Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW0686

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
161200 - HA ZA 07-1297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omvang van het geschil na heropening ex artikel 387 Rv. Hoever strekt bevoegdheid van partijen hun stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/330

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 161200 / HA ZA 07-1297

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J. van Zinnicq Bergmann,

tegen

de Staat der Nederlanden (MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT, DIRECTORAAT-GENERAAL RIJKSWATERSTRAAT,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven.

Partijen zullen hierna [eisers] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 februari 2010

-de akte na tussenvonnis van [eisers]

-een akte van depot met nr. [nummer], waaruit blijkt dat op 22 juli 2010 een deskundigenbericht is gedeponeerd

-een akte van depot met nr. [nummer], waaruit blijkt dat op 23 juni 2011 een aanvullend deskundigenbericht is gedeponeerd

-een conclusie na deskundigenbericht van [eisers]

-een conclusie na deskundigenbericht van de Staat.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank heeft een deskundigenbericht bevolen omtrent -voor zover nog van belang- de vraag wat de afstand was tussen de met de trilwals uitgevoerde werkzaamheden (de trillingsbron) en het pand.

2.2. Indien en voor zover de uitkomst hiervan zou zijn, dat sprake was van een feitelijke afstand van 20 tot 25 meter heeft de rechtbank een aanvullend deskundigenbericht gelast omtrent de navolgende vragen:

a. Welke scheuren zijn naar uw deskundig oordeel door de trillingen van de wals op de vastgestelde afstand van het pand ontstaan bovenop de scheuren waarvan de rechtbank in rechtsoverweging 2.15 van het vonnis van 3 januari 2007 reeds heeft beslist dat dat het geval was?

b. Wenst u verder nog opmerkingen te maken?

2.3. In het eerste deskundigenbericht is genoemde vraag over de afstand als volgt beantwoord:

“De kortste afstand tussen de toegangsweg en het pand, hal 25, is 18 meter en 43 centimeter (18,43 meter). De grond onder de toegangsweg is verdicht met de trilwals, waaruit volgt dat de kortste afstand tussen de met de trilwals uitgevoerde werkzaamheden en het pand eveneens 18,43 meter is.”

Partijen hebben de juistheid van de bevindingen van de deskundige op dit punt niet bestreden. De rechtbank gaat eveneens uit van de juistheid hiervan. De deskundige heeft de beantwoording van de vraag deugdelijk gemotiveerd.

Dat brengt mee dat [eisers] in het bewijs zijn geslaagd. Dit betekent dat, in aanmerking genomen hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis van 4 juni 2008 heeft overwogen en beslist -zie met name r.o. 4.8.- dat de vordering tot heropening toewijsbaar is. In feite is de rechtbank daarop vooruitgelopen met het bevelen van het aanvullende deskundigenbericht. De rechtbank zal onder de beslissing van dit vonnis allereerst “verstaan” dat het geding is heropend.

2.4. Dit antwoord van de deskundige bracht, zoals partijen ook hebben onderkend, mee dat de voorwaarde voor het uitbrengen van een aanvullend deskundigenbericht was vervuld. In dit aanvullend deskundigenbericht is de deskundige tot de navolgende beantwoording van de hiervoor onder 2.2. opgenomen vragen gekomen:

“a. Geen. De berekening van de trillingssterkte ter plaatse van het pand is ten opzichte van het voorgaande deskundigenbericht aangepast op bronsterkte en afstand van de bron tot de woning. De combinatie van deze twee factoren leidt niet tot een verandering van de invloedssfeer van de trillingen.

b. TNO heeft geanalyseerd welke oorzaak ten grondslag ligt aan de opgetreden schade. De schadeanalyse wijst op schade door zettingen. Op basis van de beschikbare gegevens is op basis van uitsluiting van andere oorzaken voor zettingen vastgesteld dat zettingen door trillingen de oorzaak van de schade moet zijn geweest. Dit kan door een gebrek aan gegevens (opbouw en dichtheid van de grond direct onder de fundering) niet rekenkundig gevalideerd worden”.

2.5. Uit het aanvullend deskundigenrapport, mede in aanmerking genomen het eerdere deskundigenrapport van 30 mei 2006, alsmede hetgeen partijen daarover hebben opgemerkt, komt naar voren dat de deskundige redenen aanwezig acht de sterkte van de trillingsbron, die in 2006 op 40,7 mm/s was vastgesteld, bij te stellen. Dit gebeurde naar aanleiding van een document van de Staat d.d. 29 juni 2010 (bijlage C bij het aanvullend deskundigenbericht), waarin onder meer werd verwezen naar een door de Staat bij conclusie na het deskundigenbericht uit 2006 overgelegde rapportage van GeoDelft. Door de Staat werd, zakelijk weergegeven, gesteld dat de deskundige in het rapport van 2006 van een te hoge trillingssterkte is uitgegaan.

De deskundige heeft vervolgens de trillingssterkte van de wals nader berekend op basis van de zogenaamde centrifugaalkracht als maatstaf, waarbij de deskundige uitkwam op 26.1 mm/s, hetgeen er toe leidde dat ondanks de kortere afstand niettemin geen verandering van de invloedssfeer van de trillingen werd aangenomen. [eisers] hebben in hun reactie op het conceptrapport bezwaar gemaakt tegen deze wijziging en opgemerkt dat de deskundige eerder de trillingssnelheid als maatstaf hanteerde en niet duidelijk heeft gemaakt waarom het hanteren van de centrifugaalkracht als maatstaf redelijker zou zijn. De deskundige heeft daarop als volgt gereageerd:

“De centrifugaalkracht in de trilwals leidt tot een trillingskracht op de bodem en vervolgens tot een trillingssnelheid van de bodem. De trillingssnelheid van de bodem wordt beïnvloed door de weerstand (“impedantie”, grofweg bepaald door dichtheid, stijfheid en demping) van de bodem. De trillingskracht van de trilwals wordt, behalve onder zeer slappe bodemcondities, zoals enkele meters klei als toplaag, bijna niet door de weerstand van de bodem beïnvloed. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat een trilwals een lagere weerstand heeft dan de bodem en de bodem daardoor geen verplaatsing maar wel een kracht kan opleggen. Anders geformuleerd: de bodem trilt veel minder dan de wals zelf zou willen.

Bij de vertaling van een meting aan het effect van een trilwals A naar trilwals B kan de trilwals daarom het beste als een trillingskracht (of de daarmee evenredig achterliggende oorzaak zijnde de centrifugaalkracht) worden gerepresenteerd.”

2.6. Bij conclusie na deskundigenbericht hebben [eisers] allereerst aangevoerd dat het de deskundige niet vrijstond het uitgangspunt voor het bepalen van de doorgifte van de trillingen te wijzigen en door dit wel te doen buiten de opdracht van de rechtbank is getreden. [eisers] hebben tevens aangevoerd dat hun vordering slechts strekte tot gedeeltelijke heropening van de zaak, namelijk voor zover TNO was uitgegaan van een onjuiste afstand tussen de trillingsbron en het pand, en dat beslissingen die los staan van die afstand niet heroverwogen dienen te worden.

De Staat acht een en ander niet juist. Hij stelt dat in de vordering van [eisers] niet een gedeeltelijke heropening te lezen valt en dat de vraagstelling de deskundige niet beperkte in haar beantwoording.

2.7. De rechtbank stelt voorop dat [eisers] in deze procedure hebben gevorderd de procedure die heeft geleid tot het eindvonnis van 3 januari 2007 op de voet van artikel 387 Rv. te heropenen voor zover de rechtbank daarbij de schadevergoedingsvordering van [eisers] heeft afgewezen op de grond dat het oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad niet kan worden vastgesteld en TNO opdracht te geven om haar rapportage met betrekking tot het onderzoek naar de schade van Van Schijndel aan te passen aan de feiten en omstandigheden zoals die inmiddels zijn gebleken. Deze vordering moet kennelijk aldus worden begrepen dat die niet beoogde het debat over de gehele vordering uit onrechtmatige daad te heropenen, doch slechts voor zover die vordering was afgewezen. In dit geval heeft in ieder geval de facto heropening door de rechtbank plaatsgevonden door bij het vonnis van 24 februari 2010 reeds bij voorbaat een deskundigenbericht te gelasten indien de meergenoemde afstand veel kleiner zou blijken te zijn dan waarmee aanvankelijk was gerekend. Die heropening betreft ten volle de vraag of er meer scheuren dan de rechtbank in r.o. 2.15 van het vonnis van 3 januari 2007 reeds had beslist door de trillingen van de wals zijn ontstaan, gelijk uit de vraagstelling aan de deskundige blijkt.

2.8. Anders dan [eisers] betogen staat niets er aan in de weg dat de deskundige bij de beantwoording van de aan haar gestelde vragen zich baseert op de meest recente inzichten. Anders gezegd: de deskundige behoefde bij de beantwoording van de vragen niet haar eigen uitgangspunten uit 2006 te volgen indien die haar thans niet of minder juist voorkomen. Dat zou ook niet in overeenstemming zijn met de tweede zin van artikel 387 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat de rechter gebiedt partijen gelegenheid te geven hun stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen, hetgeen partijen dan in beginsel ook het recht geeft de deskundige voor te houden dat de technische uitgangspunten waarop zij aanvankelijk tot een advies is gekomen (mogelijk) niet deugdelijk zijn. Een en ander geldt zeker indien het gaat om een stelling die een partij al eerder in de procedure heeft ingenomen. Dat is hier het geval, aangezien de Staat al bij conclusie na deskundigenbericht van 25 oktober 2006 deze kwestie aan de orde heeft gesteld.

2.9. [eisers] hebben aangevoerd dat uit het concept deskundigenbericht blijkt dat de doorgifte van de trillingen aan de bodem zowel door de trillingssnelheid als door de trillingskracht kan worden bepaald, dat de keuze voor de ene of de andere manier arbitrair is en dat de uitkomsten verschillen al naar gelang de gekozen manier en dat dit in de omstandigheden van dit geval reden zou moeten zijn om vast te houden aan de eerder gehanteerde maatstaf van de trillingssnelheid dan wel te kiezen voor het gemiddelde van de trillingskracht en trillingssnelheid. De Staat is het hiermee niet eens.

2.10. Blijkens de stellingen van [eisers] erkennen zij, althans bestrijden zij niet, dat de uiteindelijk door de deskundigen gehanteerde maatstaf in beginsel een juiste maatstaf is om de trillingssterkte van de wals te berekenen. Het enkele feit dat niet kan worden vastgesteld hoe de trillingen exact zijn af- en doorgegeven aan de bodem, is geen overtuigend argument om te kiezen voor de trillingssnelheid als maatstaf, omdat uit niets blijkt dat onder die omstandigheden de trillingssnelheid een meer betrouwbare of betere maatstaf zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige in haar reactie op de bezwaren terzake van [eisers] goed en overtuigend gemotiveerd dat de trilwals het beste als een trillingskracht (of de daarmee evenredige achterliggende oorzaak zijnde de centrifugaalkracht) kan worden gerepresenteerd. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen grond om toch de trillingssnelheid als maatstaf te nemen c.q. een gemiddelde als door [eisers] aangegeven.

