Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW0369

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
01/849177-11 en 01/849759-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek voorarrest voor onder meer een gewelddadige overval in een woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummers: 01/849177-11 en 01/849759-11 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 30 maart 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

wonende te [woonplaats], [adres]

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 oktober 2011, 22 december 2011 en 16 maart 2012.

Op 22 december 2011 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 12 september 2011 (01/849177-11) en 24 november 2011 (01/849759-11).

Aan verdachte is in de dagvaarding met parketnummer 01/849177-11 ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 04 maart 2011, te 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

bankpassen en/of (Swarovski) beelden en/of sieraden en/of geld en/of kleding

en/of een of meer andere goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of haar echtgenoot, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader:

-die [slachtoffer 1] tegen de grond aan heeft geduwd, en/of

-meermalen, althans eenmal, tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: zeg op, de sleutel

van de kluis of ik schiet je kapot, en/of

-meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] in haar gezicht heeft geslagen, en/of

-een stroomstootwapen tegen de nek van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebruikt, en/of

-die [slachtoffer 1] haar ogen en mond met tape heeft afgeplakt, en/of

-die [slachtoffer 1] haar handen met tape en/of tie-wraps heeft vastgebonden, en/of

-een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd

van die [slachtoffer 1] heeft gericht, en/of

-voornoemd vuurwapen op de buik van die [slachtoffer 1] gericht en/of daarbij gezegd:

"schiet maar", en/of

welk feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad voor die [slachtoffer 1];

artikel 312 wetboek van strafrecht

Aan verdachte is in de dagvaarding met parketnummer 01/849759-11 ten laste gelegd dat:

1

hij, op of omstreeks 22 maart 2011 te Rosmalen. gemeente 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een of twee kentekenplaten ([kenteken]), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

artikel 311 wetboek van strafrecht

(incident 2)

2

hij, op of omstreeks 22 maart 2011. te Zaltbommel, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid benzine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Shell

Zaltbommel, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

artike1 311 wetboek van strafrecht

(incident 3)

3

hij, in of omstreeks de periode van 09 februari 2011 tot en met 10 februari

2011 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een schoolgebouw weg te nemen een

televisie en/of een geldkistje en/of andere goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zich de toegang tot dat schoolgebouw te verschaffen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een raam van voornoemd schoolgebouw heeft ingeslagen en/of ingegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 311 wetboek van strafrecht

(incident 5)

4.

hij op of omstreeks 30 maart 2011, althans in of omstreeks de periode van 4 maart 2011 tot en met 30 maart 2011 te Hurwenen, gemeente Maasdriel, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie 1onder 7°, te weten een gasdrukpistool zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde

met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 13 juncto 55 lid 1 Wet Wagens en Munitie

(incident 6)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten op de dagvaardingen onder de parketnummers 01/849177-11 en 01/849759-11 wettig en overtuigend bewezen. Hij acht niet bewezen dat het door het slachtoffer opgelopen ernstige letsel in de zaak met parketnummer 01/849177-11 zwaar lichamelijk letsel betreft in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De tenlastegelegde feiten onder parketnummer 01/849759-11 worden door verdachte bekend en kunnen ook voor wat betreft het medeplegen wettig en overtuigend worden bewezen volgens de verdediging.

De verdediging acht de overval op mevrouw [slachtoffer 1] op 4 maart 2011 zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01/849177-11 niet wettig en overtuigend bewezen, om welke reden verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Het verweer komt -samengevat weergegeven- neer op het volgende. In de woning van aangeefster is weliswaar op een stuk tape een spoor aangetroffen dat matcht met het DNA van verdachte, maar dit alleen levert onvoldoende bewijs op voor betrokkenheid van verdachte bij de hem verweten overval. Die conclusie vindt bevestiging in het arrest van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch van 7 maart 2011, LJN: BP7608, een identieke en vergelijkbare zaak, die tot vrijspraak heeft geleid. Verdachte heeft van meet af aan een betrouwbare en geloofwaardige verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op dat stuk tape. Voorts dienen bij de onderzoeken door het Nederlands Forensisch Instituut de nodige twijfels te worden geplaatst, nu niet kan worden uitgesloten dat het DNA van verdachte is aangetroffen als gevolg van contaminatie danwel verplaatsing op het stuk tape. Hiertoe geeft aanleiding de volgorde waarin en de wijze waarop de verschillende onderzoeken bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) aan het stuk tape hebben plaatsgevonden. Voorts bevat het dossier geen deugdelijk steunbewijs, daar de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt. Bovendien had verdachte een waterdicht alibi dat door twee getuigen wordt ondersteund en droeg verdachte ten tijde van de overval continu aan zijn linkerhand een spalk met een pinnenconstructie, hetgeen bevestigd dat verdachte geen betrokkenheid heeft bij de overval. Verder geeft aangeefster wisselende signalementen van de daders en heeft zij verdachte niet herkend toen haar dochter haar een foto van verdachte van hyves toonde, zag een getuige een 4-deurs auto terwijl verdachte toentertijd een 3-deurs auto had, en heeft in Rotterdam een vergelijkbare overval met eenzelfde modus operandi plaatsgevonden. Van overig belastend bewijsmateriaal in de richting van verdachte is evenmin gebleken.

