Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW6400

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
01/820235-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van 'met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam' (art. 243 Sr.).

Het slachtoffer lag te slapen en werd wakker omdat er iemand bij haar onder de dekens kroop en seksuele handelingen bij haar pleegde. Sprake van een situatie tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn in (sluimering die op een diepe slaap volgt), waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij weerstand biedt aan seksuele verlangens van een ander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/820235-12

Datum uitspraak: 25 mei 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1968],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 april 2012.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 mei 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 november 2011 te Valkenswaard, met [slachtoffer], van

wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer], hebbende verdachte een vinger in de vagina van voornoemde [slachtoffer]

gebracht en/of voornoemde [slachtoffer] aan haar vagina gelikt en/of voornoemde

[slachtoffer] ertoe bewogen hem, verdachte, te pijpen en/of voornoemde [slachtoffer]

betast bij haar vagina en/of haar borsten;

(artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 november 2011 te Valkenswaard met [slachtoffer], van wie

hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn of

lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd bestaande uit het vingeren van voornoemde [slachtoffer] en/of het likken aan

de vagina van voornoemde [slachtoffer] en/of het voornoemde [slachtoffer] ertoe

bewegen hem, verdachte, te pijpen en/of het bestasten van de vagina en/of de

borsten van voornoemde [slachtoffer];

art. 247 Wetboek van Strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, op gronden zoals in de pleitnota genoemd, aangevoerd dat zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat aangeefster heeft verklaard dat zij wakker was en dat zij derhalve niet in een staat van verminderd bewustzijn of van lichamelijke onmacht verkeerde.

Het oordeel van de rechtbank.1

[slachtoffer] heeft aangifte tegen verdachte gedaan. Zij heeft het navolgende verklaard.

Op 18 november 2011 hebben zij en haar vriend [persoon X] bij verdachte gegeten. Na het eten zijn [persoon X] en verdachte naar het voetballen gegaan. Zij had met [persoon X] afgesproken dat hij om 24.00 uur thuis, in de woning van [persoon X] aan de [adres] te [woonplaats], zou zijn. Zij heeft die avond meermalen telefonisch contact met [persoon X] gehad. In deze contacten hadden zij het er regelmatig over dat zij die avond seks met elkaar zouden hebben. Omstreeks 24.00 uur heeft zij [persoon X] een bericht gestuurd waarin zij schreef dat hij laat was. Uit de reactie van [persoon X] op dit bericht begreep zij dat hij later thuis zou zijn. Zij heeft [persoon X] toen een berichtje gestuurd met de vraag of hij haar wakker wilde maken als hij thuis was, zodat zij seks met elkaar konden hebben.

Zij is vervolgens gaan slapen. Op enig moment werd zij wakker, omdat er iemand bij haar onder de dekens kroop. Diegene had zijn hoofd ter hoogte van haar middel en had zijn benen richting de zijkant van het bed. De persoon ging met zijn hand in haar onderbroek. Toen zij dit voelde draaide zij zich op haar rug en deed ze haar benen wat uit elkaar. Ze dacht dat het [persoon X] was, die het goed kwam maken omdat hij te laat thuis was. Zij kon die persoon niet zien, omdat zij haar hoofd boven het dekbed had en de persoon zich onder het dekbed bevond. Bovendien was het donker in de kamer, omdat de rolluiken dicht waren, de slaapkamerdeur dicht was en er geen verlichting in de slaapkamer brandde.

De persoon trok vervolgens haar onderbroek uit en begon haar te beffen en te vingeren. Zij voelde dat de persoon zijn vinger in haar vagina bracht en vervolgens op- en neergaande bewegingen met zijn vinger maakte. De persoon likte ondertussen aan haar clitoris. Dit deed de persoon echter zo slecht dat zij een orgasme heeft gefaket om er van af te zijn. Zij dacht dat dit kwam omdat [persoon X] veel had gedronken. Daarna is zij onder het dekbed gekropen en is zij met haar gezicht boven het kruis van de persoon gaan hangen. Zij voelde dat de persoon zijn broek en onderbroek naar beneden deed. Zij nam zijn penis in haar hand en vervolgens in haar mond. Zij merkte toen dat de penis anders proefde dan die van [persoon X]. Ook merkte zij dat er geen haar op de ballen van deze persoon zat, terwijl [persoon X] dat wel had. Ook merkte zij dat de persoon twee ballen had, terwijl [persoon X] er maar één heeft. Ze schrok hiervan en vroeg de persoon wie hij was. Ze kon niet zien wie het was, omdat het donker in de kamer was. Uiteindelijk zei de persoon: "Sorry, ik denk dat ik teveel heb gedronken". Zij hoorde toen dat het [verdachte], verdachte, was. Toen ze de deur van de slaapkamer opendeed zag ze ook dat het verdachte was.

Ze is daarna naar de badkamer gelopen om haar tanden te gaan poetsen, omdat ze het vies vond dat ze de penis van verdachte in haar mond had gehad. Verdachte liep haar achterna naar de badkamer. Ze schreeuwde toen dat hij naar beneden moest gaan. Ze schreeuwde hierna nog een keer dat hij uit haar zicht moest verdwijnen en dat hij [persoon X] wakker moest gaan maken. Toen ze haar tanden aan het poetsen was raakte ze in paniek, omdat ze bang was dat verdachte weg zou gaan. Zij zou dan alles zelf aan [persoon X] moeten vertellen en hij zou haar misschien niet geloven als verdachte er niet bij was om toe te geven wat hij had gedaan. Ze is daarop naar beneden gestormd. Ze zag dat [persoon X] nog op de bank lag te slapen en dat verdachte naar hem keek. Ze begon te schreeuwen waarom hij [persoon X] nog niet wakker had gemaakt en hem nog niet had verteld wat hij had gedaan. [persoon X] werd toen wakker en vroeg waarom ze aan het schreeuwen was. Ze schreeuwde toen naar verdachte dat hij moest vertellen wat hij had gedaan. Verdachte vertelde [persoon X] toen dat hij seksuele handelingen met haar had gepleegd. Wat later is verdachte op verzoek van [persoon X] gegaan.2

Verdachte heeft het navolgende verklaard.

Hij is op 18 november 2011 met [persoon X] gaan zaalvoetballen. Daarna zijn zij samen nog wat gaan drinken. [persoon X] heeft hem daarna gevraagd of hij nog wat bij hem thuis wilde komen drinken. Zij zijn toen samen naar het huis van [persoon X] gegaan. Na daar nog wat gedronken te hebben zijn zij beiden op de bank in slaap gevallen. Op een gegeven moment werd hij wakker en wilde hij naar huis gaan. Hij heeft toen geprobeerd [persoon X] wakker te maken, hetgeen hem niet lukte.3 Hij wilde vervolgens zijn fiets pakken en naar huis gaan, maar bedacht toen dat het verstandig was om [slachtoffer] te vertellen dat [persoon X] met een fles bier in zijn hand op de bank lag te slapen.

Hij is toen naar boven gelopen en heeft de deur van de slaapkamer, waar [slachtoffer] lag te slapen, opengemaakt. Hij is naast het bed gaan staan en heeft haar op haar arm getikt en heeft haar arm gestreeld.4 Deze handelingen verrichtte hij nog met de intentie om [slachtoffer] wakker te maken.5 Daarna heeft hij haar borsten gestreeld en heeft hij haar vagina aangeraakt.6 Toen ging [slachtoffer] rechtop zitten en vroeg hem waar hij mee bezig was. Hij was hiervan geschrokken, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat ze het prettig vond.7 Hij had het idee dat [slachtoffer] hem herkende op het moment dat ze overeind kwam. Hij kan zich voorstellen dat zij hem daarvoor niet herkende.8

Verdachte ontkent de vagina van [slachtoffer] te hebben gelikt en zijn vinger in haar vagina te hebben gebracht. Voorts ontkent hij dat [slachtoffer] hem heeft gepijpt.

[persoon X] is geen getuige geweest van hetgeen zich in de slaapkamer heeft afgespeeld. Zijn verklaring ondersteunt de verklaring van aangeefster echter wel op essentiële punten. Hij heeft verklaard dat hij op de bank lag te slapen en dat hij - zoals [slachtoffer] ook heeft verklaard - wakker werd van het geschreeuw van [slachtoffer]. Zij schreeuwde op dat moment tegen verdachte dat hij moest vertellen wat er was gebeurd. Verdachte zei tegen [persoon X] dat hij zich nooit als [persoon X] wilde voordoen. [persoon X] is toen boos geworden en heeft verdachte verzocht het huis te verlaten, waarop verdachte de woning heeft verlaten. [slachtoffer] heeft hem toen verteld dat verdachte onder de dekens was gekomen en haar had gevingerd en gelikt. [slachtoffer] wilde verdachte toen gaan pijpen, maar merkte toen dat niet hij, [persoon X], maar iemand anders bij haar in bed was komen liggen. [slachtoffer] vertelde [persoon X] voorts dat zij zich heel schuldig naar hem toe voelde, omdat ze niet gelijk in de gaten had dat hij het niet was.9

De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de verklaring van aangeefster en hecht geloof aan haar verklaring. Zij heeft verklaard dat verdachte, in tegenstelling tot haar vriend [persoon X], geen schaamhaar en twee teelballen had. Mede hierdoor merkte zij dat degene die zij pijpte niet haar vriend [persoon X] was.