2.11. [eisers] stellen dat figuur 4 in het aanvullend deskundigenbericht niet juist is, omdat de gierkelder -aangelegd in 1936- alleen onder de schuur lag en zeker niet onder een gedeelte van de hal, het toilet, het ketelhok, de berging en/of de badkamer. De gierkelder lag op een afstand van meer dan een meter van de tussenmuur en er was geen sprake van een het opdrijven van de gierkelder, aldus [eisers] Verder betogen [eisers] dat er geen sprake is geweest van extra belasting op de fundering, als in tabel 2 weergegeven, omdat tijdens de verbouwing in 1972 de schoongemetselde muur niet tegen de bestaande brandmuur is gemetseld, maar dat er een nieuwe brede fundering is gestort waarop zowel de brandmuur als de schoongemetselde muur opnieuw zijn opgetrokken. Dit brengt volgens [eisers] mee dat de scheuren in het toilet (scheur 45 tot en met 51), het ketelhok(scheur 52 tot en met 57) en de berging (scheur 32 tot en met 39) alsmede scheur 62 wel zijn veroorzaakt door de trillingen.

2.12. De Staat heeft aangevoerd dat de juistheid van figuur 4 en tabel 2 thans niet meer ter discussie kan worden gesteld, omdat [eisers] destijds bij conclusie na het deskundigenbericht uit 2006, onvoorwaardelijk hebben aangegeven zich in het rapport en de conclusies te kunnen vinden. [eisers] kunnen nu niet ineens deze feiten betwisten, zo stelt de Staat.

2.13. In het deskundigenbericht van 30 mei 2006 heeft de deskundige in hoofdstuk 4 een plattegrond van de boerderij weergegeven met daarin aangegeven de namen van de verschillende vertrekken (figuur 1). Bij conclusie na deskundigenbericht hebben van Schijndel c.s. onder punt 3 het navolgende gesteld:

“Van Schijndel kan zich in het rapport en de conclusies van TNO vinden. Hij gaat ervan uit dat uw rechtbank deze conclusies overneemt en tot de hare maakt.” De betreffende indeling van de boerderij stond aldus allerminst ter discussie. De deskundige heeft in haar rapport van 10 juni 2011 (evenals in het daaraan voorafgaande concept-rapport dat ter commentaar aan partijen is toegezonden) dezelfde plattegrond weergegeven en aldus dezelfde indeling gehanteerd. De raadsman van [eisers] heeft bij brief van 29 april 2011 uitdrukkelijk de juistheid van figuur 4 in het concept-rapport betwist. Daartoe werd het volgende opgemerkt: “De gierkelder -aangelegd in 1936- lag alleen onder de schuur. De kelder lag uitdrukkelijk niet onder een gedeelte van de hal, het toilet, het ketelhok, de berging en/of de badkamer. De gierkelder lag op een afstand van meer dan een meter van de tussenmuur”. De deskundige heeft in haar antwoord daarop het volgende opgemerkt:

“Uitgangspunt voor het deskundigenbericht is de beschrijving van het pand zoals in het deskundigenbericht d.d. 30 mei 2006(…) is vastgelegd en aan partijen is voorgelegd voor commentaar. Of de gierkelder wel dan niet onder de binnenmuren doorliep is niet meer vast te stellen, daarom wordt uitgegaan van de eerdere uitgangspunten”.

[eisers] heeft bij conclusie na deskundigenbericht herhaald dat figuur 4 onjuist is.

2.14. [eisers] hebben niet gesteld dat er enige relatie is tussen de reden voor heropening, te weten de kwestie van de afstand, en hun wijziging van standpunt ten aanzien van de juistheid van genoemde plattegrond. De feitelijke vraag of genoemde plattegrond al dan niet juist was had kennelijk niets te maken met de eerst onjuist weergegeven afstand tussen de trillingsbron en het pand en was daardoor dus als het ware niet geïnfecteerd. Nu brengt heropening weliswaar mee dat partijen hun stellingen kunnen wijzigen en aanvullen, maar die bevoegdheid is niet onbeperkt. Er moet enige relatie bestaan met de invloed die de aangenomen grond voor herroeping op het verloop van de procedure en de uitkomst van de zaak heeft gehad. Indien een dergelijke samenhang niet aanwezig is en in een eerder stadium van de procedure de juistheid van bepaalde feitelijke omstandigheden is erkend

