer op de agenda staat, mede vanwege de op dit moment heersende financiële crisis. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder rechtsongelijkheid voorziet wanneer aan eiser alsnog subsidie wordt verleend, terwijl anderen die in het kader van Impuls 2 de vereiste start- dan wel einddatum evenmin hebben gehaald en ten aanzien van wie eveneens intrekkingsbesluiten zijn genomen, niets ontvangen.

18. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de bestreden besluiten de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan. Dat brengt met zich dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard, waarbij geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.H. Rijken - Lie, rechter, in aanwezigheid van mr. W.E. Dijkstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

<b>Rechtsmiddel</b>

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.