Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW6147

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
AWB 11-2226
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een kostenverhaalsbeschikking in verband met een last onder bestuursdwang ten aanzien van asbestvervuiling. Eiser heeft met een hogedrukreiniger het dak van zijn schuur schoongespoten. De last onder bestuursdwang heeft formele rechtskracht. Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat verweerder zich, bij het nemen van een kostenverhaalsbeschikking, de vraag dient te stellen of in redelijkheid tot het verhalen van alle kosten kan worden overgegaan. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de overtreding eiser valt te verwijten. Voorts is het algemeen belang niet in die mate betrokken bij de effectuering van de last onder bestuursdwang, dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van eiser behoren te komen. Niet aannemelijk is dat eiser het verschuldigde bedrag niet binnen een redelijke termijn zal kunnen voldoen. Volgt ongegrondverklaring van het beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/38 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/2226

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2012

inzake

[eiser],

te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. S. Oord,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss,

verweerder,

gemachtigden H. Yildiz en J.F.A.C. Verbruggen.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 9 november 2010 heeft verweerder de kosten van bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 13.265,28.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 mei 2011 ongegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 9 november 2010 in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 juli 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 april 2012, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn echtgenote. Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of verweerders besluit van 27 mei 2011 (hierna: het bestreden besluit) in rechte kan worden gehandhaafd.

<u>Feiten en omstandigheden</u>

2. Tijdens een controle op 22 september 2010 heeft een inspecteur van de afdeling Handhaving van verweerders gemeente geconstateerd dat er, nadat eiser het dak van zijn schuur met een hogedrukreiniger op 18 september 2010 had schoongemaakt, asbestdeeltjes aanwezig waren op en in de omgeving van eisers perceel aan de [adres] te [plaats]. In verband met acuut gevaar voor de volksgezondheid en het milieu heeft verweerder bij brief van 22 september 2010 een last onder bestuursdwang opgelegd wegens het overtreden van artikel 7.3.2 van de Bouwverordening. Tegen dit besluit is geen bezwaar ingediend.

Bij besluit van 9 november 2010 heeft verweerder de kosten van het effectueren van de bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 13.265,28. Het gaat om de kosten van arbeidsuren die door medewerkers van verweerders gemeente zijn besteed aan de uitvoering van de bestuursdwang (€ 756) en de door een derde gemaakte kosten ten behoeve van de asbestsanering en asbestverwijdering (€ 12.509,29).

<u>Standpunten partijen</u>

3. De commissie bezwaarschriften van verweerders gemeente (hierna: de commissie) heeft verweerder geadviseerd het bezwaar van eiser gegrond te verklaren. De commissie is van mening dat verweerder had moeten bezien of de kosten redelijkerwijs geheel ten laste van eiser behoorden te komen. De commissie heeft verweerder geadviseerd het bedrag te matigen tot de kosten die zijn gemoeid met het opruimen van het perceel van eiser zelf. Onder afwijking van het advies van de commissie heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de last onder bestuursdwang van 22 september 2010 rechtskracht heeft verkregen. Volgens verweerder is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden besloten om niet alle kosten van bestuursdwang in te vorderen. De gemaakte kosten zijn volgens verweerder het rechtstreeks gevolg van het handelen van eiser. Niet valt in te zien dat de kosten van het saneren van het asbest deels voor rekening van de gemeenschap zou moeten komen.

4. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder aan de last onder bestuursdwang ten onrechte overtreding van artikel 7.3.2 van de Bouwverordening ten grondslag heeft gelegd. Volgens eiser had de grondslag overtreding van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer moeten zijn. De last onder bestuursdwang is daarmee gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag. Voorts heeft eiser gesteld dat verweerder had moeten beoordelen of er voldoende argumenten waren ter onderbouwing van het standpunt dat er als gevolg van het schoonmaken van het dak van de opstal van eiser ernstige nadelige gevolgen dreigden te ontstaan voor mens/volksgezondheid en milieu. Subsidiair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder, conform het advies van de commissie, niet in redelijkheid de volledige kosten van de bestuursdwang op eiser kan verhalen. De opstal van eiser voldeed aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Volgens eiser is geen sprake van verwijtbaarheid en heeft verweerder niet gemotiveerd of het algemeen belang in zodanige mate betrokken is bij de effectuering van de last onder bestuursdwang waardoor de kosten in redelijkheid voor rekening van de overtreder dienen te komen. Tot slot heeft eiser betoogd dat de onherroepelijkheid van de last onder bestuursdwang niet in de weg staat aan het niet tot volledig kostenverhaal overgaan.