Het oordeel van de rechtbank.1

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 01/849759-11

Feit 1

De rechtbank acht op grond van de aangifte van [slachtoffer 2], de verklaring van [getuige 3]3 en de verklaring van verdachte4 5wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd.

Feit 2

De rechtbank acht op grond van de aangifte van [getuige 3]6 7, de verklaring van [aangever]8 en de verklaring van verdachte9 10 wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd.

Feit 4

De rechtbank acht op grond van het relaas van verbalisant11, de verklaring van [getuige 3]12, het relaas van verbalisant (omschrijving wapen)13 en de verklaring van verdachte14 15wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd.

De rechtbank heeft ten aanzien van bovenvermelde onder 1, 2 en 4 genoemde feiten, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank nog als volgt.

De rechtbank acht op grond van de aangifte van [slachtoffer 4]16 en de verklaring van verdachte 17 wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd.

[slachtoffer 4] heeft op 10 februari 2011 aangifte gedaan van een inbraak in [slachtoffer 3], gelegen te 's-Hertogenbosch, gepleegd tussen 9 februari 2011 te 19.00 uur en 10 februari 2011 te 02.43 uur. Aangever, directeur van de school, heeft verklaard dat er geen goederen zijn weggenomen. Wel was een flatscreen televisie van de muurbevestiging getrokken en deze lag op een tafel. Van de verbalisant hoorde aangever dat er zowel voor het verbroken raam in de school als buiten de school een stoel was geplaatst.

Op 10 februari 2011 om 02.43 uur was er een alarmmelding en de beveiliging constateerde dat er was ingebroken. Aangever zag dat het raam van de lerarenkamer was ingeslagen. Zowel buiten de school op stoeptegels als in de school op glasscherven werden bloedsporen aangetroffen.

[verbalisant 2] kwam om op 10 februari 2011 om 03.00 uur ter plaatse en trof daar aangever [slachtoffer 4].

De verdachte heeft ter zitting erkend dat hij geprobeerd heeft in de nacht van 9 op 10 februari 2011 in de school in te breken en uit die school een geldkistje weg te nemen. Hij heeft verklaard dat hij het raam heeft ingeslagen en zich daarbij heeft verwond. Verdachte is naar het ziekenhuis gebracht en daar bleek hij een pees in zijn hand te hebben doorgesneden.

De verdachte heeft ontkend dat hij in de school is geweest en dat hij de flatscreen televisie heeft willen wegnemen. De rechtbank acht het echter gelet op de korte tijdspanne tussen het moment van het alarm (10 februari 2011 te 02.43 uur) en het moment van de aangifte (10 februari 2011 te 03.00 uur) onaannemelijk dat een andere persoon dan verdachte, nadat verdachte de plaats van het delict had verlaten, de school via het inklimraam heeft betreden, stoelen binnen en buiten de school onder het inklimraam heeft neergezet en de televisie van de muur heeft getrokken.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 01/849177-11

Op basis van het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van het volgende feitenrelaas in de vroege ochtend van 4 maart 2011.

Op vrijdag 4 maart 2011 omstreeks 07.57 uur in de ochtend ontvangt de meldkamer van de politie de melding van mevrouw [slachtoffer 1] dat zij zojuist door twee mannen is overvallen in haar woning aan de [adres] in Den Bosch. Twee verbalisanten treffen mevrouw [slachtoffer 1] hevig geëmotioneerd in haar woning aan. Zij zien bloed in haar gezicht en op haar handen en zwarte tape rond haar hoofd, hals, nek en handen. Verbalisanten hebben de tape verwijderd en op de salonkamer in de woonkamer neergelegd. Er wordt gezien dat de slaapkamer is doorzocht en dat de deuren van een glazen vitrinekast in de woonkamer open staan en de kast leeg is.

[slachtoffer 1] wordt met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht18.

In het ziekenhuis verklaart mevrouw [slachtoffer 1] tegenover de politie dat er die ochtend op het raam werd geklopt. Ze zag twee personen staan in een jassen van TNT. De twee personen zeiden dat ze een pakketje kwamen brengen van Swarovski. Ze liep naar de voordeur en maakte deze open. Op het moment dat ze de deur open deed kreeg ze een klap in haar gezicht en werd ze naar binnen geduwd. Voordat ze het wist hadden ze haar naar de slaapkamer gebracht. Ze lag op de grond en ze bonden

haar handen samen. Ze hoorde dat de man in de slaapkamer riep: "[voornaam], opschieten, schaar dat ik ze verder kan tapen". Ook hebben ze een klein zwart pistool van ongeveer 10 cm tegen haar hoofd en buik gezet. Ze vroegen aan haar waar de kluis was en ze zeiden tegen haar dat ze haar zouden kapot

schieten als ze dit niet zou zeggen. Ze weet dat de persoon in de slaapkamer handschoenen droeg doordat hij zijn hand op haar mond duwde. Daarna kreeg zij tape op haar mond19.

Later die dag is in het ziekenhuis een aangifte van haar opgenomen.

In haar aangifte verklaart zij dat toen ze in haar slaapkamer op de grond werd geduwd ze zag dat één van de jongens een hand voor haar ogen hield en ze zag toen volgens haar een witte handschoen.

Ze hoorde de jongens roepen: "geld, geld, kluis, kluis, mond dicht, zeg op de sleutel van de kluis of ik schiet je kapot". Dit werd drie keer herhaald. Ze voelde toen dat er bloed langs haar mond liep.

Ze zag dat één van de jongens haar mond dichtkneep en met tape afplakte. Ze zag en voelde dat de jongen haar ogen en mond weer met tape afplakte. Ze hoorde dat de ene jongen de andere jongen om een tie-wrap vroeg. Zij hoorde toen gerinkel en dacht dat de jongens de Swarovskibeelden meenamen. Over het pistool dat tegen haar voorhoofd werd gehouden verklaart ze, dat ze een klein stukje door de tape heeft kunnen zien en dat het grijzig was en rond. De tweede jongen hield het pistool tegen haar voorhoofd want de eerste jongen was de hele tijd bij haar gebleven en hield zijn hand steeds op haar mond en ogen. Ze hoorde dat er werd gezegd: "[voornaam] schiet ze maar". Ze voelde hierna dat het pistool van haar voorhoofd naar haar buik werd verschoven. Ze hoorde dat er toen weer

werd gezegd: "schiet maar". Vanaf het begin werd er geroepen dat er goud en geld in huis moest zijn. Ze heeft toen gezegd dat het geld in een tas in een kast van de slaapkamer lag. Toen de daders weggingen hoorde ze dat een van de jongens zei dat hij terug zou komen om haar dood te schieten20.

In haar verklaring van 31 maart 2011 verklaart mevrouw [slachtoffer 1] dat ze ook nog door een van de daders meermalen in haar gezicht is geslagen21.

De rechtbank stelt vast dat de verschillende opeenvolgende verklaringen van aangeefster niet tot in detail eensluidend zijn, doch dit acht de rechtbank niet onbegrijpelijk, nu aangeefster reeds kort na deze als traumatisch ervaren overval de eerste verklaringen heeft afgelegd en het voor zich spreekt dat in de loop der tijd steeds meer details bij haar naar boven zullen zijn gekomen, waarover zij nadien heeft verklaard. In het wisselen van haar verklaringen op bepaalde punten ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding te concluderen dat haar verklaringen als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

Op basis van het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank ervan uit dat na te melden goederen buit zijn gemaakt bij de overval.

In haar aangifte verklaart mevrouw [slachtoffer 1] dat de volgende goederen zijn weggenomen: drie bankpassen, Swarovskibeelden, ongeveer 3000 euro aan geld, gouden sieraden en kleding22.

Lijst van Swarovskiverzameling op basis van verpakking, totale waarde: 25.532 euro23.

De echtgenoot van mevrouw [slachtoffer 1], meneer [getuige 4] verklaart dat de daders ongeveer 3040 euro uit een handtas in de kast hebben meegenomen. Hij mist wat truien en shirts en vermoedt dat de daders daar de Swarovskibeelden in hebben gedaan zodat die niet stuk zouden gaan. In totaal gaat het om 25 à 30 stuks kleding. Hij mist ook een kussensloop. Alle Swarovskikristal is gestolen, in totaal tussen de 80 en 100 stuks. In zijn verklaring van 11 maart 2011 somt hij op welke beelden allemaal gestolen zijn. Alle stukken stonden in een glazen kast in de woonkamer. Daarnaast zijn er gouden sieraden weggenomen24.

Op basis van het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank ervan uit dat na te melden letsel is ontstaan bij aangeefster als gevolg van de gewelddadige overval.

