Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW4733

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-05-2012
Datum publicatie
03-05-2012
Zaaknummer
AWB 12/990
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De burgemeester van Oss mag een bedrijfspand, waarin op 9 januari 2012 een hennepstekkerij is aangetroffen, sluiten.

De voorzieningenrechter ziet op grond van een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van verweerders besluit, geen aanleiding voor twijfel aan de rechtmatigheid daarvan. De burgemeester sluit het bedrijfspand van verzoeker voor de duur van één jaar. Daarbij zoekt de burgemeester aansluiting bij beleid, dat is vastgesteld in de gemeente 's-Hertogenbosch. In de gemeente Oss is nog geen beleid vastgesteld - of gepubliceerd -, maar dat gaat binnenkort wel gebeuren. De burgemeester beschikt, bij de toepassing van zijn bevoegdheden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, over beleidsvrijheid. De rechter zal terughoudend toetsen. De burgemeester heeft zijn beslissing en de door hem gevolgde gedragslijn voldoende gemotiveerd. Verzoeker heeft zijn stelling dat sluiting voor de duur van één jaar onherroepelijk zal leiden tot het faillissement van zijn bedrijf (vooralsnog) onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/990

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 mei 2012 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

(gemachtigde: mr. L.M.P. van Zandvoort)

en

de burgemeester van de gemeente Oss, verweerder,

(gemachtigde: mr. P.W.B. Verhoeven).

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet het pand aan [adres 1] te [plaats] (kadastraal bekend als [kadastergegevens]), gesloten voor de duur van één jaar, met ingang van 25 april 2012.

Verzoeker heeft op 27 maart 2012 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 maart 2012.

Tevens heeft verzoeker bij brief van 28 maart 2012 de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft laten weten de tenuitvoerlegging van zijn besluit op te zullen schorten tot na de uitspraak op dit verzoek.

De zaak is behandeld op de zitting van 19 april 2012. Verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure

3. Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

4. Aangezien tegen het besluit van 20 maart 2012 tijdig bezwaar is gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure bevoegd zal zijn en ook overigens geen beletselen bestaan, kan verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.

5. De voorzieningenrechter zal beoordelen of aanleiding bestaat verweerders besluit van 20 maart 2012 te schorsen totdat op het ingediende bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.

6. Verzoeker is eigenaar van het pand aan [adres 1] te [plaats] (het pand). In het pand is het bedrijf van verzoeker gevestigd. Dit bedrijf heeft als voornaamste activiteit de verkoop van vleesproducten aan horecaondernemers. Daarnaast is een ruimte in het pand verhuurd aan [bedrijf X].

7. Op 4 januari 2012 is bij Meld Misdaad Anoniem de melding gedaan dat op het industrieterrein in de loods aan [adres 1] te [plaats] een hennepkwekerij is. Door Enexis B.V. is naar aanleiding van deze tip een netwerkmeting verricht, waaruit bleek dat sprake was van bovenmatig stroomverbruik.

8. Op 9 januari 2012 heeft de politie het pand doorzocht en is op de eerste verdieping in een koelcel een hennepstekkerij aangetroffen. De politie heeft de hennepstekkerij diezelfde dag geruimd. De kweekapparatuur (1 inbouwventilator, 26 led tl’s, 1 schakelkast en 4 assimilatielampen met ingebouwde transformatoren) en de hennepplanten (441 hennepmoederplanten en 3.819 hennepstekjes) zijn door de politie in beslag genomen. Uit onderzoek is de fraude-inspecteur van Enexis B.V. gebleken dat geen stroom is gestolen.

9. Bij brief van 22 februari 2012 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt het pand wegens overtreding van de Opiumwet te sluiten voor de duur van één jaar. Verzoeker heeft op de hoorzitting van 14 maart 2012 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

10. Verweerder heeft het pand gesloten omdat in het pand een grote hoeveelheid hennepplanten is aangetroffen. Verweerder zoekt aansluiting bij het beleid van de gemeente ‘s-Hertogenbosch dat door de rechter is geaccepteerd.