Verdachte heeft verklaard dat zijn geslachtsdeel geen bijzonderheden heeft.10 De vrouw van verdachte heeft verklaard dat verdachte het gebied rondom zijn penis en balzak kaal scheert.11 Nadat verdachte met deze verklaring van zijn vrouw is geconfronteerd heeft hij toegegeven dat hij dit wel eens doet.12

[slachtoffer] kan enkel weet hebben van deze kenmerken van het geslachtsdeel van verdachte als zij het geslachtsdeel van verdachte - in de kamer waar het heel donker was - ook daadwerkelijk heeft aangeraakt.

De rechtbank hecht bovendien geloof aan de verklaring van aangeefster, omdat zij op geen enkele andere wijze dan de wijze waarover zij heeft verklaard te weten kan zijn gekomen dat de persoon die de seksuele handelingen met haar verrichtte niet haar vriend [persoon X], maar verdachte was. Het was zo donker in de kamer dat zij niet kon zien wie de persoon was en bovendien is er niets door verdachte gezegd.

Ook de verklaring van aangeefster dat ze direct na het gebeuren haar tanden is gaan poetsen sterkt de rechtbank in de overtuiging dat [slachtoffer] overeenkomstig de waarheid heeft verklaard.

De rechtbank heeft ook geen enkele aanleiding te veronderstellen dat [slachtoffer] haar verklaring heeft "aangedikt". [slachtoffer] vond het, ook naar haar vriend toe, heel erg dat ze niet eerder in de gaten had dat degene die de seksuele handelingen verrichte niet haar vriend maar een ander was. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom zij - als de verklaring van verdachte waar zou zijn en hij "slechts" haar borsten en vagina zou hebben betast - ook nog zou verklaren dat zij verdachte heeft gepijpt.

Daarbij komt dat de rechtbank de verklaring van verdachte op bepaalde punten volstrekt onaannemelijk en ongeloofwaardig acht. Verdachte heeft verklaard dat hij [persoon X] heeft geprobeerd wakker te maken, maar dat hem dit niet lukte. De rechtbank stelt vast dat [persoon X] een paar minuten later wel wakker werd van het geschreeuw van [slachtoffer]. Als verdachte [persoon X] echt wakker had willen maken dan had hij hem door het roepen van zijn naam wakker kunnen maken. De rechtbank acht het voorts hoogst onaannemelijk dat verdachte naar [slachtoffer], die boven lag te slapen, is gelopen, enkel met de intentie om haar wakker te maken en haar te waarschuwen dat [persoon X] beneden met een fles bier in zijn hand op de bank lag te slapen. Als verdachte haar daadwerkelijk wakker zou willen hebben maken om haar hiervoor te waarschuwen, dan ligt het veeleer voor de hand dat hij op de slaapkamerdeur zou hebben geklopt, haar naam zou hebben geroepen of hebben gezegd dat ze wakker moest worden en dan zou hij wellicht een lamp hebben aan gedaan. Hij zou dan niet zonder te kloppen de slaapkamer zijn binnen gegaan, de slaapkamerdeur achter zich hebben gesloten en haar op haar arm hebben getikt en haar arm hebben gestreeld zonder één woord te zeggen.

De rechtbank acht gelet op de aangifte van [slachtoffer], die wordt ondersteund door de verklaring van [persoon X] en deels door de verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een vinger in de vagina van [slachtoffer] heeft gebracht, dat hij aan haar vagina heeft gelikt, haar vagina en borsten heeft betast en [slachtoffer] ertoe heeft bewogen hem te pijpen.

De raadsman heeft echter aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat [slachtoffer] in een staat van verminderd bewustzijn of in een staat van lichamelijke onmacht verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat [slachtoffer] in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en heeft daartoe als volgt overwogen.

Bij Wet van 13 juli 2002, Staatsblad 388 (inwerkingtreding op 1 oktober 2002) is het bestanddeel "verminderd bewustzijn" aan de wettekst toegevoegd. Het "verminderd bewustzijn" is, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2000-2001,

27 745 nr. 3) aan de wettekst toegevoegd, omdat er sprake was van een leemte in de wet die moest worden opgevuld. Deze leemte was door het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 1998, NJ 1998, 534 met LJN: ZD0980 aan het licht gekomen. In die zaak was verkrachting (artikel 242 Sr) aan verdachte ten laste gelegd. Verdachte was - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij het slachtoffer door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging of een andere feitelijkheid had gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen. Ten tijde van de handelingen was het slachtoffer (half) in slaap. Het slachtoffer verkeerde in de veronderstelling dat degene die de seksuele handelingen verrichtte haar vriend was en zij heeft om die reden de seksuele handelingen die door verdachte werden gepleegd toegestaan. In die zaak werd aan orde gesteld of in een dergelijk geval sprake was van "dwingen". De Hoge Raad heeft hieromtrent het navolgende overwogen: "In de tenlastelegging is het begrip dwingen kennelijk gebezigd in de betekenis die aan dit begrip in art. 242 Sr toekomt. Van zodanig dwingen kan slechts sprake zijn indien de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in art. 242 Sr bedoelde handelingen tegen haar wil heeft ondergaan (...).

Daarvan en dus van overtreding van art. 242 Sr is geen sprake indien het slachtoffer doordat zij (half) in slaap was door misleiding van de kant van de verdachte zijn identiteit diens handelingen heeft toegelaten."

De minister heeft vervolgens gezegd (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2000-2001, 27 745 nr. 3): "De zaak van de verkrachting van de slapende vrouw die heeft geleid tot de uitspraak van de Hoge Raad van 24 maart 1998, betrof een uitzonderlijke casus, omdat het slachtoffer in een toestand van halfslaap misleid werd omtrent de identiteit van degene die met haar gemeenschap wenste en daardoor deze gemeenschap toeliet. Zij werd niet gedwongen en was niet onmachtig. Zij werd misleid in een toestand van verminderde bewustzijnstoestand. Ik meen dat deze zaak een leemte aan het licht heeft gebracht die door de wetgever moet worden opgevuld. " Vervolgens is het begrip "verminderd bewustzijn" aan artikel 243 Sr toegevoegd.

In de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2001-2001, 27 745 nr. 6) wordt door de minister, op de vraag naar een definiëring van dit begrip, voorts het navolgende geantwoord: "Bij de invulling van dit begrip kan men denken aan een situatie van sluimering die aan een diepe slaap voorafgaat of daarop volgt. Men kan ook denken aan situaties waarin de persoon zich bevindt in een roes als gevolg van het innemen van alcohol of drugs. Het gaat niet om de situatie dat iemand geheel weg is. Het gaat om situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn in, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij weerstand biedt aan seksuele verlangens van een ander."

De onderhavige zaak is gelijk aan de casus van het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 1998. [slachtoffer] werd ook in een toestand van halfslaap misleid omtrent de identiteit van degene die seksuele handelingen met haar pleegde.

Het was donker in de slaapkamer, zodat [slachtoffer] niet kon zien dat de persoon die en met wie ze seksuele handelingen pleegde niet haar vriend maar verdachte was. Verdachte heeft bovendien op geen enkele wijze aan [slachtoffer] kenbaar gemaakt dat hij en niet haar vriend [persoon X] degene was die seksuele handelingen met haar pleegde.

De raadsman heeft echter aangevoerd dat [slachtoffer] niet in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, omdat zij, zoals zij zelf heeft verklaard, wakker was. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij lag te slapen en dat zij wakker werd omdat er iemand bij haar onder de dekens kroop. De vriend van [slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] altijd heel vast slaapt en dat ze pas wakker wordt als hij haar wakker schudt. [slachtoffer] was niet direct klaarwakker toen verdachte de seksuele handelingen bij haar pleegde en haar bewoog hem te pijpen. Uit de hierboven weergegeven Nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de wetgever onder meer een situatie van sluimering die op een diepe slaap volgt voor ogen had en situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn in. De rechtbank is van oordeel dat hier in het onderhavige geval sprake van was.

