Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW3786

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
01/997513-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:4833, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft de twee hoofdverdachten voor hun aandeel in de fraudezaak Easy Life veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden. De rechtbank acht bewezen dat beide verdachten zich samen met hun mededaders hebben schuldig gemaakt aan oplichting, meermalen gepleegd. De rechtbank acht ook bewezen dat beide verdachten hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, terwijl beide verdachten van die organisatie leider waren.

Door het handelen van verdachten en hun mededaders zijn honderden inleggers voor vele miljoenen euro's gedupeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/997513-08

Datum uitspraak: 26 april 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1958],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 15 december 2008, 2 maart 2009, 26 mei 2009, 20 augustus 2009, 15 oktober 2009, 11, 12, 15, 18, 19, 21 en 22 januari 2010, 25 maart 2010, 2 februari 2012, 19, 20, 22 en 27 maart 2012, en 12 april 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 november 2008.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 maart 2009 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 24 januari 2008, althans in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2006 tot en met de maand januari 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en) genaamd[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en) genaamd [bedrijf 16] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 17] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 18] en/of[bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting jegens beleggers, vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in door [bedrijf 3] en/of[bedrijf 4] uitgegeven obligaties en/of in door [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] uitgegeven deelnamecertificaten en/of het plegen van verduistering, al dan niet in dienstbetrekking, van door die beleggers voornoemd ingelegde gelden, zoals vermeld op die aangehechte lijst voornoemd, terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van die organisatie was;

(art. 140 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 24 januari 2008, althans vanaf de maand september 2006 tot en met de maand januari 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

(telkens) een (groot) aantal personen (verder te noemen 'de beleggers'), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 4], (telkens) zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 4] (voorheen genaamd [bedrijf 3]), verder te noemen 'de B.V.', uitgegeven obligaties, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 20.900.000,- euro of daaromtrent, in elk geval (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-: (telkens) aan de beleggers voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om (nagenoeg) risicoloos in de B.V. te investeren, door afname van door de B.V. uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te kopen Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements), waarbij aan de beleggers mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te geven obligaties en/of in de door de beleggers en de B.V. opgemaakte en/of ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of met de beleggers (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenpolissen (Life Settlements), (telkens) obligaties wenst uit te geven met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar en/of

- dat de obligatieleningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) een gedurende de looptijd van de obligatieleningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat de beleggers de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen, waardoor er bij de beleggers (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) de beleggers (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n);

(art. 326 jo art. 51 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 4] (voorheen genaamd [bedrijf 3]), verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 24 januari 2008, althans vanaf de maand september 2006 tot en met de maand januari 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) een (groot) aantal personen (verder te noemen 'de beleggers'), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 4], (telkens) zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door de B.V. uitgegeven obligaties, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 20.900.000,- euro of daaromtrent, in elk geval (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld, immers heeft de B.V. en/of een of meer van haar mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-: (telkens) aan de beleggers voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om (nagenoeg) risicoloos in de B.V. te investeren, door afname van door de B.V. uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te kopen Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements), waarbij aan de beleggers mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te geven obligaties en/of in de door de beleggers en de B.V. opgemaakte en/of ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of met de beleggers (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenpolissen (Life Settlements), (telkens) obligaties wenst uit te geven met een looptijd van (minimaal) 7 en (maximaal) 10 jaar en/of

- dat de obligatieleningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de obligatieleningen (telkens) een gedurende de looptijd van de obligatieleningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat de beleggers de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen, waardoor er bij de beleggers (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) de beleggers (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n),

terwijl hij, verdachte tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en);

(art. 326 jo art. 51 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 24 januari 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2006 tot en met de maand januari 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland,(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,(telkens) opzettelijk (een of meer) bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 20.900.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en) (verder te noemen 'de beleggers'), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie

slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 4], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) bedrag(en) aan geld, althans welk(e) goed(eren) verdachte en/of (een/of meer van) zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van hun/zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur en/of bestuurder en/of werknemer van [bedrijf 4] (voorheen genaamd [bedrijf 3]), verder te noemen 'de B.V.', (telkens) als obligatieleningen van door de B.V. aan de beleggers uitgegeven obligatie(s), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art. 322 jo art 321 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 4] (voorheen genaamd [bedrijf 3]), verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 24 januari 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2006 tot en met de maand januari 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een of meer) bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 20.900.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en) (verder te noemen 'de beleggers'), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 4], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan de B.V. en/of haar mededader(s), en welk(e) bedrag(en) aan geld, althans welk(e) goed(eren) de B.V. en/of haar mededader(s) (telkens) als obligatieleningen van door de B.V. en/of haar mededader(s) aan de beleggers uitgegeven obligatie(s) en aldus/in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij, verdachte tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en);

(art. art 321 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 24 januari 2008, althans vanaf de maand augustus 2006 tot en met de maand januari 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- (telkens) een of meer perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 19], (telkens) zijnde - zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 19] (verder te noemen 'C.V. 1') uitgegeven deelnamecertificaten, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 1.800.000,- euro of daaromtrent en/of

- (telkens) een of meer perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 20], (telkens) zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 20] (verder te noemen 'C.V. 2') uitgegeven deelnamecertificaten, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 4.200.000,- euro of daaromtrent en/of

- (telkens) een of meer perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 21], (telkens) zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 21] (verder te noemen 'de C.V. 3') uitgegeven deelnamecertificaten, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 1.600.000,- euro of daaromtrent, in elk geval (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), althans alleen, toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-: (telkens) aan die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om (nagenoeg) risicoloos in (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 te investeren, door afname

van door (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 uit te geven deelnamecertificaten, ter financiering van door (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 aan te kopen Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements), waarbij aan die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van deelnamecertificaten verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 en/of over de door (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 uit te geven deelnamecertificaten en/of in de door C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 opgemaakte en/of ondertekende deelnamecertificaten is voorgehouden en/of met die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19]en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 ter financiering van de beleggingen in levenpolissen (Life Settlements), (telkens) deelnamecertificaten wensen/wenst uit te geven en/of leningovereenkomsten wensen/wenst te sluiten met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar, met die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie

slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19]en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21]en/of

- dat de leningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de leningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de leningen (telkens) een gedurende de looptijd van de leningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8,7% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19]en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21], de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij die personen, vermeld op voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) die personen, vermeld op voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20]en/of [bedrijf 21] (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n);

(art. 326 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 19] (verder te noemen C.V. 1) en/of [bedrijf 20] (verder te noemen C.V. 2) en/of [bedrijf 21] (verder te noemen C.V. 3) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 24 januari 2008, althans vanaf de maand augustus 2006 tot en met de maand januari 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met elkaar en/of met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- (telkens) een of meer perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 19], (telkens) zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door C.V. 1 uitgegeven deelnamecertificaten, (telkens) heeft/hebben bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 1.800.000,- euro of daaromtrent en/of

- (telkens) een of meer perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 20], (telkens) zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door C.V. 2 uitgegeven deelnamecertificaten, (telkens) heeft/hebben bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 4.200.000,- euro of daaromtrent en/of

- (telkens) een of meer perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 21], (telkens) zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door C.V. 3 uitgegeven deelnamecertificaten, (telkens) heeft/hebben bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 1.600.000,- euro of daaromtrent, in elk geval (telkens) heeft/hebben bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld, immers heeft/hebben C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 en/of (een of meer van) haar/hun mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-: (telkens) aan die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om (nagenoeg) risicoloos in (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 te investeren, door afname van (respectievelijk) door C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 uit te geven deelnamecertificaten, ter financiering van (respectievelijk) door C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 aan te kopen Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements), waarbij aan die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie

slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van deelnamecertificaten verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 en/of over de door (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 uit te geven deelnamecertificaten en/of in de door (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 opgemaakte en/of ondertekende deelnamecertificaten is voorgehouden en/of met die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of[bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 ter financiering van de beleggingen in levenpolissen (Life Settlements), (telkens) deelnamecertificaten wensen/wenst uit te geven en/of leningovereenkomsten wensen/wenst te sluiten met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar met die personen, vermeld op voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] en/of

- dat de leningen (telkens) uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements) en/of

- dat de aflossingen van de hoofdsommen van de leningen (telkens) (uiterlijk) aan het einde van de looptijden zullen plaatsvinden en/of

- dat over de hoofdsommen van de leningen (telkens) een gedurende de looptijd van de leningen maandelijks uit te betalen rente van (minimaal) 8,7% of 9% per jaar wordt gegarandeerd en/of

- dat die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] de uitstaande saldi van de hoofdsommen (telkens) terstond en in zijn geheel tussentijds (gedurende de looptijd) kunnen opeisen,

waardoor er bij die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] (telkens) (een) valse voorstelling(en) van zaken werd(en) gewekt en/of (vervolgens) die personen, vermeld op de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] (telkens) werden bewogen tot voornoemde afgifte(n),

terwijl hij, verdachte tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en);

(art. 326 jo art. 51 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 24 januari 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand augustus 2006 tot en met de maand januari 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk

A. een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 1.800.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 19] en/of

B. een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 4.200.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 20] en/of

C. een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 1.600.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 21],

in elk geval (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) bedrag(en) aan geld onder A en/of B en/of C voornoemd, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van hun/zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als feitelijk en/of middellijk directeur en/of

bestuurder en/of werknemer van/bij (de beherende besloten vennootschap van) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21], als leningen van door [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] aan die op voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] vermelde perso(o)n(en) uitgegeven deelnamecertificaten, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art. 322 jo art 321 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 19] (verder te noemen C.V. 1) en/of [bedrijf 20] (verder te noemen C.V. 2) en/of [bedrijf 21] (verder te noemen C.V. 3) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 24 januari 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand augustus 2006 tot en met de maand januari 2008 in de gemeente Helmond en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met elkaar en/of met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk

A. een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 1.800.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 19] en/of

B. een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 4.200.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 20] en/of

C. een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaal bedrag groot ruim 1.600.000,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (een) perso(o)n(en), zoals vermeld op de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 21],

in elk geval (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een ander of anderen dan aan C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 en/of haar/hun mededader(s) en welk(e) bedrag(en) aan geld onder A en/of B en/of C voornoemd, C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 (telkens) als leningen van door C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 aan die op voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] vermelde perso(o)n(en) uitgegeven deelnamecertificaten aldus /in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend, terwijl hij, verdachte tot de/het bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven verboden gedraging(en);

(art. art 321 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bij de dagvaarding en daarvan deel uitmakend is gevoegd een lijst registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon.

Een kopie van deze lijst is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die lijst wordt geacht hier ingelast te zijn.

De formele voorvragen.

Verweer nietigheid dagvaarding.

De raadsman heeft op de zittingen van 11 januari 2010 en van 27 maart 2012 -kort gezegd- de nietigheid van de dagvaarding bepleit. De dagvaarding is in de eerste plaats innerlijk tegenstrijdig. Ten laste is gelegd dat verdachte geld door oplichting heeft verkregen. In dat geval kan verduistering van datzelfde geld - met als essentieel bestanddeel 'anders dan door misdrijf onder zich hebben'- nooit worden tenlastegelegd. Die twee misdrijven sluiten elkaar in dit geval uit en door het Openbaar Ministerie dient een keuze te worden gemaakt. De tenlastelegging dient nietig te worden verklaard zowel voor feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5. Ook voor wat betreft feit 1 is deze (partieel) nietig, voor zover dat feit ziet op het verwijt dat verdachte zou hebben deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk heeft het oplichten van de beleggers én het plegen van verduistering van diezelfde door die beleggers ingelegde gelden. Dat maakt de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig.

In de tweede plaats heeft het Openbaar Ministerie bij requisitoir verzuimd aan te geven wie in de tenlastelegging concreet wordt bedoeld als er gesproken wordt over de deelnemers/medeplegers bij feit 2, 3, 4 en 5. De tenlastelegging is voor wat betreft feit 2, 3, 4 en 5 onvoldoende duidelijk en specifiek en voldoet aldus niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en kan daarom niet fungeren als grondslag voor (het onderzoek op) een terechtzitting. De rechtbank dient de tenlastelegging op grond hiervan nietig te verklaren voor wat betreft feit 2, 3, 4 en 5.

In de derde plaats heeft het Openbaar Ministerie bij requisitoir verzuimd aan te geven op welke concrete bedragen de passage (volgend op het woord daaromtrent')"...in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld..." doelt. Die passage is - met name in relatie tot de inhoud van de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting - onvoldoende duidelijk en specifiek en voldoet aldus niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en kan daarom niet fungeren als grondslag voor (het onderzoek op) een terechtzitting. Dat maakt de tenlastelegging partieel nietig.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

De dagvaarding is in al haar onderdelen voldoende feitelijk en gespecificeerd.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat de raadsman ter terechtzitting van 2 maart 2009 heeft ingestemd met de gevorderde wijziging van de tenlastelegging. Hij heeft bovendien ter zitting verzoeken tot het horen van getuigen gedaan en deze getuigen ook gehoord bij de rechter-commissaris, zonder daarbij aan te voeren dat de tenlastelegging te weinig feitelijk was om de verdediging te kunnen voeren. Dat in de tenlastelegging van de feiten 2, 3, 4 en 5 in zijn algemeenheid wordt gesproken over medeplegen met (een) ander(en) doet aan het vorenstaande niet af. Ook het - in subsidiaire zin - gebruiken van de algemene term "geldbedragen" kan niet tot nietigheid leiden.

Voor zover in de tenlastelegging oplichting en verduistering cumulatief zijn tenlastegelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit geen innerlijke tegenstrijdigheid oplevert. De rechtbank heeft immers bij een cumulatieve tenlastelegging - in geval de tenlastegelegde feiten op zich overeenkomstig de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering zijn geredigeerd, zoals in dit geval, - te bezien of een of meerdere van deze feiten voor een bewezenverklaring in aanmerking komen. Dat de tenlastegelegde feiten (verduistering en oplichting) - kort gezegd - elkaar uitsluiten, doet aan het voorafgaande niet af. De rechtbank heeft hierbij overigens acht geslagen op de eerdere mededeling van de officier van justitie dat bij de tenlastegelegde verduistering er een partiële vrijspraak moet volgen voor zover in die periode de oplichting bewezen wordt geacht, en dat een partiële vrijspraak zal dienen te volgen voor de oplichting voor zover in die periode de verduistering bewezen wordt geacht. De dagvaarding is derhalve voor wat betreft alle tenlastegelegde feiten geldig. Het door de raadsman van [medeverdachte 3] nog aangehaalde arrest van de Hoge Raad (Hoge Raad 20 februari 1979, NJ 1979, 313) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat het daarbij niet ging om een tegenstrijdigheid tussen twee cumulatief ten laste gelegde feiten, maar om een tegenstrijdigheid binnen een enkel ten laste gelegd feit.

Verweer niet-ontvankelijkheid officier van justitie.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 27 maart 2012 tijdens zijn pleidooi de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit.

Hij heeft daartoe gesteld dat verdachte [verdachte] tijdens zijn verblijf in de PI Vught in het kader van zijn voorlopige hechtenis, geen vrije toegang heeft gehad tot zijn raadsman. Volgens de raadsman verbood men [verdachte] om zijn raadsman te bellen. Verder is door de PI per abuis zijn dossier aan een derde meegegeven. De obstructie van de vrije toegang tot de advocaat acht de raadsman zeer ernstig. Het doel van artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering is rechtsbijstand door een raadsman voor de vast zittende verdachte zo effectief mogelijk te maken door de vrije toegang tot de verdachte en de vertrouwelijke communicatie te waarborgen. Volgens de raadsman heeft een gedetineerde weliswaar geen onbeperkt recht om te telefoneren met zijn raadsman, maar gelet op de afspraken die er zijn gemaakt tussen de Orde van Advocaten en de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie, moet de gedetineerde in beginsel iedere werkdag tijdens kantooruren met zijn advocaat kunnen telefoneren. Het vrije verkeer tussen een advocaat en cliënt is van zeer groot belang en moet gewaarborgd blijven. Wanneer dat belang niet wordt onderkend en de rechten niet worden nageleefd, zelfs niet na klachten, dan is dit in strijd met de artikelen 6 en 8 van het EVRM en is sprake van een schending van een behoorlijke procesorde. Door de onrechtmatige beperking kon [verdachte] niets inbrengen tegen het verkeerde negatieve beeld dat anderen over hem in de media brachten. Bovendien had [verdachte] zijn raadsman nodig in die tijd en had de raadsman hem nodig. Het niet kunnen spreken met cliënt [verdachte] levert daarom een flagrante schending van het vrije verkeer tussen de advocaat en verdachte op. Voor dit strafproces levert dit een ernstig vormverzuim op. Het vormverzuim is minstens zo ernstig als het uitluisteren en niet wissen van geheimhoudergesprekken. De rechtbank heeft bij een dergelijk vormverzuim, gezien artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, de keuze tussen niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting en strafvermindering. Volgens de raadsman kan er maar één sanctie volgen en dat is de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 27 maart 2012 gesteld dat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Enkele dagen voor de zitting van 26 mei 2009 informeerde de raadsman de officier van justitie dat er problemen waren geweest met betrekking tot het recht van [verdachte] vrij toegang te hebben tot zijn advocaat. Op de zitting van 26 mei 2009 werd dit probleem door de raadsman onder de aandacht van de rechtbank gebracht. Daarop heeft de officier van justitie de directeur van het huis van bewaring bij schrijven van 28 mei 2009 om uitleg gevraagd. Op 5 juni 2009 heeft het afdelingshoofd van de penitentiaire inrichting de officier van justitie bericht dat er, naar aanleiding van een vraag daarover van de raadsman aan de penitentiaire inrichting, een gesprek is geweest met de verdachte, die aangaf dat er geen klachten waren. De penitentiaire inrichting gaf aan dat het schrijven van de officier van justitie de aanleiding was om daarover nogmaals een gesprek aan te gaan met verdachte [verdachte]. Ook nu weer gaf [verdachte] de penitentiaire inrichting aan dat er geen problemen waren. Wel gaf hij aan dat zijn advocaat slecht bereikbaar was en hij juist vele verzoeken moest doen aan het personeel. Hij gaf aan dat deze verzoeken werden gehonoreerd.

Op 17 juni 2009 zond de raadsman de officier van justitie een afschrift van zijn reactie aan de penitentiaire inrichting. Daarin ging hij ook in op het voorval dat het strafdossier van verdachte "op straat" zou zijn komen te liggen, doordat dit strafdossier per abuis aan de moeder van een medegedetineerde zou zijn afgegeven. Daarop heeft de officier van justitie wederom schriftelijk contact opgenomen met de penitentiaire inrichting op 25 juni 2009. Op 21 juli 2009 ontving de officier van justitie een schriftelijke reactie waarin werd aangegeven dat het strafdossier per abuis was meegegeven aan de relatie van een medegedetineerde. Ook werd aangegeven hoe, in overleg met de verdachte [verdachte], deze vergissing door de penitentiaire inrichting is hersteld en dat de raadsman daarover is geïnformeerd.

In zijn schrijven van 10 en 11 juni 2009 gaf verdachte aan zijn raadsman en aan het afdelingshoofd van de penitentiaire inrichting zijn visie op beide voorvallen. Hij gaf in dit schrijven aan dat hij uitgebreid gesproken heeft met het afdelingshoofd van de penitentiaire inrichting en aldaar zijn klachten kenbaar heeft gemaakt. Uit de beide brieven valt op te maken dat een drietal problemen zich hebben voorgedaan:

* De onbekendheid van verdachte met de interne huisregels, waardoor hij niet zijn raadsman op een hem gewenst moment aan de telefoon kreeg. Een probleem dat ook werd veroorzaakt doordat de raadsman niet te allen tijde voor hem bereikbaar was.

* Een probleem met de onmiddellijke opheffing beperkingen veroorzaakt door het feit dat de penitentiaire inrichting in afwachting was van de schriftelijke bevestiging terzake deze opheffing.

* Het per vergissing meegeven van het strafdossier. Dit strafdossier is ingepakt en met touw dichtgebonden meegegeven aan een relatie van een medegedetineerde en is in dezelfde staat terugontvangen door medewerkers van de penitentiaire inrichting.

Naar het oordeel van de officier van justitie is gelet op het voorgaande geen beginsel van een goede procesorde geschonden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het gevoerde verweer het volgende.

In het dossier zit een brief van afdelingshoofd J. van Boxtel van Justitiële Inrichtingen (hierna: J.I.) Vught d.d. 5 juni 2009 aan de officier van justitie. In dit schrijven vermeldt het afdelingshoofd onder andere:

U vraagt aan mij of er problemen zijn of zijn geweest met betrekking tot het recht van een verdachte om vrij toegang te hebben met zijn advocaat. Dit zou gaan om gedetineerde [verdachte] en advocaat Teurlings. In het verleden heeft de advocaat deze vraag ook gesteld. Hierop ben ik in gesprek gegaan met de heer [verdachte]. Deze had totaal geen klachten over het contact met zijn advocaat. Naar aanleiding van uw brief heb ik de heer [verdachte] opnieuw gesproken. Ook nu gaf de heer [verdachte] aan dat er totaal geen problemen zijn met het contact van zijn advocaat. Hij is juist heel goed te spreken over het contact met zijn advocaat. Hij weet dat zijn advocaat dat gebruikt heeft in de pro forma zitting. De heer [verdachte] gaf in het gesprek aan dat hij moeite heeft met het feit dat zijn advocaat slecht bereikbaar is en hij juist vele verzoeken moet doen aan het personeel. Tot nu toe worden deze gehonoreerd. In het huis van bewaring waar de heer [verdachte] in voorlopige hechtenis verblijft, werken we met de Penitentiaire beginselenwet.

Artikel 39 lid 4 van die wet luidt "De gedetineerde wordt in staat gesteld met de in artikel 37, eerste lid, genoemde personen (o.a. een advocaat) en instanties telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaat".

Het personeel is in de dagelijkse werkzaamheden en activiteiten niet altijd in de gelegenheid een advocaat te bellen voor iemand die dit terstond wil. Dit is praktisch niet haalbaar. Om dit te ondervangen kan een gedetineerde een dag van tevoren een verzoek indienen om met zijn advocaat te mogen bellen. Hij kan hierop een voorkeurstijdstip en dag aangeven, zodat het personeel in de dagelijkse werkzaamheden hiermee rekening kan houden. Tevens heeft

betrokkene ieder week nog vijf recreatiemomenten waarbij hij gebruik kan maken van de

telefoon. Verder kan hij met de advocaat in contact treden via briefwisseling of de advocaat kan hem bezoeken.

Ook zit in het dossier een brief van juridisch medewerker mw. mr. L.M.J. Timmers van J.I. Vught d.d. 20 juli 2009 aan raadsman mr. M.J.C. Teurlings. In dit schrijven vermeldt de juridisch medewerker onder andere:

Uw cliënt, gedetineerde [verdachte] heeft tot 19 juni jongstleden gedetineerd gezeten in unit 7 van de J.I.Vught. U stelt in uw schrijven dat de heer [verdachte] tijdens zijn verblijf in de J.I. Vught belemmerd is in het contact met u. Daarvan is geen sprake geweest en ook de heer [verdachte] heeft dat zo niet ervaren. Het afdelingshoofd heeft na uw vorige schrijven in april en ook daarna nog een aantal maal persoonlijk contact gezocht met de heer [verdachte] waarbij hij telkens heeft aangegeven geen problemen te hebben gehad met het contact met zijn advocaat. Dit is ook medegedeeld aan de officier van justitie die naar aanleiding van een schrijven van u, het afdelingshoofd om een reactie heeft verzocht.

Met betrekking tot het strafdossier van de heer [verdachte] kan ik u mededelen dat onder meer dit dossier op 2 juni jongstleden tijdens het uitvoeren van goederen per abuis aan de relatie van een medegedetineerde is meegegeven. Nadat deze fout kort daarna geconstateerd werd, is direct actie ondernomen om dit zo zorgvuldig mogelijk op te lossen. In eerste instantie hebben de betrokken gedetineerden afspraken gemaakt met hun relaties en zou de vrouw van de heer [verdachte] de goederen terug gaan halen bij de relatie van de medegedetineerde die in het bezit was van de uitvoer. Omdat de heer [verdachte] zelf aangaf geen goed gevoel te hebben bij deze afspraak is door het personeel besloten om toch zelf de uitvoer, waaronder het dossier, terug te gaan halen en dat is ook zo gebeurd. De relatie van de betrokken medegedetineerde die de uitvoer in het bezit had, heeft alle medewerking verleend en na controle in de inrichting is vast komen te staan dat de uitvoer

volledig terug is gegeven. Het feit dat de uitvoer van de heer [verdachte] aan

een verkeerde relatie is meegegeven is vanzelfsprekend erg vervelend. Het personeel heeft getracht deze fout in overleg met de heer [verdachte] zo snel en goed als mogelijk te herstellen. De heer [verdachte] heeft zich nooit bij het personeel dan wel de commissie

van toezicht beklaagd over zaken die u in uw schrijven voorlegt.

Gelet op de inhoud van voormelde brieven van afdelingshoofd J. van Boxtel en van juridisch medewerker mw. mr. L.M.J. Timmers is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat er in J.I. Vught sprake was van belemmering van het vrije verkeer tussen advocaat mr. Teurlings en verdachte. Derhalve is er geen sprake van een - aan het openbaar ministerie toe te rekenen - schending van een behoorlijke procesorde en is naar het oordeel van de rechtbank ook niet gehandeld in strijd met de artikelen 6 en 8 van het EVRM.

De rechtbank is verder van oordeel dat J.I. Vught onzorgvuldig heeft gehandeld door het strafdossier van verdachte [verdachte] tijdens het uitvoeren van goederen in J.I. Vught per abuis aan de relatie van een medegedetineerde mee te geven. Er is echter direct actie ondernomen en het dossier is korte tijd later teruggehaald bij de relatie van de medegedetineerde.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat het dossier doelbewust of minstens met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan de relatie van een medegedetineerde is meegegeven.

Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank het beroep op niet-ontvankelijkheid.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding ook overigens geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 primair en subsidiair en feit 5 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Meer specifiek overweegt de rechtbank daartoe het volgende.

Volgens de steller van de dagvaarding wordt verdachte onder 2 primair en subsidiair en onder 4 primair en subsidiair verweten dat hij zich, al dan niet in vereniging, schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Voor zover verdachte de door de beleggers betaalde geldbedragen "anders dan door misdrijf" onder zich had wordt hem onder 3 primair en subsidiair en onder 5 primair en subsidiair alternatief/cumulatief verweten dat hij zich, al dan niet in vereniging, schuldig heeft gemaakt aan verduistering.

Bij oplichting beweegt de dader het slachtoffer tot de afgifte van een geldbedrag om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen hetzij door het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels.

Bij verduistering gaat het om het zich wederrechtelijk toe-eigenen van een geldbedrag dat men reeds onder zich heeft en dat men op legale wijze heeft verkregen.

Met betrekking tot de tenlastegelegde verduistering overweegt de rechtbank als volgt.

Een bewezenverklaring van oplichting en verduistering van eenzelfde geldbedrag is niet mogelijk. Nu de rechtbank verderop in dit vonnis zal overwegen dat verdachte de beleggers heeft opgelicht, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder 3 primair en subsidiair en 5 primair en subsidiair in verschillende vormen tenlastegelegde verduistering. Het bestanddeel van het delict verduistering, te weten "dat hij het goed anders dan door misdrijf onder zich heeft" kan immers, gelet op de bewezen verklaarde oplichting, niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewijs

I. Inleiding.Het [bedrijf 19]concern.

De rechtbank onderscheidt in navolging van het KPMG-rapport 3 periodes in de geschiedenis van het [bedrijf 19] concern.1

* Periode 1: [bedrijf 2] (17 september 2005 tot en met 30 september 2006)

Op 17 september 2005 wordt [bedrijf 2] opgericht. [verdachte] is 100% aandeelhouder van deze beheermaatschappij. De bedrijfsomschrijving van deze BV is volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel: "beheren en beleggen".

Op 21 september 2005 wordt [bedrijf 25] opgericht. [bedrijf 2] is 100% aandeelhouder van deze BV bedrijfsomschrijving van [bedrijf 25] is: "beheren, beleggen, advies in hypotheken en levensverzekeringen".

Op 2 november 2005 wordt "[bedrijf 16]" opgericht. Per 1 september 2006 wordt de naam van deze BV gewijzigd in "[bedrijf 1]". [bedrijf 25] is 100% aandeelhouder van [bedrijf 1]

Op 7 november 2005 wordt "[bedrijf 3]" (handelsnaam: [bedrijf 27]) opgericht, waarvan de naam per 8 september 2006 wordt veranderd in "[bedrijf 4]" . [bedrijf 1] is 100% aandeelhouder van [bedrijf 4] Volgens de oprichtingsakte van [bedrijf 4] is het doel van de vennootschap: "Het afkopen van levensverzekeringen alsmede het (doen) beleggen en uitoefenen van controle op beleggingen en beleggingscertificaten en het genereren van geld ten behoeve van de financiering van goede doelen en projecten van het [bedrijf 25] fonds."

Op 1 augustus 2006 wordt de commanditaire vennootschap (hierna: CV)[bedrijf 19]opgericht. Doel van deze CV is onder meer "het voor gezamenlijke rekening exploiteren van een beleggings- en financieringsbedrijf met betrekking tot Life Settlement polissen en onroerende zaken". Wie geld investeert binnen deze CV ten behoeve van levenpolissen tekent een leningsovereenkomst, ontvangt een deelnemerscertificaat en wordt stille vennoot van de CV. Beherend vennoot van de CV is [bedrijf 1]

De eerste leningovereenkomsten via bovengenoemde CV-constructie zijn gesloten door buitendienstmedewerkers van [benadeelde 1], de handelsnaam voor [bedrijf 8], opgericht in 2001. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] waren vanaf de oprichting statutair bestuurder van [benadeelde 1].2

De werkwijze van [bedrijf 4] is anders dan bij de CV's. Ter financiering van levenpolissen worden obligaties uitgegeven; de obligatiehouder leent geld aan [bedrijf 4] voor een bedrag per obligatie ter grootte van de nominale waarde van die obligatie. Partijen tekenen daartoe een obligatie-overeenkomst.

* Periode 2. [bedrijf 2] en [bedrijf 18] (1 oktober 2006 tot en met 15 januari 2008).

Kort na [bedrijf 19] worden nog 3 CV's opgericht: [bedrijf 20] (opgericht 1 oktober 2006), [bedrijf 21] (1 december 2006) en [bedrijf 23] (21 november 2006). De werkwijze van deze drie CV's is dezelfde als die van [bedrijf 19]. Men kan geld investeren ten behoeve van levenpolissen en wordt dan stille vennoot. Beherend vennoot is nu echter niet alleen [bedrijf 1], maar ook [bedrijf 18]. [bedrijf 18] is opgericht op 10 oktober 2006. De bestuurders van de stichting zijn verdachte en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. In de statuten van de stichting wordt als doel van de stichting onder meer genoemd: "het beheren van het vermogen van de heer [medeverdachte 1] (...) alsmede het verkrijgen, beheren, exploiteren en vervreemden en bezwaren van registergoederen".

Op 6 maart 2007 verkoopt [bedrijf 25] 50% van de aandelen van [bedrijf 1] aan de [bedrijf 18]. Per 16 maart 2007 is [medeverdachte 1] in dienst getreden van [bedrijf 4] als algemeen directeur.3

Op 21 maart 2007 wordt [bedrijf 9] opgericht. [bedrijf 18] en [bedrijf 2] bezitten beide 50% van de aandelen. Volgens de bedrijfsomschrijving, zoals deze is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, is het doel van [bedrijf 9]: "het aankopen en verkopen, huren en verhuren alsmede het beheren van registergoederen, exploitatie alsmede projectontwikkeling daaronder begrepen, zowel in Nederland als het buitenland".4 [bedrijf 2] draagt op 5 december 2007 de aandelen in [bedrijf 9] over aan [bedrijf 18] en twee andere partijen.5

* Periode 3: [bedrijf 18] (16 januari 2008 tot en met 31 juli 2008)

Op 15 januari 2008 is een vaststellingsovereenkomst getekend door [bedrijf 2], [bedrijf 18], [bedrijf 4], [bedrijf 25] en verdachte [verdachte].

In de overeenkomst is vastgesteld dat [bedrijf 2] een schuld heeft uitstaan aan [bedrijf 4] ten bedrage van € 7.998.000,-- (schuld I) en [verdachte] zelf een uitstaande schuld heeft aan [bedrijf 4] van € 226.000,-- (schuld II). Partijen komen overeen dat [bedrijf 18] schuld I en schuld II overneemt. Als tegenprestatie dragen [bedrijf 2] en [bedrijf 25] de aandelen in [bedrijf 1] over aan [bedrijf 18]. [bedrijf 18] gaat over tot schuldoverneming onder de voorwaarde, dat [verdachte] zijn functie als bestuurder zal neerleggen en dus zal worden ontslagen in de [bedrijf 18], [bedrijf 1] en [bedrijf 4] De vaststellingsovereenkomst is getekend door verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]. 6

Door deze vaststellingsovereenkomst is [bedrijf 18] vanaf 16 januari 2008 direct of indirect 100% aandeelhouder of beherend vennoot van de rechtspersonen binnen het [bedrijf 19] concern. [bedrijf 1] en [bedrijf 4] fuseren, met laatstgenoemde BV als verkrijgende rechtspersoon. Blijkens gegevens van de Kamer van Koophandel is [verdachte] op 15 januari 2008 uitgetreden als bestuurder van [bedrijf 1] en op 18 januari 2008 als bestuurder van [bedrijf 18].7

[bedrijf 2] blijft wel voor 99,5% aandeelhouder van [bedrijf 17], opgericht op 6 maart 2007). [verdachte] blijft aandeelhouder voor de overige 0,5%. [bedrijf 17] heeft volgens de oprichtingsakte als doel onder meer "het ontwikkelen, inkopen en verkopen (...) van polissen van levensverzekeringen (...) in Nederland en het buitenland".8 [bedrijf 17] heeft een exclusiviteitscontract met [bedrijf 4]: alleen [bedrijf 17] kon in de Verenigde Staten levenpolissen voor[bedrijf 19] aankopen.9

[medeverdachte 4] is per 1 september 2007 in dienst getreden van [bedrijf 4] in de functie van algemeen directeur en heeft toen een management team gevormd, bestaande uit hemzelf, bedrijfsjuriste [persoon 9] en bedrijfskundige [getuige 1].

II. Overige inleidende opmerkingen.

1.Tijdens zijn pleidooi heeft de raadsman van verdachte [verdachte] kritiek geuit op KPMG in de rol van deskundige in dit strafproces. Verzwegen zou zijn dat KPMG eerder [bedrijf 1] heeft geadviseerd, waardoor getwijfeld wordt aan de objectiviteit en de betrouwbaarheid van het door KPMG uitgebrachte rapport in de strafzaak. In dit verband heeft de raadsman aan de rechtbank stukken overgelegd die anoniem op zijn kantoor zijn bezorgd en die kennelijk blijkens het logo van KPMG van deze onderneming afkomstig zijn en financiële rapportage inzake [bedrijf 1] behelzen . De raadsman heeft aan zijn kritiek geen rechtsgevolg verbonden. De rechtbank ziet evenmin aanleiding ambtshalve daaraan rechtsgevolgen te verbinden en gebruikt derhalve het rapport van KPMG, te meer nu gesteld noch gebleken is, dat de twee voor KPMG optredende en door de rechter-commissaris beëdigde deskundigen bij de eerdere advisering betrokken zijn geweest. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de raadsman van medeverdachte Rijnaard in diens pleidooi ter zitting van 15 januari 2010 - derhalve ruim voor de benoeming van de deskundigen door de rechter-commissaris - reeds gewag heeft gemaakt van een eerder onderzoek door KPMG.

2. Het is de rechtbank voorts bekend, dat diverse faillissementen van bij [bedrijf 1] betrokken rechtspersonen en natuurlijke personen zijn uitgesproken, en dat de afwikkeling daarvan nog gaande is. Als strafrechter heeft de rechtbank zich te houden aan de grondslag van de tenlastelegging, zoals door de officier van justitie geformuleerd, om naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting vervolgens te beantwoorden de vragen van artikel 348 (zoals naar de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging), zoals hiervoor is geschied, en de vragen van artikel van 350 van het Wetboek van Strafvordering (de bewijsvraag, de strafbaarheid van feite en verdachte, en de strafwaardigheid). Het is dus uitdrukkelijk niet aan de strafrechter om civielrechtelijke geschillen tussen de rechtspersonen en de natuurlijke personen (waaronder de verdachten in deze strafprocedure), die in het strafproces de revue zijn gepasseerd, te beslechten. De rechtbank heeft discussie daarover toegelaten omdat niet bij voorbaat kon worden uitgesloten, dat de uitkomst van deze discussie - waaronder de resultaten van het onderzoek door KPMG - relevant zou kunnen zijn voor de bewijsvraag en de strafwaardigheid van eventueel te bewijzen tenlastegelegde feiten. Het is echter niet aan de rechtbank als strafkamer de geschillen te beslechten tussen de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] inzake de vaststellingsovereenkomst en over de al dan niet aan een van beiden of aan beiden civielrechtelijk toe te rekenen schulden jegens het "[bedrijf 1]" dan wel andere crediteuren. Hetzelfde geldt voor de door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] tijdens de strafprocedure gepretendeerde vorderingen op het "[bedrijf 1]" dan wel op anderen.

Wel is het aan de rechtbank als strafrechter bij haar oordeelsvorming te betrekken dat in de door KPMG onderzochte periode € 42.477.737,69 aan inleg is ontvangen en per saldo voor € 9.004.297,28 aan polissen is aangekocht.

3. Ter afsluiting van de inleidende opmerkingen het volgende. De raadslieden hebben nog aangevoerd, dat de Autoriteit Financiële Markten en het openbaar ministerie (OM) niet hebben ingegrepen in de richting van [bedrijf 1], door gedurende een bepaalde periode in het jaar 2008 het al dan niet redden van [bedrijf 1] door middel van de zogenaamde "[personen 11 en 11a]"-deal af te wachten. Hieruit zou volgens de raadslieden blijken dat ook de AFM en het OM hebben gemeend dat [bedrijf 1] toen nog levensvatbaar was. De rechtbank treedt niet in de wettelijke bevoegdheden van de AFM en het OM. Slechts ter informatie verwijst de rechtbank naar de antwoorden van de toenmalige Minister van Justitie naar aanleiding van gestelde Kamervragen.10 Het optreden van het OM als leidinggevende aan het opsporingsonderzoek staat, gelet op het voor het OM geldende opportuniteitsbeginsel, niet ter beoordeling van de rechtbank, tenzij de beginselen van een behoorlijke rechtspleging ernstig zijn geschonden. Dat laatste is niet gebleken.

III. Bespreking van het bewijs en de bewijsmiddelen.

Het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 2 en 4:

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van zo'n 500 inleggers, zoals vermeld op de bij de dagvaarding gevoegde lijst.

Ten aanzien van feit 1:

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat in de onderhavige strafzaak sprake is van een conglomeraat van natuurlijke personen en rechtspersonen dat zich in een gestructureerd verband bezig heeft gehouden met oplichting c.q. verduistering. Wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte en zijn medeverdachten samen en in vereniging als leider, bestuurder en/of oprichter aan een criminele organisatie hebben deelgenomen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 2 en 4:

De raadsman is van mening dat van oplichting geen sprake is, aangezien niet gezegd kan worden dat sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid. [bedrijf 1] was een legale beleggingsinstelling, waar weliswaar zakelijk dingen mis zijn gegaan, maar waar geen valse hoedanigheid is aangenomen. Er is ook geen sprake van een vals geschrift en uit niets blijkt dat verdachte op enig moment het oogmerk heeft gehad om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen.

Ten aanzien van feit 1:

De samenwerking binnen [bedrijf 1] was duurzaam, maar criminele activiteiten zijn nooit en te nimmer het doel geweest van iemand binnen [bedrijf 1]. Nergens uit het dossier blijkt dat er iemand binnen het bedrijf bezig is geweest of de bedoeling heeft gehad beleggers op te lichten of gelden te verduisteren. Altijd is men bezig geweest voor de inleggers. Er is geen bewijs dat iemand zich schuldig wilde maken aan een strafbaar feit. Voor het onder 1 ten laste gelegde dient derhalve vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 primair en feit 4 primair:

Aangiften

Bij schrijven van 27 februari 200711 heeft de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) aangifte gedaan tegen [bedrijf 4]. In de aangifte is onder meer gesteld dat de AFM het vermoeden heeft dat sprake is van oplichting, omdat uit onderzoek van de AFM is gebleken,dat [bedrijf 4] de door participanten beschikbaar gestelde gelden niet of niet volledig aangewend heeft voor het aankopen van Amerikaanse waardepapieren, zoals wel contractueel overeengekomen is. Bestudering van de bankafschriften deed vermoeden dat de ingelegde gelden slechts voor een beperkt deel, in tegenstelling tot hetgeen in de contracten staat, werden geïnvesteerd.

Binnen het opsporingsonderzoek inzake [bedrijf 4] zijn vervolgens diverse getuigen gehoord. In het dossier bevinden zich twintig verklaringen van personen die in de tenlastegelegde periode (na 1 augustus 2006) gelden hebben geïnvesteerd in producten [bedrijf 4] (voorheen [bedrijf 3]) of één van de C.V.'s. Genoemde personen hebben allen aangifte gedaan van oplichting. Voor zover hier relevant geoordeeld (18 verklaringen), houden de verklaringen het navolgende in.

[benadeelde 2]12 verklaart dat zij de beslissing om geld in te leggen op Amerikaanse levensverzekeringen heeft genomen op het verhaal van [getuige 12], na besprekingen bij haar thuis in juli, augustus en december 2006. Nadat zij had besloten geld in te leggen ontving zij de prospectus en brochure van [getuige 12]. [getuige 12] vertelde dat zij haar ingelegde geld na 7 jaar volledig terug zou krijgen en dat zij jaarlijks 9% rente zou ontvangen. Zij heeft op 12 december 2006 de overeenkomst getekend waarbij zij akkoord ging met de inleg van 100.000 euro en een deelname-certificaat ontvangen van [bedrijf 20]. Aan haar is nooit verteld dat het ingelegde geld voor andere doeleinden dan voor de aankoop van levenpolissen zou worden besteed.

- In de bij haar verklaring gevoegde leningovereenkomst13 staat dat "het onder 1) genoemde leningbedrag door CV zal worden aangewend om, minimaal ter waarde van het onder 1) genoemde leningbedrag Levenpolissen aan te kopen". Het bijgevoegde deelnamecertificaat gedateerd 20-12-2006 vermeldt "Voor akkoord (....) [verdachte]".14

[getuige 13]15 verklaart dat [medeverdachte 1] tweemaal bij hun (rechtbank: [getuige 13] en haar partner [getuige 14]) thuis is geweest in de periode november en december 2006, en adviseerde om de overwaarde van hun pand in [bedrijf 1] te investeren. De tweede keer heeft zij het contract getekend. Zij heeft de prospectus van [bedrijf 27] van internet gehaald en gelezen. [medeverdachte 1] vertelde dat het ingelegde geld besteed zou worden voor de aankoop van levenpolissen in Amerika. Het deelnameformulier [bedrijf 27]is op 30 november 2006 door [medeverdachte 1] ondertekend en twee weken later door [getuige 13]. Door [medeverdachte 1] is absoluut niets verteld over de aankoop van woningen/ bedrijfspanden/exclusieve auto's en het aantrekken van adviseurs.

- Het bijgevoegde deelnamecertificaat [bedrijf 21] vermeldt dat het is opgemaakt op 1 april 2007, een leningbedrag betreft van 180.000 euro en verder: "Voor akkoord : (...) [verdachte]".16

[getuige 15]17 verklaart dat [getuige 16], werkzaam bij [benadeelde 1], in mei 2007 thuis op bezoek kwam en voorstelde om de overwaarde van het huis te investeren in obligaties. Hij zei dat het geld bij een Trust terecht kwam en dat er niemand aan kon komen. Bij het eerste bezoek ontving [getuige 15] de brochure/prospectus van [getuige 16] en las daarin dat er een minimaal risico bestond. [getuige 16] zei dat voor de complete inleg van 100.000 euro polissen zouden worden gekocht. Op 21 mei 2007 is de overeenkomst door [getuige 16] ondertekend in bijzijn van [getuige 15] Het certificaat van de lening is op 6 juli 2007 ondertekend en hierbij staan de namen vermeld van [verdachte] en [medeverdachte 1]. Er is niet verteld dat het geld zou worden gebruikt voor andere doeleinden, zoals de aankoop van woningen/bedrijfspanden.

- Het bijgevoegde en door [getuige 16] op 21 mei 2007 ondertekende inschrijfformulier [bedrijf 19]8 houdt onder meer in: "Aanwending aangetrokken gelden: Aankoop en beheer door [bedrijf 17] van levenpolissen."

De bijgevoegde overeenkomst19 houdt onder meer in dat [bedrijf 4], vertegenwoordigd door haar bestuurders [verdachte] en [medeverdachte 1], met [getuige 15]het volgende overeenkomt :

"Artikel 3 - Opbrengst Obligatielening

De obligatielening zal door de Vennootschap uitsluitend worden aangewend voor de financiering van belegging in levenpolissen zoals beschreven in het Prospectus."

[getuige 34]20 verklaart dat hij op 6 december 2006 een formulier heeft ondertekend betreffende deelname voor [bedrijf 27] van [bedrijf 1]. Het bedrag ad 197.925 euro moest worden overgemaakt ten name van [bedrijf 20]. Adviseur Salgado heeft een brochure [bedrijf 19][naam][bedrijf 27] overhandigd. [benadeelde 1] heeft deze gelezen en de inhoud kwam overeen met wat de adviseur vertelde. Er is door de adviseur nooit gesproken over de aanschaf van andere zaken dan polissen, zoals onroerend goed.

[getuige 17]21 verklaart dat hij over het product contact heeft gehad met [getuige 2]22 vanaf december 2006 en dat hij de brochure [bedrijf 27] heeft ontvangen. [getuige 17] ging er vanuit dat al zijn geld - 55.000 euro - naar Life Settlements zou gaan. Toen hij na het afsluiten van de overeenkomst bij het certificaat een briefje ontving over instapkosten, heeft hij [getuige 2] gebeld dat dat niet was afgesproken. [getuige 2] gaf aan dat het briefje inderdaad weg kon en dat het volledige geld geïnvesteerd zou worden in [Life Settlements]. [getuige 17] heeft niet gehoord dat het geld zou worden gebruikt voor andere doeleinden.

- De bijgevoegde overeenkomst d.d. 2 april 200723 houdt onder meer in dat [bedrijf 4], vertegenwoordigd door haar bestuurders [verdachte] en [medeverdachte 1], nader te noemde de Vennootschap, en [getuige 17] het volgende overeenkomen :

"Artikel 3 - Opbrengst Obligatielening

De obligatielening zal door de Vennootschap uitsluitend worden aangewend voor de financiering van belegging in levenpolissen zoals beschreven in het Prospectus."

[getuige 18]24 verklaart dat [getuige 3], adviseur van [benadeelde 1], hem eind 2006 heeft voorgelicht over de [Life Settlements]. Hij kreeg van [getuige 3] een prospectus over [bedrijf 27]. Volgens [getuige 3] had het niets met beleggingen te maken en was er nul komma nul risico.

Het deelnamecertificaat voor een bedrag van 135.000 euro is op 27 april 2007 getekend, gebaseerd op een overeenkomst van 20 december 2006. In juni 2008 is een en ander omgezet in een obligatieovereenkomst[bedrijf 4] 9 met bijbehorend certificaat met dagtekening 10 juli 2008, beiden getekend door [medeverdachte 1]. Over gebruik van het geld voor andere doeleinden is hem niets verteld.

- De bijgevoegde obligatieovereenkomst d.d. 18 juni 200825 houdt onder meer in:

"Artikel 3 - Opbrengst Obligatielening

De obligatielening zal door de Uitgevende Instelling uitsluitend worden aangewend voor de financiering van de aankoop in levenpolissen zoals beschreven in het prospectus.

(...)

Artikel 12- Diversen

(...)

12.6 Hierbij dient in beschouwing te worden genomen dat de investeerder kennis heeft genomen van de prospectus [bedrijf 4] 9 d.d. maart 2008."

[getuige 19], echtgenote van [getuige 20],26 verklaart dat [getuige 4] van [benadeelde 1] hun heeft verteld over de aankoop van levensverzekeringen in Amerika. De door hen ingelegde gelden - 130.000 euro - zouden volgens [getuige 4] worden aangewend voor de aankoop van levenpolissen en niet voor andere doeleinden.

- De bijgevoegde overeenkomst d.d. 9 mei 200727 houdt onder meer in dat [bedrijf 4], vertegenwoordigd door haar bestuurders [verdachte] en [medeverdachte 1], nader te noemde de Vennootschap, en [getuigen 19-20] het volgende overeenkomen :

"Artikel 3 - Opbrengst Obligatielening

De obligatielening zal door de Vennootschap uitsluitend worden aangewend voor de financiering van belegging in levenpolissen zoals beschreven in het Prospectus."

[getuige 23]28 verklaart dat [getuige 4] van [benadeelde 1] vanaf april 2007 meermalen bij hun thuis is geweest. [getuige 4] begon meteen over de Life Settlements. [getuige 4] gaf aan dat het een hele vaste zekere belegging was en dat het geld naar Life Settlements zou gaan en naar niets anders. Op 15 augustus 2007 is de overeenkomst getekend. Het bedrag van de inleg was 250.000 euro.

- De overeenkomst tussen [bedrijf 4], vertegenwoordigd door bestuurders [verdachte] en [medeverdachte 1] en [getuige 23] is bijgevoegd en bevat onder artikel 3 dezelfde clausule als hiervoor genoemd bij [getuige 19]29

[getuige 21]30 verklaart dat rond oktober 2007 getuige 12] van [benadeelde 1] bij hem langs is gekomen. Vanaf eind december 2007 heeft hij drie gesprekken gehad met [getuige 34], voordat hij het besluit nam om er geld in te steken. Tijdens het eerste gesprek kreeg hij van [getuige] diverse prospectussen. [getuige 34] vertelde dat met het ingelegde geld levenpolissen zouden worden gekocht. Er is door [getuige 34] niet gesproken over andere bestedingen. Er is [getuige 21]100% verzekerd dat alleen belegd zou worden in Amerikaanse levenpolissen. [getuige 21] heeft 229.000 euro ingelegd.

[getuige 22]31 verklaart dat [getuige 35] van [benadeelde 1] hem mondeling heeft toegelicht over het investeren in levenpolissen. [getuige 35] vertelde dat het ingelegde geld, zijnde 80.000 euro, belegd zou worden in Amerikaanse levenpolissen. Het geld zou worden aangewend voor de aankoop van polissen en niets anders. De overeenkomst is op of rond 15 juni 2007 ondertekend door [medeverdachte 1]. Het betrokken certificaat kent een dagtekening van 4 juli 2007. Op het certificaat staan de namen [verdachte] en [medeverdachte 1] met de omschrijving directeur.

- De overeenkomst, met onder 3 de clausule dat de lening door de vennootschap uitsluitend zal worden aangewend voor de financiering van belegging in levenpolissen zoals beschreven in het [naam] alsmede het bijbehorende certificaat zijn bij de verklaring van[getuige 22] bijgevoegd.32

[getuige 25]33 verklaart over zijn contact met [getuige 34] van [benadeelde 1]. Aan [getuige 25] is medegedeeld dat het ingelegde geld - 51.500 euro - zou worden besteed aan aankopen van polissen in Amerika. Hem werd verzekerd dat het geld werd ondergebracht bij een trust/bank met de Triple-A-status. De prospectussen zijn hem via de post toegestuurd.

Op het certificaat als onderdeel van de afgesloten leningsovereenkomst staat dat het is opgemaakt op 15 februari 2007. Met voor akkoord [verdachte], [bedrijf 1], Beherend Vennoot.

- In de bij deze verklaring gevoegde leningovereenkomst34 is vermeld dat "het onder 1) genoemde leningbedrag door [naam] zal worden aangewend om, minimaal ter waarde van het onder 1) genoemde leningbedrag Levenpolissen aan te kopen".

[getuige 26]35 verklaart dat [medeverdachte 1] hem heeft overtuigd om gelden te beleggen. Midden december 2006 is thuis de overeenkomst getekend. De overeenkomst werd gebracht door [medeverdachte 1]. Met dagtekening 20-12-2006 heeft hij een deelnamecertificaat van [bedrijf 20] thuis gestuurd gekregen, ondertekend door [verdachte] als beherend vennoot van de [bedrijf 1] Het bedrag van de overeenkomst was 280.000 euro. In november 2007 heeft [getuige 26] zelf opnieuw contact opgenomen met [medeverdachte 1] en die kwam weer langs. Na een keer was [getuige 26] overtuigd en heeft een nieuwe overeenkomst gesloten voor 100.000 euro, met als dagtekening 16 november 2007. De tweede keer kreeg men een brochure. Er is nooit met [getuige 26] gesproken over de aanwending van de gelden voor andere doeleinden dan polissen.

- Bijgevoegd bij deze verklaring is onder meer de Obligatieovereenkomst d.d. 16 november 2007 tussen [bedrijf 4], vertegenwoordigd door haar bestuurders [verdachte] en [medeverdachte 1]. Artikel 3 bevat de bepaling dat de lening uitsluitend zal worden aangewend "voor de financiering van de aankoop in levenpolissen zoals beschreven in het prospectus".36

[getuige 27]37 heeft samen met zijn vrouw een obligatieovereenkomst gesloten met [bedrijf 4], gedagtekend 22 november 2007. Hem is verteld dat het door hem ingelegde geld besteed zou worden voor aankoop van Amerikaanse levenpolissen en niets anders. Wel wist hij dat een gedeelte gebruikt moest worden voor premiebetalingen terzake de aangekochte polissen.

- Bijgevoegd is hier de betreffende obligatieovereenkomst voor een hoofdsom van 90.000 euro tussen [bedrijf 3], vertegenwoordigd door haar bestuurders [verdachte] en [medeverdachte 1], met in artikel 3 een clausule als voornoemd.38

[getuige 28]39 verklaart over zijn contacten met [medeverdachte 1] voorafgaand aan zijn inleg. [getuige 28] beschikte over de prospectus [bedrijf 27]. Aan [getuige 28] is medegedeeld dat het geld besteed zou worden aan het aankopen van levenpolissen alsmede premiebetalingen terzake de aangekochte polissen. Voor hem was duidelijk dat er daarnaast nog gewone kosten, zeg maar going-concern kosten, zijn. Hem is niet verteld dat het door hem ingelegde geld - 450.000 euro - anders zou worden geïnvesteerd dan voor aankoop van levenpolissen.

[getuige 5]40 verklaart dat hijzelf rond mei/juni 2007 [medeverdachte 4], zijn financieel adviseur vanaf circa 2001, heeft benaderd met de vraag of er andere mogelijkheden waren voor zijn hypotheek. [medeverdachte 4] vertelde hem toen dat [bedrijf 1] bezig was met een nieuw product op basis van Amerikaanse levenpolissen. Een paar weken na dit eerste gesprek belde [medeverdachte 4] hem op en vertelde dat het product rijp was om in te stappen, waarna een nieuwe afspraak is gemaakt. Bij die afspraak heeft [medeverdachte 4] een prospectus gegeven van het product van 9 % rente en een folder "[bedrijf 4]". [medeverdachte 4] heeft [getuige 5] nadrukkelijk verteld dat het geld van de inleggers uitsluitend zal worden aangewend voor de financiering van belegging in die Amerikaanse levenpolissen zoals ook vermeld in artikel 3 van de prospectus. Op basis van deze informatie en het vertrouwen in [medeverdachte 4] heeft [getuige 5] besloten 75.000 euro in te leggen. Op dat moment heeft [medeverdachte 4] een inschrijfformulier ingevuld en ondertekend 2 juli 2007. Op 2 augustus 2007 heeft [getuige 5] het deelnemerscertificaat ontvangen van [bedrijf 4], ondertekend met daarbij de namen [verdachte] en [medeverdachte 1]. [getuige 5] is nooit verteld dat de gelden voor andere doeleinden zouden worden aangewend.

- Bij deze verklaring is gevoegd de [bedrijf 4], versie 20-06-2007, inclusief concept-overeenkomst met in artikel 3 een clausule als hiervoor reeds besproken.41

[getuige 29]42 verklaart dat [getuige 4] begin 2007 met Life Settlements aankwam. [getuige 4] gaf aan dat dat hoge rente opleverde en weinig risico, in elk geval minimaal. Hij gaf niet aan wat dan eventueel een risico zou zijn. Voor 290.000 euro zijn Life Settlements aangekocht. Er is niet besproken dat het geld ergens anders aan zou worden besteed dan aan Life Settlements. De overeenkomst is door [getuige 29] op 8 mei 2007 ondertekend. Het certificaat is gedagtekend 16 mei 2007 en ondertekend door [verdachte] en [medeverdachte 1] als "directeur" van [bedrijf 4] Op geen enkele wijze is gesproken over gebruik van het ingelegde geld voor andere doeleinden als de aankoop van woningen/ bedrijfspanden, exclusieve auto's en het aantrekken van adviseurs.

- Bij deze verklaring is gevoegd de obligatieovereenkomst43 van 8 mei 2007, onder meer inhoudende:

"Artikel 3 - Opbrengst Obligatielening

De Obligatielening zal door de Vennootschap uitsluitend worden aangewend voor de financiering van belegging in levenpolissen zoals beschreven in het Prospectus."

[getuige 30]44 verklaart dat hij via zijn bedrijf [bedrijf 11] een bedrag van 100.000 euro heeft geïnvesteerd in een van de [bedrijf 19, 20, 21] Hij heeft meerdere (print-)versies gekregen van de brochures van het oorspronkelijke product [bedrijf 27]. Het prospectus is voor hem een belangrijk stuk. Hem werd voorgehouden dat alle relevante informatie daarin vermeld stond. Door [persoon 1], medewerker van de [bedrijf 1] is aan [getuige 30] verteld dat van het ingelegde geld levenpolissen zouden worden aangekocht. Alles zou worden geïnvesteerd in de Amerikaanse Life Settlements. Op het deelnameformulier staat dat het getekend is op 30-10-2006. Het deelnamecertificaat vermeldt als datum 10-11-2006 en bij de ondertekening voor akkoord de naam [verdachte].

- Het betreffende deelnamecertificaat [bedrijf 19] en deelnameformulier, onder meer inhoudende dat het genoemde leningbedrag door CV zal worden aangewend om, minimaal ter waarde van het genoemde leningbedrag Levenpolissen aan te kopen zijn bij de verklaring gevoegd.45 Bijgevoegd zijn voorts de prospectussen "[bedrijf 27]", "[bedrijf 1]" en "[bedrijf 27]". 46

[getuige 31]47 verklaart dat haar hypotheekadviseur haar adviseerde om via [bedrijf 19] obligaties te kopen. Zij heeft voor 50.000 euro obligaties gekocht. In maart 2008 is het certificaat getekend door [medeverdachte 1].

- De betreffende obligatieovereenkomst is bij de verklaring gevoegd en houdt onder 3 in dat de obligatielening door de uitgevende instelling uitsluitend zal worden aangewend voor de financiering van de aankoop in levenpolissen zoals beschreven in het prospectus.48

De hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen hebben gemeen dat zij allen inhouden dat aan de investeerders c.q. beleggers is voorgehouden dat de in te leggen gelden uitsluitend dan wel voor (minimaal) 70 % zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenpolissen. Dit werd zo mondeling voorgespiegeld door verdachten zelf of door adviseurs namens het [bedrijf 4] concern, dan wel schriftelijk via de genoemde en ook op internet verschenen prospectussen/ informatiebrochures.

Alle getuigen geven aan dat - hoewel soms is gesproken over bijkomende (redelijke) kosten of dergelijke posten door de getuige zelf wel werden verondersteld - nooit kenbaar is gemaakt dat een substantieel deel van de gelden zou worden aangewend anders dan voor de aankoop van polissen en de eventuele daarbij komende (redelijke) kosten. Aan geen van de getuigen is medegedeeld dat de gelden daarbuiten zouden worden gebruikt voor de aankoop van woningen/bedrijfspanden/dure auto's of anderszins.

Ook uit de uiteindelijk gesloten overeenkomsten en de daarbij behorende certificaten blijkt slechts van de aanwending ten behoeve van de aankoop van levenpolissen, niet van andere doeleinden.

De rechtbank overweegt voorts dat noch uit de stukken - inclusief de overige tegenover de FIOD-ECD dan wel de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van verkopers/adviseurs en andere betrokkenen bij het [bedrijf 1] concern - noch uit het verhandelde ter zitting en de aldaar door verdachte(n) afgelegde verklaringen, blijkt van een andere werkwijze dan die waarbij aan geïnteresseerden in de betrokken periode is voorgehouden dat het grootste deel van de ingelegde gelden zou worden besteed aan levenpolissen.

De door de raadsman van verdachte [verdachte] nog aangehaalde verklaring van aangever [aangever 1] (p. 300414 ev PV) leidt niet tot een andere conclusie. [aangever 1] geeft weliswaar aan dat [verdachte] in besprekingen met [aangever 1] ook gezegd heeft dat hij met zijn bedrijf [bedrijf 25] wilde investeren in onroerend goed en in projecten, maar voegt daaraan toe dat die investeringen van [bedrijf 25] niet zijn genoemd in directe relatie met de inleg van [aangever 1] in [bedrijf 19]. Ook [aangever 1] doet vervolgens aangifte van oplichting.

Mede gelet op het feit dat het tegenovergestelde overigens gesteld noch gebleken is, acht de rechtbank aannemelijk dat ook aan de niet gehoorde inleggers is voorgehouden dan wel met hen is overeengekomen dat de in te leggen gelden - voor minimaal 70 % - aan levenpolissen zouden worden besteed.

Blijkens de rapportage van registeraccountant[persoon 2], als controlemedewerker werkzaam bij de Belastingdienst Oost Brabant, zijn over de hele onderzochte periode (1 september 2006 tot 2 september 2008) weliswaar polissen aangeschaft, maar op geen enkel moment vond dit plaats in een percentage van de inleg dat enigszins in de buurt komt van het in de prospectussen en brochures aan inleggers voorgespiegelde percentage.49

Onder deze en de hierna nog nader te noemen omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een samenweefsel van verdichtsels waardoor een groot aantal personen van de, in het dossier reeds genoemde, bij de dagvaarding gevoegde lijst, is bewogen tot de afgifte van gelden.

Het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling

Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet heeft beoogd zich wederrechtelijk te bevoordelen en steeds heeft willen handelen in het belang van de inleggers.

Volgens vaste jurisprudentie is er echter niet alleen sprake van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, als verdachte heeft gehandeld met als enige of primaire doel zich te verrijken door inleggers moedwillig te misleiden. Het oogmerk kan ook blijken uit feitelijke omstandigheden, waaronder de bedrijfsvoering, op grond waarvan verdachte wist of kon weten dat hij de jegens de inleggers aangegane verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Voldoende voor een bewezenverklaring is het zogeheten noodzakelijkheidsbewustzijn: de handelwijze van verdachte had, naar hij besefte, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg dat hij onrechtmatig bevoordeeld zou worden, ook al was zijn handelen primair op een ander doel gericht. Niet beslissend is het bij hem bestaande motief voor zijn handelen. (zie Hoge Raad 5 januari 1982, LJN: AB8977).

De rechtbank heeft in dat kader de navolgende verklaringen en gegevens in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zelf over de bedrijfsvoering binnen het [bedrijf 1] concern onder meer het volgende verklaard.

"In het begin, ik bedoel in de tijd van [bedrijf 2a] en [bedrijf 25] en [bedrijf 2] was het op financieel gebied een puinhoop. Dat kwam door mijn onervarenheid op dat gebied. Toen wist ik niks op financieel gebied."50

"Ik was verantwoordelijk voor het gat van 7 miljoen euro. Die 7 miljoen waren ontstaan uit het netto betalen vanuit [bedrijf 1] van medewerkers van [bedrijf 2] of het betalen van hun lease auto, het betalen van hun representatiekosten. Ook van het betalen van anderen die iets voor mij zouden kunnen betekenen. (...) Ik denk dat ik van die 7 miljoen euro zelf privé het minste heb gehad. Ik heb mensen hun schulden betaald bijvoorbeeld en dacht dat zij dan voor mij wel wat werk zouden willen doen. Maar of die mensen dan werkelijk wat voor mij deden weet ik niet."51

"Begin 2007, toen we zo'n drie miljoen per maand ophaalden, wisten [medeverdachte 1] en ik dat we zoveel mogelijk geld moesten betalen aan polissen, maar in elk geval zo'n 70% van de binnengehaalde inleg om aan de verplichtingen te kunnen voldoen. De rest was dan voor bedrijfsvoering en dergelijke. Nogmaals, dat wisten we in 2007 heel goed, maar het kwam er niet van, omdat er geen rust binnen [bedrijf 1] was. (...) Het pand[adres 1] in Helmond heb ik in september 2007 gedeeltelijk gefinancierd met geld van [bedrijf 1]. Dus met geld van inleggers."52

"In het pand in [adres 3] zat intussen veel geld uit [bedrijf 1]. Bijvoorbeeld aan verbouwingen, aanpassingen en zo."53 "Ik heb eind 2006 mijn tweede woning in Spanje gekocht. (...) De hypotheek is van [bedrijf 1]." Het pand [adres 2] in Helmond heb ik voorgefinancierd met geld van [bedrijf 1]. Dat was najaar 2006. Het bedrag was groot 950.000 euro ongeveer."54

"Ik was [in 2007] bezig met mijn onroerende zaken af te maken, zodat ze geld op zouden brengen. Daar ging ook veel geld in zitten. In [adres 3] zo'n 1,2 miljoen. De [adres 2] in Helmond alleen al aan verbouwing zo'n 80.000 euro. [medeverdachte 1] was in Amsterdam en Rotterdam bezig met onroerende zaken. Ik heb [persoon 3] een ton in euro's gegeven omdat hij problemen had. Al met al waren we niet bezig met Life Settlements en niet bezig met het investeren hierin."55

"Het is dus verder zo dat geld van inleggers in [bedrijf 1] voor life settlements is gebruikt om de organisatie van [bedrijf 1] op de been te houden. (...) Ook hadden we geld nodig van nieuwe inleggers om rente te kunnen betalen op oude obligaties. Terwijl er wel geld had kunnen zijn als er was geïnvesteerd in life settlements, zoals aan inleggers is beloofd en overigens maar voor een klein deel is gebeurd."56

"Die auto's, Rolls Royce, Ferrari, Lamborghini, Maserati en zo zijn betaald of geleased met geld van de inleggers van [bedrijf 1]. Dat wisten [medeverdachte 1] en ik op het moment dat de auto's zijn aangeschaft of geleased. De eerste auto kwam mijn kant op na de Auto Rai in voorjaar 2007."57 "Ik had totaal geen grip meer op de zaak. Daarom heb ik er ook voor gekozen om laatst 2007 afstand te doen van mijn aandeel in [bedrijf 1]. Ik heb natuurlijk foute dingen gedaan. (...) In mijn beleving kan ik nooit meer dan 7 miljoen hebben uitgegeven. (...) Voor de auto's krijg je niet veel meer terug. Dat is kapitaalvernietiging."58

"Ik bestrijd niet dat ik verkeerd begonnen ben. (...) Ik schaam me voor sommige keuzes die ik gemaakt heb, bijvoorbeeld het investeren in bepaalde mensen die niet deden wat ze mij beloofden. (...) Daar heb ik veel geld aan verloren, het was geld wat uit [bedrijf 1] kwam en van de inleggers. [bedrijf 19] heeft zijn eigen winst om zeep geholpen door het geld uit te geven aan andere zaken. (..) Ik schat dat ik zo'n 60.000 euro per maand kwijt was aan lonen. (...) Bijna de helft van de mensen die nu rondlopen bij [bedrijf 1] is familie van mij."59

"Mijn bruiloft in december 2007 is deels betaald door [bedrijf 1]. Dat was zo'n 16.000 euro. (...) De auto van de dochter heb ik betaald. (...) Het leek mij wel leuk als zij in een Maserati zou rijden. Die is betaald vanuit [bedrijf 1]. (...) De Maserati van Van de Akker heb ik betaald via [bedrijf 2] met geld van inleggers van [bedrijf 1]."60

"Wat ik [van de prospectus [bedrijf 27]] niet echt geslaagd vind, is het feit dat we teveel de nadruk hebben gelegd op de Life Settlements. En dat we van het geld van de inleggers eigenlijk alleen maar Life Settlements zouden kopen. Dat is natuurlijk niet zo."

"De 3 Chevrolets waren aangekocht voor de adviseurs van [bedrijf 1], maar die wilden die niet. Een ervan ging daarop naar mijn broer en een andere naar mijn vader. De verzekering van de Chevrolet (...) wordt betaald met geld van inleggers bij [bedrijf 1]. (...) De aanschaf en de kosten van de Boss Hoss kwamen ten laste (...) van de inleggers van [bedrijf 1]. (...) Er is ongeveer 2,7 miljoen euro betaald aan de panden met geld van inleggers van [bedrijf 1]. (...) Als ik zo'n lijst zou moeten maken, dan kom ik hoog ingeschat op een waarde van zo'n 6 miljoen euro. Maar of we nu praten over zes of acht miljoen, het is allemaal geld van inleggers. 61

"Het was, zeker bij mij, de bedoeling om van het geld van de inleggers in [bedrijf 1] producten polissen te kopen. Daarom bleven we dat ook zeggen tegen de mensen die interesse hadden in [bedrijf 1] producten. Maar het kwam er maar niet van."62

Ter terechtzitting van 18 januari 2010 heeft verdachte [verdachte] herhaald dat hij voor zijn gevoel bij [bedrijf 1] verantwoordelijk is voor een financieel gat van 7 of 8 miljoen euro.63

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft onder meer het volgende verklaard.

"Ik ben in februari 2007 begonnen bij [bedrijf 4] (...) [verdachte] heeft in één dag drie huizen gekocht en heeft toen zonder overleg een hoop geld van de rekeningen gehaald. Dit is gebeurd omstreeks maart 2007. Daar hebben we een conflict over gehad. (...) Ik heb me niet met financiële overboekingen bemoeid. Ik heb tot november/december 2007 geen inzage gehad in de bankrekeningen. (...) Ik heb ongeveer 2 miljoen euro uit [bedrijf 3] ontvangen. Hiervan had ik terzake commissiegelden recht op 1,3 miljoen euro, namelijk de 3% commissie-afspraak. Omdat het zo goed ging is van het resterende bedrag, zijnde 7 ton euro, een Rolls Royce betaald voor mij."64

"Ik heb in het begin ook boter op mijn hoofd gehad. In het begin bedoel ik januari/februari 2007. Ik heb toen ook gelden van inleggers gebruikt voor leningen aan mijzelf. Dit is een bedrag van in totaal 2 miljoen geweest. Dit bedrag is van de rekening van [bedrijf 20] en [bedrijf 21] alsmede van [bedrijf 4] onttrokken."65

"De oude prospectussen waarin staat dat van het ingelegde geld 100% besteed wordt voor aankoop life settlements is niet juist. (...) Hier had moeten staan 100% dekking."66

"[persoon 3] zou twee villa's aankopen en terugleveren met winst na twee maanden. Ik en [persoon 3] hebben (...) opdracht gegeven om 93.000 euro over te maken. Dit geld betreft geld van [bedrijf 20]. Dit geld had besteed moeten worden voor aankoop levenpolissen. Ik heb hier bewust gelden van inleggers besteed aan zaken die niet volgens afspraken waren met inleggers. Achteraf gezien had dit niet gemoeten. (...) De betaling van de Rolls Royce Phantom heeft plaatsgevonden in april 2007 middels gebruikmaking van gelden van [bedrijf 21] Ik was me op het moment van de aankoop ervan bewust dat de gelden die in opdracht van mij zijn overgemaakt (...) van inleggers waren."67

"Ik heb geweten dat deze auto [een Porsche 911] middels inleggersgeld door [verdachte] is betaald."68

"Het bedrag van 250.000 euro dat is overgemaakt aan [bedrijf 9] ten behoeve van het project Oasis (...) betreft geld van inleggers."69

"Op 18 april 2007 heeft een boeking van 947.565,79 plaatsgevonden aan [bedrijf 9] Dit geld komt uit de verkoop door [verdachte] van het pand de [adres 2] aan mij. (...) Dit bedrag moest terug naar [bedrijf 4] (...) Er is (...) drie keer aanbetaald voor drie Maserati's in juli 2007. Dit geld is van inleggers. (...) In het project Villa Red Sea zijn gelden gebruikt van inleggers, waaronder het bedrag wat u mij voorlegt [50.000 euro]. Ik wist daarvan. Ik wist dat er gelden gebruikt werden van [bedrijf 4] dan wel van de [bedrijf 19, 20, 21]. (...) De voorgaande boekingen zijn niet zoals ze moeten zijn. Er zijn gewoon teveel gelden van inleggers onttrokken die bedoeld waren om polissen van te kopen."70

"In april 2007 is het Spanje verhaal gekomen. Het betreft hier [bedrijf 9] (...) [persoon 3] en [verdachte] hebben mij geïnteresseerd voor aankoop onroerend goed. Er werd mij toen voorgehouden dat in september 2007 de gelden die vanuit [bedrijf 1] c.s. hiervoor werden aangewend zouden terugvloeien naar [bedrijf 1] c.s. door verkoop van de panden die daar werden aangekocht. Het gaat hier om 1,2 miljoen volgens mij. (...) Hier is bewust geld gebruikt van inleggers van [bedrijf 1]. (...) Ik heb dat gedoogd. Achteraf gezien is dat erg dom van mij geweest. Ik had dit nooit moeten toestaan. (...) Na het Spanje verhaal kwam [persoon 3] met het Egypte verhaal. Dat was in mei/juni 2007. (...) Er is totaal voor een bedrag van 296.000 euro aangewend van inleggelden voor een zestal appartementen in Egypte. (...) Achteraf gezien is dit niet goed van mij geweest. Dit heb ik toen fout gedaan. (...) In juli 2007 hoorde ik dat [persoon 3] voor uit mijn hoofd 127.000 euro grond had gekocht in Bonaire (...) middels gelden van [bedrijf 4], zijnde inleggelden. (...) Door het te accepteren werd ik medeverantwoordelijk voor de aankoop. (...) In augustus/september 2007 is er een pand aangeschaft in Capelle aan de IJssel. (...) De financiering vanuit [bankier 1] betrof niet het gehele bedrag. Daarom zijn er ook gelden van [bedrijf 4] aangewend. (...) Ik meen me te herinneren dat we hier spreken over ongeveer 200.000 euro. (...) Rond september 2007 heb ik het zakenpand [adres] in Best aangekocht. (...) Vanuit [bedrijf 1] is terzake dit pand een bedrag van ongeveer 200.000 euro aangewend. Dit betreft het bedrag aan kosten koper. (...) Het pand [adres 5] Veghel is op 15 november 2006 gekocht voor 563.193 euro middels gebruikmaking van gelden van[bedrijf 1]. (...) Dit is gebeurd 2 maanden nadat ik mijn intrede heb gedaan bij [bedrijf 1]."71

Naar aanleiding van een debetboeking van 5 april 2007 van 250.000 euro op naam van [bedrijf 4] voor een Ferrari] "Dit is mijn auto. Dit is van [bedrijf 1] geld betaald. (...) Als ik toen had geweten wat ik nu weet had ik het niet gedaan." [Naar aanleiding van een debetboeking van [bedrijf 4] van 225.834,92 in verband met een pand in[adres 4]] "Dit pand is door [persoon 3] met mij gekocht van gelden van [bedrijf 1]. (...) Dit pand is na november 2007 verkocht, omdat ik vond dat deze gelden terug moesten naar [bedrijf 1]. Echter de opbrengst terzake verkoop van het pand is gebruikt voor aflossing rekening courant bij [bankier 1] van [persoon 3]. 72

Getuige [getuige 7] heeft de boekhouding verzorgd voor diverse rechtspersonen binnen het [bedrijf 1] concern. Hij heeft onder meer het volgende verklaard.

"Vanaf juni 2006 heb ik de boekhouding bijgehouden van [bedrijf 25] (...) Jaarrekeningen van [bedrijf 25] zijn nog niet gemaakt. Er is nooit een aangifte vennootschapsbelasting ingediend. Dit kwam door de verwevenheid van de verschillende bedrijven. Steeds meer posten moesten worden overgeboekt van het ene naar het andere bedrijf. Het was zo'n ratjetoe dat je er gewoon moedeloos van werd. (...) [bedrijf 2] betreft echt schoenendozen spul. Ik krijg een heleboel bonnetjes aangeleverd. Vaak klopten de bedragen die afgeschreven waren niet met de bonnen. (...) [bedrijf 2] kwamen allerlei boekingen voor van ronde bedragen wat [verdachte] dan omschreef als zijnde salaris voor[persoon 4], echtgenote van verdachte] en hemzelf. Het zou geboekt moeten worden als management fee maar een factuur heb ik nooit gezien. Ik heb deze bedragen verwerkt in de rekening courant."73

"De periode voordat [medeverdachte 3] aantrad was er niemand geïnteresseerd in liquiditeits- en rendementscijfers. Men was in die voorgaande periode alleen geïnteresseerd in omzet. Er was geen managementteam, geen bevelstructuur, men deed maar wat, dat is mijn impressie. (...) [medeverdachte 1] had al in 2007 50% van de aandelen in [bedrijf 4] verworven, maar hij had nooit naar de cijfers gekeken. Hij heeft zich bezig gehouden met het maken van omzet."74

"Op 31 december 2007 stond een schuld aan inleggers van 33 miljoen euro op de balans en er stond maar een bedrag van ongeveer 7 miljoen aan ingekochte polissen tegenover."75

"[medeverdachte 3] is in september 2007 begonnen. In het begin heb ik hem duidelijkheid gegeven hoe het zat met de cijfers. (...) Zoals het was, kon het niet doorgaan. Ik heb (...) gezegd dat het een soort piramidespel was. Ik bedoel daarmee dat zoals het nu liep de rentebetalingen en de exploitatiekosten alleen maar konden worden betaald uit nieuwe inleggelden. Op den duur loop je dan vast. (...) De belangrijkste voorwaarde is het zorgen voor een krediet bij een kredietinstelling zoals een bank. Daarnaast moest minimaal 70% van de inleggelden worden belegd in levenpolissen. Dit is in 2008 ook niet gelukt, omdat [persoon 10] zei dat hij eerst de zaak wilde saneren. De schulden die er waren moesten eerst worden afgelost, zoals crediteuren, de belastingdienst etc." (...) Ik heb heel vaak uitgelegd dat er niet meer uit te komen was behoudens de door mij aangegeven voorwaarden. Ik had het idee dat de anderen dat niet zo inzagen. (...) De mensen zagen zoveel geld op de bank dat ze hebberig werden en niet konden wachten tot de winst was gerealiseerd."76

De hiervoor al genoemde registeraccountant [persoon 2] heeft onder meer het volgende geconstateerd over de bedrijfsadministratie van het [bedrijf 1] concern in de ten laste gelegde periode.

"De ene rechtspersoon deed soms betalingen voor [een] gelieerde andere (rechts)persoon. Dit werd veroorzaakt door een met name in 2008 stijgend tekort aan liquide middelen. (...) Er kan geen steun worden gevonden in overzichtelijke jaarcijfers met betrekking tot [bedrijf 4]. Het blijkt dat er geen accountantscontroles op (interim)cijfers zijn toegepast. Dit beïnvloedt de kwaliteit en getrouwheid van de financiële gegevens negatief. Van een groot aantal bestedingen staat niet vast dat het om zakelijke betalingen gaat. Vaak werden dit soort bestedingen binnen het bedrijf geboekt op een verzamelrekening of tijdelijk in een soort boekhoudkundige vergaarbak. Tot een nadere boekhoudkundige analyse en juiste verwerking van deze bestedingen kwam het veel te weinig. Er zijn vrijwel geen financiële gegevens (jaarrekeningen e.d) van verdachte en daarmee gelieerde rechtspersonen gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Volgens de curatoren is er sprake van schending van de deponeringsplicht."77

[Persoon 2] onderscheidt 3 periodes aan de hand van bestuurderswisselingen binnen het [bedrijf 19] concern en constateert vervolgens: "In alle drie periodes zijn Amerikaanse levensverzekeringspolissen aangeschaft. Doch in geen enkele periode vond dit plaats in een % van de inleg dat enigszins in de buurt komt van het in de prospecti aan inleggers voorgespiegelde %."78 Dat geldt dus ook voor de periode na oktober/november 2007, toen voor het eerst was geconstateerd dat er een te groot 'gat' was tussen de ingelegde bedragen en de bedragen die waren besteed aan de aanschaf van levenpolissen. In de periode dat [medeverdachte 4] als directeur werkzaam was bij [bedrijf 4] (van 1 september 2007 tot 1 september 2008) is in totaal voor € 16.938.717,-- ingelegd. In die periode is € 5.100.646,-- aan levenpolissen/stortingen besteed.79

In totaal heeft het [bedrijf 1] concern in de ten laste gelegde periode € 42.477.737,69 aan inleg ontvangen. Per saldo is voor € 9.004.297,28 aan polissen aangekocht. KPMG heeft op basis van onder meer onderzoek van bankafschriften € 14.070.964,88 aangemerkt als rekening courant transacties voor verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en [bedrijf 9]. Een bedrag van 14.414.550,80 heeft KPMG aangemerkt als 'overige transacties' (waaronder salarissen, provisies, vastgoed, auto's, leningen, sponsoring, marketing en advies).80 De rechtbank merkt daarbij nog op dat gestelde afspraken tussen het [bedrijf 1] concern en haar bestuurders en adviseurs over te ontvangen salarissen, provisies en commissiegelden niet schriftelijk zijn vastgelegd, met uitzondering van de arbeidsovereenkomst met [medeverdachte 4].

Op verzoek van de FIOD-ECD heeft [bedrijf 12] onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de door [bedrijf 4] aangekochte life setttlement contracten en onderzocht hoeveel procent van de ingelegde gelden [bedrijf 4] had moeten investeren in gelijksoortige life settlement contracten om redelijkerwijs aan haar verplichtingen te kunnen voldoen.81

Indien 100 % van de ingelegde gelden was belegd in life settlementcontracten zou het eigen vermogen in 2017 euro 0,2 miljoen bedragen. Dit is een zeer kleine marge, die zeer gevoelig is voor wijzigingen in de veronderstellingen, aldus rapporteurs. Geconcludeerd wordt verder dat, gegeven de door [bedrijf 4] aangekochte contracten en de door hen opgegeven kosten, de business case van [bedrijf 4], zelfs indien de ingelegde gelden volledig worden belegd in life settlement contracten, te scherp is. Indien slechts een gedeelte van de ingelegde gelden wordt belegd, is de business case verre van realistisch.82

De conclusie van [bedrijf 12] dat de business case van het [bedrijf 4] product te scherp is, wordt bevestigd in de op verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte] uitgebrachte contra-expertise van Triple A.83

Bovenstaande verklaringen en gegevens brengen de rechtbank tot de volgende conclusie.

Van meet af aan is de financiële administratie binnen het [bedrijf 1] concern op ondoorzichtige en onverantwoorde wijze gevoerd. Er was nauwelijks of geen zicht op de geldstromen. De bedrijfsvoering was er niet op gericht, dat inleggelden zoveel mogelijk werden besteed aan het kopen van levenpolissen. Dit terwijl het verdachte bekend was of kon zijn, dat het zo snel en zo veel mogelijk kopen van levenpolissen noodzakelijk was, wilde het concern haar verplichtingen jegens de inleggers kunnen blijven nakomen. Tot aan de ontdekking in oktober/november 2007 van het 'gat' tussen ingelegde gelden en gelden besteed aan levenpolissen, was het percentage inleggeld dat hiervoor werd gebruikt, onbekend. Feitelijk werd in de gehele ten laste gelegde periode bij lange na niet de 70 tot 100% gehaald die aan de inleggers was voorgespiegeld. Inleggelden werden besteed aan andere doeleinden, waaronder de aanschaf van onroerend goed, zonder dat eerst werd nagegaan of dit bedrijfseconomisch verantwoord was. Mede omdat (start)kapitaal van een kredietinstelling ontbrak, geraakte het concern in een positie waarin schulden aan inleggers en andere crediteuren moesten worden betaald met gelden van nieuwe inleggers. Toen eenmaal voornoemd gat werd ontdekt, moest een aanzienlijk deel van de inleggelden worden aangewend om het bedrijf te saneren en kon nog steeds bij lange na niet de aan inleggers toegezegde 70 tot 100% van het inleggeld worden besteed aan het kopen van levenpolissen.

Door op deze onverantwoorde en lichtzinnige wijze het bedrijf te besturen, moet het verdachte duidelijk zijn geweest dat het niet mogelijk was de contractuele verplichtingen jegens de inleggers (op den duur) na te komen. Er was dan ook, in termen van bovengenoemde jurisprudentie, sprake van noodzakelijkheidsbewustzijn. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling en zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van feit 1:

Criminele organisatie.

Algemeen.

1.Aan verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd - kort gezegd - de deelneming aan een criminele organisatie. Anders dan de verdediging is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel, dat dit feit wettig en overtuigend ten aanzien van verdachte bewezen verklaard kan worden.

2.Volgens vaste jurisprudentie (vgl. o.a. HR 18 november 1997, NJ 1998, 225) is van deelneming in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht slechts dan sprake indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk tot het plegen van misdrijven. Voorts is voor deelneming voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijke opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Verdachte behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

3.Uit de vaste jurisprudentie (vgl. o.a. HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72) valt verder af te leiden dat van een organisatie in de zin van artikel 140 voornoemd kan worden gesproken indien aanwezig is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Een zekere bestendigheid van het samenwerkingsverband is verder noodzakelijk. De samenstelling van het samenwerkingsverband behoeft daarbij niet steeds dezelfde te zijn.

Samenwerkingsverband, en de duurzaamheid en de structuur daarvan.

4.De in de tenlastelegging genoemde [bedrijf 16], [bedrijf 1], [bedrijf 17], [bedrijf 2], [bedrijf 3], [bedrijf 4], [bedrijf 18], [bedrijf 19], [bedrijf 20], en [bedrijf 21] zijn alle rechtspersonen of wat betreft de genoemde commanditaire vennootschappen ingevolge het derde lid van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht daarmee gelijkgesteld. De rechtbank zal in het vervolg deze rechtspersonen samen aanduiden als "[bedrijf 19]", tenzij het noodzakelijk is een afzonderlijke rechtspersoon te benoemen. Uit het proces-verbaal van de Fiod blijkt dat gedurende de tenlastegelegde periode van 1 september 2006 tot en met 24 januari 2008 de rechtspersonen (op enig moment) hebben bestaan, alsmede dat er tussen de rechtspersonen onderling - al dan niet via natuurlijke personen, waaronder de verdachten [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] - verbanden bestonden.84 Ook in het rapport van KPMG worden verbanden tussen de genoemde rechtspersonen aangenomen85. Het bestaan van de diverse onderdelen van het [bedrijf 19] en de verbanden daartussen zijn overigens door de verdachten niet ontkend. Voorts wijzen ook de diverse uittreksels van de Kamer van Koophandel86 op het bestaan van de rechtspersonen.

5.Anders dan KPMG die om privaatrechtelijke en bedrijfseconomische redenen bij voorbeeld [bedrijf 2] en de [bedrijf 18] buiten het "[bedrijf 19]" situeert, zal de rechtbank alle in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen tot de criminele organisatie "[bedrijf 19]" als samenwerkingsverband rekenen, al was het alleen maar omdat [bedrijf 2] en de [bedrijf 18] rechtstreeks zijn gelieerd aan de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1], die door de rechtbank als deelnemers in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht zullen worden aangemerkt. Een andere belangrijke overweging om de criminele organisatie "[bedrijf 19]" als samenwerkingsverband ruimer op te vatten is voor de rechtbank de volgende. Aan KPMG is als deskundige gevraagd - kort samengevat - de rekening-courantverhoudingen van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] te onderzoeken en te analyseren. Het viel niet binnen de onderzoeksopdracht aan KPMG om uitspraken van strafrechtelijke aard te doen. De rechtbank daarentegen dient aan de hand van wettige bewijsmiddelen vast te stellen welke onderdelen van de tenlastelegging voor een bewezenverklaring in aanmerking komen. Voor alle in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen geldt dat zij hetzij als ontvangers van de inleggelden van de beleggers fungeerden, hetzij als investeerders in Amerikaanse levensverzekeringen optraden dan wel organiserend tussen beide "poten" optraden, en aldus deel uitmaakten van het samenwerkingsverband.

6.Wat betreft de duurzaamheid van het "[bedrijf 19]" volstaat de rechtbank met de opmerking dat het "[bedrijf 19]" gedurende de gehele onder feit 1 tenlastegelegde periode van 1 september 2006 tot en met 24 januari 2008 heeft deelgenomen aan het economisch verkeer, waaronder het contracteren met de beleggers en het actief zijn op de vastgoedmarkt. Daarbij geldt wel dat gedurende de tenlastegelegde periode diverse naamswijzigingen, statutenwijzigingen, wisselingen van aandeelhouders, mutaties van bestuurders, alsmede opvolging van rechtspersonen heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben bedoelde wijzigingen en wisselingen evenwel geen gevolgen gehad voor de duurzaamheid en de structuur van het "[bedrijf 19]" als geheel.

7.Ondanks de hiervoor aangehaalde wijzigingen met betrekking tot de optredende rechtspersonen is de rechtbank van oordeel dat ook voldoende structuur binnen het "[bedrijf 19]" aanwezig was. Binnen het concern was sprake van een taakverdeling en een gezagsstructuur. Zo waren [bedrijf 25], de commanditaire vennootschappen, en[bedrijf 5] achtereenvolgens de onderdelen die de gelden van beleggers ontvingen, en was onder andere [bedrijf 17] het onderdeel, dat de aanschaf van de levensverzekeringen zou verzorgen.

8. Ten aanzien van de gezagstructuur per relevante periode verwijst de rechtbank naar de hiervoor opgenomen Inleiding over het [bedrijf 1] concern.

9.De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gedurende de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een samenwerkingsverband dat voldoet aan het bestanddeel "organisatie" als genoemd in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Oogmerk tot het plegen van misdrijven.

10.De rechtbank komt nu toe aan de beantwoording van de vraag of het "[bedrijf 19]" het oogmerk heeft gehad tot het plegen van misdrijven. De rechtbank zal deze vraag met ja beantwoorden en wel om de navolgende redenen.

11. In het algemeen geldt in het kader van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dat het niet nodig is dat misdrijven zijn begaan en behoeft de organisatie ook niet een louter misdadige (hoofd-) doelstelling te hebben (vgl. o.a. HR 26 februari 1991, NJ 1991, 499). De rechtbank is van oordeel dat het "[bedrijf 19]" het oogmerk had om misdrijven te plegen. De rechtbank verwijst daartoe allereerst naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de overige tenlastegelegde en bewezen feiten. Ook om de navolgende redenen is de rechtbank van oordeel, dat het "[bedrijf 19]" het oogmerk had om misdrijven te plegen.

12.Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat op grootschalige wijze en gedurende een lange periode gelden zijn aangewend voor een ander doel dan datgene wat de beleggers voor ogen stond, alsmede dat beleggers hierover niet zijn geïnformeerd. De contractuele verplichtingen van het "[bedrijf 19]" op korte termijn in de richting van de bestaande beleggers werden nageleefd dankzij de inleg van nieuwe beleggers. In die zin was sprake van een "piramidespel". Daarmee werd met deze inleg niet gehandeld overeenkomstig de inhoud van de contracten die met de beleggers werden afgesloten.

13. Het langdurig en op zeer grote schaal aantrekken van andermans gelden en het vervolgens op zeer aanzienlijke wijze aanwenden van deze gelden in strijd met de met de beleggers overeengekomen bestemming levert een eerste aanwijzing op voor het oogmerk om misdrijven te plegen. Daarbij moet worden opgeteld dat een aanzienlijk deel van deze aangetrokken gelden direct of indirect naar de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] dan wel naar aan hen gelieerde rechtspersonen is toegevloeid.87 Anders gezegd, er is niet sprake geweest van een "[bedrijf 19]", dat zich onverwacht geconfronteerd zag met tegenvallende marktontwikkelingen of met plotseling tegenwerkende financiers ten gevolge waarvan een bij een normale bedrijfsvoering behorend "ondernemersrisico" disproportioneel groot werd, waardoor faillissementen onafwendbaar waren.

De afwezigheid van een vorm van rekening en verantwoording gedurende enige jaren, bij voorbeeld door deponering van de jaarrekeningen, vormt verder een aanwijzing voor het genoemde oogmerk. Dit geldt ook voor de veelheid van gebezigde rechtspersonen, waarvoor veelal geen valide bedrijfseconomische gronden zijn gebleken. Er was sprake van een gebrek aan (financiële en organisatorische) transparantie binnen het "[bedrijf 19]". Verkopers van lifesettlements hadden hoegenaamd geen inzicht in de daadwerkelijke belegging van de door hen geïncasseerde gelden, laat staan dat de beleggers dit inzicht hadden. Pas eind november 2007 zou aan het licht zijn gekomen het zogenaamde "gat" tussen de beleggingen en de investeringen in de levensverzekeringspolissen, waarover de beleggers op dat moment en toekomstige beleggers gedurende de daarna tenlastegelegde periode echter niet zijn geïnformeerd. Dit gebeurde eerst na de zoekingen in het kader van het opsporingsonderzoek in de maand september 2008, en niet door het "[bedrijf 19]" en daarin actieve personen of actief geweest zijnde personen, waaronder verdachte.

14.Op grond van al het voorafgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het "[bedrijf 19]", bestaande uit alle in de telastelegging genoemde rechtspersonen gedurende de daarin genoemde pleegperiode een organisatie vormde in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Opzet aan de deelneming.

15. Hierna zal de rechtbank beoordelen welke verdachten hebben deelgenomen aan de criminele organisatie "[bedrijf 19]".

Ten aanzien van de verdachten [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] geldt, dat zij allen op 26 oktober 2007 een mailbericht van [persoon 5] hebben gekregen, waarin [persoon 5] vaststelt dat er "nogal wat onzekerheid is omtrent de liquiditeiten. Op dit moment is het onduidelijk in hoeverre het bedrag van € 0,4 mio überhaupt wel betaald kan worden. (...) Tegen deze achtergrond lijkt het me dan ook verstandig om het verder kopen van polissen op dit moment te staken.".88

Opzet deelneming [verdachte].

16. Onder verwijzing naar de hiervoor bij de bespreking van de oplichting reeds aangehaalde bewijsmiddelen, wijst de rechtbank in het bijzonder nog op het volgende.

[verdachte] heeft onder meer het volgende verklaard:

"In het begin, ik bedoel in de tijd van [bedrijf 2a] en [bedrijf 25] en [bedrijf 2] was het op financieel gebied een puinhoop. Dat kwam door mijn onervarenheid op dat gebied. Toen wist ik niks op financieel gebied."89

"Ik was verantwoordelijk voor het gat van 7 miljoen euro. Die 7 miljoen waren ontstaan uit het netto betalen vanuit [bedrijf 1] van medewerkers van [bedrijf 2] of het betalen van hun lease auto, het betalen van hun representatiekosten. Ook van het betalen van anderen die iets voor mij zouden kunnen betekenen. (...) Ik denk dat ik van die 7 miljoen euro zelf privé het minste heb gehad. Ik heb mensen hun schulden betaald bijvoorbeeld en dacht dat zij dan voor mij wel wat werk zouden willen doen. Maar of die mensen dan werkelijk wat voor mij deden weet ik niet."90

"Begin 2007, toen we zo'n drie miljoen per maand ophaalden, wisten [medeverdachte 1] en ik dat we zoveel mogelijk geld moesten betalen aan polissen, maar in elk geval zo'n 70% van de binnengehaalde inleg om aan de verplichtingen te kunnen voldoen. De rest was dan voor bedrijfsvoering en dergelijke. Nogmaals, dat wisten we in 2007 heel goed, maar het kwam er niet van, omdat er geen rust binnen [bedrijf 1] was. (...) Het pand [adres 1] in Helmond heb ik in september 2007 gedeeltelijk gefinancierd met geld van [bedrijf 1]. Dus met geld van inleggers."91

Volgens de concept notulen van de aandeelhoudersvergadering van [bedrijf 4] van 6 november 2007 wordt een memorandum inzake de slechte financiële situatie van de besloten vennootschap voorgelezen. [verdachte] zou hebben aangegeven dat het verhaal voor hem geen verrassing was.92

Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat hij omstreeks augustus 2006 uiteindelijk heeft besloten om niet te investeren in [bedrijf 3] omdat het - kort samengevat - zou gaan om een piramidesysteem. Frans Oosterbosch was behoorlijk kwaad omdat de getuige niet had geïnvesteerd in [bedrijf 3].93

17. Aan de hand van vorenstaande bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang met de bij de bespreking van de oplichting reeds aangehaalde bewijsmiddelen - komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte [verdachte] opzet heeft gehad op het deelnemen aan de criminele organisatie "[bedrijf 19]". De rechtbank zal ook bewezen verklaren, dat verdachte oprichter en leider van deze organisatie was.

Opzet deelneming [medeverdachte 1]

18. Ten aanzien van [medeverdachte 1] acht de rechtbank het volgende van belang.

[medeverdachte 2] heeft onder meer het volgende verklaard.

"Ik ben in februari 2007 begonnen bij [bedrijf 4] (...) [verdachte] heeft in één dag drie huizen gekocht en heeft toen zonder overleg een hoop geld van de rekeningen gehaald. Dit is gebeurd omstreeks maart 2007. Daar hebben we een conflict over gehad. (...) Ik heb me niet met financiële overboekingen bemoeid. Ik heb tot november/december 2007 geen inzage gehad in de bankrekeningen. (...) Ik heb ongeveer 2 miljoen euro uit [bedrijf 4] ontvangen. Hiervan had ik terzake commissiegelden recht op 1,3 miljoen euro, namelijk de 3% commissie-afspraak. Omdat het zo goed ging is van het resterende bedrag, zijnde 7 ton euro, een Rolls Royce betaald voor mij."94

"Ik heb in het begin ook boter op mijn hoofd gehad. In het begin bedoel ik januari/februari 2007. Ik heb toen ook gelden van inleggers gebruikt voor leningen aan mijzelf. Dit is een bedrag van in totaal 2 miljoen geweest. Dit bedrag is van de rekening van [bedrijf 20] en [bedrijf 21] alsmede van [bedrijf 4] onttrokken."95

[medeverdachte 4] heeft als getuige over [medeverdachte 1] onder meer verklaard, dat [medeverdachte 1] met hem gesprekken heeft gevoerd over het disfunctioneren van "de kant van" [verdachte], alsmede dat het toen (periode 2006 en begin 2007) voor hen - [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] - niet zo gewichtig was om er een punt van te maken. [medeverdachte 1] had geen inzicht in en bemoeienis met de financiën van [bedrijf 19] en was nauwelijks bij de directievergaderingen aanwezig, zulks terwijl hij als DGA bij vergaderingen wel nodig was. [medeverdachte 1] wist, denkt [getuige 6], ook niet welke rol de [bedrijf 18] binnen [bedrijf 19] had.96

[verdachte] heeft verklaard, dat [medeverdachte 2] en hij zich begin 2007 bewust waren van een gat en dat ze moesten beginnen aan een inhaalslag, er moesten life settlements worden gekocht.97

[medeverdachte 3] heeft verklaard, dat [medeverdachte 1] vanaf januari 2008 tot eind juni 2008 druk op [getuige 1] heeft uitgeoefend om betalingen ter zake van huur van panden te laten plaatsvinden.98

Getuige [getuige 9] heeft verklaard, dat in november 2007 [persoon 5] door [medeverdachte 1] is beschuldigd van het teveel kopen van polissen.99

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] buiten [bedrijf 17] om zelf polissen is gaan kopen en een portefeuille is gaan beheren. Verder heeft de getuige onder druk van [medeverdachte 1] een deel van de opbrengst van de verkoop van een appartement in Tilburg naar de rekening van [benadeelde 1] overgemaakt.100

Op 6 november 2007 wordt tijdens de aandeelhoudersvergadering van [bedrijf 4] een memorandum inzake de financiële situatie binnen de besloten vennootschap voorgelezen. In de conceptnotulen komt de volgende passage voor: "De heer [medeverdachte 1] geeft aan dat de memo voor hem wel een verrassing is. Van de euro 12 mln. die naar hem gegaan zou zijn kan hij maar euro 3 mln. verklaren".101

In een brief van 6 november 2007 gericht aan [medeverdachte 1] schrijft [persoon 7]onder andere: "Heden is mij gebleken dat er in uw organisatie geen draagvlak bestaat voor de suggestie de huidige situatie te onderzoeken onder de voorwaarden dat voorlopig nieuwe gelden worden geweigerd......Ik stel vast dat nieuwe beleggers mogelijk zeer relevante informatie wordt onthouden, welke, indien zij daarover wel beschikten, voor hen aanleiding zou zijn geen gelden aan uw organisatie over te maken."102

In zijn brief van 14 november 2007 schrijft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] onder meer: "....Van de cv's is ook een deel naar mij gegaan. Het vastgoed dat ik heb gekocht was merendeels bedoeld voor de expansie van het kantorennet van [bedrijf 4] en ik ben stom geweest door het niet op naam van [bedrijf 4] ook aan te kopen. Maar die fout kan ik snel ongedaan maken.....Ik denk dat we moeten zoeken naar een accountant (een van de grotere kantoren) die we gaan benaderen om onze cijfers van buitenaf te controleren en die om die opdracht te krijgen al tussentijds een interne man leveren.......We moeten zo snel als mogelijk ofwel verkopen ofwel vastgoed op naam zetten van [bedrijf 4].........Ik wil hier wel het vierogenprincipe bij. Jij en ik kijken bij elke transactie mee en ook mijn handelen leg ik vooraf aan je uit. Ik wil niet de fout maken dat in de afhandeling wederom privé en zakelijke belangen worden vermengd."103

19. Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie en leider van die organisatie was.

Opzet deelneming [medeverdachte 4]

20.Ten aanzien van [medeverdachte 4] acht de rechtbank het navolgende van belang.

Vanaf september 2006 was [medeverdachte 4] vanuit [benadeelde 1] werkzaam binnen [bedrijf 1] als "marketing manager".104 Per 1 februari 2007 is hij in loondienst getreden van [bedrijf 4] De dienstbetrekking tussen [medeverdachte 4] en [bedrijf 1] is niet vastgelegd in een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Op zijn visitekaartje stond "director of operations".105 [medeverdachte 4] ontving over het jaar 2007 een bruto salaris van € 202.235,52.106 Uit de functiebenaming en het genoten salaris blijkt dat hij een belangrijke positie innam binnen het [bedrijf 1] concern. Daarnaast was hij gelieerd aan het concern als aandeelhouder van [bedrijf 18].

[medeverdachte 4] was al in december 2006 rechtstreeks betrokken bij de bedrijfsvoering van [bedrijf 1]. In dat verband wijst de rechtbank op de volgende passages uit notulen van het [bedrijf 19, 20, 21] van 13 december 2006.

"[persoon 5] oppert dat hij graag ziet dat het pasje van [bedrijf 20] van [medeverdachte 1] overgedragen wordt aan [medeverdachte 4]. Dit om andere activiteiten dan polisaankoop te voorkomen. [medeverdachte 4] geeft aan dit bij [persoon 12] te bespreken. [persoon 11] geeft aan dat [persoon 12] behalve het afromen van zijn provisie geen andere betalingen doet met het pasje van de [bedrijf 19, 20, 21]. (...) Er wordt gesproken over de aankoop van een makelaarskantoor door [benadeelde 1]. Dit is voor [medeverdachte 4] enigszins verrassend. Hij gaat intern uitzoeken hoe de vork in de steel zit. Dit wordt vermoedelijk niet vanuit de [bedrijf 19, 20, 21] gefinancierd, maar duidelijkheid is hierover nog niet. (...) De financiering op het bedrijfspand in Veghel is zo goed als rond. Dit wordt in de loop van de komende weken rondgemaakt. Het is een actiepunt voor [medeverdachte 4] om hierover nog even contact op te nemen met [persoon 3] en zorg te dragen dat het bedrag weer wordt teruggestort. (...) [persoon 5] stelt voor om een twee handtekeningenstelsel in te voeren als het gaat om de [bedrijfsnaam] rekeningen. [medeverdachte 4] stemt daarmee in. (...) Wanneer[persoon 5] en [persoon 10] [naar de rechtbank aanneemt: [getuige 10], met [persoon 5] werkzaam bij [bedrijf 17]] overgaan tot de aankoop van polissen wordt dit gecommuniceerd met [persoon 15] (bedrijf 1]) en [medeverdachte 4] ([bedrijf 18]/ benadeelde 1])."107

Deze notulen weerleggen ook de stelling van [medeverdachte 4] dat hij zich niet bezig hield met de aankoop van polissen, maar alleen zorg droeg voor het werk van de buitendienstmedewerkers. Blijkens de notulen moest de aankoop van polissen immers met hem worden gecommuniceerd.

[medeverdachte 4] nam deel aan het overleg als beherend vennoot namens [bedrijf 18]. Dat maakt zijn verklaring dat hij dacht, dat [bedrijf 18] was bedoeld om minder bedeelden te helpen en dat hij niet wist dat de stichting beherend vennoot was van de [bedrijf 19, 20, 21], ongeloofwaardig.

Uit bovengenoemde notulen maakt de rechtbank verder op, dat [persoon 3] geld van [bedrijf 19] had onttrokken vanwege de aankoop van een pand. Het geld moest immers worden "teruggestort". Dat strookt ook met de hierboven genoemde verklaring van [medeverdachte 1] dat [persoon 3] met gelden van [bedrijf 19] panden had gefinancierd. Het was blijkens de notulen [medeverdachte 4], die ervoor moest zorg dragen dat het geld werd teruggestort.

Ten aanzien van de aankoop van een makelaarskantoor wordt het blijkbaar niet op voorhand uitgesloten geacht, dat [bedrijf 19] dit heeft gefinancierd ("Dit wordt vermoedelijk niet vanuit de [bedrijf 19] gefinancierd").

Ook blijkt uit deze notulen dat [medeverdachte 4] wist, dat er binnen de [bedrijf 19] zorgen waren over het gebruik van het pasje van de [bedrijf 19] door [medeverdachte 1] en dat deze bezig was zijn provisie af te romen.

Voorts wijst de rechtbank op een mailbericht dat [medeverdachte 4] op 19 juni 2007 heeft ontvangen van [persoon 12], extern financieel adviseur van [bedrijf 19]. In dit mailbericht worden 5 panden genoemd. [persoon 12] verzocht [medeverdachte 4], "zoals afgelopen vrijdag met [medeverdachte 1] besproken", voor elk van die panden om onder meer een kopie te leveren "van financiering volgens [medeverdachte 1] bij [bankier 2]". Bij alle panden wordt vermeld: "Volgens [medeverdachte 1] zou provisie van beide door jullie achterhaald kunnen worden en zou naar [bedrijf 9] overgemaakt dienen te worden".108 Naar de rechtbank aanneemt wordt in dit citaat met provisie bedoeld commissiegelden van [bedrijf 19] voor [medeverdachte 1].

Over twee van de vijf panden [medeverdachte 1] heeft in zijn eigen verklaring erkend, dat er sprake was van onttrekking van gelden van [bedrijf 19] ten bate van [bedrijf 9] (te weten de panden aan de [adres 5] te Veghel en aan de [adres 2] te Helmond.)109 [medeverdachte 4] wist blijkens het mailbericht van [persoon 12] dat [bedrijf 9] deze panden bezat. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat [medeverdachte 4] als vertrouwenspersoon van [medeverdachte 1] en als aandeelhouder van [bedrijf 18] (en daarmee indirect van zowel [bedrijf 19] als [bedrijf 9]) wel wetenschap had van de aankoop van de panden, maar niet wist dat deze deels werden gefinancierd met gelden van [bedrijf 19]. Dat is des te onaannemelijker, omdat [medeverdachte 1] zelf volgens diens eigen verklaring wel van deze onttrekkingen op de hoogte was.

[medeverdachte 4] heeft namens [bedrijf 18] de vaststellingsovereenkomst van 15 januari 2008 ondertekend. In deze vaststellingsovereenkomst wordt geconstateerd dat [bedrijf 2] en [verdachte] een schuld jegens [bedrijf 19] hebben uitstaan van meer dan 8 miljoen euro.110

Dat [medeverdachte 4] op de hoogte werd gehouden van de financiële situatie van [bedrijf 19] en wist dat deze zorgelijk was, blijkt ook uit eerdergenoemd mailbericht van [persoon 5], dat deze op 26 oktober 2007 onder meer naar [medeverdachte 4] verzond.

[medeverdachte 4] heeft een concept van een vaststellingsovereenkomst d.d. 31 mei 2008111 besproken met [persoon 9], die als bedrijfsjuriste op dat moment deel uitmaakte van het management team van [bedrijf 19]. Hij heeft hierover het volgende verklaard.

"Dit document is aan mij voorgelegd omdat ik bestuurder ben van de [bedrijf 18] en omdat ik de vaststellingsovereenkomst uiteindelijk moest ondertekenen indien akkoord. Inhoudelijk heb ik de overeenkomst met [persoon 9] besproken en van commentaar voorzien. Volgens mij is deze versie van de vaststellingsovereenkomst niet getekend, omdat ik hier uit destilleer dat [medeverdachte 1] uiteindelijk zijn bedrijf afgepakt zou worden en dat wilde ik niet."112 [medeverdachte 4] heeft in de kantlijn van de tekst genoteerd: "Er zijn 2 balansen, 'n goede en 'n slechte". Hij heeft daarover verklaard: "Ik heb dat citaat daar geplaatst omdat er in de wandelgangen geruchten waren dat er een goede balans was, de balans voor de AFM en voor de investeerders. De slechte balans was bedoeld om [medeverdachte 1] te intimideren. (...) Ik heb het gerucht over de goede en slechte balans wel met [medeverdachte 1] besproken."113

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij eind 2006 correctiewerkzaamheden (waaronder zinsopbouw en commerciële vertaling van wettelijk jargon) heeft verricht aan de prospectus en de brochure van het product [bedrijf 27] (naar de rechtbank aanneemt document D-006114). Soortgelijke werkzaamheden heeft hij verricht aan wat [medeverdachte 4] noemt "de eerste prospectus en brochure van de obligatieversie"115 (naar de rechtbank document D-010116). [medeverdachte 4] was dus in ieder geval op de hoogte van de inhoud van deze prospectussen en brochures.

In de [bedrijf 27]brochure is een standaard leningovereenkomst opgenomen, waarin staat (lid 2) dat het leningbedrag door de [bedrijf 19 zal worden aangewend om minimaal ter waarde van het geleende bedrag levenpolissen aan te kopen.117 Over deze bepaling heeft [medeverdachte 4] het volgende verklaard. "Wat daar onder punt 2 staat klopt niet. Dat hadden wij als [bedrijf 19] anders moeten omschrijven. Zoals het er nu staat zou 100% van de investering aangewend worden voor de aankoop van levenpolissen. Dat kan natuurlijk niet, want dan heb je geen geld om de premies te betalen van de levenpolissen die je hebt gekocht en de rente te betalen aan de beleggers. Ook heb je geen geld om je onderneming te draaien. Wat er wel had moeten staan, is dat er voor 100% dekking werd aangekocht in de vorm van levenpolissen". 118

[medeverdachte 4] heeft zelf voorlichtende gesprekken gevoerd met in ieder geval één inlegger, getuige [getuige 5]. Hij heeft hem meegedeeld dat het geld van de inleggers uitsluitend zou worden aangewend voor de financiering van levenpolissen en dus niet zou worden gebruikt voor andere doeleinden, zoals de aankoop van panden of auto's.119 Volgens [getuige 5] heeft [medeverdachte 4] hem naar aanleiding van geruchten in de media verzekerd dat het een heel goed produkt was. "Het ging heel goed in Amerika met dit produkt".120

De rechtbank merkt daarbij nog op, dat in mede door hem geredigeerde brochures en prospectussen van [bedrijf 19] is toegezegd, dat er jaarlijks een jaarrekening zou worden opgemaakt die door een registeraccountant zou worden gecontroleerd en ter inzage zou worden gelegd.121 [medeverdachte 4] wist, naar de rechtbank aanneemt, dat [bedrijf 19] deze toezeggingen niet nakwam en wist ook, gelet op zijn financiële expertise, dat [bedrijf 19] op dit punt niet voldeed aan wettelijke verplichtingen.

[medeverdachte 4] wist eind oktober 2007 dat er een groot gat was tussen het bedrag aan inleggelden en het bedrag aan levenpolissen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 4] en [persoon 6], extern adviseur van [bedrijf 19], op 25 oktober 2007 bij [medeverdachte 1] thuis handmatig alle mutaties op de bankrekeningen van [bedrijf 19] heeft doorgenomen en opgeschreven. "Samen kwamen we tot de conclusie dat er maar voor 4,5 miljoen euro polissen waren aangekocht en dat er voor een bedrag van ongeveer 22 miljoen euro was ingelegd door inleggers op de rekening van [bedrijf 4] Toen verging de wereld voor me."122 Volgens [medeverdachte 4] heeft hij toen alleen maar de bedragen aan ingelegde gelden geïnventariseerd. De rechtbank ziet geen echter geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1], dat toen ook is nagegaan voor hoeveel geld aan levenpolissen was aangekocht.

Uit eerder genoemd mailbericht van [persoon 5] aan [medeverdachte 4] d.d. 26 oktober 2007 blijkt dat [medeverdachte 4] toen werd meegedeeld, dat [bedrijf 19] er financieel slecht voor stond en dat er zelfs werd geadviseerd het kopen van levenpolissen te staken.

Op 6 november 2007 is er een aandeelhoudersvergadering van [bedrijf 4] gehouden. Blijkens de conceptnotulen is in die vergadering melding gemaakt van een gat tussen ingelegde gelden (28 miljoen euro) en aangekochte polissen (5 miljoen euro) en van oneigenlijke onttrekkingen, onder meer ten bate van vastgoedprojecten. Ook is melding gemaakt van een tekort aan liquiditeiten, nodig voor onder meer het betalen van rentes en premies. [medeverdachte 4] was niet aanwezig op deze vergadering. Getuige [getuige 1] heeft echter verklaard, dat er nog een volgende informatieve bijeenkomst is geweest, waarbij onder meer [medeverdachte 4] aanwezig was.123

Eveneens op 6 november heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen [persoon 16], extern adviseur van [bedrijf 19], en [persoon 7], beoogd adviseur. In het verslag van deze bespreking staat vermeld dat [persoon 6] aan [persoon 7] de mogelijkheid van een faillissement van [bedrijf 19] heeft aangegeven. Het besprekingsverslag is voor kennisname getekend door [medeverdachte 4].124 Hij heeft hierover verklaard: "Ik heb in die notulen gelezen dat [persoon 6] sprak over een mogelijk faillissement van [bedrijf 4]. Ik heb niets met die mededeling gedaan."125

[medeverdachte 4] wist of kon weten dat bij een zo groot gat tussen inleggelden en levenpolissen de verplichtingen jegens inleggers niet konden worden nagekomen. Zelf heeft hij in dat verband verklaard: "Om aan je verplichtingen te kunnen voldoen, moet je ongeveer 60 70% reserveren, misschien wel 80% van het ingelegde geld", aldus [medeverdachte 4]. "Het restant is nodig voor de onderneming zelf. Zoals provisie adviseurs, kantoorkosten en winst van de onderneming".126

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat bij drie inleggers hun rente inkomsten werden bijgeteld bij hun inkomen voor de inkomensverklaring. Deze rente werd bij één zelfs gebruteerd als ware het nettoloon. Zo werd dat tegen ons gezegd door [medeverdachte 4] en anderen.127

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat de kosten, zoals rente en premies, zouden worden betaald vanuit de opbrengsten van de polissen die al vrijgevallen waren en van polissen die in de nabije toekomst zouden vrijvallen vanuit Amerika. Dit werd tegen de adviseurs verteld door onder meer [medeverdachte 4].128

Het kan, naar de rechtbank aanneemt, [medeverdachte 4] niet zijn ontgaan dat de directe of indirecte uitgaven binnen het [bedrijf 19] exorbitant hoog waren, gezien onder meer het uitgavenpatroon van de medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] en het grote aantal duurbetaalde adviseurs. [verdachte] heeft over de aanschaf van luxe auto's met inleggelden van [bedrijf 19] verklaard: "Dat wisten [medeverdachte 1] en ik op het moment dat de auto's zijn aangeschaft of geleased en [medeverdachte 3] en ook [medeverdachte 4] wisten dat later ook."129

Ten slotte wijst de rechtbank op de nauwe contacten tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. Beiden waren vanaf oktober 2006 via [bedrijf 18] aandeelhouder van [bedrijf 4] [medeverdachte 1] was binnen deze BV statutair directeur. Ze kenden elkaar al van [benadeelde 1]. [medeverdachte 4] heeft over de samenwerking met [medeverdachte 1] het volgende verklaard.

"In juli 2001 heb ik samen met [medeverdachte 1] het bedrijf [benadeelde 1] opgericht. Het bedrijf draaide op mijn papieren. Ik heb in mijn leven 145 diploma's behaald, waaronder veel diploma's op financieel gebied. Ik groeide uit tot de vertrouwenspersoon van [medeverdachte 1]]." 130

"Men zag mij als de schakel naar [medeverdachte 1] en als een soort vertrouwenspersoon binnen [bedrijf 19]".131 "Wij zijn (...) bezig geweest om een regulier overleg in het leven te roepen. Daar was duidelijk behoefte aan. Ik vond dat ook. Ik zette mij daarvoor in als vertrouwenspersoon van [medeverdachte 1]. (...) Ik koppelde (...) de resultaten van overleg binnen [bedrijf 19] terug naar [medeverdachte 1] als [naam] daar niet bij aanwezig was en ik wel."132

Blijkens eerder genoemde notulen van 13 december 2006 is het [medeverdachte 4] die met [medeverdachte 1] diens gebruik van het pasje zal bespreken. Het is ook [medeverdachte 4] die in oktober 2007 met [medeverdachte 1] de mutaties op de bankrekeningen van [bedrijf 19] doorneemt om na te gaan of er een gat was tussen ingelegde gelden en aangekochte levenpolissen.133 Getuige [getuige 4], als buitendienstmedewerker werkzaam bij [bedrijf 19], verklaarde in dit verband dat [medeverdachte 4] "zich bezig hield met de bedrijfsvoering, de gesprekken hield met de AFM, de correspondentie deed, de vergunningen voor [bedrijf 3] Hij was heel close met [medeverdachte 2], zij deden veel samen".134

21. Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 4] opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.

Opzet deelneming [medeverdachte 3]

22. Ten aanzien van [medeverdachte 3] acht de rechtbank het volgende van belang.

Direct na zijn indiensttreding in september 2007 heeft [medeverdachte 3] met [getuige 1] managementinformatie verzameld over onder meer de door obligatiehouders bij [bedrijf 19] ingelegde gelden en het aantal met die gelden aangeschafte levenpolissen. [medeverdachte 3]d constateerde een "onbalans" tussen de ingelegde gelden en de daarmee aangeschafte polissen. Ik had de wetenschap over de aankoop van panden van inleggeld (...) eind november 2007. Rond november/december 2007 constateerde ik enorme kosten op het gebied van marketingkosten, reclamekosten, sponsoringcontracten, hoge personeelskosten, hoge kosten van externen, hoge leasebedragen, hoge huurkosten (...) en een facturenachterstand , waaronder (...) belastinggelden. (...) Ik was me bewust van het feit dat alles wat er nog lag ten tijde dat ik de facturenachterstand constateerde (...) betaald moest worden van inleggelden. (...) Het was een kind met een waterhoofd. Exorbitante bedragen. Hoge salarissen en hoge externe facturen werden betaald met ingelegde gelden. Ik beoordeelde de situatie eind 2007/begin 2008 als niet toelaatbaar," aldus [medeverdachte 3].135

Getuige [getuige 10] heeft over [medeverdachte 3] onder meer het volgende verklaard. [medeverdachte 3] verwachtte in 2008 een omzet van minimaal 30 miljoen euro, waarbij nog niet was rekening gehouden met de opstart van [bedrijf 19] in Oostenrijk en België. Na een paar maanden had bedrijf 17] nog maar een budget van ongeveer 1 miljoen euro van [bedrijf 19] gekregen. [medeverdachte 3] gaf aan dat het "wat tegenzat".136

Getuige [getuige 9] heeft verklaard dat [getuige 1] en [medeverdachte 3] buiten [bedrijf 17] om zelf polissen kochten. Het idee kwam volgens [getuige 9] van [medeverdachte 3]. [getuige 9] geeft aan dat een bod van bedrijf 17] op een polis werd overboden door [getuige 1]. In totaal zou [getuige 1] voor 869.000 euro aan polissen hebben betaald.137

De rechtbank wijst voorts op de eerder genoemd conclusies uit het rapport van registeraccountant [persoon 12]. De rechtbank wijst in aansluiting daarop nog op de brochure en prospectus van [bedrijf 19] d.d. 8 oktober 2007, welke tot maart 2008 is gebruikt binnen [bedrijf 19]. Daarin staat dat er jaarlijks een jaarrekening zou worden opgemaakt die door een registeraccountant zou worden gecontroleerd en ter inzage zou worden gelegd.138 [medeverdachte 3] wist, naar de rechtbank aanneemt, dat [bedrijf 19] deze toezeggingen niet nakwam en wist ook, gelet op zijn financiële expertise en zijn werkervaring binnen het bankwezen, dat [bedrijf 19] op dit punt niet voldeed aan wettelijke verplichtingen.

Getuige [getuige 7] heeft de boekhouding verzorgd voor diverse rechtspersonen binnen het [bedrijf 19] concern. Hij heeft onder meer het volgende verklaard.

"Op 31 december 2007 stond een schuld aan inleggers van 33 miljoen euro op de balans en er stond maar een bedrag van ongeveer 7 miljoen aan ingekochte polissen tegenover."139

"[medeverdachte 3] is in september 2007 begonnen. In het begin heb ik hem duidelijkheid gegeven hoe het zat met de cijfers. (...) Zoals het was, kon het niet doorgaan. Ik heb (...) gezegd dat het een soort piramidespel was. Ik bedoel daarmee dat zoals het nu liep de rentebetalingen en de exploitatiekosten alleen maar konden worden betaald uit nieuwe inleggelden. Op den duur loop je dan vast. (...) De belangrijkste voorwaarde is het zorgen voor een krediet bij een kredietinstelling zoals een bank. Daarnaast moest minimaal 70% van de inleggelden worden belegd in levenpolissen. Dit is in 2008 ook niet gelukt, omdat [medeverdachte 3] zei dat hij eerst de zaak wilde saneren. De schulden die er waren moesten eerst worden afgelost, zoals crediteuren, de belastingdienst etc." (...) Ik heb heel vaak uitgelegd dat er niet meer uit te komen was behoudens de door mij aangegeven voorwaarden. Ik had het idee dat de anderen dat niet zo inzagen. (...) De mensen zagen zoveel geld op de bank dat ze hebberig werden en niet konden wachten tot de winst was gerealiseerd."140

Op 2 mei 2008 ondertekent [medeverdachte 3] als directeur van [bedrijf 19] een brief aan inleggers, waarin de volgende passages voorkomen: "Wij werken constant aan het verbeteren van onze dienstverlening en het bieden van nog meer zekerheden voor onze investeerders" (...). Dat uw belegging in [bedrijf 19][bedrijf 4] 9 zekerheden geeft, omdat die niet afhankelijk is van wispelturige aandelenkoersen en niet afhankelijk is van economische schommelingen, dat wist u al. Wat nieuw is en u nog meer zekerheden biedt, is dat uw belangen als investeerder vanaf mei worden behartigd door[bedrijf 32]".141

Deze brief is voorgehouden aan getuige [getuige 11], directeur van onder meer [bedrijf 13] Hij heeft hierover het volgende verklaard. "In de brief staat onder andere dat rentevergoedingen en de uitkering van de hoofdsom op de einddatum van de obligatie door [bedrijf 32] zou worden gedaan. Dit is echter pertinent onjuist, op (...) 2 mei 2008 was er geen enkele overeenkomst met [bedrijf 19]. (...) Ik zie de brief als een misleiding van de obligatiehouders, want het geeft een schijnzekerheid. (...) Van andere obligatiehouders, die telefonisch contact met ons hebben opgenomen, hoorden wij dat zij een dergelijke brief hebben ontvangen van [bedrijf 19]. Sommige obligatiehouders dachten dat wij garant stonden voor de betalingen."142

[medeverdachte 3] heeft in december 2007 op een sales meeting de verkopers toegesproken zonder daarbij melding te maken van de grote financiële en bestuurlijke problemen van [bedrijf 19]. [medeverdachte 1] heeft daarover het volgend verklaard.

"[medeverdachte 3] heeft voor ongeveer 120 verkopers van [bedrijf 19] een sales meeting gehouden in het Van der Valk hotel in Eindhoven, (...) ik denk in december 2007. Tijdens deze bijeenkomst heeft [medeverdachte 3] onder meer aangegeven dat er wat strubbelingen waren geweest binnen het management. Hij hield de verkopers (...) voor dat de probleempjes binnen [bedrijf 19] waren opgelost en dat hij het volste vertrouwen had in de toekomst."143 [medeverdachte 3] heeft bevestigd dat hij op de sales meeting heeft gesproken.144

Op 28 april 2008 heeft een groot aantal buitendienstmedewerkers van [bedrijf 19] een mailbericht van [medeverdachte 3] ontvangen. Daarin staat onder meer het volgende.

"Het is niet mijn gewoonte om op geruchten te reageren. Ik maak nu echter een uitzondering, omdat ik moeite heb met het feit dat dat er binnen de [benadeelde 1] organisatie een aantal adviseurs onwaarheden en valse geruchten verspreiden. (...) Wat zijn de feiten: Het gaat ongelooflijk goed met [bedrijf 19]!! Na 7 maanden van knalhard buffelen zijn wij een afgeslankte en zeer gezonde organisatie." In het mailbericht wordt vervolgens een nieuwe procedure beschreven, ingaande mei 2008, waarbij [bedrijf 32] gaat zorg dragen voor het beheer van de ingelegde gelden.

Gelet op eerder genoemde verklaring van getuige [getuige 11] was er echter ten tijde van het mailbericht nog geen overeenkomst met [bedrijf 32] gesloten. Bovendien kon niet worden gesteld dat het met [bedrijf 19] inmiddels weer "ongelooflijk goed gaat". In dat verband wijst de rechtbank op het mailbericht d.d. 16 juli 2008 van getuige [getuige 7] aan [getuige 1]. Daarin schrijft [getuige 7]:

"Eind 2007 hadden we voor 7 miljoen polissen gekocht en 32 miljoen schuld aan obligatiehouders. Uitgaande van 70% polisaankopen (0,7*32, dus 22 miljoen), was er een dekkingstekort van 15 miljoen. Momenteel zijn er voor 8 miljoen aan polissen gekocht en is er een schuld van 40 miljoen. Dus een dekkingstekort van 20 miljoen. Dat is een forse verslechtering van de situatie over een periode van ruim een half jaar!! (...) Het spel werkt alleen wanneer de omzetten stijgen. (...) Maar wat is er het afgelopen half jaar gebeurd? De omzetten zijn meer dan gehalveerd!!"145

Een van de buitendienstmedewerkers aan wie het mailbericht van 28 april 2008 werd verzonden, was getuige [getuige 3]. Hij kocht in juni 2008 obligaties ter waarde van 175.000 euro. Hij heeft daarover het volgende verklaard. "Ik werd volledig verrast door het gebeurde op 2 september 2008. Ik had er geen enkel idee van dat zoiets kon gebeuren. Met name ook omdat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] nog tegen ons gezegd hadden dat alles goed was. Dat waren aparte gesprekken met beiden. Wij hebben in die tijd ook zelf geld ingelegd. (...) Ik heb er overigens ook nog kort met [medeverdachte 1] over gepraat. Die gaf al helemaal aan dat alles in orde, dat alles top was."146

[medeverdachte 3] wist dat er panden waren gekocht met inleggelden van [bedrijf 19]. Hij heeft hierover onder meer het volgende verklaard.

"Ik had de wetenschap over de aankoop van panden van inleggeld (...) eind november 2007."147 "De aanschaf van panden met gelden van inleggers van [bedrijf 19] zijn niet de afspraken zoals beschreven in de obligatieovereekomst en de prospectus die er toen was. Van het gat zoals door mij omschreven wist ik medio januari 2008 dat dit mede is ontstaan door de aanschaf van panden. Dit werd door [verdachte] en [getuige 7] zelf verteld in december 2007/januari 2008. In maart/april 2008 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden, waarbij in aanwezigheid van [getuige 32], [getuige 1], [persoon 9] en ikzelf is gesproken over inbreng van onroerend goed door [medeverdachte 1]. (...) Het wachten was op het transport van deze panden zodat de gelden terug zouden kunnen vloeien naar [bedrijf 19]. (...) Er is maar één pand verkocht en getransporteerd en op verzoek van [medeverdachte 1] (...) zijn de gelden overgemaakt naar[bedrijf 14] (...) omdat [bedrijf 19] niet meer beschikte over bankrekeningen anders dan de bewaarrekening van [bedrijf 32] bij de[bankier 3]. (...) Het was heel vervelend toen mij bekend werd dat [bedrijf 19] geen enkele rekening meer kon openen. De [bankier 4]wilde een bankrekening niet verder voortzetten in relatie tot [bedrijf 19], omdat de bank mogelijk geconstateerd kan hebben dat er transacties hebben plaatsgevonden die niet matchen met [de] normale gang van zaken. Het enige wat ze gezegd hebben is dat ze geen zaken meer wenste te doen met [bedrijf 19] vanwege transacties/betalingsverkeer die niet matchte met het beleid van de bank. Dit gesprek heeft plaatsgevonden in (...) april 2008."148

In juni 2008 is een pand in Tilburg verkocht voor een bedrag van 180.000 euro. Dit pand was in augustus 2007, dus voordat [medeverdachte 3] in dienst kwam van [bedrijf 19], aangekocht door [verdachte] met gelden van [bedrijf 19]. 149 Volgens [getuige 1] is het gehele bedrag gestort op de rekening van [bedrijf 14], omdat [bedrijf 19] geen bankrekening meer had. [getuige 1] heeft verklaard dat vervolgens [medeverdachte 1] druk op hem heeft uitgeoefend om 80.000 euro te storten op de rekening van [benadeelde 1]. "Ik heb daarna overleg gehad met [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] gaf mij aan om het geld uiteindelijk toch naar de rekening van [benadeelde 1] over te maken. [medeverdachte 3] gaf toen toe aan de druk van [medeverdachte 1]", aldus [getuige 1]. 150 Zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 1] hebben bevestigd, dat het bedrag van 80.000 euro inderdaad is overgemaakt naar [benadeelde 1]. 151 [bedrijf 19] had recht op dit bedrag, omdat het ging om een pand dat eertijds met [bedrijf 19] gelden was aangekocht.

[persoon 11], eigenaar van een rentemargebedrijf, had zich in het voorjaar van 2008 bereid verklaard 45 miljoen euro te investeren in de door [medeverdachte 3] opgerichte [bedrijf 15] Hij had de beschikking gekregen over de 45 miljoen euro via het bedrijf [bedrijf 33] Dit bedrijf vroeg daarvoor emissiekosten ten bedrage van € 810.000,--. [persoon 11] vroeg [bedrijf 19] hem dit bedrag voor te schieten. Besloten is dat [bedrijf 19] inderdaad de emissiekosten zou betalen. "De kosten zijn betaald door [bedrijf 19], dit bedrag (...) zou terug moeten komen naar [bedrijf 19]. Aangezien [bedrijf 19] geen bankrekeningen meer had op enig moment, is er geen afspraak gemaakt naar welke bankrekening het voorgeschoten bedrag zou moeten worden terugbetaald," aldus [medeverdachte 3].152 Het bedrag is in maart of april 2008 overgemaakt naar [bedrijf 33] 153 [persoon 11] en zijn vrouw hebben zich persoonlijk borg gesteld voor dit bedrag: zou de deal niet doorgaan, dan zouden zij de € 810.000,-- moeten terugbetalen aan [bedrijf 19]. 154

De "[persoon 11] deal" is uiteindelijk niet is doorgegaan en het bedrag van € 810.000,-- is nooit teruggevloeid naar [bedrijf 19].

[medeverdachte 3] heeft erkend dat hij € 54.000 euro (3 maal € 18.000), toebehorende aan [bedrijf 19], heeft aangewend voor de oprichting van 3 B.V.'s: [bedrijf 14]en Mutua Fides 1 en 2. "Dat geld is doorgepompt en uiteindelijk terecht gekomen bij [bedrijf 14]. Daar zijn rekeningen van [bedrijf 19] mee betaald. Een restantbedrag van 10.000 en 7000 euro is gestort naar de rekening van [bedrijf 9]. Het kon ook niet meer terug naar [bedrijf 19], want die had geen bankrekening meer", aldus [medeverdachte 3]. 155 Getuige [getuige 2] heeft bevestigd dat er inderdaad € 54.000 van [bedrijf 19] is aangewend als startkapitaal voor de drie BV's.156

23. Op grond van de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de slotsom, dat [medeverdachte 3] als leider opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie "[bedrijf 19]".

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 1 september 2006 tot en met 24 januari 2008 in de gemeente Helmond en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en) genaamd [medeverdachte 3] en/of [[medeverdachte 4]] en/of [medeverdachte 1] en rechtspersonen genaamd [bedrijf 16] en [bedrijf 1] en [bedrijf 17] en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] en [bedrijf 4] en [bedrijf 18] en [bedrijf 19] en [bedrijf 20] en [bedrijf 21] en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting jegens beleggers,

van de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in door [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] uitgegeven obligaties en/of in door[bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] uitgegeven deelnamecertificaten terwijl hij, verdachte, oprichter en leider van die organisatie was

2.

op tijdstippen in de periode van 1 september 2006 tot en met 24 januari 2008, in de gemeente Helmond en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels, een (groot) aantal personen (verder te noemen 'de beleggers'), van de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 4], zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 3] (voorheen genaamd [bedrijf 4]), verder te noemen 'de B.V.', uitgegeven obligaties, heeft bewogen tot afgifte van een of meer bedrag(en) aan geld immers hebben hij, verdachte en (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-:

aan de beleggers voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om

(nagenoeg) risicoloos in de B.V. te investeren, door afname van door de B.V. uit te geven obligaties, ter financiering van door de B.V. aan te kopen Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements), waarbij aan de beleggers mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van obligaties verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over de B.V. en/of over de door de B.V. uit te

geven obligaties en/of in de door de beleggers en de B.V. opgemaakte en/of ondertekende certificaten betreffende obligatieleningen en/of investeringsovereenkomsten en/of leningovereenkomsten is voorgehouden en/of met de beleggers (telkens) (onder meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat de B.V. ter financiering van de beleggingen in levenpolissen (Life Settlements), obligaties wenst uit te geven met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar en

- dat de obligatieleningen uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements)

waardoor er bij de beleggers telkens (een) valse voorstelling van zaken werd gewekt en vervolgens de beleggers werden bewogen tot voornoemde afgiften

4.

Op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 1 juni 2007 in de gemeente Helmond en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels,

- personen, van de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 19], zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 19] (verder te noemen 'C.V. 1') uitgegeven deelnamecertificaten, heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld en

- personen, van de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 20], zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 20] (verder te noemen 'C.V. 2') uitgegeven deelnamecertificaten, heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld en

- personen, van de aangehechte lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met [bedrijf 21], zijnde -zakelijk weergegeven- afnemers van door [bedrijf 21] (verder te noemen 'de C.V. 3') uitgegeven deelnamecertificaten, (telkens) heeft bewogen tot afgifte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld

immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders, toen daar opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-:

aan die personen, van de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] voorgesteld, althans doen of laten voorstellen om (nagenoeg) risicoloos in (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 te investeren, door afname van door (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 uit te geven deelnamecertificaten, ter financiering van door (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 aan te kopen Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements), waarbij aan die personen, van de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] mondeling en/of in versies van de uitgegeven en/of op internet gepubliceerde en/of aan (potentiële) afnemers van deelnamecertificaten verstrekte prospectus(sen) en/of informatiebrochure(s) over (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 en/of over de door (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 uit te geven deelnamecertificaten en/of in de door C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 opgemaakte en/of ondertekende deelnamecertificaten is voorgehouden en/of met die personen, van de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] (telkens) (onder

meer) mondeling en/of schriftelijk is afgesproken:

- dat (respectievelijk) C.V. 1 en/of C.V. 2 en/of C.V. 3 ter financiering van de beleggingen in levenpolissen (Life Settlements), deelnamecertificaten wensen/wenst uit te geven en/of leningovereenkomsten wensen/wenst te sluiten met een looptijd van (minimaal) 7 jaar en (maximaal) 10 jaar, met die personen, van de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] en

- dat de leningen uitsluitend, althans voor (minimaal) 70% van de inleg zullen worden aangewend voor de financiering van de beleggingen in Amerikaanse levenpolissen (Life Settlements) waardoor er bij die personen, van de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' (respectievelijk) [bedrijf 19]

en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] telkens een valse voorstelling van zaken werd gewekt en vervolgens die personen, van de voornoemde lijst genaamd 'Registratie slachtoffers/gedupeerden per rechtspersoon' in verband met (respectievelijk) [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] werden bewogen tot voornoemde

afgifte(n)

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist vrijspraak van hetgeen ten laste is gelegd onder feit 3 (primair en subsidiair) en feit 5 (primair en subsidiair). Voorts eist hij een bewezenverklaring van hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1, feit 2 primair en feit 4 primair.

Hiervoor dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 8 maanden, met aftrek conform het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn.

De benadeelde partijen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen, gelet op het persoonlijk faillissement van verdachte.

De rechtbank dient echter wel de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten behoeve van alle slachtoffers in deze zaak in totaal voor een bedrag van € 28.500.000,-, bij gebreke van betaling te vervangen door vervangende hechtenis voor de duur van in totaal één jaar.

Ten slotte dient het geschorste bevel voorlopige hechtenis van verdachte te worden opgeheven.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie heeft op de zitting van 2 maart 2009 reeds kenbaar gemaakt voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

Primair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten. Subsidiair komt de raadsman de strafeis bovenmatig voor, maar in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dan heeft de raadsman bepleit dat een aanvullende voorwaardelijke straf dan wel een werkstraf passend is. Een langere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf dient volgende de raadsman geen enkel doel.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan oplichting en deelneming aan een criminele organisatie, waarbij verdachte als leider van die criminele organisatie valt aan te merken. Door het handelen van verdachte en zijn mededaders zijn honderden inleggers gedupeerd voor miljoenen euro's. Dit soort fraude schaadt het vertrouwen van het publiek en schaadt de belangen van de integere financiële instellingen en het functioneren van de financiële markt.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben de schijn van succesvol handelen gewekt, waardoor veel investeerders hebben besloten in te stappen. Een groot deel van hun inleg werd echter gebruikt om onder andere een luxueuze levensstijl te bekostigen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben hun eigen financiële belangen vooropgesteld en de belangen van de inleggers daaraan ondergeschikt gemaakt.

Bij dergelijke grootschalige fraudes komen de verdachten die daaraan leiding hebben gegeven voor een forse vrijheidsstraf in aanmerking.

Gelet op de ernst van de feiten is een deels voorwaardelijke straf niet aan de orde.

Uit jurisprudentie bij grootschalige fraudezaken zoals de onderhavige strafzaak,

blijkt een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar in beginsel passend.

De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de strafoplegging onderscheid te maken tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1]. Weliswaar is medeverdachte [medeverdachte 1] een langere tijd actief geweest bij [bedrijf 19] en heeft hij daarnaast nog een wapen en munitie voor handen gehad, daar tegenover staat dat verdachte een initiërende rol heeft gehad en volgens zijn eigen verklaringen een aanzienlijk geldbedrag voor zichzelf heeft aangewend.

Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft gesteld dat de redelijke termijn in casu is overschreden en dat deze overschrijding gecompenseerd dient te worden door het toepassen van strafvermindering.

Zoals bepaald in het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000, NJ 2000/721, beoogt het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn, te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. In het arrest van 17 juni 2008 (LJN: BD2578) oordeelt de Hoge Raad dat een overschrijding van de redelijke termijn niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen, maar in beginsel gecompenseerd zal worden in de strafmaat.

Het staat de rechtbank echter ook vrij om - na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden- te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358).

Om te bezien of de redelijke termijn van berechting al dan niet is overschreden, moet als aanvangsdatum worden genomen het moment dat vanwege de Staat een handeling is verricht waaraan betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Op 2 september 2008 werd verdachte aangehouden en vond het eerste verhoor van de verdachte plaats. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op bovengenoemd arrest, op dat tijdstip de strafvervolging van verdachte aangevangen. Het proces-verbaal is op 5 december 2008 afgesloten.

Voorts hebben er op 15 december 2008, 2 maart 2009, 26 mei 2009, 20 augustus 2009, 15 oktober 2009, 11, 12, 15, 18, 21 en 22 januari 2010, 25 maart 2010, 2 februari 2012 en 19, 20, 22 en 27 maart 2012, en 12 april 2012 zittingen plaatsgevonden.

Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting is er een rapport opgesteld door KPMG en zijn de getuigen-deskundigen van KPMG ter zitting gehoord en hebben op verzoek van de verdediging diverse getuigenverhoren bij de rechter-commissaris plaatsgevonden.

De totale duur van de vervolging, gerekend vanaf het tijdstip van het eerste verhoor van verdachte tot en met heden (26 april 2012) bedraagt ongeveer drie jaar en acht maanden.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Alhoewel de onderhavige strafzaak als ingewikkeld valt aan te merken, gelet op de omvang van het onderzoek (inclusief uitgebrachte financiële rapporten) en de gelijktijdige berechting van medeverdachten, en het indienen van verzoeken tot horen van getuigen tot vertraging in de afdoening van de zaak heeft geleid, is de rechtbank toch van oordeel dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn ex artikel, 6 EVRM, welke overschrijding gecompenseerd dient te worden door het toepassen van een strafkorting van 10%. Wat betreft de vertraging samenhangend met het opstellen van de rapportage door KPMG en de bespreking daarvan ter zitting, benadrukt de rechtbank dat een en ander niet te wijten is geweest aan de verdachten en hun raadslieden.

Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur van 5 jaar.

Echter rekening houdend met voornoemde strafkorting zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 60 maanden-6 maanden = 54 maanden = 4 jaar en 6 maanden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] door het persoonlijk faillissement van de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Volgens de officier van justitie moeten de benadeelde partijen zich wenden tot de curator om hun vorderingen ter verificatie aan te melden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte is van mening dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard en dat de vorderingen bij de curator dienen te worden ingebracht.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaren in de vorderingen, nu verdachte persoonlijk in staat van faillissement is verklaard.Op grond van artikel 26 van de Faillissementswet kunnen vorderingen slechts bij de curator ter verificatie worden aangemeld.

Overweging met betrekking tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

De officieren van justitie hebben in hun requisitoir verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een bedrag van € 28.500.000,- , bij gebreke van betaling te vervangen door vervangende hechtenis voor de duur van maximaal één jaar.

De officieren van justitie hebben daarbij gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel een zelfstandige maatregel is die beoogt een door een strafbaar feit benadeelde persoon te versterken in zijn positie tot herstel van de rechtmatige toestand. Hieraan ligt volgens de officieren van justitie de gedachte ten grondslag om de benadeelde de inspanningen om dat herstel te bereiken zoveel als mogelijk uit handen te nemen. Die inspanningen worden door het opleggen van de maatregel in handen gelegd van de Staat. De officieren van justitie zijn van oordeel dat het faillissement van de verdachte niet aan het opleggen van deze maatregel in de weg staat. Het openbaar ministerie acht de verdachte ten aanzien van alle in de aan de dagvaarding gehechte lijst genoemde personen aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht. De officieren van justitie zijn daarbij van mening dat uit het oogpunt van eenvoud ten aanzien van de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel alleen de ingelegde bedragen voor vergoeding in aanmerking komen.

De raadsman heeft over de schadevergoedingsmaatregel -kort gezegd- het volgende gesteld.

De officieren van justitie willen een schadevergoedingsmaatregel opleggen en gaan lukraak maar uit van miljoenen euro's, maar dat werkt volgens de raadsman anders. Als je een schadevergoedingsmaatregel wil opleggen moet de geleden schade duidelijk zijn. Aangezien nog niet duidelijk is hoeveel geld de beleggers terug gaan krijgen, kan de schade nog niet worden vastgesteld.

Daarnaast is de schadevergoedingsmaatregel een maatregel en mag het geen straf zijn. In de jurisprudentie is dat een uitgemaakte zaak. Gezien de faillissementen van verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] en gezien de omvang van het door de officieren van justitie gevorderde bedrag, terwijl zij weten dat verdachte niets meer bezit, is het verzoek de schadevergoedingsmaatregel op te leggen niets anders dan het vorderen van het opleggen van een extra straf. In de rechtspraak is uitgemaakt dat in uitzonderlijke gevallen van de schadevergoedingsmaatregel kan worden afgezien als op voorhand al vaststaat dat het opleggen van de maatregel leidt tot het uitzitten van de vervangende hechtenis. In de onderhavige zaak is zo'n uitzonderlijk geval aan de orde. Het opleggen van de maatregel zou puur het extra bestraffen van verdachte zijn en het heeft niets meer te maken met een herstelmaatregel.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde schadevergoedingsmaatregel als volgt.

De schadevergoedingmaatregel beoogt herstel van de rechtmatige toestand. Uit artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat de schadevergoedingsmaatregel ook kan worden toegepast als de benadeelde zich niet in de strafprocedure heeft gevoegd.

In de onderhavige zaak is verdachte in staat van faillissement verklaard. De benadeelden kunnen hun vordering ter verificatie aanmelden bij de curator in het faillissement van verdachte. Mede omdat niet op voorhand valt uit te sluiten dat nog een uitkering volgt voor de inleggers, is het voor de rechtbank niet eenvoudig om op dit moment de door de inleggers werkelijk geleden schade vast te stellen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank aan verdachte geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Opheffen schorsing voorlopige hechtenis.

De officieren van justitie hebben in hun requisitoir verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen en het ingenomen paspoort aan verdachte te retourneren.

De verdediging heeft eveneens de opheffing van de voorlopige hechtenis bepleit.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de voorlopige hechtenis als volgt.

[verdachte] is in verzekering gesteld op 2 september 2008.

Nadien heeft de rechtbank besloten om de voorlopige hechtenis onder voorwaarden te schorsen met ingang van 22 januari 2010. Dit onder andere gelet op de vertraging die in de behandeling van de strafzaak op dat moment was ontstaan, welke vertraging niet enkel aan verdachte was te wijten.

Bij de beoordeling van de vraag of er thans aanleiding bestaat de voorlopige hechtenis op te heffen, dient de rechtbank na te gaan of de ernstige bezwaren en de grond waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd, te weten de vrees voor herhaling, ook thans nog aanwezig is.

Uitgangspunt voor de rechtbank is dat het uitzitten van een straf pas aan de orde is als een veroordeling onherroepelijk is en dat enkel in het geval er sprake is van vrees voor herhaling van zeer ernstige strafbare feiten de rechtbank de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis kan bevelen.

Verdachte is in het verleden vele jaren werkzaam geweest als financiële dienstverlener en hij heeft veel contacten in die branche. Hij heeft samen met anderen gedurende een lange periode beleggers benadeeld voor vele miljoenen euro's. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat er een reëel gevaar bestaat dat verdachte zich in de toekomst wederom aan soortgelijke delicten schuldig zal maken. Naar het oordeel van de rechtbank is de zogenaamde recidivegrond derhalve niet komen te vervallen. Er is nog steeds sprake van vrees voor herhaling van zeer ernstige strafbare feiten.

Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 57, 63, 140, 326.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen, hetgeen verdachte onder feit 3 primair, feit 3 subsidiair, feit 5 primair, feit 5 subsidiair, is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 4 primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

misdrijven, terwijl hij van de organisatie oprichter en leider is

T.a.v. feit 2 primair:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 4 primair:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2 primair, feit 4 primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden met aftrek overeenkomstig

artikel 27 Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 4 primair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde 2], in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

T.a.v. feit 4 primair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde 1], in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten

draagt.

Beveelt de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte

met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.M. Spelt, voorzitter, mr. A.F. van Hoorn en

mr. P.J.H. Van Dellen, leden,

in tegenwoordigheid van dhr. G.G. Dirks en mr. P. van Etteger-Lubbers, griffiers,

en is uitgesproken op 26 april 2012.

1 Deskundigen-onderzoek rekening-courant verhoudingen [bedrijf 19] concern, KPMG, 31 augustus 2011, (hierna: het KPMG-rapport), p. 27-34.

2 P. 800016 proces-verbaal. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD, met dossiernummer 40481, bestaande uit een overzichtsproces-verbaal, processen-verbaal van ambtshandelingen, processen-verbaal telecommunicatie en observatie, processen-verbaal van verhoor van verdachten, processen-verbaal van verhoor van getuigen, documenten, verdachtendossiers, aanvullende processen-verbaal + onderzoek na 30 januari 2009, en het BOB-dossier. Dit dossier met nummer 40481 bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden.

3 Uittreksel Kamer van Koophandel, eind proces-verbaal, document D 0-31, p. 800255.

4 KPMG-rapport, p. 36.

5 p. 800015.

6 KPMG-rapport, bijlage 21.

7 KPMG-rapport, p. 34.

8 KPMG-rapport, p. 36.

9 [getuige 9], d.d. 2 september 2008, p. 300004.

10 Aanhangsel van de handelingen van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal, vergaderjaar 2008-2009, aanhangsel 1981 en 1982, dat gevoegd is bij het faillissementsverslag van 19 januari 2009 inzake failliet [verdachte].

11 D-001, Aangifte tegen [bedrijf 3], p. 500315 PV.

12 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 2] p. 300239 ev.

13 p. 300246, bijlage verhoor [benadeelde 2].

14 p. 300260, bijlage verhoor [benadeelde 2].

15 Proces-verbaal van verhoor [getuige 13] p. 300401 ev.

16 p. 300412, bijlage verhoor [getuige 13].

17 Proces-verbaal van verhoor[getuige 16], p. 400000 ev.

18 p. 400007, bijlage verhoor [getuige 15]

19 p. 400025 ev, bijlage verhoor [getuige 15]

20 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 1], p. 400032 ev.

21 Proces-verbaal van verhoor [getuige 17], p 400055 ev.

22 Adviseur en verkoper, zie [getuige 2] p. 3000072 ev.

23 p. 400069 ev, bijlage verhoor [getuige 17].

24 Proces-verbaal van verhoor De [getuige 33], p. 400074 ev.

25 p. 400085, bijlage verhoor De [getuige 33].

26 Proces-verbaal verhoor [naam], p. 400100 ev.

27 p. 400120 ev, bijlage verhoor [getuige 19]

28 Proces-verbaal verhoor [getuige 23], p. 400139 ev.

29 p. 400163 ev, bijlage verhoor [getuige 23].

30 Proces-verbaal verhoor [getuige 21], p. 400174 ev.

31 Proces-verbaal verhoor [getuige 22], p. 400187 ev.

32 p. 400203 ev en p. 400207, bijlagen verhoor [getuige 22].

33 Proces-verbaal verhoor [getuige 25], p. 400210 ev.

34 p. 400224 ev, bijlage verhoor [getuige 25].

35 Proces-verbaal verhoor [getuige 26], p. 400249 ev.

36 p. 400265 ev, bijlage verhoor [getuige 26].

37 Proces-verbaal verhoor [getuige 27], p. 400277 ev.

38 p. 400298 ev, bijlage verhoor [getuige 27].

39 Proces-verbaal verhoor [getuige 28], p. 400304 ev.

40 Proces-verbaal verhoor [getuige 5], p. 400326 ev.

41 p. 400334 ev, bijlage verhoor [getuige 5].

42 Proces-verbaal verhoor [getuige 29], p. 400373 ev.

43 p. 400384 ev, bijlage verhoor [getuige 29].

44 Proces-verbaal verhoor [getuige 30], p. 400401 ev.

45 p. 400407 ev, bijlagen verhoor [getuige 30].

46 p. 400417 ev, bijlagen verhoor [getuige 30].

47 Proces-verbaal van aangifte [getuige 31], p. 400517 pv.

48 p. 400537 ev, bijlage aangifte [getuige 31].

49 Verslag van bevindingen bij onderzoek inzake[bedrijf 19] rapport van drs. [persoon 2] RA, 11 juni 2009, p. 4.

50 [bedrijf 2], d.d. 2 september 2008, eind proces-verbaal, p. 200011. Waar in volgende voetnoten wordt verwezen naar paginanummers, gaat het om pagina's uit het eind proces-verbaal.

51 Ibidem, p. 200006.

52 [getuige 9] [verdachte], d.d. 3 september 2008, p. 200016.

53 Ibidem, p. 200021.

54 Ibidem 200022.

55 [getuige 9] [verdachte], d.d. 11 september 2008, p. 200038 en 039.

56 [getuige 9] [verdachte], 3 september 2008, p. 200020.

57 [getuige 9] [verdachte] 4 september 2008, p. 200025.

58 Ibidem, p. 200026.

59 [getuige 9] [verdachte], d.d. 11 september 2008, p. 200033 en 200034.

60 Ibidem, p. 200039.

61 [getuige 9] [verdachte], d.d. 17 oktober 2008, p. 200047.

62 [getuige 9] [verdachte], d.d. 29 oktober 2008, p. 200054.

63 Proces-verbaal van de zitting van 11, 12, 15, 18, 19, 21 en 22 januari 2010, p. 10.

64 [medeverdachte 2], d.d. 4 september 2008, p. 200094 en 200096.

65 [medeverdachte 2], d.d. 11 september 2008, p. 200102.

66 Ibidem, p. 200113.

67 [medeverdachte 2], d.d. 12 september 2008, p. 200127.

68 Ibidem, p. 200128.

69 Ibidem, p. 200129.

70 [medeverdachte 2], d.d. 19 september 2008, p. 200138, 200139 en 200140.

71 [medeverdachte 2], d.d. 23 oktober 2008, p. 200161 en 200162.

72 [medeverdachte 2], d.d. 20 november 2008, p. 200174

73 [getuige 7], d.d. 8 oktober 2008, p. 200452 en 200453.

74 [getuige 7] bij de rechter-commissaris, d.d. 9 juli 2009.

75 [getuige 7], d.d. 29 oktober 2008, p. 200462.

76 [getuige 7], d.d. 7 november 2008, p. 200465 en 200466.

77 Verslag van bevindingen bij onderzoek inzake [bedrijf 19] rapport van drs. [persoon 2] RA, 11 juni 2009, p. 1.

78 Ibidem, p. 4.

79 [persoon 2], bijlage 1, p. 7,10 en 16..

80 Deskundigenonderzoek rekening courant verhoudingen [bedrijf 19] concern, KPMG, 31 augustus 2011, p. 26 en 69.

81 Millimanrapport, deskundigenrapport [naam] settlement contracten [bedrijf 19] behandeld door [bedrijf 12], L.J.M. Roodbol AAG en drs. L. van Delft AAG, 16 januari 2009. Opgenomen onder p. 800228 ev van het aanvullend eindproces-verbaal.

82 Millimanrapport, p. 5.

83 Rapport Beantwoording vraagstelling beleggingsproduct "[bedrijf 19]" door Triple A, dhr. Van Besouw AAG, p. 10.

84 Aanvullend eindproces-verbaal van 12 januari 2009, pagina 800012 tot en met 800017.

85 KPMG-rapport d.d. 31 augustus 2011, pagina 19 e.v..

86 De pagina's 800069 tot en met 800071 van het proces-verbaal vermelden de diverse documenten, waaronder de uittreksels van de Kamer van Koophandel.

87 KPMG pagina 24.

88 Dossierpagina 500450.

89 [getuige 9] [verdachte], d.d. 2 september 2008, eind proces-verbaal, p. 200011..

90 Ibidem, p. 200006.

91 [getuige 9] [verdachte], d.d. 3 september 2008, p. 200016.

92 Concept notulen van de aandeelhoudersvergadering, dossierpagina 500535 en verder.

93 Verklaring getuige [getuige 8], G-38-01, p. 400511.

94 [medeverdachte 2], d.d. 4 september 2008, p. 200094 en 200096.

95 [medeverdachte 2], d.d. 11 september 2008, p. 200102.

96 Verklaring [getuige 6] bij de rechter-commissaris op 23 juni 2009.

97 Verklaring [verdachte],V07-04, p. 200025.

98 Verklaring Rijnaard, V10-12.

99 Verklaring [getuige 9] bij de FIOD, G06-01, p, 300049.

100 Verklaring [getuige 1] bij de rechter-commissaris.

101 Concept notulen van de aandeelhoudersvergadering, dossier pagina 500535 en verder.

102 D013

103 Proces-verbaal van de FIOD, pagina 500430.

104 [getuige 6], d.d. 2 september 2008, p. 200196.

105 Eind proces-verbaal, document D-009, p. 500373.

106 Loonafrekening 23 juni 2008, eind proces-verbaal document D 0-05, p. 500345.

107 [naam] overleg d.d. 13 december 2006, p. 200251 en 252.

108 Document D-022, p. 500454.

109 [medeverdachte 2], d.d. 19 september 2008, p. 200138, en d.d. 23 oktober 2008, p. 200162.

110 KPMG-rapport, bijlage 21.

111 Concept vaststellingsovereenkomst, p. 200213.

112 [getuige 6], d.d. 11 september 2008, p. 200211.

113 Ibidem.

114 [bedrijf 19] prospectus [bedrijf 27], p. 500346-370.

115 [getuige 6], d.d. 11 september 2008, p. 200210.

116 [naam] invest, d.d. 8 oktober 2007, p. 500374-500400)

117 p. 500370.

118 [getuige 6], d.d. 3 september 2008, p. 200202.

119 [getuige 9] getuige [getuige 5], d.d. 14 november 2008, p. 400328 en 329, en verhoor verdachte, d.d. 27 november 2008, p. 200281.

120 p. 400326 e.v..

121 Document D-06, p. 500352, en D 0-10, p. 500388.

122 [medeverdachte 2], d.d. 21 november 2008, p. 200179.

123 [getuige 9] bij de rechter-commissaris, 29 juni 2009, p. 1.

124 Besprekingsverslag d.d. 6 november 2007, p. 200239 en 240.

125 [getuige 6], d.d. 27 november 2008, p. 200283.

126 [getuige 6], d.d. 3 september 2008, p. 200200.

127 p. 400399.

128 p. 400514.

129 [getuige 9] [verdachte], d.d. 4 september 2008, p. 200025.

130 Proces-verbaal ter terechtzitting, d.d. 18 januari 2010, p. 9.

131 [getuige 9] verdachte, d.d. 11 september 2008, p. 200211.

132 [getuige 9] verdachte, d.d. 27 november 2008, p. 200277.

133 [medeverdachte 2], d.d. 21 november 2008, p. 200179.

134 [getuige 9], d.d. 19 november 2008, p. 400513.

135 Proces-verbaal van verhoor Rijnaard, d.d. 6 september 2008, p. 200329

136 FIOD proces-verbaal pagina 300004

137 FIOD proces-verbaal pagina 300058

138 Document D 0-10, p. 500388.

139 [getuige 7], d.d. 29 oktober 2008, p. 200462.

140 [getuige 7], d.d. 7 november 2008, p. 200465 en 200466.

141 p. 400137 (brief [getuige 20]) en p. 300094 (brief Pijnenburg).

142 [getuige 11], d.d. 11 september 2008, p. 300089 en 300090.

143 [medeverdachte 2], d.d. 21 november 2008, p. 200183.

144 [getuige 9] Rijnaard, d.d. 4 december 2008, p. 200368.

145 Document D-003, p. 500340-341.

146 [getuige 3], p. 400399.

147 [getuige 9] Rijnaard, d.d. 6 september 2008, p. 200329.

148 [getuige 9] Rijnaard, d.d. 6 september 2008, p. 200332 en 333.

149 [persoon 2], bijlage 4.

150 [getuige 9] bij de rechter-commissaris, d.d. 29 juni 2009.

151 Proces-verbaal van verhoor Rijnaard, p. 300358 en verhoor [medeverdachte 2] bij de r-c, 1 juli 2009.

152 Ibidem, p. 4.

153 Ibidem en proces-verbaal van verhoor [persoon 9], p. 200025, en proces-verbaal van verhoor [getuige 1], p. 200196.

154 De borgverklaring is opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van[persoon 11] bij de rechter-commissaris, d.d. 9 juli 2009.

155 Proces-verbaal van verhoor van Rijnaard, V10-14, d.d. 10 maart 2008.

156 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2], p. 200086.

??

??

17

Parketnummer: 01/997513-08

[verdachte]