Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW1968

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
01/825240-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging tbs met twee jaar.

Index-delict poging tot moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer 01/825240-07

Uitspraakdatum: 12 april 2012

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkingsgestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

verblijvende [naam kliniek].

Het onderzoek van de zaak.

Bij arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch d.d. 29 april 2008 is betrokkene ter beschikking gesteld.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 8 februari 2012 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaar.

Op 20 maart 2012 is de behandeling van het onderzoek geschorst tot 29 maart 2012 in verband met verhindering van de raadsvrouwe van betrokkene. Op de openbare terechtzitting van 29 maart 2012 is de vordering van de officier van justitie behandeld. Hierbij zijn de officier van justitie, deskundige [deskundige 1] en de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouwe gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

- het advies van [deskundige 2], GZ-psycholoog, behandelcoördinator en [deskundige 3], psychiater, directeur behandelzaken en plaatsvervangend hoofd van de inrichting waar betrokkene verblijft, d.d. 9 januari 2012;

- de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen;

- het persoonsdossier van terbeschikkinggestelde.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast terzake poging tot moord, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. Het hiervoor genoemde misdrijf betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

In voornoemd advies van het hoofd van de inrichting is onder meer het navolgende gesteld:

“Op 27 mei 2010 werd betrokkene in het [naam kliniek] opgenomen op een unit voor zeer intensieve en specialistische zorg. Betrokkene is gediagnosticeerd met schizo-frenie van het paranoïde type. Aan het begin van opname bestond de indruk van een ernstig psychotische man met zowel auditieve als tactiele hallucinaties en die daarover paranoïde wanen als verklaring heeft ontwikkeld. Tijdens eerdere opnames in de GGZ, poliklinische behandeling en tijdens detentie is betrokkene vanuit zijn psychotische belevingen geweld-dadig geweest. Dit maakte dat er sprake was van een hoog risico op fysieke agressie. Eerdere medicamenteuze interventies hadden onvoldoende resultaat, mede doordat betrokkene geneigd was om op eigen initiatief de medicatie te staken. Om het risico op fysieke agressie voldoende te kunnen couperen, werd op 13 juli 2010 gestart met antipsychotische medicatie in de vorm van een dwangtraject. Hoewel psychotische symptomen aanwezig bleven, leek het toestandsbeeld geleidelijk te verbeteren op de medicatie. De gestructureerde omgeving van de kliniek en het medicatiegebruik hadden een positief effect op betrokkene. De geleidelijke verbetering in het toestandsbeeld maakte dat betrokkene in augustus 2011 kon worden overgeplaatst naar een mindere beveiligde afdeling en vervolgens in november jl. naar een behandelafdeling voor patiënten met een psychotische kwetsbaarheid.

Ondanks de geleidelijke verbetering in het toestandsbeeld, blijven psychotische symptomen tot op heden aanwezig. Betrokkene blijft zeer kwetsbaar en er blijft sprake van een beperkte draagkracht. Hij blijft moeite hebben om zijn dag/nachtritme te normaliseren, al is op dit gebied wel vooruitgang zichtbaar. Op medicamenteus gebied lijkt het optimale resultaat bereikt. Hoewel er geen sprake is van overeenstemming ten aanzien van het medicatie-beleid, ageert betrokkene niet meer tegen medicatie-inname en toont hij zich medicatie-trouw. Enerzijds ziet betrokkene het belang van medicatie niet in en wil hij deze staken zodra hij vrijkomt, anderzijds benoemt hij wel rustig te worden van het medicatiegebruik. Momenteel is het nog te vroeg voor vrijwillige medicatie, maar de verwachting is dat dit over een tijd mogelijk wel haalbaar is.

Betrokkene lijkt langzamerhand enig ziektebesef te ontwikkelen. Hij beseft dat bepaalde gedachten niet geheel stroken met de realiteit van de mensen om zich heen. Er bestaat echter nog geen overeenstemming ten aanzien van de diagnose en de reden van oplegging van de TBS-maatregel. Wel benoemt betrokkene mee te willen werken aan de behandeling om uiteindelijk de kliniek te kunnen verlaten. De komende periode wordt getracht om dagbesteding en therapieën geleidelijk uit te breiden, rekening houdend met het toestands-beeld en de draagkracht van betrokkene.

Prognostisch gezien stemmen deze ontwikkelingen voorzichtig positief. Hoe het toekomst-perspectief er precies uit zal zien, moet echter blijken uit het verdere beloop van de behandeling. Betrokkene is momenteel stabiel en bevindt zich aan het beginpunt van de delictgerelateerde fase van de behandeling. Het doorlopen van deze fase zal de termijn van twee jaar ruimschoots overschrijden.

Wij adviseren de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen met twee jaar”.

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

“Sinds ik in de [naam kliniek] ben opgenomen is er niets meer gebeurd. Ik gebruik wel medicatie. Het schijnt zo te zijn dat voor mijn behandeling een verlenging van 2 jaar noodzakelijk is. Dit heb ik liever niet. Op de afdeling waar ik nu zit, zit ik prima. Ik verricht 2,5 dag per week productiewerkzaamheden. Ook al ben ik vaak moe, toch zou ik graag wat meer willen werken. Ik zwem een half uur per week.

In het verleden had ik nog wel eens vragen over de diagnose schizofrenie die was gesteld. Ik weet nu dat ik psychotisch ben en daardoor sneller vermoeid ben. Ik weet niet waar dat vandaan komt. Ik heb ook suikerziekte”.

De deskundige [deskundige 1], optredend namens voormelde inrichting, heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Zij heeft voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

“Ik ben psycholoog en werkzaam als assistent behandelcoördinator. De GGZ-opleiding heb ik nog niet afgerond.

Bij betrokkene is nog altijd sprake van dwangmedicatie. Het ziektebesef is aanwezig, hij is ook ambivalent en zijn inzet is van dien aard dat er wordt toegewerkt naar vrijwillige medicatie-inname. Op dit moment is hij daar nog niet aan toe.

Hij volgt inmiddels wel een module medicatie-inname en daarnaast zijn de therapieën uitgebreid en is ook het delictscenario gestart.

Betrokkene is heel snel moe en komt maar heel langzaam op gang. Die vermoeidheid is een van de symptomen van schizofrenie. Met de medicijnen die betrokkene thans gebruikt kunnen we niet meer bereiken dan wat we tot nu toe hebben bereikt. Voor vrijwillige inname is op dit moment nog onvoldoende basis. Op het moment dat de terbeschikkingstelling wordt beëindigd is de kans aanwezig dat betrokkene de medicatie-inname ook beëindigd, waardoor de psychose weer kan toenemen.

Op dit moment wordt met betrekking tot de medicatie-inname drang toegepast. Als betrokkene dan zijn medicijnen nog steeds niet wil innemen wordt daarop dwang toegepast.

De raadsvrouwe merkt op - verkort en zakelijk weergegeven -:

Uit de rapportage van de [naam kliniek] blijkt dat bij de risicotaxatie gebruik is gemaakt van HKT-30. Volgens een artikel van prof. De Ruiter is deze risicotaxatie gericht is op seksueel geweld. Het delict dat door betrokkene is gepleegd heeft geen enkele seksuele component. De mate van recidiverisico wordt vastgesteld door de analyse van 30 risicofactoren. Er is geen inzicht verschaft hoe de afzonderlijke taxaties zijn samengesteld en welke risicofactoren niet of in mindere mate aanwezig zijn. Zonder inzicht in de score per afzonderlijk item kan geen beoordeling plaatsvinden van het recidiverisico bij terugkeer in de maatschappij. Verder is niet duidelijk in hoeverre het recidiverisico het gevolg is van de psychische stoornis. Ik vraag mij dan ook af waarom er voor deze risicotaxatiemethode is gekozen terwijl er met de methode HCR-20 betere en betrouwbaarder resultaten worden behaald. Duidelijk is dat betrokkene nog niet is uitbehandeld. Betrokkene weet dat ook. Hij vraagt alleen om de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen af te wijzen. Mocht de rechtbank anders oordeel dan verzoekt hij subsidiair de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen.

De deskundige heeft - kort en zakelijk weergegeven - voorts aangevoerd:

Los van de beoordeling van de diverse items is er ook een klinisch eindoordeel gegeven. Dit eindoordeel is van doorslaggevende betekenis geweest. Het is de keus van de kliniek niet te werken met de methode HCR-20. De items die niet zijn vermeld zijn voor betrokkene niet relevant of de score op die items leidde niet tot een verhoogd risico. Zelfs bij een hoge score bij twee items kan er sprake zijn van een hoog risidiverisico. Alle items zijn in het advies verwerkt. Ik ben ven mening dat in het advies het aanwezig zijn van het recidiverisico voldoende is onderbouwd. Ik leg hierbij nog over een consensusformulier HKT-30, waarin alle scores staan vermeld.

Dat betrokkene aan wanen lijdt sluit op zichzelf niet uit dat hij kan worden geresocialiseerd, als hij voldoet aan de door de kliniek gestelde criteria.

De officier van justitie heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

“Er is voldaan aan de voorwaarden om de terbeschikkingstelling van betrokkene te kunnen verlengen nu de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in het geding zijn. Hoge scores betekent herhalingsgevaar.

Gesteld kan worden dat op dit moment het ziektebesef enigszins lijkt te zijn toegenomen. Wel blijven tot op heden de psychotische symptomen op de voorgrond staan. In de wettelijke aantekeningen en het advies van [deskundige 2] en [deskundige 3] lees ik dat betrokkene aan het begin van zijn behandeling staat. Hij neemt zijn medicijnen weliswaar niet onder dwang in maar ook nog niet vrijwillig. Met de behandeling van betrokkene is pas twee jaar geleden begonnen. Hij zit derhalve nog in de beginfase. Er is thans in het geheel nog geen sprake van een behandeling gericht op een terugkeer in de maatschappij. Ook is er in het geheel nog geen sprake van het verkrijgen van verlof, begeleid noch onbegeleid. Ik verenig mij met het opgemaakte advies en persisteer derhalve bij mijn vordering. Verlenging met één jaar is derhalve geen reële optie.

De rechtbank verenigt zich met het advies van voornoemde inrichting, met de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:

Anders dan de raadsvrouwe van betrokkene is de rechtbank van oordeel dat het toegepaste risicotaxatiemethode HKT-30 wel voldoende waarborgen biedt. Temeer nu in deze methode ook het algemeen geweld aan een oordeel is onderworpen. Bovendien is het advies van de [naam kliniek] niet enkel gebaseerd op bedoelde risicotaxatiemethode, maar heeft daaraan het klinisch eindoordeel ten grondslag gelegen.

Eerst kort geleden is de behandeling van betrokkene gestart. Gebleken is dat betrokkene inmiddels enig ziekte-inzicht heeft en zijn medicijnen inneemt, al dan niet vrijwillig. Het recidiverisico is hiermee nog niet voldoende ingeperkt en betrokkene vormt, bij het eventueel niet innemen, nog altijd een gevaar voor zijn omgeving.

Pas als duidelijk is gebleken dat betrokkene geheel zelfstandig zijn medicatie inneemt en zich ook bewust is van de gevolgen bij het niet innemen daarvan, kan concreet worden toegewerkt naar een terugkeer in de maatschappij middels het onder andere gaan aanvragen van (on)begeleide verloven. Gebleken is dat dit op dit moment in geheel nog niet aan de orde is. Aangezien betrokkene pas aan het begin van staat van zijn behandeling zal daarvoor zeker een termijn van twee jaar nodig zijn. De verzoeken van de raadsvrouwe van betrokkene tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie dan wel verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar worden dan ook afgewezen.

Gelet op het vorenstaande, gezien artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen een dergelijke verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

DE BESLISSING

De rechtbank:

verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met twee jaar.

Deze beslissing is gegeven door

mr. C. Schollen-den Besten, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. S.J.O. de Vries, leden,

in tegenwoordigheid van F. Klerkx, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2012.

Mr. Schollen-den Besten is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.