11. Verzoeker kan zich met het besluit niet verenigen en heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat de sluiting van het pand grote financiële consequenties heeft. Verzoeker heeft de hennep geteeld om zo uit de financiële problemen te komen. Verzoeker heeft de hennep gedurende slechts een korte periode van vijf weken geteeld. De termijn van een maand om zijn voorraden en andere bedrijfszaken elders onder te brengen en de mogelijkheden te onderzoeken de bedrijfsvoering op een andere locatie voort te zetten is volgens verzoeker te kort.

12. Het wettelijk kader luidt als volgt.

13. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot de oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Op lijst I staan middelen welke ook wel als ”harddrugs” worden aangeduid, de op lijst II vermelde middelen worden ook wel als ”softdrugs” aangeduid.

14. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd is om tot sluiting over te gaan.

15. Niet in geschil is dat de aangetroffen hennepplanten kunnen worden aangemerkt als een middel als bedoeld in lijst II. Evenmin is in geschil dat het bedrijfspand van eiser kan worden aangemerkt als een lokaal in de zin van artikel 13b, eerste lid van Opiumwet. In het pand is een dermate grote hoeveelheid hennepplanten en -stekken aangetroffen dat duidelijk sprake is van een handelshoeveelheid. Verweerder kon dan ook in redelijkheid aannemen dat de hennep in het pand aanwezig was om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Er hoeft geen bewijs voorhanden te zijn dat er daadwerkelijk hennep is verkocht, afgeleverd of verstrekt vanuit het pand (zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 24 september 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: BN8193).

16. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder, volgens voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, bevoegd is het pand met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten.

17. In het bestreden besluit en tijdens de behandeling van het verzoek ter zitting heeft verweerder toegelicht dat in Oss terzake de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet nog geen beleid is vastgesteld. Bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot sluiting heeft verweerder aansluiting gezocht bij het ”Beleid inzake bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet gemeente ’s-Hertogenbosch” van oktober 2008 (het handhavingsbeleid) en het daarop van toepassing zijnde Handhavingarrangement. Nog dit jaar zal, aldus stelt verweerder, een vergelijkbaar beleid ook in Oss worden vastgesteld en gepubliceerd. De voorzieningenrechter oordeelt, mede gelet op de toelichting van verweerder ter zitting, dat sprake is van een door verweerder gevolgde gedragslijn, die nog niet in beleid is vastgelegd. Hoewel de gedragslijn niet is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid van de Awb en hoewel die niet is gepubliceerd, mag verweerder deze gedragslijn volgen, op voorwaarde dat hij de keuze daarvoor bij ieder afzonderlijk besluit voldoende motiveert. Dat verzoeker in Oss de eerste is die met deze nieuwe gedragslijn te maken krijgt, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van 4 februari 1997 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, LJN: AN5319.

18. In het handhavingsbeleid is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

<i>“De sluiting van al dan niet voor het publiek toegankelijke lokalen - niet zijnde woningen - en daarbij behorende erven waarin drugshandel ten aanzien van softdrugs is geconstateerd, vindt plaats met toepassing van uitvoering van de Awb. Dit betekent dat, alvorens een definitief besluit over de sluiting wordt genomen, de belanghebbenden mondeling of schriftelijk op de hoogte worden gebracht van het voornemen tot sluiting en dat zij in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze op het voornemen te geven. De termijnen voor de besluitvorming kunnen gelet op de omstandigheden kort worden gehouden. De sluiting voor drugshandel ten aanzien van softdrugs is voor de duur van een jaar”.</i>

19. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beschikt verweerder over beleidsvrijheid. Aansluiting zoekend bij het hierboven geciteerde handhavingsbeleid uit de gemeente ‘s-Hertogenbosch hanteert verweerder als gedragslijn dat een niet voor het publiek toegankelijk lokaal waarin drugshandel ten aanzien van softdrugs is geconstateerd, voor de duur van één jaar wordt gesloten. De voorzieningenrechter oordeelt deze gedragslijn, voorlopig oordelend, niet kennelijk onredelijk. Ter zitting heeft verweerder zijn besluit toegelicht en gesteld dat hij door de sluiting een einde wil maken aan het gebruik van het pand voor overtreding van de Opiumwet. Doel van de sluiting is preventie en een streven naar de beheersing van de risico’s die gepaard gaan met de teelt van en de handel in softdrugs. Verzoeker heeft gesteld dat hij hennep is gaan telen om uit de financiële problemen te komen. Op dit moment trekt de handel in zijn bedrijf weer aan. Verzoeker kent nu de consequenties van zijn handelen. Hij zal het beslist niet weer doen, zegt hij. Verweerder heeft ter zitting gesteld niettemin te hebben gekozen voor en te volharden in zijn beslissing tot sluiting voor een jaar, omdat voor hem allerminst zeker is dat verzoeker niet zal recidiveren. De reden voor het illegaal telen van hennep is nu niet aanwezig. Over een aantal maanden kan dat echter anders zijn. Verweerder heeft hiermee, volgens voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, de aanvaardbaarheid van zijn beslissing en de door hem gevolgde gedragslijn in het geval van verzoeker voldoende gemotiveerd.

20. Er is geen sprake van een sanctie met een punitief karakter. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet betreft geen strafrechtelijke maar een bestuursrechtelijke bevoegdheid. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 januari 2005, LJN: AR8730, strekt de toepassing van bestuursdwang in een geval als het onderhavige er slechts toe het niet naleven van het bepaalde in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te beëindigen en herhaling te voorkomen.

21. Ook het beroep van verzoeker op het gelijkheidsbeginsel faalt. Volgens de voorzieningenrechter is geen sprake van gelijke gevallen. In het geval van [adres 2] heeft verweerder kennelijk aanleiding gezien de sluiting niet door te zetten omdat de eigenaar/verhuurder kon aantonen dat hij niets met de daar aangetroffen hennepkwekerij te maken had.

22. Verzoeker heeft gesteld dat sluiting van het pand, waarin zijn bedrijf gevestigd is, grote financiële consequenties zal hebben en hoogstwaarschijnlijk tot het faillissement van zijn bedrijf zal leiden. De voorzieningenrechter stelt in dit verband voorop dat de financiële gevolgen van de sluiting van het pand voor de duur van één jaar, wanneer het aankomt op bestuurlijke handhaving, voor rekening van verzoeker komen. Verzoeker heeft zijn stelling dat sluiting onherroepelijk zal leiden tot een faillissement, niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Verzoeker heeft slechts een overzicht verstrekt van zijn lasten. Hij heeft geen inzage verstrekt in de resultaten van zijn bedrijfsvoering. Evenmin heeft hij toegelicht welke - extra - kosten zullen zijn gemoeid met het tijdelijk vinden van een ander onderdak voor zijn voorraden en werkzaamheden. Verweerder heeft, bij deze stand van zaken, opnieuw, volgens het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, het individuele belang van verzoeker in redelijkheid ondergeschikt geacht aan het algemeen belang dat is gediend met de handhaving van de Opiumwet en het tegengaan van het gebruik van panden voor de illegale hennepteelt en de handel in hennep. De voorzieningenrechter hecht in dit verband belang aan het feit dat de teelt van en de handel in hennep plaatsvinden in een crimineel milieu, met alle, ongewenste en risicovolle, randverschijnselen vandien.

23. De voorzieningenrechter volgt verzoeker tot slot niet in de stelling dat verweerder hem onvoldoende tijd heeft gegund zijn bedrijfsactiviteiten elders onder te brengen. Verzoeker is sinds 22 februari 2012 op de hoogte van het voornemen van verweerder om het pand te sluiten. Volgens de voorzieningenrechter is een periode van twee maanden voldoende voor het treffen van maatregelen.

24. De voorzieningenrechter ziet met dit al op grond van een voorlopig oordeel geen aanleiding voor twijfel aan de rechtmatigheid aan verweerders besluit. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom afwijzen.

25. Er bestaat geen aanleiding een van partijen te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten of te bepalen dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht vergoedt.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. B.A.J. Zijlstra als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2012.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden: