Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW2222

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
01/849670-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ander wordt gedood en de schuld bestaat in roekeloosheid. Dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest, acht de rechtbank bewezen op grond van onder meer de resultaten van technisch onderzoek omtrent de mogelijke positie van het slachtoffer in het voertuig en de resultaten van DNA-onderzoek op airbags van de auto.

Opgelegd een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849670-10

Datum uitspraak: 13 april 2012

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1976,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 januari 2012 en 30 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 december 2011.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 30 maart 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2010 te Middelrode en/of Berlicum en/of

Heeswijk-Dinther, althans in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg(en), Emmastraat en/of Wilhelminastraat en/of Kennedystraat en/of Schweitzerstraat en/of Julianastraat en/of Driezeeg en/of Haffertsestraat en/of Gouverneursweg en/of Kameren,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte heeft gereden op/in de Emmastraat en/of Wilhelminastraat en/of

Kennedystraat en/of Sweitzerstraat en/of Julianastraat en/of Driezeeg en/of

Haffertsestraat en/of Gouverneursweg en/of Kameren

- met een (veel) hogere snelheid dan de (verkeers) situatie ter plaatse toeliet en/of

- terwijl het regende en/of het wegdek nat was en/of

- met gedoofde lichten, terwijl het donker was en/of de situatie ter plaatse wel verlichting vereiste en/of is (vervolgens) van de weg geraakt en/of tegen een boom gebotst en/of in een greppel/sloot beland,

ten gevolge van welk ongeval een ander (een passagier genaamd [slachtoffer 1]

zodanig letsel en/of verwondingen heeft opgelopen dat hij is overleden;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 oktober 2010 te Middelrode en/of Berlicum en/of

Heeswijk-Dinther, althans in Nederland,

als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Emmastraat en/of Wilhelminastraat en/of Kennedystraat en/of Schweitzerstraat en/of Julianastraat en/of Driezeeg en/of Haffertsestraat en/of Gouverneursweg en/of Kameren, heeft gehandeld als volgt:

verdachte heeft gereden op/in de Emmastraat en/of Wilhelminastraat en/of

Kennedystraat en/of Sweitzerstraat en/of Julianastraat en/of Driezeeg en/of

Haffertsestraat en/of Gouverneursweg en/of Kameren

- met een (veel) hogere snelheid dan de (verkeers) situatie ter plaatse toeliet en/of

- terwijl het regende en/of het wegdek nat was en/of

- met gedoofde lichten, terwijl het donker was en/of de situatie ter plaatse wel verlichting vereiste en/of

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd en/of een ander (een passagier genaamd [slachtoffer 1] zodanig letsel en/of verwondingen heeft opgelopen dat hij is overleden.

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 27 oktober 2010 te Middelrode en/of Berlicum, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)auto weg te nemen geld

en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf]

en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die

(bedrijfs)auto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of (een)

goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking

en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen een

ruit en/of een slot van die auto heeft geforceerd/vernield, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 311 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 27 oktober 2010 te Middelrode en/of Berlicum, in elk geval

in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, een auto (Volkswagen Golf) heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van

het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen

goed(eren) betrof;

(artikel 416/417bis Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 27 oktober 2010 te Herpen, gemeente Oss, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een

kentekenpla(a)t(en) ([kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s);

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde misdrijf wettig en overtuigend bewezen. De schuld van verdachte bestaat uit roekeloosheid.

Voorts acht de officier van justitie de feiten 2 tot en met 4 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3 acht de officier van justitie de schuldheling bewezen op basis van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], de aangifte en de omstandigheid dat verdachte geen papieren van de auto kan overleggen.

Ten aanzien van feit 4 acht de officier van justitie de diefstal van de kentekenplaten bewezen op grond van het aantreffen van de kentekenplaten en de korte tijd tussen de diefstal en het aantreffen van de kentekenplaten op de gestolen Golf, waarbij de officier van justitie van mening is dat de feiten 3 en 4 in onderling verband moeten worden bezien.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de feiten 1 tot en met 4 bepleit.

De telefoongesprekken en sms-berichten zijn niet altijd eenduidig.

De getuigen die een belastende verklaring hebben afgelegd, zijn niet bij de gebeurtenissen aanwezig geweest.

Er is een match met het DNA van verdachte met betrekking tot de bestuurdersairbag. Daarvan is echter geen statistische onderbouwing gegeven. Voorts heeft de raadsman nog een aantal vragen opgeworpen aangaande het technisch onderzoek.

Voor het causaal verband is van belang dat [slachtoffer 1] in de auto is gestapt, terwijl hij wist dat ze wilden ontkomen en dat hij geen autogordel om had.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman nog opgemerkt dat niet kan worden uitgesloten dat iemand anders die avond of nacht in de betreffende bedrijfsauto heeft ingebroken.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1.

De rechtbank stelt het volgende vast.

Op 27 oktober 2010, enige tijd na de melding bij de politie omstreeks 03.05 uur dat in de Emmastraat te Berlicum wordt gezien dat drie mannen met bivakmutsen op met zaklampen in geparkeerd staande auto’s schijnen, welke mannen met een grijze Golf zijn, vindt na een korte achtervolging van deze grijze Golf door de ter plaatse gekomen zijnde politie, een ongeval plaats op de Gouverneursweg te Heeswijk-Dinther. Er wordt een zwaar beschadigde grijze Golf in de greppel/sloot aangetroffen.

Bij deze Golf worden [getuige 4] en naar later is gebleken [slachtoffer 1] aangetroffen. [slachtoffer 1] lag naast het voertuig aan de zijde van en ter hoogte van de bijrijdersplaats van de auto. [slachtoffer 1] is ernstig gewond en overlijdt ter plaatse. [getuige 4] is ook gewond.

Mede op basis van de resultaten van de schouw wordt gesteld dat [slachtoffer 1] niet op natuurlijke wijze is overleden en zeer waarschijnlijk is overleden als gevolg van het verkeersongeval. Door massaal mechanisch geweld is dusdanig letsel ontstaan dat [slachtoffer 1] daaraan is overleden.

Was verdachte de bestuurder?

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend dat hij bestuurder van de Golf is geweest. Naar zijn zeggen was [slachtoffer 1] de bestuurder van de auto, zat [getuige 4] op de bijrijdersplaats en zat hijzelf in het midden op de achterbank van de auto.

Vaststaat dat verdachte ten tijde van het ongeval ter plaatse was en zich op het moment van het ongeval in het voertuig heeft bevonden.

Met betrekking tot de vraag welke inzittenden van de auto zich op welke plek hebben bevonden is zowel DNA-onderzoek als technisch onderzoek verricht.

De resultaten van het DNA-onderzoek

Het midden van de voorzijde van de beide airbags van de bij het ongeval betrokken Golf is bemonsterd.

Van het DNA in de bemonstering AACC4664NL#01 van de airbag van de bijrijdersplaats van de bij het ongeval betrokken Golf is een onvolledig DNA-profiel verkregen van minimaal één persoon waarvan minimaal één man.

Hoewel in het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AACC4664NL#O1 van de airbag (bijrijdersplaats) niet alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van [getuige 4] RAAP642ONL (reproduceerbaar) zichtbaar zijn, kan [getuige 4] op grond van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek niet worden uitgesloten als donor van (een deel van) het celmateriaal in de bemonstering AACC4664NL#O1 van de airbag (bijrijdersplaats).

De DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer 1]6576NL en de verdachte

RAAO2O42NL matchen niet met dit onvolledige DNA-profiel. Dit betekent dat op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek geen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer 1] en de verdachte in de

bemonstering AACC4664NL#O1 van de airbag (bijrijdersplaats).

Van het DNA in de bemonstering AACC4671NL#O1 van de airbag (bestuurdersplaats) is een complex DNA-mengprofiel verkregen met daarin DNA-kenmerken van minimaal drie

personen waarvan minimaal één man.

Het DNA-profiel van de verdachte RAAO2O42NL matcht met dit DNA-mengprofiel.

Dit betekent dat verdachte één van de donoren kan zijn van celmateriaal in de

bemonstering AACC4671NL#O1 van de airbag (bestuurdersplaats).

Hoewel in het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AACC4671NL#O1 van de airbag (bestuurdersplaats) niet alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van [getuige 4] RAAP642ONL (reproduceerbaar) zichtbaar zijn kan

[getuige 4] op grond van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek niet

worden uitgesloten als één van de donoren van het celmateriaal in de bemonstering

AACC4671NL#O1 van de airbag (bestuurdersplaats).

Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 1]6576NL matcht niet met dit DNA

mengprofiel. Dit betekent dat op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek geen

aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van het slachtoffer

[slachtoffer 1] in de bemonstering AACC4671NL#O1 van de airbag (bestuurdersplaats).

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande aannemelijk dat [getuige 4] ten tijde van het ongeval op de bijrijdersplaats van de auto heeft gezeten. De verklaring van verdachte wordt op dit punt bevestigd door de resultaten van het DNA-onderzoek betreffende de airbag van de bijrijdersplaats.

De rechtbank overweegt voorts dat op grond van het DNA-onderzoek van het NFI, zoals hierboven weergegeven, veel meer aannemelijk is dat niet [slachtoffer 1], maar verdachte de bestuurder was van de Volkswagen Golf ten tijde van het ongeval.

De rechtbank zal thans het overige bewijs tegen verdachte bespreken.

Het technisch onderzoek

[verbalisant 4], technisch rechercheur, heeft onderzoek verricht naar de mogelijke positie van het slachtoffer in het voertuig ten tijde van het ongeval. Hij acht op grond van zijn bevindingen niet aannemelijk dat het slachtoffer als bestuurder heeft opgetreden ten tijde van het ongeval en wel aannemelijk dat het slachtoffer ten tijde van het ongeval als passagier op de achterbank heeft gezeten. [verbalisant4] heeft dienaangaande onder meer het volgende vermeld:

“Hypothese 1.

Uit onderzoek was gebleken dat het voertuig met de rechter voorzijde in aanraking was

gekomen met een boom. Door de botskracht en de nog aanwezige snelheid in het voertuig was het voertuig, nadat het in aanraking was gekomen met de boom, rechtsom (met de wijzers van de klok mee) om zijn hoogte-as gedraaid. Het voertuig slipte vervolgens achterwaarts in een greppel en kwam hierbij met de achterzijde in aanraking met de wal van de greppel. Door de aanraking met de wal van de greppel kwam het voertuig kennelijk vrij van de grond en kwam vervolgens voor de tweede keer, met de achterzijde van het voertuig, in aanraking met de wal van de greppel en kwam tot stilstand.

Uit onderzoek aan het voertuig was gebleken dat de inzittenden van het voertuig, ten tijde van het ongeval, geen gordels hadden gedragen, dit gezien het feit dat de gordelspanners in werking waren getreden en de gordels in opgerolde en aangespannen toestand in het voertuig werden aangetroffen. Bij nader onderzoek bleek dat de gordels niet meer afrolbaar waren.

Indien het slachtoffer was opgetreden als bestuurder van het voertuig had deze, ten tijde van de botsing met de boom, een voorwaartse beweging ondergaan. Hierbij zou deze in aanraking gekomen kunnen zijn met het stuurwiel en delen van het dashboard. Bij onderzoek was gebleken dat het stuurwiel niet vervormd was en dat het onderste linkergedeelte van het dashboard beschadigd was geraakt.

Tijdens de aanrakingen met de slootwal ondervond het voertuig achterwaartse vertragingen. Tijdens deze vertragingen zou het slachtoffer achterwaarts gedrukt worden. Om bij de bestuurder het letsel te laten ontstaan, zoals bij het slachtoffer zichtbaar was, had de bestuurder achterwaarts tussen de beide voorstoelen gedrukt/geworpen moeten worden.

Uit onderzoek was gebleken dat de beide voorstoelen geen vervormingen vertoonden, waaruit zou kunnen blijken dat er een persoon achterwaarts tussen de voorstoelen was

gedrukt/geduwd.

Gezien het vorenstaande is het niet aannemelijk dat het slachtoffer, ten tijde van het

ongeval, was opgetreden als bestuurder van het voertuig.

Hypothese 2.

(..)

Gezien de ontstane schade aan de rugleuning van de rechter voorstoel, de ontstane schade aan de bekleding van het rechter achterportier en de ontstane vervorming van de deelbare achterbank en de vervorming van de metalen opstaande rand, welke werden gevormd door de bodemplaat en het rechter achter binnenspatscherm van het voertuig, is het aannemelijk, dit gezien het zichtbare ontstane letsel aan de rechterzijde van de romp van het slachtoffer, dat het slachtoffer, ten tijde van het ongeval zich op de achterbank van het voertuig bevond.

Indien het slachtoffer zich op de achterbank bevond ten tijde van het ongeval, is de schade welke was ontstaan aan de rugleuning van de rechter passagiersstoel, de schade aan de rugleuning van de achterbank, de schade aan de portierbekleding van het rechter achterportier en de schade aan de metalen opstaande rand als volgt te verklaren:

Het voertuig was in een voorwaartse beweging op het moment dat het voertuig met de

rechter voorzijde in botsing kwam met de boom. Door de vertraging die het voertuig ondervond, op het moment dat de rechter voorzijde van het voertuig in botsing kwam met de boom, is het aannemelijk dat het slachtoffer, welke uit onderzoek was gebleken geen gordel droeg, voorwaarts werd geworpen en in aanraking kwam met de achterzijde van de rugleuning van de rechter passagiersstoel, waardoor deze werd vervormd.

Nadat het voertuig in botsing was gekomen met de boom draaide het voertuig rechts om, met de wijzers van de klok mee, om zijn hoogte-as en kwam vervolgens met de achterzijde in aanraking met de wal van de voornoemde greppel. Bij de aanraking met de wal van de greppel ondervond het voertuig een achterwaartse vertraging. Door de achterwaartse vertraging is het aannemelijk dat het slachtoffer in aanraking was gekomen met gedeelte van de deelbare rugleuning van de achterbank, de bekleding van het rechter achterportier en de metalen opstaande rand, welke werd gevormd door de bodemplaat en de rechter achter binnenspatscherm.

Na de eerste aanraking met de wal kwam het voertuig kennelijk vrij van de grond en botste vervolgens voor de tweede maal tegen de wal, waarbij het voertuig wederom een achterwaartse vertraging ondervond.

De mogelijkheid bestaat dat het slachtoffer hierbij voor de tweede maal in aanraking kwam met de voornoemde opstaande metalen rand, dit gezien het feit dat op de rechterzijde van de romp van het slachtoffer, tweemaal de specifieke vorm van de metalen opstaande rand afgetekend was.”

De onderzoeksresultaten van [verbalisant4] vinden steun in de resultaten van het onderzoek van dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts KNMG, die in zijn rapport d.d. 12 januari 2012 concludeert dat op basis van de in het politiedossier vastgelegde omstandigheden met betrekking tot het ongeval, de bevindingen bij technisch onderzoek (VOA-rapport), gecombineerd met de medisch forensische beoordeling van het geheel aan uitwendig zichtbaar letsel bij het slachtoffer (waarbij twee opvallende patroon drukletsels en meerdere haaks daarop lopende krasletsels werden geconstateerd), het geheel aan onderzoeksbevindingen veel waarschijnlijker is onder hypothese 2 (het slachtoffer zat ten tijde van de aanrijding rechts op de achterbank) dan onder hypothese 1 (het slachtoffer zat ten tijde van de aanrijding achter het stuur van de personenauto (linksvoor)). Ter toelichting vermeldt Nijs in zijn rapport onder meer het volgende:

“Aan de romp rechts van het slachtoffer was opvallend veel uitwendig zichtbaar letsel,

waaronder twee (mogelijk drie) overeenkomstige omvangrijke patroon drukletsels. De

vorm daarvan vertoonde bij reconstructie door de forensische opsporing grote gelijkenis

met die van een metalen opstaande rand bij het rechter/achter binnenspatscherm.

De plaats op en verloop over het lichaam van de twee omvangrijke patroon drukletsels

past zeer wel bij (tenminste) twee krachtige botsende contacten van het lichaam tegen

de (omgeving van de) metalen opstaande rand (of vice versa).(..)

Het ontstaan van de combinatie van het geheel aan letsel bij het slachtoffer, met in het

bijzonder de twee (en mogelijk meer) patroon drukletsels met haaks daarop

‘ontspringende’ krasletsels rechts aan de romp, de afwezigheid van letsel aan de

voorzijde van het slachtoffer passend bij impressie door een stuurwiel of dashboard, en

het geheel aan technische bevindingen met name ter hoogte van de achterbank rechts

(en de afwezigheid van dergelijke bevindingen linksachter), is niet goed verklaarbaar

vanuit een andere positie van het slachtoffer dan normaal zittend rechts op de achterbank.”

Overige bewijsmiddelen

Het technisch bewijs met betrekking tot de bestuurder wordt verder op andere wijze ondersteund, te weten door een tapgesprek tussen [getuige 5] (de vriendin van [getuige 4]) en [getuige 7] (de moeder van [getuige 5]) op 9 november 2010 te 13.32 uur.

[verdachte], met bijnaam [naam], is die ochtend aangehouden.

Het tapgesprek houdt onder meer het navolgende in:

[getuige 5] wordt gebeld door haar moeder (nader te noemen getuige [getuige 7]. Getuige

[getuige 7] vraagt of het klopt. [getuige 5] deelt getuige [getuige 7] mede dat het klopt. Getuige [getuige 7] deelt [getuige 5] mede dat ze er toch op één of andere manier achter zijn gekomen. [getuige 5] deelt haar moeder mede dat ze niks over de telefoon kan zeggen en dat ze bang is dat [getuige 4]) ook weer gepakt zal worden.

Het daaropvolgende is letterlijk weergegeven:

Getuige [getuige 7]: “Daar hebben ze niks tegen meiske.”

[getuige 5]: “Maar ja das wel hendig hoor mam, da moet wel. We zien het wel ja?”

Getuige [getuige 7]: “Ze pakken hem voor, eh, [naam verdachte] krijgt nu dood door schuld he.”

[getuige 5]: “Maar dat weet niemand, ze kunnen toch niet bewijzen dat hij gereden heeft of dat hij erbij is geweest niks.”

Getuige [getuige 7]: ‘Wie zegt dat ze geen vingerafdrukken in de auto hebben gevonden?”

[getuige 5]: “Nee dat kan allemaal niet mam.”

Getuige [getuige 7]: “Ge weet het niet meis.”

[getuige 5]: “Ja we zien het wel.”

Getuige [getuige 7]: “Ik hoop dat het allemaal goed komt.”

Getuige [getuige 7] heeft op 10 november 2010 bij de politie onder meer verklaard dat [voornaam getuige 5] in een gesprek ongeveer een week na het ongeval tegen haar zei dat degene die dood was achterin de auto heeft gezeten en dat [getuige 4] niet had gereden.

Het onderzoeksteam heeft bij verdachte op 3 november 2010 geen zichtbare verwondingen aan zijn gezicht of eventueel mank lopen geconstateerd.

De rechtbank concludeert dat dit past bij het sporenbeeld aan de bestuurderszijde van de auto. De auto is immers aan de bestuurderskant aanzienlijk minder beschadigd dan aan de bijrijderskant.

Conclusie

Het bovenstaande, in onderlinge samenhang en verband bezien, laat geen andere conclusie toe dan dat verdachte de bestuurder van de Golf is geweest ten tijde van het ongeval. Al hetgeen dienaangaande door de raadsman is aangevoerd met betrekking tot het technische bewijs kan daar niet aan af doen. De stelling van de verdachte dat [slachtoffer 1] de bestuurder was en hij zich achterin de auto bevond acht de rechtbank onaannemelijk. Zij wijst deze dan ook van de hand.

Is er sprake van roekeloosheid?

Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank omtrent de toedracht van het ongeval en de wijze waarop de verdachte heeft gereden het volgende vast.

Nadat een surveillance-eenheid van de politie, te weten verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], naar aanleiding van de melding op 27 oktober 2010 omstreeks 03.05 uur dat drie mannen met bivakmutsen op en met een grijze Golf in de Emmastraat te Berlicum met zaklampen in auto’s aan het schijnen waren aldaar ter plaatse was gekomen en de grijze Volkswagen Golf van achteren was genaderd, heeft de verdachte de verlichting van deze Volkswagen Golf ingeschakeld en is hij vervolgens weggereden uit de Emmastraat, daarbij een stopteken van de verbalisanten negerend. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben daarop de achtervolging ingezet. Zij zagen dat de grijze Volkswagen Golf vanuit de Emmastraat linksaf de Wilhelminastraat in draaide en daar een diagonaal over de weg geplaatst dienstvoertuig van een andere surveillance-eenheid van de politie links over het trottoir passeerde. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], nog steeds in achtervolging, zagen vervolgens dat de grijze Volkswagen Golf met een extreem hoge snelheid van hen wegreed over de Wilhelminastraat richting de Kennedystraat. Zij zagen tevens dat de grijze Volkswagen Golf daarbij met een dusdanig hoge snelheid over een in de weg aangebrachte snelheidsremmer, een zogenaamde ‘punaise’, reed, dat alle vier de wielen van de Volkswagen Golf zeker 15 centimeter van de grond kwamen en dat er vonken zichtbaar waren onder deze Volkswagen Golf toen deze terug op de grond kwam.

De Volkswagen Golf is vervolgens verder gereden over de Kennedystraat en linksaf de Schweitzerstraat in gedraaid. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zetten daarop de achtervolging voort en zij zagen vervolgens dat de afstand tussen hen en de Volkswagen Golf, op het moment dat deze reed over de Julianastraat in de richting van de Driezeeg, heel snel opliep en dat de Volkswagen Golf met een extreem hoge snelheid accelereerde en op het moment dat deze de rotonde Driezeeg/Zandstraat bereikte, met hoge snelheid linksom over de rotonde reed en vervolgens rechtdoor de Haffertsestraat op reed. De twee op die rotonde gepositioneerde surveillancevoertuigen van de politie, die aldus door de Volkswagen Golf werden gepasseerd, zetten vervolgens ook de achtervolging in.

Onder de op de rotonde gepositioneerde politievoertuigen bevond zich het voertuig van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3]. Zij verklaren dat de Volkswagen Golf, op het moment dat deze de rotonde naderde, verlichting voerde en dat de Volkswagen Golf hen vervolgens met hoge snelheid aan de achterzijde van het dienstvoertuig passeerde. [verbalisant 4] schat de snelheid van de Volkswagen Golf tijdens het passeren op de rotonde tussen de 60 en 80 kilometer per uur en mogelijk sneller. [verbalisant 4] reed vervolgens direct achter de Volkswagen Golf aan en zag dat deze met zeer hoge snelheid het tankstation passeerde en na enkele seconden uit het zicht verdween. [verbalisant 4] heeft de remlichten op het rechte stuk voorbij het tankstation niet zien oplichten, wat er volgens [verbalisant 4] op kan duiden dat de bestuurder van het voertuig enkel heeft geaccelereerd. Verder zag hij dat het voertuig op het rechte stuk uitliep op zijn voertuig. Gezien de bovenstaande situatie schat [verbalisant 4] in dat de Volkswagen Golf snelheden heeft moeten halen van ver boven de 140 à 150 kilometer per uur. De verdachte heeft ook verklaard dat er heel hoge snelheden werden gehaald, welke hij schat op 150 à 160 kilometer per uur, maar misschien nog wel harder. Bij de politie spreekt de verdachte over snelheden tussen de 160 of 200 km/h.

[verbalisant 4] en [verbalisant 3] verklaren dat zij het zicht op de Volkswagen Golf kwijtraakten op het moment dat deze voorbij het tankstation een bocht naar links nam. Wanneer zij enkele seconden na de Volkswagen Golf de op die weg gelegen bocht naar links passeren, zien zij de achterverlichting van de Volkswagen Golf niet meer, hetgeen hen doet vermoeden dat de bestuurder van de Volkswagen Golf de verlichting had uitgeschakeld. Korte tijd later treft de politie de Volkswagen Golf aan in een sloot of greppel langs de Gouverneursweg.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval waarbij de Volkswagen Golf in de greppel is beland. Uit het proces-verbaal van de Forensisch Technische Opsporing, afdeling Verkeers Ongevallen Analyse volgt dat de Volkswagen Golf op de Gouverneursweg in een bocht naar rechts van de weg is geraakt en met de rechter voorzijde in botsing is gekomen met een boom, die was geplaatst in de linker berm. Door de aanrijding met de boom is het voertuig 180 graden om zijn lengte-as gedraaid en vervolgens in een greppel tot stilstand gekomen. De ter plaatse geldende maximum snelheid voor motorvoertuigen bedroeg 60 km/h en in de bochten gold een adviessnelheid van 40 km/h. Het ongeval vond plaats in de nacht op een weg zonder straatverlichting met uitzondering van een lichtmast in de buitenbocht van de Gouverneursweg, terwijl het regende en het uit klinkerbestrating bestaande wegdek nat was. Op het wegdek werden geen sporen aangetroffen. Bij controle van het voertuig bleek dat de verlichtingsschakelaar in de stand ‘uit’ stond. Wat betreft de toedracht wordt geconcludeerd dat de bestuurder van de Volkswagen Golf in een bocht naar rechts zijn voertuig door vermoedelijk te hoge snelheid niet onder controle kon houden en de linker tussenberm is ingereden, waarbij het voertuig in eerste instantie met de linkerzijde tegen een bochtschild en met de rechterzijde tegen een boom is gebotst en vervolgens in een links van de weg gelegen greppel/sloot van een weiland terecht kwam.

Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte, teneinde te ontkomen aan de politie, op de Emmastraat tot en met de Gouverneursweg heeft gereden met een zeer hoge snelheid en dat hij daarbij zeer risicovolle verkeersmanoeuvres niet heeft geschuwd. Zo heeft hij onder meer een politievoertuig via het trottoir gepasseerd en is hij met hoge snelheid een rotonde tegen de geldende rijrichting in op- en overgereden. Dat de verdachte in dat stadium van de achtervolging extreem hard heeft gereden volgt in het bijzonder uit het feit dat het door hem bestuurde voertuig, toen hij over een in de weg aangebrachte ‘punaise’ reed, met vier wielen los van de grond kwam en dat er vonken te zien waren toen het voertuig terug op de grond terecht kwam. Voorts volgt uit het vorenstaande dat de verdachte, eenmaal op de Gouverneursweg en inmiddels achtervolgd door drie surveillance-eenheden van de politie, met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane en in de bochten geadviseerde snelheid heeft gereden en daarbij op enig moment bovendien geen verlichting heeft gevoerd. Dit heeft de verdachte gedaan terwijl het regende, het een (nagenoeg) onverlichte weg betrof, het donker was en het wegdek nat was. Ten slotte kan uit het vorenstaande geconcludeerd worden dat de verdachte als gevolg van de veel te hoge snelheid het door hem bestuurde voertuig niet meer onder controle kon houden en kennelijk met onverminderde snelheid in een bocht naar rechts uit de bocht is gevlogen, tegen een boom is aangebotst en vervolgens in een greppel terecht is gekomen.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of het verkeersongeval aan verdachtes schuld is te wijten en - zo ja – welke mate van schuld daarbij aan de orde is. Zij overweegt dienaangaande als volgt.

Door onder de gegeven omstandigheden te rijden zoals de verdachte heeft gedaan kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer gezegd worden dat hij ‘slechts’ heeft gehandeld met een ‘aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid’, zoals dat in de tenlastelegging onder 1 primair tot uitdrukking is gebracht met de woorden “in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend”. De zwaarste vorm van schuld, te weten roekeloosheid, is naar het oordeel van de rechtbank te dezen aan de orde. Het gaat hier immers om een geval van zeer onvoorzichtig verkeersgedrag, waarbij – kennelijk met het oog op het tegen bijna elke prijs ontkomen aan de politie – welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen, waardoor verdachte een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid kan worden verweten.

Een ander brengt de rechtbank tot de slotsom dat het verkeersongeval aan verdachtes schuld is te wijten in de zin van art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl deze schuld bestaat in roekeloosheid als bedoeld in art. 175, tweede lid aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994.

Verweer ten aanzien van het causaal verband.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat voor het causaal verband van belang is dat [slachtoffer 1] vrijwillig in de auto is gestapt, terwijl hij wist dat ze wilden ontkomen. Voorts had [slachtoffer 1] geen autogordel om.

Dit verweer van de raadsman wordt verworpen.

Het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid worden toegerekend aan het handelen van de verdachte. De door de raadsman genoemde omstandigheden, te weten het vrijwillig instappen in de auto onder de gegeven omstandigheden en het niet dragen van een autogordel, geven naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om geen causaal verband aan te nemen tussen het aan verdachte verweten roekeloze rijgedrag en het verkeersongeval waarbij [slachtoffer 1] de dood heeft gevonden.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2.

Tussen 26 oktober 2010 19.30 uur en 27 oktober 2010 03.45 uur is er ingebroken in een bedrijfsauto Volkswagen type Caddy met kenteken [kenteken].

De auto stond geparkeerd in de Irenestraat op de hoek met de Emmastraat te Middelrode.

De ruit van het bijrijdersportier was vernield. Bij het schuifportier aan die zijde ter hoogte van het slot was een gat gemaakt. Vanuit de auto is niets weggenomen.

De benadeelde is [bedrijf]

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

Op 27 oktober 2010 omstreeks 03.05 uur komt bij de politie een melding binnen dat op de Emmastraat drie mannen met bivakmutsen op met zaklampen in auto’s schijnen.

Getuige [getuige 8] heeft op 27 oktober 2010 te 11.00 uur verklaard dat zij op 27 oktober 2010 omstreeks 03.00 uur door het zolderraam naar buiten heeft gekeken de Emmastraat op en drie personen met bivakmutsen zag. Een van de personen scheen met een zaklamp in de auto van haar man. De mannen liepen in de richting van de Irenestraat en sloegen rechtsaf het doodlopende stuk in. Even later zag de getuige de mannen weer terugkomen. Ze zag dat de mannen renden. De mannen reden weg in een zilverkleurige Golf met gedoofde lichten. Verderop stopten ze nog. Toen een politieauto de hoek om kwam, reden ze met hoge snelheid weg.

Getuige [getuige 9] heeft op 27 oktober 2010 te 03.35 uur verklaard dat hij

op 27 oktober 2010 omstreeks 02.30 uur - 02.45 uur uit zijn bed is gegaan. Hij zag uit het zolderraam een grijze Golf waar drie mannen uit stapten. Ze trokken een bivakmuts over hun hoofd. Ze liepen in de richting van de Irenestraat. Ze schenen met een zaklamp in zijn auto.Een van de twee personen had een rood breekijzer vast.

Enige tijd later zag hij ze terug rennen. Ze reden rustig weg zonder verlichting.

Ze stopten nog bij een witte bus, twee of drie stapten uit en schenen met lampen in de auto.

Toen de politie er aan kwam, reed de Golf weg.

Verdachte is in de nacht van 27 oktober 2010 met [slachtoffer 1] en [getuige 4] met de Volkswagen Golf gaan rondrijden. Korte tijd voor het ongeval heeft verdachte met de andere twee personen met een zaklamp in een of twee auto’s geschenen. Daarna kwam de politie en zijn ze in de Golf met grote snelheid weggereden.

In en rondom de verongelukte Golf wordt door de politie inbrekerswerktuig aangetroffen, waaronder een rood breekijzer en tangen. [slachtoffer 1] had, toen hij werd aangetroffen, zwarte handschoenen aan en een zaklamp middels een koordje aan zijn pols. Ook droeg [slachtoffer 1] een zwarte bivakmuts in de vorm van een sjaal om zijn nek.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen heeft gepoogd in de Volkswagen, type Caddy, in te breken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte ter plaatse is geweest, dat getuigen hebben gezien dat de daders met bivakmutsen op hun hoofd met een zaklamp in auto’s schenen, dat zij rennend terugkwamen uit de Irenestraat, dat één van de de daders een rood breekijzer bij zich had en een dergelijk breekijzer ook onder verdachte en zijn mededaders in beslag is genomen en dat verdachte bij het zien van politie met hoge snelheid is gevlucht.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande niet aannemelijk dat een ander dan verdachte en zijn mededaders de poging tot inbraak heeft gepleegd, zoals door de raadsman is betoogd.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 3 en 4.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de Volkswagen Golf heeft gereden en dat deze van diefstal afkomstig is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen echter onvoldoende worden afgeleid wanneer en onder welke omstandigheden de Volkswagen Golf door verdachte is verworven. Het enkele feit dat verdachte in de auto heeft gezeten om een diefstal te plegen, levert onder de gegeven omstandigheden onvoldoende wettig bewijs op dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat de auto van diefstal afkomstig was. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Vaststaat dat op de door verdachte bestuurde auto gestolen kentekenplaten zaten. Deze kentekenplaten zijn eerder die avond of nacht ontvreemd. Het enkele feit dat verdachte de auto heeft bestuurd, levert echter geen wettig bewijs op dat hij degene is geweest die, al dan niet met een ander, de kentekenplaten heeft gestolen. De rechtbank sluit niet uit dat [slachtoffer 1] of [getuige 4] de kentekenplaten hebben gestolen zonder dat verdachte daarvan op de hoogte was. Dat brengt mee dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is en verdachte ook van feit 4 dient te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven ten aanzien van de feiten 1 en 2 uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 27 oktober 2010 te Middelrode en/of Berlicum en/of Heeswijk-Dinther,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de wegen, Emmastraat en Wilhelminastraat en Kennedystraat en Schweitzerstraat enf Julianastraat en Driezeeg en Haffertsestraat en Gouverneursweg,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos te handelen als volgt:

