Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW4011

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
01/997514-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:4835, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft een 57 jarige man voor zijn aandeel in de fraudezaak Easy Life veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. Verdachte is de laatste periode werkzaam geweest als directeur binnen Easy Life. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich samen met zijn mededaders heeft schuldig gemaakt aan oplichting, meermalen gepleegd. De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

Door het handelen van verdachte en zijn mededaders zijn honderden inleggers voor vele miljoenen euro's gedupeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/997514-08

Datum uitspraak: 26 april 2012

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1952],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 2 maart 2009, 26 mei 2009, 20 augustus 2009, 15 oktober 2009, 11, 12 en 15 januari 2010, 25 maart 2010, 2 februari 2012, 19, 20, 22 en 27 maart 2012, en 12 april 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 februari 2009.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 maart 2009 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 25 augustus

2008, althans in of omstreeks de periode van de maand september 2007 tot en

met de maand augustus 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van

een of meer natuurlijke perso(o)n(en) genaamd [medeverdachte 1]en/of

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer andere natuurlijke

perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en) genaamd [bedrijf 7] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 3]en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 18] en/of [bedrijf 7]en/of [bedrijf 19] en/of [bedrijf 2][bedrijf 20] en/of een of meer andere

rechtsperso(o)n(en) en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting

oplichting jegens beleggers, vermeld op de aangehechte lijst genaamd

'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in [bedrijf 2]uitgegeven obligaties en/of het plegen verduistering, al dan

niet in dienstbetrekking, van door die beleggers voornoemd ingelegde gelden,

zoals vermeld op die aangehechte lijst voornoemd,

terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van die

organisatie was;

(art. 140 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september

2007 tot en met 25 augustus 2008, althans vanaf de maand september 2007 tot en

met de maand augustus 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens)

een (groot) aantal personen (verder te noemen 'de beleggers'), zoals vermeld

op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per

rechtspersoon' in verband met [bedrijf 2], (telkens) zijnde

-zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 2], verder

te noemen 'de B.V.', uitgegeven obligaties, (telkens) heeft bewogen tot

afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot

ruim 12.000.000,- euro of daaromtrent, in elk geval (telkens) heeft bewogen

tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-:

(telkens) aan de beleggers voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om

(nagenoeg) risicoloos in de B.V. te investeren, door afname van door de B.V.

uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te kopen

Amerikaanse levenpolissen ([naam]), waarbij aan de beleggers

mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde

en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen)

en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te

geven obligaties en/of in de door de beleggers en de B.V. opgemaakte en/of

ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of

investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of

met de beleggers (telkens)

(onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenpolissen ([naam]

[naam]), (telkens) obligaties wenst uit te geven met een looptijd van

(minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar en/of

- dat de obligatieleningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70%

van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen

in Amerikaanse levenpolissen ([naam]) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens)

(uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) een gedurende de

looptijd van de obligatieleningen maandelijks uit te betalen rente van

(minimaal) 9% of 10% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat de beleggers de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond

en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij de beleggers (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken

werd(en) gewekt en/of (vervolgens) de beleggers (telkens) werden bewogen tot

voornoemde afgifte(n);

(art. 326 jo art. 51 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[bedrijf 2], verder te noemen 'de B.V.', op een of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 25

augustus 2008, althans vanaf de maand september 2007 tot en met de maand

augustus 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens)

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens)

een (groot) aantal personen (verder te noemen 'de beleggers'), zoals vermeld

op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per

rechtspersoon' in verband met [bedrijf 2], (telkens) zijnde

-zakelijk weergegeven- afnemers van door de B.V. uitgegeven obligaties,

(telkens) heeft/hebben bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan

geld tot een totaal bedrag groot ruim 12.000.000,- euro of daaromtrent, in elk

geval (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan

geld,

immers heeft/hebben de B.V. en/of (een of meer van) haar mededader(s)

toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-:

(telkens) aan de beleggers heeft/hebben voorgesteld, althans doen of laten

voorstellen om (nagenoeg) risicoloos in de B.V. te investeren, door afname van

door de B.V. uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te

kopen Amerikaanse levenpolissen ([naam]), waarbij aan de beleggers

mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde

en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen)

en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te

geven obligaties en/of in de door de beleggers en de B.V. opgemaakte en/of

ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of

investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of

met de beleggers (telkens)

(onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenpolissen ([naam]

[naam]), (telkens) obligaties wenst uit te geven met een looptijd van

(minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar en/of

- dat de obligatieleningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70%

van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen

in Amerikaanse levenpolissen ([naam]) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens)

(uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) een gedurende de

looptijd van de obligatieleningen maandelijks uit te betalen rente van

(minimaal) 9% of 10% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat de beleggers de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond

en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij de beleggers (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken

werd(en) gewekt en/of (vervolgens) de beleggers (telkens) werden bewogen tot

voornoemde afgifte(n),

terwijl hij, verdachte tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht

heeft gegeven, dan wel de feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven

verboden gedraging(en);

(art. 326 jo art. 51 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september

2007 tot en met 25 augustus 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode vanaf de maand september 2007 tot en met de maand

augustus 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk bedragen aan geld tot een totaal bedrag groot ruim

12.000.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(a)g(en) aan

geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele

toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en) (verder te noemen 'de beleggers'),

zoals vermeld op de aan deze dagvaarding gehechte lijst genaamd 'Registratie

slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' betreffende de rechtspersoon[bedrijf 2], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), en welke bedragen aan geld, althans welk

goed [bedrijf 2] (verder te noemen 'de B.V.') (telkens) als

obligatieleningen van door de B.V. aan de beleggers uitgegeven obligatie(s)

en welk(e) bedrag(en) aan geld, althans welk(e) goed(eren) verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van hun/zijn

persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur en/of bestuurder en/of

werknemer van de B.V., in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich

had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art. 322 jo art 321 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[bedrijf 2] (verder te noemen 'de B.V.') op een of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 25

augustus 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode

vanaf de maand september 2007 tot en met de maand augustus 2008 in de gemeente

Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met

elkaar en/of met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk bedragen aan geld tot een totaal bedrag groot ruim

15.000.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(a)g(en) aan

geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele

toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en) (verder te noemen 'de beleggers'),

zoals vermeld op de aan deze dagvaarding gehechte lijst genaamd 'Registratie

slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' betreffende de rechtspersoon [bedrijf 2], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan

de B.V. en/of haar mededader(s), en welke bedragen aan geld, althans welk goed

de B.V. en/of haar mededader(s) (telkens) als obligatieleningen van door de

B.V aan de beleggers uitgegeven obligatie(s) en aldus/in elk geval anders dan

door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend,

terwijl hij, verdachte tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht

heeft gegeven, dan wel de feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven

verboden gedraging(en);

(art. art 321 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bij de dagvaarding en daarvan deel uitmakend is gevoegd een lijst registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon.

Een kopie van deze lijst is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die lijst wordt geacht hier ingelast te zijn.

De formele voorvragen.

Verweer met betrekking tot de nietigheid van dagvaarding

De raadsman heeft op de zitting van 15 januari 2010 en 20 maart 2012 -kortgezegd- de nietigheid van de dagvaarding bepleit.

De dagvaarding is in de eerste plaats innerlijk tegenstrijdig. Ten laste is gelegd dat verdachte geld door oplichting heeft verkregen. In dat geval kan verduistering van datzelfde geld - met als essentieel bestanddeel ‘anders dan door misdrijf onder zich hebben’- nooit worden tenlastegelegd. Die twee misdrijven sluiten elkaar in dit geval uit en door het Openbaar Ministerie dient een keuze te worden gemaakt. De tenlastelegging dient nietig te worden verklaard zowel voor feit 2 als voor feit 3. Ook voor wat betreft feit 1 is deze (partieel) nietig, voor zover dat feit ziet op het verwijt dat verdachte zou hebben deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk heeft het oplichten van de beleggers én het plegen van verduistering van de door diezelfde beleggers ingelegde gelden. Dat maakt de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig.

In de tweede plaats heeft het Openbaar Ministerie bij requisitoir verzuimd aan te geven wie in de tenlastelegging concreet wordt bedoeld als er gesproken wordt over de deelnemers/medeplegers bij feit 2 en 3. De tenlastelegging is voor wat betreft feit 2 en 3 onvoldoende duidelijk en specifiek en voldoet aldus niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en kan daarom niet fungeren als grondslag voor (het onderzoek op) een terechtzitting. De rechtbank dient de tenlastelegging op grond hiervan nietig te verklaren voor wat betreft feit 2 en 3.

In de derde plaats heeft het Openbaar Ministerie bij requisitoir met betrekking tot feit 3

verzuimd aan te geven op welke concrete bedragen de passage (volgend op het woord

daaromtrent’)”.. in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed” doelt. Die passage is - met name in relatie tot de inhoud van de stukken van het geding en het

verhandelde ter terechtzitting - onvoldoende duidelijk en specifiek en voldoet aldus niet aan

de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en kan daarom niet fungeren als grondslag voor (het onderzoek op) een terechtzitting. Dat maakt de tenlastelegging zoals gezegd voor wat betreft feit 3 in alle varianten partieel nietig.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

De dagvaarding is in al haar onderdelen voldoende feitelijk en gespecificeerd.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat de raadsman ter terechtzitting van 2 maart 2009 heeft ingestemd met de gevorderde wijziging van de tenlastelegging. Hij heeft bovendien ter zitting verzoeken tot het horen van getuigen gedaan en deze getuigen ook gehoord bij de rechter-commissaris, zonder daarbij aan te voeren dat de tenlastelegging te weinig feitelijk was om de verdediging te kunnen voeren. Dat in de tenlastelegging van feit 2 en 3 in zijn algemeenheid wordt gesproken over medeplegen met (een) ander(en) doet aan het vorenstaande niet af. Ook het – in subsidiaire zin - gebruiken van de algemene term “geldbedragen of goed” kan niet tot nietigheid leiden, nu op grond van het dossier voor de verdediging voldoende duidelijk moet zijn om welke bedragen het in casu gaat.

Voor zover in de tenlastelegging oplichting en verduistering cumulatief zijn tenlastegelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit geen innerlijke tegenstrijdigheid oplevert. De rechtbank heeft immers bij een cumulatieve tenlastelegging – in geval de tenlastegelegde feiten op zich overeenkomstig de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering zijn geredigeerd, zoals in dit geval, – te bezien of een of meerdere van deze feiten voor een bewezenverklaring in aanmerking komen. Dat de tenlastegelegde feiten (verduistering en oplichting) – kort gezegd – elkaar uitsluiten, doet aan het voorafgaande niet af.

De rechtbank heeft hierbij overigens acht geslagen op de eerdere mededeling van de officier van justitie dat bij de tenlastegelegde verduistering er een partiële vrijspraak moet volgen voor zover in die periode de oplichting bewezen wordt geacht, en dat een partiële vrijspraak zal dienen te volgen voor de oplichting voor zover in die periode de verduistering bewezen wordt geacht. De dagvaarding is derhalve voor wat betreft alle tenlastegelegde feiten geldig. Het door de raadsman van verdachte aangehaalde arrest van de Hoge Raad (Hoge Raad 20 februari 1979, NJ 1979, 313) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat het daarbij niet ging om een tegenstrijdigheid tussen twee cumulatief ten laste gelegde feiten, maar om een tegenstrijdigheid binnen een enkel ten laste gelegde feit.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding ook overigens geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Meer specifiek overweegt de rechtbank daartoe het volgende.

Volgens de steller van de dagvaarding wordt verdachte onder 2 primair en subsidiair verweten dat hij zich, al dan niet in vereniging, heeft schuldig gemaakt aan oplichting. Voor zover de verdachte de door de beleggers betaalde geldbedragen “anders dan door misdrijf” onder zich had wordt de verdachte onder 3 primair en subsidiair alternatief/cumulatief verweten dat hij zich, al dan niet in vereniging, schuldig heeft gemaakt aan verduistering.

Bij oplichting beweegt de dader het slachtoffer tot de afgifte van een geldbedrag om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen hetzij door het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels.

Bij verduistering gaat het om het zich wederrechtelijk toe-eigenen van een geldbedrag dat men reeds onder zich heeft en dat men op legale wijze heeft verkregen.

Met betrekking tot de tenlastegelegde verduistering overweegt de rechtbank als volgt.

Een bewezenverklaring van oplichting en verduistering van eenzelfde geldbedrag is niet mogelijk. Nu de rechtbank verderop in dit vonnis zal overwegen dat verdachte de beleggers heeft opgelicht, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder 3 primair en subsidiair in verschillende vormen tenlastegelegde verduistering. Het bestanddeel van het delict verduistering, te weten “dat hij het goed anders dan door misdrijf onder zich heeft” kan immers, gelet op de bewezen verklaarde oplichting, niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewijs (uitgewerkt in het vonnis)

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

in de periode van 1 september 2007 tot en met 25 augustus 2008, in de gemeente Helmond en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen genaamd [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en rechtspersonen genaamd [bedrijf 7] en [bedrijf 1] en [bedrijf 3] en [bedrijf 2] en [bedrijf 18] en [bedrijf 2]en [bedrijf 19] en [bedrijf 2][bedrijf 20] en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting jegens beleggers, van de aangehechte lijst genaamd

'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in [bedrijf 2] uitgegeven obligaties, terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was.

2.

op tijdstippen in de periode van 1 september 2007 tot en met 25 augustus 2008, in de gemeente Helmond en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels, een (groot) aantal personen (verder te noemen 'de beleggers'), van de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per

rechtspersoon' in verband met [bedrijf 2], zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 2], verder te noemen 'de B.V.', uitgegeven obligaties, heeft bewogen tot afgifte van een of meer bedrag(en) aan geld, immers hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-:

aan de beleggers voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om (nagenoeg) risicoloos in de B.V. te investeren, door afname van door de B.V. uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te kopen Amerikaanse levenpolissen ([naam]), waarbij aan de beleggers mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te geven obligaties en/of in de door de beleggers en de B.V. opgemaakte en/of ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of met de beleggers (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenpolissen ([naam]), obligaties wenst uit te geven met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar en

- dat de obligatieleningen uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenpolissen ([naam])

waardoor er bij de beleggers telkens een valse voorstelling van zaken werd gewekt en vervolgens de beleggers werden bewogen tot voornoemde afgiften.

Hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een bewezenverklaring van hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 primair.

Hiervoor dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden, met aftrek conform het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn.

De benadeelde partijen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen nu de vorderingen betrekking hebben op geldbedragen die zijn ingelegd op een moment dat verdachte nog niet werkzaam was bij [bedrijf 2].

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie heeft op de zitting van 2 maart 2009 reeds kenbaar gemaakt voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

Nu de raadsman verzoekt om verdachte integraal vrij te spreken, komt hij niet toe aan de bespreking van een eventueel op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan oplichting en deelneming aan een criminele organisatie, waarbij verdachte als leider van die criminele organisatie valt aan te merken. Door het handelen van verdachte en zijn mededaders zijn honderden inleggers gedupeerd voor miljoenen euro’s. Dit soort fraude schaadt het vertrouwen van het publiek en schaadt de belangen van de integere financiële instellingen en het functioneren van de financiële markt.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben de schijn van succesvol handelen gewekt, waardoor veel investeerders hebben besloten in te stappen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben hun eigen financiële belangen vooropgesteld en de belangen van de inleggers daaraan ondergeschikt gemaakt.

Bij dergelijke grootschalige fraudes komen de verdachten die daaraan leiding hebben gegeven voor een forse vrijheidsstraf in aanmerking.

Gelet op de ernst van de feiten is een deels voorwaardelijke straf niet aan de orde.

Nu verdachte niet de bedenker/initiatiefnemer is geweest van deze fraude en hij een kortere periode dan de medeverdachten actief is in deze grote fraudezaak acht de rechtbank een vrijheidsstraf voor de duur van 18 maanden in beginsel passend.

Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft gesteld dat de redelijke termijn in casu is overschreden en dat deze overschrijding gecompenseerd dient te worden door het toepassen van strafvermindering.

Zoals bepaald in het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000, NJ 2000/721, beoogt het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn, te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. In het arrest van 17 juni 2008 (LJN: BD2578) oordeelt de Hoge Raad dat een overschrijding van de redelijke termijn niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen, maar in beginsel gecompenseerd zal worden in de strafmaat.

Het staat de rechtbank echter ook vrij om - na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden- te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358).

Om te bezien of de redelijke termijn van berechting al dan niet is overschreden, moet als aanvangsdatum worden genomen het moment dat vanwege de Staat een handeling is verricht waaraan betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Op 2 september 2008 werd verdachte aangehouden en vond het eerste verhoor van de verdachte plaats. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op bovengenoemd arrest, op dat tijdstip de strafvervolging van verdachte aangevangen. Het proces-verbaal is op 5 december 2008 afgesloten.

Voorts hebben er op 2 maart 2009, 26 mei 2009, 20 augustus 2009, 15 oktober 2009, 11, 12, 15 januari 2010, 25 maart 2010, 2 februari 2012 en 19, 20, 22, en 27 maart 2012, en 12 april 2012 zittingen plaatsgevonden.

Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting hebben diverse getuigenverhoren bij de rechter-commissaris plaatsgevonden en is er een rapport opgesteld door KPMG en zijn de getuigen-deskundigen van KPMG ter zitting gehoord.

De totale duur van de vervolging, gerekend vanaf het tijdstip van het eerste verhoor van verdachte tot en met heden (26 april 2012) bedraagt ongeveer drie jaar en acht maanden.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Alhoewel de onderhavige strafzaak als ingewikkeld valt aan te merken, gelet op de omvang van het onderzoek (inclusief uitgebrachte financiële rapporten) en de gelijktijdige berechting van medeverdachten, en het indienen van verzoeken tot horen van getuigen tot vertraging in de afdoening van de zaak heeft geleid, is de rechtbank toch van oordeel dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn ex artikel, 6 EVRM, welke overschrijding gecompenseerd dient te worden door het toepassen van een strafkorting van 6 maanden.

In dit verband merkt de rechtbank overigens op dat het tijdsverloop samenhangend met het uitbrengen van de rapportage door KPMG en het horen van de deskundigen ter zitting niet aan verdachte en zijn raadsman valt te verwijten.

Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur van 18 maanden.

Echter rekening houdend met voornoemde strafkorting zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden-6 maanden = 1 jaar.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu de vorderingen betrekking hebben op geldbedragen die zijn ingelegd op een moment dat verdachte nog niet werkzaam was bij [bedrijf 2].

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte is van mening dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De raadsman heeft immers een volledige vrijspraak bepleit.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaren in de vorderingen, nu de vorderingen betrekking hebben op geldbedragen die zijn ingelegd op een tijdstip dat verdachte nog niet werkzaam was bij [bedrijf 2].

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 57, 140, 326.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair en 3 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij van de organisatie leider is

T.a.v. feit 2 primair:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2 primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde 2], in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

T.a.v. feit 1:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde 1], in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.M. Spelt, voorzitter,

mr. A.F. van Hoorn en mr. P.J.H. Van Dellen, leden,

in tegenwoordigheid van dhr. G.G. Dirks en mr. P. van Etteger-Lubbers, griffiers,

en is uitgesproken op 26 april 2012.