Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW1037

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
01/825656-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van doodslag. Bewezenverklaring van onder meer overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander wordt gedood en de schuldige verkeerde onder invloed van alcohol en gevaarlijk heeft gehandeld.

Geen sprake van roekeloosheid doch van zeer onvoorzichtig rijgedrag.

Opgelegd een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden toezicht van de reclassering en het zich onthouden van het gebruik van alcohol.

Voorts is er een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 4 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825656-11

Datum uitspraak: 10 april 2012

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1991,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 februari 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 december 2011 te Mariahout, gemeente Laarbeek,

opzettelijk [slachtoffer 1], welke [slachtoffer 1] bestuurder was

van hierna te noemen bromfiets, van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet

als bestuurder van een (personen)auto, gereden over de Ginderdoor (gaande in

de richting van de Lieshout), welke Ginderdoor ter plaatse bestond uit een

rijbaan, welke rijbaan bestond uit twee weghelften,

- terwijl hij, verdachte, als beginnend bestuurder verkeerde onder invloed van

alcohol, te weten ongeveer 845 mg alcohol per liter uitgeademde lucht, en/of

- (vervolgens) aldaar in een gezien zijn, verdachtes, rijrichting naar rechts

verlopende onoverzichtelijke bocht, welke middels een verkeersbord (J2 van

bijlage 1 van het RVV1990) was aangeduid als een scherpe bocht, met te hoge

snelheid voor de situatie ter plaatse,

- over de gezien zijn, verdachtes, rijrichting linker weghelft (bestemd voor

het verkeer uit tegenovergestelde richting) gereden, teneinde een voor hem

rijdende (personen)auto in te halen,

op het moment dat een gezien zijn, verdachtes, rijrichting uit tegemoetkomende

richting rijdende bromfiets hem, verdachte, tot op korte afstand was genaderd,

tengevolge waarvan een aanrijding en/of botsing is ontstaan tussen zijn,

verdachtes, (personen)auto en/of de bestuurder van die bromfiets en/of de door

deze bestuurde bromfiets,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2011 te Mariahout, gemeente Laarbeek, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, Ginderdoor, zich zodanig heeft

gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend, als bestuurder van een (personen)auto, te

rijden over de Ginderdoor (gaande in de richting van de Lieshout), welke

Ginderdoor ter plaatse bestond uit een rijbaan, welke rijbaan bestond uit twee

weghelften,

- terwijl hij, verdachte, als beginnend bestuurder verkeerde onder invloed van

alcohol, te weten ongeveer 845 mg alcohol per liter uitgeademde lucht, en/of

- (vervolgens) aldaar in een gezien zijn, verdachtes, rijrichting naar rechts

verlopende onoverzichtelijke bocht, welke middels een verkeersbord (J2 van

bijlage 1 van het RVV1990) was aangeduid als een scherpe bocht, met te hoge

snelheid voor de situatie ter plaatse,

- over de gezien zijn, verdachtes, rijrichting linker weghelft (bestemd voor

het verkeer uit tegenovergestelde richting) te rijden, teneinde een voor hem

rijdende (personen)auto in te halen,

op het moment dat een gezien zijn, verdachtes, rijrichting uit tegemoetkomende

richting rijdende bromfiets hem, verdachte, tot op korte afstand was genaderd,

tengevolge waarvan een aanrijding en/of botsing is ontstaan tussen zijn,

verdachtes, (personen)auto en/of de bestuurder van die bromfiets en/of de door

deze bestuurde bromfiets,

waardoor een ander (genaamd [naam] werd gedood;

(artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994);

2.

hij op of omstreeks 17 december 2011 te Mariahout, gemeente Laarbeek, als

bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens

gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Ginderderdoor, de plaats

van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [naam]

was gedood dan wel letsel en/of schade was toegebracht;

(artikel 7 lid 1 onder a van de Wegenverkeerswet 1994);

3.

hij op of omstreeks 17 december 2011 te Mariahout, gemeente Laarbeek,,

als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk Volkswagen Golf),

voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, zulks terwijl aan hem,

verdachte, sedert de datum waarop aan hem, verdachte, voor de eerste maal een

rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste

afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden,

dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank,

dat het alcoholgehalte van zijn adem bij onderzoek, als bedoeld in artikel

8, lid 3, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 845 microgram, in

elk geval hoger dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te

zijn;

(artikel 8 lid 3 onder a van de Wegenverkeerswet 1994)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair.

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Bewijs ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3.

Inleiding .

Op 17 december 2011 reed verdachte als bestuurder van een personenauto (een witte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken]) over de rijbaan de Ginderdoor komende uit de richting van Mariahout en gaande in de richting van Lieshout, even buiten de bebouwde kom van Mariahout, gemeente Laarbeek . Verdachte is een beginnend bestuurder en verkeerde onder invloed van alcohol , te weten ongeveer 845 mg alcohol per liter uitgeademde lucht . Verdachte wilde in een voor hem naar rechts verlopende bocht, welke met een verkeersbord (J2 van bijlage 1 van het RVV1990) was aangeduid als een scherpe bocht , de auto die voor hem reed inhalen en is op de linkerweghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer gaan rijden . Het betrof een onoverzichtelijke bocht . In deze bocht is het voertuig van verdachte in botsing gekomen met een hem tegemoet komende bromfiets, waardoor de bestuurder van de bromfiets , [slachtoffer 1], is overleden . Na het ongeluk heeft verdachte - zich bewust van het feit dat hij als bestuurder betrokken was geweest bij een verkeersongeval waarbij een ander was gedood of aan een ander letsel danwel schade was toegebracht - de plaats van het ongeval verlaten .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 1 subsidiair is volgens de officier van justitie sprake van schuld in de zin van roekeloosheid.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe pleit voor vrijspraak van feit 1 subsidiair. Er is geen sprake van culpa in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte is pas aan het einde van de bocht gaan inhalen terwijl hij goed zicht had. De bocht was niet onoverzichtelijk. Verdachte heeft geen andere verkeersfout gemaakt dan het rijden onder invloed. Uitsluitend het rijden onder invloed kan het schuldverwijt van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 niet zelfstandig dragen. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte schuldig is, betreft het hooguit een aanmerkelijke verkeersfout en is er in geen geval sprake van roekeloos rijden. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouwe geen bewijsverweren gevoerd. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In het proces-verbaal van bevindingen is vermeld dat aan de hand van de aangetroffen sporen de botsplaats gereconstrueerd kon worden. De botsing had plaatsgevonden op de linkerweghelft kort voor het eind van de bocht naar rechts op een afstand van ongeveer 50 meter vóór de plaats waar de voertuigen werden aangetroffen. De bromfiets was derhalve ook over deze afstand teruggeworpen. Uit de resultaten van dat onderzoek kan verder worden afgeleid dat verdachte zijn inhaalmanoeuvre heeft ingezet op een plaats waar op dat moment onvoldoende zicht bestond op het uit tegenovergestelde richting naderend verkeer. De bocht was daar onoverzichtelijk door ondermeer bebouwing . Uit de verkeersongevalsanalyse blijkt dat het, komende vanuit de richting Mariahout, onmogelijk was om de volledige bocht te doorzien, vanwege een boerderij, rechts op foto 19, tot kort voor de bocht. Verder in de bocht werd het zicht nog verder belemmerd door bomen en de bij de boerderij aanwezige haag. Het zicht van verdachte werd verder ingeperkt door het vóór hem rijdende voertuig dat hij trachtte in te halen, zoals blijkt uit de grafische weergave van de uitzichtbelemmering op de plaats van het ongeval. Doordat verdachte ten tijde van het inzetten van de inhaalmanoeuvre (schuin) achter het in te halen voortuig reed had hij geen (volledig) zicht op de bocht en daarmee evenmin op het eventueel het hem in die bocht tijdens het inhalen tegemoetkomende verkeer .

Getuige [getuige], de bestuurder van het voertuig dat verdachte wilde inhalen, heeft verklaard dat de auto die achter hem reed in de eerste bocht na het dorp Mariahout begon met inhalen en dit vermoedelijk ter hoogte van de Heieindseweg en tussen een rechts in de berm staande boom en een voorrangsbord was, gezien zijn rijrichting .

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte roekeloos heeft gereden en dat hij welbewust onaanvaardbare risico’s met ernstige gevolgen heeft genomen. De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte kan worden verweten dat hij zeer onvoorzichtig heeft gereden en daardoor een ongeval met dodelijke afloop heeft veroorzaakt. De botsing tussen de personenauto van verdachte en de bromfietser heeft bijna aan het einde van de bocht plaatsgevonden. De rechtbank leidt daar uit af dat verdachte eerder in de bocht moet zijn begonnen met inhalen van de auto die voor hem reed. Dit sluit ook aan op de verklaring van [getuige], die aangeeft dat verdachte zijn manoeuvre vermoedelijke al ter hoogte van de Heieindseweg heeft ingezet. Op dat moment had de verdachte geen vrij en onbelemmerd zicht op het eventueel hem tegemoetkomende verkeer als gevolg van de aanwezige bebouwing en de voor hem rijdende auto. Verder staat vast dat verdachte ten tijde van het ongeval als beginnend bestuurder, gezien de resultaten van de ademanalyse, ernstig onder invloed van alcohol verkeerde. Vast staat ook dat verdachte zich hiervan bewust was maar dat hij desondanks besloten heeft om in deze toestand zelf met zijn auto naar huis te rijden. De rechtbank is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde ongeval te wijten is aan grove schuld van verdachte.

Op grond van de hiervoor bij de inleiding genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank ook feit 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. subsidiair

op 17 december 2011 in de gemeente Laarbeek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Ginderdoor, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig als bestuurder van een (personen)auto, te rijden over de Ginderdoor (gaande in de richting van de Lieshout), welke Ginderdoor ter plaatse bestond uit een rijbaan, welke rijbaan bestond uit twee weghelften,

- terwijl hij, verdachte, als beginnend bestuurder verkeerde onder invloed van alcohol, te weten ongeveer 845 mg alcohol per liter uitgeademde lucht, en

- (vervolgens) aldaar in een gezien zijn, verdachtes, rijrichting naar rechts verlopende onoverzichtelijke bocht, welke middels een verkeersbord (J2 van bijlage 1 van het RVV1990) was aangeduid als een scherpe bocht

- over de gezien zijn, verdachtes, rijrichting linker weghelft (bestemd voor het verkeer uit tegenovergestelde richting) te rijden, teneinde een voor hem rijdende (personen)auto in te halen, op het moment dat een gezien zijn, verdachtes, rijrichting uit tegemoetkomende richting rijdende bromfiets hem, verdachte, tot op korte afstand was genaderd,

tengevolge waarvan een aanrijding en/of botsing is ontstaan tussen zijn, verdachtes, (personen)auto en de bestuurder van die bromfiets en de door deze bestuurde bromfiets,

waardoor een ander (genaamd [naam] werd gedood;

2.

op 17 december 2011 in de gemeente Laarbeek, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Ginderderdoor, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander (te weten [naam] was gedood dan wel aan een ander letsel en/of schade was toegebracht;

3.

op 17 december 2011 in de gemeente Laarbeek, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk Volkswagen Golf), voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, zulks terwijl aan hem, verdachte, sedert de datum waarop aan hem, verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij onderzoek, als bedoeld in artikel 8, lid 3, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 845 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten en van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het verweer van de verdediging, inhoudende dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor feit 2 moet worden verworpen. De verdachte heeft de auto achtergelaten omdat de auto niet meer reed en niet om aldus zijn identiteitsgegevens achter te laten. Er is ook geen sprake van psychische overmacht. Verdachte is weggelopen na het ongeluk en heeft zijn vrienden gebeld om hem op te komen halen. De bewezenverklaarde feiten leveren een strafbaar feit op. Verdachte is daarvoor strafbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Volgens de verdediging dient verdachte te worden ontslagen van rechtsvervolging voor feit 2. De raadsvrouwe heeft daartoe primair aangevoerd dat artikel 7 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Verdachte heeft zijn auto (en daarmee gegevens die kunnen dienen ter vaststelling van zijn identiteit) achtergelaten. Subsidiair heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat verdachte handelde in een psychische overmachtsituatie. Hij verkeerde in shock dan wel was in een zodanige hevige gemoedstoestand/paniek dat hij niet anders kon handelen dan hij deed op dat moment.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouwe. De uitzondering van artikel 7 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 is niet van toepassing. Het achterlaten van de auto op de plaats van het ongeval kan niet worden gezien als het bieden van gelegenheid tot het vaststellen van de identiteit van de persoon als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een psychische overmachtsituatie. Uit het relaas van verdachte ter zitting blijkt dat hij zich heeft gerealiseerd dat hij betrokken was bij een verkeersongeval met een bromfiets. Verdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten en is in de richting van zijn ouderlijk huis gelopen. Onderweg heeft hij wel zijn vrienden, maar niet het (noodnummer) van de politie gebeld . Hij had zijn vrienden gevraagd hem te komen halen, hetgeen ook is gebeurd. Tot dat de politie hem thuis in [plaats] sprak heeft hij gezwegen.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van 5 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot een strafoplegging komt heeft de raadsvrouwe verzocht om verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair een vrijheidsstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest met een eventueel voorwaardelijk deel. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouwe gepleit voor ontslag van rechtsvervolging en ten aanzien van feit 3 voor het opleggen van een detentie van 19 dagen en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van 8 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het nadeel van verdachte in het bijzonder rekening houden met het volgende.

Verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt waardoor het slachtoffer [slachtoffer 1] is overleden. Verdachte heeft daarna de plaats van het ongeval verlaten en zijn vrienden gebeld om hem op te komen halen. Hij heeft zich volstrekt niet bekommerd om het lot van het slachtoffer. Verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer een onherstelbaar leed aangedaan. De rechtbank neemt bij de op te leggen straf in aanmerking dat verdachte voordat hij ging rijden een grote hoeveelheid alcohol had gedronken. Verdachte verkeerde aldus tijdens het plegen van de feiten sterk onder invloed van alcohol waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen en welke hij toch heeft gebruikt. Het rijden onder invloed wordt verdachte des te meer aangerekend, omdat hij beginnend bestuurder was.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank het volgende mee.

Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan de nabestaanden van het slachtoffer aangedane leed inziet. Verdachte heeft na zijn aanhouding de door hem gepleegde strafbare feiten bij de aanvang van het tegen hem ingestelde onderzoek toegegeven en tevens zijn volledige medewerking aan dat onderzoek verleend. De rechtbank neemt bij de strafoplegging tevens in aanmerking de jeugdige leeftijd van verdachte, te weten 20 jaar. Verdachte heeft zich bereid getoond om zich na zijn detentie ambulant te laten behandelen in verband met zijn alcoholprobleem zoals dat uit een omtrent hem uitgebracht reclasseringsrapport naar voren is gekomen. Hij was zelf net voor 17 december 2011 begonnen met een vrijwillige behandeling.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank voor wat betreft feit 1 verdachte vrijspreekt van roekeloos rijden en zij van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57;

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 7, 8, 175, 176, 179.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1 primair:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 en gevaarlijk heeft ingehaald

T.a.v. feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994

T.a.v. feit 3:

overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaar.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, [adres], [woonplaats], zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt het volgen van een Cognitieve vaardigheidstraining (CoVa) en een Leefstijltraining;

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

- dat veroordeelde zich (uiterlijk) binnen 2 dagen volgend op zijn vrijlating meldt bij de reclassering (Novadic Kentron verslavingsreclassering) adres Rompertsbaan 12, [woonplaats].

- dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd bij de reclassering (Novadic Kentron, verslavingsreclassering, zoals hiervoor is vermeld) bepaalde perioden zal melden zo frequent als voornoemde reclasseringsorganisatie dit gedurende deze periode nodig acht en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

- dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. E.C.M. de Klerk en mr. W. Schoorlemmer, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 10 april 2012.