verdachte heeft gereden in de Emmastraat en Wilhelminastraat en Kennedystraat en Schweitzerstraat en Julianastraat en Driezeeg en Haffertsestraat en Gouverneursweg

- met een veel hogere snelheid dan de verkeerssituatie ter plaatse toeliet en/of

- terwijl het regende en/of het wegdek nat was en/of

- met gedoofde lichten, terwijl het donker was en de situatie ter plaatse wel verlichting vereiste en is vervolgens van de weg geraakt en tegen een boom gebotst en in een greppel/sloot beland,

ten gevolge van welk ongeval een ander, een passagier genaamd [slachtoffer 1],

zodanig letsel en/of verwondingen heeft opgelopen dat hij is overleden.

2.

op 27 oktober 2010 te Middelrode en/of Berlicum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfsauto weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] en/of [slachtoffer 2], en zich daarbij die/dat weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking, met een of meer van zijn mededader(s), een ruit en een slot van die auto heeft geforceerd/vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 primair en de feiten 2 tot en met 4:

- een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek voorarrest;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaar;

Voorts heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om bij uitspraak de gevangenneming van verdachte te bevelen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat bij een eventuele bewezenverklaring kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering tot gevangenneming dient te worden afgewezen, nu de officier van justitie hiertoe eerder geen aanleiding zag en dienaangaande niets is veranderd; voorts zijn er geen gronden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden in het nadeel van verdachte.

Nadat verdachte heeft getracht in te breken, is hij door de politie betrapt. Om aan een aanhouding te ontkomen is verdachte met hoge snelheid met zijn auto gevlucht, daarbij diverse verkeersregels negerend. In de auto zaten nog twee passagiers. Dit heeft verdachte er niet toe gebracht om zijn roekeloze verkeersgedrag, waarbij hij niet alleen zichzelf maar ook zijn twee passagiers en eventuele overige verkeersdeelnemers ernstig in gevaar heeft gebracht, te matigen of te stoppen. Op een nagenoeg onverlichte weg heeft verdachte in het donker terwijl het wegdek nat was met hoge snelheid en zonder verlichting gereden, met als gevolg dat hij met de auto tegen een boom is gebotst en vervolgens in een greppel is beland. De onaanvaardbare risico’s van verdachtes roekeloze verkeersgedrag hebben zich verwezenlijkt. Ten gevolge van de aanrijding is [slachtoffer 1], de zwager van verdachte, tevens vader van 2 kinderen, overleden. Met zijn overlijden is zijn nabestaanden groot leed aangedaan. De andere passagier, [getuige 4], is ten gevolge van het ongeval gewond geraakt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

Op grond van de ernst en de gevolgen van het feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats.

Daarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een duur als na te melden op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het begane delict en de bescherming van de verkeersveiligheid enerzijds en de van deze straf te verwachten preventieve werking anderzijds deze bijkomende straf rechtvaardigen.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf ofschoon de eis van de officier van justitie gebaseerd is op vier feiten en de rechtbank slechts twee feiten bewezen acht. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Vordering tot gevangenneming.

De officier van justitie heeft de gevangenneming gevorderd. Volgens de officier is sprake van vlucht- en recidivegevaar.

De rechtbank wijst deze vordering af. Van vluchtgevaar is thans niet gebleken. Ook acht de rechtbank, gelet op het tijdsverloop waarbinnen niet is gebleken van nieuwe strafbare feiten en gezien ook de op te leggen bijkomende straf, een gevangenneming op de recidivegrond niet aan de orde.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 45, 57, 310, 311

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 3, feit 4:

Vrijspraak.

Verklaart het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood en de schuld bestaat in roekeloosheid.

T.a.v. feit 2:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige

het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en

verbreking.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en bijkomende straf.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

* Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 primair:

* Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 4 jaar.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Senden, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 13 april 2012.