Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW6145

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
AWB 11-2387
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:537, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:595, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 12f van het Wetboek van strafvordering bevat geen bijzondere openbaarheidsregeling die de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) buiten toepassing laat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 12f Sv een processuele functie. Anders dan de Wob, regelt dit artikel niet de publieke toegang tot informatie, maar de partijtoegang. De rechtbank wijst in dit verband ter vergelijking op de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 1999 (LJN: AA3778). Het standpunt van verweerder dat artikel 12f Sv eenzelfde strekking heeft als artikel 365 Sv, dat volgens vaste jurisprudentie wel kan fungeren als lex specialis ten opzichte van de wob, volgt de rechtbank niet. Artikel 365, vierde lid, Sv heeft immers een ander karakter, omdat deze in tegenstelling tot artikel 12f Sv de toegang voor een ieder regelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/2387

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

en

de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigden: mw. mr. H.P. van der Woerd en mw. mr. M. van der Vegt).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek tot openbaarmaking van alle stukken die door het arrondissementsparket te ’s-Hertogenbosch aan het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch zijn verstrekt in het kader van een beklagprocedure (referentienummer K10/0586) afgewezen.

Bij besluit van 12 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 november 2011 heeft eiser toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2012. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank stelt voorop dat eiser bij brief van 28 januari 2012 heeft aangegeven dat zijn verzoek om openbaarmaking zich inmiddels beperkt tot de processen-verbaal die betrekking hebben op de aangifte(s) van mevrouw [mevrouw A], voor zover deze zich onder de gevraagde stukken bevinden. Ter zitting is dit desgevraagd door eiser bevestigd. Weliswaar heeft eiser de beschikking over de stukken van de beklagprocedure, maar eiser wil kunnen controleren of verweerder over andere stukken beschikt. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat eiser een belang bij deze procedure niet kan worden ontzegd.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn weigering om de documenten openbaar te maken gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in artikel 12f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een bijzondere regeling voor openbaarmaking van stukken is vervat, die geacht moet worden een lex specialis te zijn ten opzichte van de Wet openbaarheid van bestuur (wob), en die een uitputtend karakter heeft, zodat voor de toepassing van de wob geen plaats is. Volgens verweerder zou indien aan een ieder stukken zouden kunnen worden verstrekt uit de beklagprocedure, afbreuk worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. Openbaarmaking van de door eiser gevraagde documenten op grond van de wob, zal volgens verweerder de exclusieve bevoegdheid van de voorzitter van de raadkamer doorkruisen.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in de jurisprudentie geen steun heeft kunnen vinden voor het standpunt van verweerder dat de bepalingen van de wob wijken voor de door verweerder aangehaalde wettelijke bepaling. Hij is daarom van mening dat verweerder hem de betreffende stukken niet kan onthouden.

4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) wijkt de wob slechts voor een bijzondere openbaarheidsregeling indien deze een uitputtend karakter heeft en neergelegd is in een wet in formele zin. Een regeling is eerst uitputtend indien deze ertoe strekt te voorkomen dat door de toepassing van de wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet (ABRvS 7 februari 2007, LJN AZ7951). Aan de orde is de vraag of het door verweerder aangehaalde artikel 12f Sv een dergelijke bijzondere regeling betreft.

5. Artikel 12f, tweede lid, Sv luidt dat de voorzitter van het gerechtshof, behoudens de gevallen bedoeld in de artikelen 12b en 12c, de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd, alsmede hun advocaten of gemachtigden toestaat van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen indien daarom wordt verzocht. Kennisneming geschiedt op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 12f Sv een processuele functie. Anders dan de Wob, regelt dit artikel niet de publieke toegang tot informatie, maar de partijtoegang. De rechtbank wijst in dit verband ter vergelijking op de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 1999 (LJN: AA3778). Het standpunt van verweerder dat artikel 12f Sv eenzelfde strekking heeft als artikel 365 Sv, dat volgens vaste jurisprudentie wel kan fungeren als lex specialis ten opzichte van de wob, volgt de rechtbank niet. Artikel 365, vierde lid, Sv heeft immers een ander karakter, omdat deze in tegenstelling tot artikel 12f Sv de toegang voor een ieder regelt. Ten slotte wijst de rechtbank ook nog op de parlementaire geschiedenis bij artikel 12f Sv (onder meer TK 1981-1982, kamerstuknummer 15831, ordernummer 6) waaruit volgt dat de partijen die deel uitmaken van de beklagprocedure voor kennisname van de stukken zijn aangewezen op de wob zolang de zaak nog niet aan het oordeel van de rechter is onderworpen. Indien artikel 12f Sv een lex specialis zou zijn, zou toepassing van de wob nimmer aan de orde zijn. Verweerders opvatting dat artikel 12f Sv een lex specialis is ten opzichte van de wob kan daarom geen stand houden. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Verweerder zal alsnog met toepassing van de wob moeten beslissen op eisers verzoek om openbaarmaking. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toepassen van de bestuurlijke lus. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven een einduitspraak van de rechtbank op prijs te stellen, waaruit de rechtbank afleidt dat verweerder geen gebruik zal maken van een bij tussenuitspraak geboden mogelijkheid om het geconstateerde gebrek te herstellen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4,-, zijnde de door eiser gevorderde reiskosten Rosmalen-’s-Hertogenbosch v.v.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 4,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2012.

griffier rechter

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: