Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW3968

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
AWB 11-1765
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5: 31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wegens overtreding van het ‘Lozingenbesluit open teelt en veehouderij’ en de kosten daarvan voor rekening van eiser te brengen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/62 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5094

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/1765

Uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2012

in de zaak tussen

[eiser],

te [adres],

eiser,

gemachtigde: mr. T.J.H.M. Linssen,

tegen

het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas,

te ‘s-Hertogenbosch,

verweerder,

gemachtigden: M.H.M. van Rossum en ing. A.L.R. Wesel.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2010 heeft verweerder zijn beslissing om op 3 september 2010 jegens eiser (spoedeisende) bestuursdwang toe te passen vanwege overtreding van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (het Lozingenbesluit) op schrift gesteld.

Bij besluit van 12 november 2010 heeft verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang ten bedrage van € 4.342,96 voor rekening van eiser gebracht.

De hiertegen door eiser gemaakte bezwaren zijn door verweerder bij besluit van 26 april 2011 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 februari 2012, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser exploiteert aan de [adres] te [adres] een agrarisch bedrijf. Op vrijdag

3 september 2010 hebben een toezichthouder en een buitengewoon opsporingsambtenaar van het waterschap Aa en Maas geconstateerd dat bermsloten aan de Kruisbaan en Diepenhoekseweg en de Diepenhoekseloop te [adres] waren verontreinigd met meststoffen. In verband hiermee heeft verweerder bestuursdwang toegepast, waarbij op

3 september 2010 de verontreiniging in de Diepenhoekseloop is ingedamd en op (maandag) 6 september 2010 de Diepenhoekseloop is opgeschoond. Vervolgens heeft verweerder

200-250 m³ water afgevoerd en opgeslagen in de rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: de rwzi) te Asten.

2. Verweerder heeft de beslissing tot toepassing van (spoedeisende) bestuursdwang jegens eiser op 7 september 2010 op schrift gesteld en bij besluit van 12 november 2010 de kosten van de toepassing van bestuursdwang ten bedrage van € 4.342,96 voor rekening van eiser gebracht. Deze besluiten zijn bij het thans ter beoordeling staande besluit van 26 april 2011 in stand gelaten.

3. Verweerder heeft aan zijn beslissing tot toepassing van bestuursdwang ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende zorg heeft betracht te voorkomen dat de waterlopen nabij zijn perceel zijn verontreinigd met meststoffen en daarmee artikel 4 en artikel 5 van het Lozingenbesluit heeft overtreden.

4. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Lozingenbesluit wordt bij agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden voldoende zorg in acht genomen om verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Ingevolge het tweede lid houdt de zorg, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten een oppervlaktewaterlichaam kan worden verontreinigd, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die verontreiniging te voorkomen of, voor zover die verontreiniging niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

5. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Lozingenbesluit is lozen verboden.

6. Eiser heeft allereerst bestreden dat de betreffende waterlopen waren verontreinigd met meststoffen. Volgens eiser heeft verweerder dit niet aangetoond met de analyseresultaten van het Gemeenschappelijk Waterschapslaboratorium (hierna: het GWL) van de op

3 september 2010 genomen monsters. Eiser acht hierbij nog van belang dat een rapport met de gebruikelijke waarden die in de specifieke sloten worden aangetroffen ontbreekt. Verder heeft eiser erop gewezen dat de door hem overgelegde analyseresultaten van ROBA Laboratorium (hierna: ROBA) van de op 3 september 2010 genomen contramonsters geen verontreiniging vertonen. Daarnaast heeft eiser vermeld dat hij het naar de rwzi te Asten afgevoerde water heeft laten ophalen om dit op te slaan op eigen terrein. Het hiervoor door hem ingeschakelde transportbedrijf M. Koolen B.V. (hierna: Koolen) heeft monsters genomen, waaruit niet is gebleken van een verontreiniging van dat water met meststoffen. Tot slot heeft eiser verwezen naar de correspondentie van Koolen met de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Volgens eiser volgt hieruit dat deze Dienst de vrachten niet wilde registreren vanwege de zeer lage gehaltes aan meststoffen in het water.

7. Ten aanzien van bovenstaand betoog overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar gekomen dat verweerder op 3 september 2010 een indicatieve meting van de geleidbaarheid heeft uitgevoerd, waarbij op een lozingspunt (onder water) in de Diepenhoekseloop, direct bovenstrooms van de waargenomen verontreiniging, een goede geleidbaarheid (326 µS) is gemeten en benedenstrooms een hoge geleidbaarheid. Vervolgens heeft verweerder op diezelfde datum monsters genomen uit de bermsloot aan de huiszijde, de bermsloot langs het maïsperceel, de bermsloot aan de westzijde van de (Diepenhoekse)weg, de Diepenhoekseloop en de mestput op het bedrijf. Uit de analyses van deze monsters op de parameters pH, EGV (µS/cm), ammonium (mg/l uitgedrukt in stikstof), totaal-fosfaat (mg/l uitgedrukt in fosfor), kjeldahl-stikstof (mg/l uitgedrukt in stikstof) en CVZ (mg/l uitgedrukt in zuurstof) heeft verweerder geconcludeerd dat het water in de waterlopen, gezien het sterk verhoogde gehalte stikstof en fosfaat en de hoge geleidbaarheid, was verontreinigd met meststoffen. Verweerder heeft in een tabel uiteengezet dat op 3 september 2010 in de Diepenhoekseloop waarden zijn gemeten die aanmerkelijk hoger zijn dan de gemiddelde waarden. Met het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat in de betreffende watergangen op 3 september 2010 een verontreiniging met meststoffen is geconstateerd. Hetgeen eiser daar tegenover heeft gesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij is in aanmerking genomen dat verweerder de analyses van ROBA van de contramonsters, genomen door het waterschap op 3 september 2010, heeft vergeleken met de analyses van het GWL en daaruit heeft geconcludeerd dat de verschillen als relatief klein kunnen worden beschouwd voor de parameters geleidbaarheid, ammonium, kjeldahl-stikstof en CVZ, gezien de aard en de wijze van de bewaring van de monsters. Eiser heeft de juistheid van deze vaststelling niet gemotiveerd bestreden.

8. Eiser heeft voorts gesteld dat hij niet als overtreder van de in artikel 4 van het Lozingenbesluit neergelegde voorzorgsbepaling kan worden aangemerkt. Daartoe heeft hij betoogd dat hij geen aandeel heeft gehad in de (beweerdelijke) verontreiniging of dat hij de verontreiniging had moeten en kunnen voorkomen. Verweerder is van mening dat eiser als overtreder van de artikelen 4 en 5 van het Lozingenbesluit kan worden beschouwd. Verweerder acht daarbij met name van belang dat eiser agrarische activiteiten verricht nabij de betreffende waterlopen en dat afstroomsporen zijn aangetroffen afkomstig van eisers percelen naar de waterlopen.

9. Vast staat dat eiser agrarische activiteiten verricht nabij de waterlopen waarin meststoffen zijn aangetroffen. Op de ter zitting door verweerder getoonde (detail)foto’s zijn afstroomsporen van mest waargenomen, afkomstig van de bij eiser in gebruik zijnde percelen in de richting van de waterlopen. Artikel 5 van het Lozingenbesluit bevat een lozingsverbod voor afvalwaterstromen die als gevolg van agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden, ontstaan. Gelet op het voorgaande dient eiser naar het oordeel van de rechtbank als overtreder van dit verbod te worden aangemerkt. In dit verband is niet relevant of eiser feitelijk een aandeel heeft gehad in het afvloeien van mest in de waterlopen. Eiser kan immers verantwoordelijk worden gehouden voor de gevolgen van de werkzaamheden op zijn percelen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was om met toepassing van bestuursdwang op te treden tegen eiser wegens overtreding van het Lozingenbesluit.

10. Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. (…).

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

11. In het besluit van 7 september 2010 - voor zover hier van belang - heeft verweerder ter bevestiging van de eerdere mondelinge lastgeving aan eisers medewerkers [medewerker 1] en

[medewerker 2], schriftelijk aan eiser bevestigd dat op 3 september 2010 omstreeks 14.00 uur aan genoemde medewerkers is opgedragen om direct de bermsloten aan de Kruisbaan en Diepenhoekseweg leeg te zuigen en de Diepenhoekseloop op te schonen. Vermeld is dat de medewerkers verklaarden niet over eisers toestemming te beschikken en niet zonder eisers toestemming wilden handelen, waarop verweerder de verontreiniging in de Diepenhoekseloop dezelfde middag heeft afgedamd om verdere verspreiding te voorkomen. Verder is in het besluit van 7 september 2010 aangegeven dat van de zijde van verweerder op 6 september 2010 om 13.30 uur een vervolgcontrole is uitgevoerd, waarbij eiser binnen de eerder opgelegde last is opgedragen om die dag uiterlijk 15.00 uur te starten met de Diepehoekseloop te ontdoen van de meststoffen, vanaf 400 meter bovenstrooms tot 400 meter benedenstrooms van de in de Diepenhoekseloop gelegen stuw.

12. Eiser heeft bestreden dat de situatie dermate spoedeisend was dat het toepassen van spoedeisende bestuursdwang gerechtvaardigd was. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de situatie op maandag 6 september 2010 niet zo urgent was als verweerder doet voorkomen, nu verweerder in het daaraan voorafgaande weekend geen actie heeft ondernomen. Eiser acht daarom de op maandag gegeven termijn van één uur voor het uitpompen van water in de Diepenhoekseloop niet redelijk. Dit klemt volgens eiser te meer, nu verweerder daartoe zelf pas omstreeks 20.00 uur is overgegaan.

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de op 3 september 2010 aangetroffen verontreiniging conform de door verweerder gehanteerde handhavingsstrategie vanwege de directe schade voor het watermilieu onmiddellijk ongedaan gemaakt moest worden. In verband hiermee heeft verweerder op 3 september de verontreiniging in de Diepenhoekseloop afgedamd om verdere verontreiniging van het oppervlaktewater te voorkomen. In het daarop volgende weekend heeft verweerder controles uitgevoerd om de situatie te beheersen en verspreiding te voorkomen. Op maandag 6 september 2010 dreigde het water in de Diepenhoekseloop te overstromen. Om dit te voorkomen en zo verspreiding van het verontreinigde water tegen te gaan, was het volgens verweerder noodzakelijk de Diepenhoekseloop leeg te zuigen. Dat er al een weekend was verstreken na het afdammen van deze sloot doet volgens verweerder niet af aan het feit dat er maandag 6 september 2010 wel sprake was van een situatie waarbij directe actie was vereist, omdat voor 7 en

8 september 2010 veel regen was voorspeld.

14. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat, nadat de Diepenhoekseloop was afgedamd, op vrijdag 3 september 2010 en het daarop volgende weekend geen direct optreden geboden was in de vorm van het leegzuigen van de Diepenhoekseloop ter voorkoming van verdere verontreiniging van het oppervlaktewater. Bij gebreke van een schriftelijke verslaglegging van hetgeen tussen eisers medewerkers en/of eiser en verweerder op 3 en 6 september 2010 is besproken, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser pas op

6 september 2010 omstreeks 13.30 uur is opgedragen om uiterlijk om 15.00 uur te starten met verwijdering van de verontreiniging van de Diepenhoekseloop. Vast staat dat eiser daarmee om 15.00 uur nog geen aanvang had gemaakt. Gezien de neerslagvoorspellingen voor 7 en 8 september 2010 kon verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de ontstane situatie in het belang van de bescherming van de waterkwaliteit ongedaan gemaakt moest worden. In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser geen nadere termijn hoefde te worden gegund om zelf maatregelen te treffen en daarmee de uitoefening van bestuursdwang door verweerder te voorkomen. Dat verweerder op die dag pas omstreeks 20.00 uur tot daadwerkelijk optreden is overgegaan doet niet af aan de spoedeisendheid van de situatie.

15. Eiser heeft er verder nog op gewezen dat hij op 3 september 2010 afwezig was in verband met een ziekenhuisbehandeling en dat de gang van zaken op 3 september 2010 niet met hem is besproken. Volgens eiser valt niet in te zien dat het besluit niet vooraf op schrift kon worden gesteld.

16. In dit kader overweegt de rechtbank dat het besluit tot toepassing van bestuursdwang op

3 en 6 september 2010, op 7 september 2010 op schrift is gesteld en verzonden op

8 september 2010. Gelet op het geringe tijdsverloop tussen het besluit en de opschriftstelling en bekendmaking daarvan, kan niet staande kan worden gehouden dat met een dergelijke handelwijze het besluit tot toepassing van bestuursdwang niet zo spoedig mogelijk op schrift is gesteld en bekendgemaakt, als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb.

17. De rechtbank overweegt voorts dat, nu eiser als overtreder kan worden aangemerkt, de kosten van de spoedeisende bestuursdwang op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb op hem kunnen worden verhaald.

18. Eiser heeft evenwel aangevoerd dat de uit de toepassing van (spoedeisende) bestuursdwang voortvloeiende kosten niet voor zijn rekening mogen komen. Hij heeft in dit verband gesteld dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod op vrijdag

3 september 2010 van een van zijn medewerkers om alle sloten af te dammen en dat het door hem ingeschakelde loonbedrijf Albers om de sloot leeg te zuigen op die avond onverrichte zake huiswaarts is gekeerd. Bovendien hadden de kosten volgens eiser lager kunnen uitvallen als hem wat meer tijd was gegund. Ter zitting heeft hij hieraan nog toegevoegd dat de beweerdelijk acuut dreigende situatie is ontstaan door lozing van Brabant Water op maandagochtend als gevolg van het uitblijven van een bericht van verweerder.

19. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake artikel 5:25, eerste lid, van Awb geldt als uitgangspunt dat de met toepassing van bestuursdwang gepaard gaande kosten worden verhaald op de overtreder. In het verlengde hiervan overweegt de rechtbank dat het aan eiser - die zich immers op een uitzondering beroept - om feiten en omstandigheden aan te dragen die aanleiding geven voor de conclusie dat de kosten niet voor zijn rekening behoren te komen.

20. Van feiten en omstandigheden in de zojuist bedoelde zin is de rechtbank niet gebleken.

De stukken noch het verhandelde ter zitting bieden aanknopingspunten voor het betoog van eiser dat zijn medewerkers daadwerkelijk hebben aangeboden om de verontreiniging in de Diepenhoekseloop in te dammen. Voor zover eiser de kostenbeschikking als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid, van de Awb heeft betwist in verband met de spoedeisendheid van de toegepaste bestuursdwang, overweegt de rechtbank dat dit aspect al is betrokken in de beoordeling van de toepassing van (spoedeisende) bestuursdwang en dat hierboven is geoordeeld dat dit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Dat de beweerdelijk acuut dreigende situatie is ontstaan doordat Brabant Water op maandagochtend 6 september 2010 weer was gaan lozen op de afgedamde watergang, is bij gebreke van iedere onderbouwing niet aannemelijk geworden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de kosten van bestuursdwang geheel ten laste van eiser komen.

21. Bij besluit van 12 november 2010 heeft verweerder de kosten die verband houden met de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 4.342,96. Verweerder daarbij een onderscheid gemaakt tussen de kosten voor het afdammen van de sloot en kosten voor afvoer en opslag van verontreinigd water:

Onderdeel afdammen sloot:

1) van Vijfeijken factuur, € 435,54

2) 50,5 uren waterschap begeleiding veldwerk € 1.480,63

Onderdeel afvoer en opslag verontreinigd water

3) Albers factuur (gecorrigeerd) € 2.112,25

4) 12 uren waterschap begeleiding aan- en afvoer op Asten € 314,54

€ 4.342,96

22. Verweerder heeft in het bestreden besluit en het verweerschrift onweersproken gesteld dat de kosten voor de inzet van de firma Albers op 3 september 2010 niet op eiser zijn verhaald. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser de vaststelling van de kosten voor het overige niet gemotiveerd heeft betwist. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bovenstaande kosten niet of niet zonder meer aan zijn besluit van

12 november 2010 ten grondslag heeft mogen leggen.

23. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot toepassing van (spoedeisende) bestuursdwang ten aanzien van de geconstateerde overtreding van het Lozingenbesluit en de kosten daarvan ten bedrage van € 4.342,96 voor rekening van eiser te brengen. Het beroep van eiser tegen het besluit van 26 april 2011 is daarom ongegrond.

24. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

25. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzitter, en mr. P.H.C.M. Schoemaker en mr. H.F.M.W. van Rijswick, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending

van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden:

?