-zoals hier materieel het geval is met betrekking tot genoemde plattegrond- dan is er in beginsel geen grond om een partij in staat te stellen hierop terug te komen. Zo dit al niet volgt uit het stelsel van de wet, dan geldt in de specifieke omstandigheden van dit geval dat de beginselen van goede procesorde zich verzetten tegen het in dit stadium van de procedure alsnog betwisten van de juistheid van de plattegrond. [eisers] hebben niets gesteld waaruit kan volgen dat al niet na het eerste (concept)deskundigenbericht uit 2006 aan hen kenbaar was dat de plattegrond (mogelijk) niet juist was en geen enkele verklaring gegeven voor hun wijziging van stellingname in dit stadium.

De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de nieuwe stellingname van Van Schijnsel c.s. met betrekking tot meergenoemde plattgegrond.

2.15. In het deskundigenrapport van 30 mei 2006 heeft de deskundige gerapporteerd dat als oorzaken van de zetting van de brandmuur kunnen worden genoemd:

“-Extra belasting op de fundering van deze muur door het toevoegen van een schoonmetselwerk wand aan de woonkamerzijde en een gemetselde schouw(..). Deze wijzigingen leiden tot een toename van het gewicht van de brandmuur in de orde van 50%.

-Een verminderde draagkracht van de grondslag onder de fundering van de brandmuur als gevolg van zettingen en trillingen”.

Ook hier geldt dat [eisers] bij conclusie na dat deskundigenbericht hebben aangevoerd zich te kunnen vinden in het rapport en de conclusies van TNO en dat zij ervan uitgingen dat de rechtbank deze conclusies overneemt en tot de hare maakt.

Om dezelfde redenen als hiervoor aangegeven ten aanzien van de plattegrond geldt dat het stelsel van de wet c.q. de beginselen van een goede procesorde zich verzetten tegen het thans alsnog betwisten van de juistheid van de aanname van de deskundige dat er sprake was van een extra belasting op de fundering.

2.16. Al hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en beslist leidt er uiteindelijk toe dat de rechtbank niet tot een ander eindoordeel komt dan in het bestreden vonnis. De vordering tot herroeping daarvan wordt dan ook afgewezen.

2.17. Ten aanzien van de proceskosten geldt het navolgende.

Nu vaststaat dat er grond was voor heropening van het geding, zal de staat de daarmee samenhangende kosten moeten dragen, waaronder de kosten van de deskundige. Het is immers aan de Staat te wijten geweest dat de deskundige aanvankelijk van een onjuiste afstand tussen de trillingsbron en het pand is uitgegaan. De rechtbank verwijst naar hetgeen onder 4.7. van het vonnis van 4 juni 2008 is overwogen. Gegeven de heropening was het ook noodzakelijk dat de deskundige andermaal inhoudelijk diende te rapporteren. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van beide deskundigenrapporten, door de Staat moeten worden gedragen. Alleen de conclusie na deskundigenbericht komt voor eigen rekening van [eisers], aangezien hetgeen zij daarbij hebben aangevoerd niet is gehonoreerd. De rechtbank zal daarom in zoverre de proceskosten compenseren. De voor rekening van de Staat komende kosten van Van Schijnsel c.s. belopen in totaal € 6.275,66, bestaande uit:

-exploitkosten € 84,31

-vastrecht € 251,00

-salaris advocaat € 984,00

-kosten deskundige € 4.956,35

De beslissing

De rechtbank

3.1. Verstaat dat er grond was voor heropening van het geding als bedoeld in artikel 387 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en dat feitelijk heropening heeft plaatsgevonden,

3.2. Wijst de vordering tot herroeping van het bestreden vonnis af,

3.3. Veroordeelt de staat in de kosten van deze procedure tot en met het uitbrengen van het

laatste deskundigenbericht, de kosten van de deskundigenberichten daaronder begrepen, welke kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 6.275,66, en compenseert de proceskosten voor het overige,

3.4. Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.