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande. het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 19 november 2011 te Valkenswaard met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte een vinger in de vagina van voornoemde [slachtoffer] gebracht en voornoemde [slachtoffer] aan haar vagina gelikt en voornoemde [slachtoffer] ertoe bewogen hem, verdachte, te pijpen en voornoemde [slachtoffer] betast bij haar vagina en haar borsten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

• een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;

• een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van de voorwaarde met betrekking tot de schadevergoeding.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht er rekening mee te houden dat verdachte een first offender is. Voorts heeft de raadsman verzocht er rekening mee te houden dat verdachte een eigen bedrijf heeft en dat zijn huishouding grotendeels van zijn inkomsten afhankelijk is. Verder heeft de verdediging aangegeven dat verdachte direct het kwalijke van zijn handelen heeft ingezien en dat hij heeft getracht zijn spijt te betuigen. De raadsman heeft tot slot verzocht er rekening mee te houden dat verdachte zich direct na het gebeuren heeft aangemeld voor psychologische hulpverlening.

De raadsman heeft verzocht te volstaan met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is bereid zich aan het meldings- en behandelgebod van de reclassering te houden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte is met zijn vriend [persoon X] mee naar zijn huis gegaan, om daar nog een biertje te drinken. Toen [persoon X] vervolgens op de bank in slaap was gevallen, wilde verdachte naar huis gaan. Echter, in plaats van naar huis te gaan, is hij naar de slaapkamer gegaan, waar [slachtoffer], de vriendin van [persoon X], lag te slapen. Hij heeft vervolgens de borsten en vagina van [slachtoffer] betast. Ook heeft hij een vinger in haar vagina gebracht en heeft hij aan haar vagina gelikt. Hij heeft [slachtoffer] er bovendien toe bewogen hem te pijpen. [slachtoffer] merkte toen dat de penis die zij voelde en die zij in haar mond had niet de penis van haar vriend [persoon X] was. Al die tijd verkeerde [slachtoffer] in de veronderstelling dat degene die de seksuele handelingen pleegde haar vriend [persoon X] was. Zij schrok enorm toen zij er achter kwam dat het niet [persoon X], maar verdachte was die ze aan het pijpen was en die haar had betast.

Verdachte heeft [slachtoffer] vrijwel onherstelbaar leed aangedaan. Hij heeft haar lichamelijke integriteit op ernstige wijze aangetast. [slachtoffer] lag op het moment dat verdachte haar benaderde bovendien te slapen in het huis van haar vriend; een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring volgt ook dat [slachtoffer] psychische gevolgen van hetgeen is gebeurd heeft ondervonden en nog steeds ondervindt.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet en dat hij zijn spijt aan het slachtoffer en haar vriend heeft betuigd. De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte vrijwel direct na het gebeuren hulp heeft gezocht. Verdachte heeft zich voor psychologische hulpverlening aangemeld en heeft reeds gesprekken met een psycholoog gehad. Tot slot houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder wegens enig strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank acht een werkstraf van na te melden duur en een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zal na te noemen bijzondere voorwaarde worden gekoppeld.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de gehele vordering toe te wijzen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft, gezien de door hem bepleite vrijspraak, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren.

De raadsman heeft aangevoerd dat wanneer de rechtbank verdachte niet vrijspreekt, verdachte bereid is de vordering van de benadeelde partij te voldoen.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f,

243.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

BESLISSING:

T.a.v. primair:

Werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

T.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, [adres], 5233 VG te

's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt dat veroordeelde een ambulante behandeling bij GGZ De Omslag te Eindhoven of een soortgelijke instelling zal ondergaan en zich aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven zal houden.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. primair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 3.728,45 subsidiair 47 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 3.728,45 (zegge: drieduizendzevenhonderdachtentwintig euro en vijfenveertig eurocent, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 2.750,- immateriële schadevergoeding en EUR 978,45 materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van EUR 3.728,45

(zegge: drieduizendzevenhonderdachtentwintig euro en vijfenveertig eurocent), te weten EUR 2.750,- immateriële schadevergoeding en EUR 978,45 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr.. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. C.B.M. Bruens en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Hulst, griffier,

en is uitgesproken op 25 mei 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie regio Brabant Zuid-Oost, genummerd PL2233 2011174322.

2 [slachtoffer], p. 39, 41-44.

3 Verklaring van verdachte, p. 19.

4 Verklaring van verdachte, p. 19 en verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 mei 2012.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 mei 2012.

6 Verklaring van verdachte, p. 19 en verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 mei 2012.

7 Verklaring van verdachte, p. 20.

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 mei 2012.

9 Verklaring [persoon X] p. 51.

10 Verklaring van verdachte, p. 31.

11 Verklaring [persoon Y], p. 58.

12 Verklaring van verdachte, p. 36.