<u>Wettelijk kader</u>

5. Het wettelijk kader luidt als volgt.

6. Artikel 5:25 van de Awb.

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen lasten behoren te komen.

2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

3. Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.

4. De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast.

5. Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid.

6. Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast.

<u>Beoordeling</u>

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen de last onder bestuursdwang van 22 september 2010. Dit besluit heeft hierdoor formele rechtskracht verkregen. Gelet hierop dient de rechtbank bij haar beoordeling uit te gaan van de juistheid van de inhoud en de wijze van tot stand komen van de last onder bestuursdwang. Hetgeen eiser heeft gesteld over de onjuiste grondslag van de last onder bestuursdwang en de aanzegging dat de kosten van de bestuursdwang op hem zullen worden verhaald, kan in onderhavige procedure niet meer aan de orde komen en behoeft daarom geen bespreking. In het besluit van 22 september 2010 is tevens bepaald dat de kosten op eiser zullen worden verhaald. In deze overweging ligt besloten dat volgens verweerder geen sprake is van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van kostenverhaal af te zien. Dat neemt, naar het oordeel van de rechtbank, niet weg dat verweerder zich bij het nemen van een kostenverhaalsbeschikking de vraag dient te stellen of in redelijkheid tot het verhalen van alle gemaakte kosten van bestuursdwang kan worden overgegaan. Dit geldt te meer nu in de last onder bestuursdwang geen indicatie is gegeven van de hoogte van deze kosten. Verweerder dient derhalve bij het vaststellen van de verschuldigde kosten voor het effectueren van de last onder bestuursdwang te bezien of er bijzondere omstandigheden zijn die vergen dat de gemaakte kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. De rechtbank dient dit marginaal te toetsen.

9. Ter beoordeling ligt voor of verweerder in redelijkheid de verschuldigde kosten voor het effectueren van de last onder dwangsom van 22 september 2010 heeft kunnen vaststellen op een bedrag van € 13.265,28. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de overtreding eiser valt te verwijten. De stelling van eiser dat hij niet wist dat het dak van de schuur asbest bevatte, maakt dat niet anders. Wat hier ook van zij, dit komt voor het risico van eiser. Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat het algemeen belang niet in die mate is betrokken bij de effectuering van de last onder bestuursdwang, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van eiser behoren te komen. Ook in de hoogte van de kosten heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om de kosten niet volledig te verhalen. Ter zitting is gebleken dat het eiser reeds vóór het moment waarop de last onder bestuursdwang is opgelegd uit informatie van een asbestsanerings-bedrijf bekend was dat de kosten van het opruimen van de asbestvervuiling enkele duizenden euro’s zou gaan bedragen. Eiser heeft hierin geen aanleiding gezien bezwaar in te stellen tegen het in de last onder bestuursdwang aangezegde kostenverhaal. In beroep heeft eiser de hoogte van de gemaakte kosten niet betwist. Voorts is op basis van de stukken of het verhandelde ter zitting niet aannemelijk geworden dat eiser in een zodanige financiële situatie verkeerd, dat het voor hem vrijwel onmogelijk is het verschuldigde bedrag, eventueel met een betalingsregeling, binnen een redelijke termijn te voldoen. Ook hierin behoefde verweerder geen bijzondere omstandigheid te zien om de kosten niet geheel bij eiser in rekening te brengen.

10. De rechtbank is op het bovenstaande van oordeel dat verweerder op goede gronden van het advies van de commissie is afgeweken. Het beroep is daarom ongegrond.

11. De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spraken of te bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet worden vergoed.

12. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als rechter in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: