Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW4723

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
01/836016-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor poging tot doodslag.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ten gevolge van zijn handelwijze van het leven zou worden beroofd. Uit de wijze waarop het slachtoffer is gestoken

en het geconstateerde letsel volgt dat verdachte met kracht heeft gestoken. Indien iemand met kracht met een fors mes in zijn rug wordt gestoken (een plaats waar zich vitale lichaamsdelen bevinden) bestaat naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans dat hij tengevolge van het daardoor opgelopen letsel zal overlijden.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer/noodweerexces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/836016-11

Datum uitspraak: 20 april 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 april 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 maart 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 maart 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven

te beroven, met dat opzet een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

éénmaal of meermalen (van achteren) in de rug van die [slachtoffer] heeft

gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

(artikel 287 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 maart 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp eenmaal of meermalen (van achteren)

in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De overwegingen omtrent het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte zich realiseert dat de nodige belastende bewijsmiddelen tegen hem voorliggen.

Verdachte bekent dat hij het slachtoffer [slachtoffer] éénmaal in de rug heeft gestoken met een mes. Aangezien verdachte handelde uit noodweer(exces) (zie hierna onder De strafbaarheid van verdachte), heeft hij daarbij echter geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, gehad op de (gestelde poging tot) levensberoving van [slachtoffer], dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer].

Het oordeel van de rechtbank.1

Op 28 maart 2010 deed [slachtoffer], geboren op [1983] te [geboorteplaats], aangifte van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling.2 Hij verklaarde dat hij in de nacht van 27 maart 2010 op zondag 28 maart 2010 samen met drie vrienden op stap was geweest op het Stratumseind te Eindhoven. Toen zij aan het eind van de avond in de richting van de taxi liepen, ging hij eerst plassen bij de zuil op het Begijnenhof. Een vriend van hem was nog aan het plassen, toen iemand de zuil om wilde duwen. Er werd toen iets gezegd en hierna ontstond er een vechtpartij. Hij deed zelf niet mee aan deze vechtpartij. Hij zag dat er twee mannen aan het vechten waren ter hoogte van de shoarmatent. Hij probeerde de bovenste persoon eraf te trekken. Vervolgens voelde hij een flinke klap op zijn rug. Op dat moment had hij nog niets in de gaten. Pas later voelde hij iets warms en nats over zijn rug lopen. Toen bleek dat hij in zijn rug gestoken was. Hij werd met de ambulance overgebracht naar het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven. Daar werd hem door de arts verteld dat hij goed was weggekomen en dat hij een steekwond had van drie centimeter diep.

Uit de medische verklaring blijkt dat het slachtoffer een steekwond tussen de schouderbladen en een ingeklapte long had.3

Verdachte heeft verklaard het slachtoffer [slachtoffer] éénmaal in de rug te hebben gestoken met een mes. [slachtoffer] stond op dat moment gebogen. Hij heeft zijn rechterarm boven zijn hoofd gehouden en een hakbeweging naar beneden gemaakt. 4

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het mes dat in beslag is genomen en waarop bloed van het slachtoffer zat, zijn eigendom is. Het mes waarmee verdachte het slachtoffer in de rug heeft gestoken heeft een lemmet van ongeveer 8-12 centimeter.5 6

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ten gevolge van zijn handelwijze van het leven zou worden beroofd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de wijze waarop het slachtoffer is gestoken en het geconstateerde letsel, dat verdachte met kracht heeft gestoken. Indien iemand met kracht met een fors mes in zijn rug wordt gestoken, een plaats waar zich vitale lichaamsdelen bevinden, bestaat de aanmerkelijke kans dat hij tengevolge van het daardoor opgelopen letsel zal overlijden. Het handelen van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard. Verdachte had, als normaal mens, moeten kunnen voorzien dat zijn handelen ook de dood van het slachtoffer tot gevolg had kunnen hebben. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte het voorwaardelijk opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 28 maart 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een mes éénmaal in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte erbij blijft dat hij uit noodweer heeft gehandeld, zoals hij op 9 februari 2011 bij de politie heeft verklaard.7 Verdachtes groep vrienden en de groep vrienden van [slachtoffer] zijn met elkaar slaags geraakt, waarbij over en weer rake klappen werden uitgedeeld. Verdachte vreesde voor het leven van zijn vriend [betrokkene 1]of het toebrengen van ernstig letsel door [slachtoffer] en de zijnen. Indien verdachte daarin te ver is gegaan dan is dit disproportioneel handelen volgens de raadsman het gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging en/of -toestand, ontstaan door de zijn vrees voor de gevolgen van het op zijn vriend toegepaste geweld. (noodweerexces)

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat hij zich met name beroept op het bestaan van een noodweer-exces situatie. Verdachte mocht zijn vriend tegen het slachtoffer verdedigen, maar is daarin, als gevolg van hevige emoties veroorzaakt door de belaging van zijn vriend, mogelijk te ver gegaan.

Indien door of namens verdachte een beroep is gedaan op noodweerexces geldt voor het door de rechter in te stellen onderzoek het volgende. Van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien: (a.) verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien (b.) op het tijdstip van de aan verdachte verweten gedraging de onder a. bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Naar het oordeel van de rechtbank treft het beroep op noodweerexces geen doel.

Gezien de feiten en omstandigheden waaronder het delict werd gepleegd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de vriend van verdachte door [slachtoffer] werd belaagd.

[slachtoffer] verklaart in zijn aangifte dat hij zag dat er twee mannen aan het vechten waren en dat hij probeerde de bovenste persoon eraf te trekken. Deze verklaring wordt bevestigd door de verklaring van getuige [adres], die heeft gezien dat [slachtoffer] twee vechtende jongens uit elkaar haalde. Ook de verklaring van getuige [getuige 2]9, die in gevecht was met een jongen en toen zag en voelde dat [slachtoffer] hem vastpakte en van die jongen af trok, bevestigt de verklaring van [slachtoffer].

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de, van de lezing van verdachte afwijkende, verklaring van [slachtoffer] dat hij de bovenste persoon van de andere persoon af trok. Naar het oordeel van de rechtbank is [slachtoffer] verklaring geloofwaardig omdat de aangifte van [slachtoffer] gedetailleerd en consistent is en bovendien bevestigd wordt door de verklaringen van de getuigen [adres] en [getuige 2].11

Uit het vorenstaande volgt dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreigend gevaar daarvoor door [slachtoffer] jegens het lijf van verdachtes vriend [betrokkene 1] . Daardoor kan er evenmin sprake zijn van een geboden noodzakelijke verdediging door verdachte tegen [slachtoffer], hetwelk een mogelijke overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging door verdachte uitsluit en het beroep op noodweer dan wel noodweerexces doet falen.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Beslissing omtrent verzoek aanhouding.

De raadsman heeft, voor zover de rechtbank na sluiting van het onderzoek bij beraadslaging in raadkamer oordeelt dat aan de vereiste dubbele causaliteit voor aanname van noodweerexces niet is voldaan (dat het exces in directe zin door een hevige gemoedsbeweging is veroorzaakt en deze emotie door de aanranding moet zijn opgewekt), verzocht de behandeling van de zaak aan te houden zodat alle betrokkenen, destijds medeverdachten en getuigen, als getuigen kunnen worden gehoord.

De rechtbank wijst het verzoek af, nu de rechtbank al van oordeel is dat er geen sprake is geweest van noodweersituatie en om die reden de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van de vereiste dubbele causaliteit voor aanname van noodweerexces.

Bovendien is het verzoek, nu de verdediging zonder nadere motivering per gevraagde getuige, heeft volstaan met te verzoeken alle medeverdachten en getuigen te horen, onvoldoende gemotiveerd.

Motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Het standpunt van de verdediging.

Bij het opleggen van een eventuele straf dient rekening te worden gehouden met de volgende omstandigheden:

- verdachte is, behoudens voor twee feiten die getransigeerd zijn, niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

- verdachte is op 9 februari 2011 aangehouden, gehoord, in verzekering gesteld en dezelfde dag ook heengezonden. Tot een voorgeleiding bij de rechter-commissaris is het niet gekomen, waaruit kan worden afgeleid dat ook in de opvatting van het openbaar ministerie geen gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid voorlagen die de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vorderden, en ook dat voor recidive niet behoeft te worden gevreesd.

- er is geen reclasseringsadvies aanwezig en dat is in zekere zin nadelig.

- verdachte heeft werk, woont samen en is samen met zijn vriendin in blijde verwachting.

Er zijn geen verslavingsproblemen.

- verdachte heeft een goed en toekomstgericht perspectief. Dit perspectief zou in gevaar

komen indien verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden veroordeeld.

Om deze redenen pleit de verdediging, ingeval een straf aan de orde is, voor een taakstraf in de vorm van een werkstraf, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Ten aanzien van het beslag refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan als ook op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Strafverzwarend acht de rechtbank het zeer gewelddadige karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit. Verdachte heeft het slachtoffer met een mes in de rug gestoken. Het slachtoffer werd met een ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis waar hij werd behandeld en opgenomen. Hij heeft een ingeklapte long opgelopen en ziekenhuisopname was noodzakelijk voor drainage.

Verdachte heeft zich na het incident niet om het slachtoffer bekommerd en heeft de plaats delict verlaten. Door zo te handelen is een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen. Een dergelijk uiterst gewelddadige handelwijze betekent een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, hetgeen -naast het herstel en ongemak van het opgelopen lichamelijke letsel- niet zelden psychische klachten tot gevolg heeft.

Het incident heeft plaatsgevonden in de publieke ruimte tijdens het uitgaansleven, te midden van omstanders, hetgeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweegbrengt.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is om verdachte het verkeerde van zijn handelen te laten inzien en hem duidelijk te maken dat de samenleving dit gedrag niet tolereert. In beginsel acht de rechtbank voor dit soort levensdelicten een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

De rechtbank zal echter een lagere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Dat die straf beduidend lager uitpakt komt met name doordat sinds het tijdstip van heenzenden en het aanbrengen van de zaak bij de rechtbank, inmiddels geruime tijd is verstreken en verdachte heeft, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten gepleegd.

Alles overziend oordeelt de rechtbank dat een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden passend en geboden is.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een voegingsformulier ingediend met een vordering van € 2.002,- ten gevolge van het aan verdachte tenlastegelegde en bewezen- verklaarde strafbare feit. Dit bedrag bestaat uit € 52,- materiële schade en € 1.950,- immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering is voor volledige toewijzing vatbaar, met daarbij de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De vordering is niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. [slachtoffer] zal zich derhalve tot de civiele rechter dienen te richten, te meer daar verdachte de juistheid en de verschuldigdheid van de gestelde schadebedragen betwist.

Dat geldt in het bijzonder voor de gestelde immateriële schade.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De in beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen mes vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat met dit mes het feit is begaan en dit mes ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van twee shirts, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.

Toegepaste wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslag.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en bijkomende straf.

- Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

- Verbeurdverklaring van het onder verdachte in beslag genomen mes.

Legt op de volgende maatregel.

- Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 2.002,- bij gebreke van betaling

en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 1.950,- immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 52,- materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft deze betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op het overige beslag.

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van twee shirts.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 2002,-,

te weten € 1.950,- immateriële schadevergoeding en € 52,- materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden,

in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier,

en is uitgesproken op 20 april 2012.

1 In de voetnoten wordt verwezen - tenzij anders vermeld - naar het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Gezamenlijke Recherche Eindhoven, dossiernummer PL2200 2010045296, afgesloten op 16 februari 2011, aantal doorgenummerde bladzijden 1-133

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], blz. 52-54

3 Medische verklaring [slachtoffer], blz. 64

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 40-44 en de verklaring van verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van 6 april 2012.

5 Foto van het mes in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, blz. 127

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 43

7 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 43

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], blz. 70-75

9 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], blz. 68-69

10 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], blz. 70-75

11 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], blz. 68-69