De arts geeft op 5 maart 2011 aan dat er sprake is van een neusfractuur en meerdere kneusverwondingen in het gezicht en op de armen van mevrouw [slachtoffer 1]25. Uit de bij het 'voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces' overgelegde medische informatie blijkt dat de door de orthopedisch chirurg gestelde diagnose luidt (samengevat weergegeven): "fractuur os nasale en frontale zijde sinus maxilaris", waarbij "os nasale fractuur gereponeerd moet worden" en "fractuur frontale wand sinus maxilaris geen behandeling behoeft". Voorts blijkt uit die informatie dat de neusfractuur in juni 2011 onder lokale anesthesie werd gereponeerd en voor 4 dagen werd gespalkt en nadien, vanwege onvoldoende resultaat, onder algehele narcose een rhinoplastiek werd verricht, waarbij het os nasale opnieuw werd gebroken en werd gepositioneerd met een septumcorrectie. Verder blijkt uit die informatie dat aangeefster buiten de nodige lichamelijke klachten post traumatische stress-klachten heeft ondervonden en nog steeds ondervindt, waarvoor zij onder psychiatrische behandeling staat.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier, er weliswaar fors geweld tegen mevrouw [slachtoffer 1] is gebruikt en dat zij ook ernstig letsel daaraan heeft overgehouden maar dat dit letsel in juridische zin niet kan worden gekwalificeerd als zijnde zwaar lichamelijk letsel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat op 4 maart 2011 na de overval tape in de woning van aangeefster is aangetroffen waarop, na onderzoek door het NFI, mogelijk celmateriaal van verdachte aanwezig bleek te zijn.

Op 4 maart 2011 heeft na de overval een sporenonderzoek plaatsgevonden in de woning op het adres van aangeefster, [adres] te 's-Hertogenbosch. Er werden diverse sporen op verschillende plaatsen aangetroffen. Zo werd op de salontafel in de woonkamer een stuk zwarte duct-tape aangetroffen en veiliggesteld onder nummer AAC07704NL. Op de vloer van de slaapkamer van de woning werd een ook stuk zwart duct-tape aangetroffen en veiliggesteld onder nummer AAC07698NL26. Deze sporen zijn ingestuurd naar het NFI teneinde deze sporen te onderzoeken, waarna het NFI op verschillende data heeft gerapporteerd.

Uit het rapport van het NFI d.d. 19 mei 2011 blijkt onder meer het navolgende:

Van het stuk tape AACO7698NL zijn 5 bemonsteringen veilig gesteld voor DNA-onderzoek, waaronder AACO7698NL#5 (nieuw tape uiteinde). Op de foto27 is te zien dat de bemonstering heeft plaatsgevonden op het midden van de tape aan de rugzijde.

Het DNA-profiel met SIN nummer AACO7698NL#5 matcht met het DNA-profiel van verdachte waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit profiel kleiner is dan 1 op 1 miljard. Het DNA-profiel van AACO7698NL#5 betreft daarbij een volledig DNA-profiel.

De rechtbank overweegt dat een DNA-onderzoek als het onderhavige een grote mate van zekerheid bij de identificatie van lichaamsmateriaal biedt, ook indien niet kan worden vastgesteld van welke soort lichaamsmateriaal sprake is. Het overeenstemmen van lichaamsmateriaal met een DNA-profiel geeft in ieder geval een zeer aanzienlijke objectieve bewijswaarde aan dat lichaamsmateriaal. Gelet hierop alsmede gelet op de hoge zeldzaamheidswaarde in het onderhavige geval, concludeert de rechtbank dat het lichaamsmateriaal (AACO7698NL#5) als aangetroffen op het stuk zwarte duct-tape dat is aangetroffen in de slaapkamer van aangeefster (AACO7698NL) afkomstig is van verdachte.

Uit het rapport van het NFI d.d. 9 december 201128 blijkt onder meer het navolgende:

Ten behoeve van het soucheonderzoek en volgordebepaling zijn de uiteinden van alle stukken tape aangetroffen in de woning op de salontafel in de woonkamer en op de slaapkamer, dus zowel die met nummer AACO77O4NL als het nummer AACO7698NL aanvullend gecodeerd waarbij het op DNA bemonsterde uiteinde AACO7698NL#5, dat DNA materiaal heeft opgeleverd met een match met het DNA van verdachte , is gecodeerd met de letter A.

De conclusie is dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de uiteinden van de stukken tape (AACO77O4NL) en (AACO7698NL) oorspronkelijk 1 geheel hebben gevormd dan dat de uiteinden van de stukken tape (AACO77O4NL) en (AACO7698NL) oorspronkelijk 1 geheel hebben gevormd met andere uiteinden van soortgelijke duct-tape.

De DNA bemonstering AACO7698NL#5 (uiteinde A) bevindt zich op circa 562 cm van het originele begin van de rol en circa 399 cm van het laatste stuk van de rol.

Gelet op de grote mate van waarschijnlijkheid 'zeer veel waarschijnlijker' bij het vergelijkend onderzoek op basis van hypotheses bij dit soucheonderzoek, neemt de rechtbank de bevindingen van het NFI over. Op basis van die bevindingen concludeert de rechtbank dat de in de woning van aangeefster na de overval aangetroffen en onderzochte stukken tape, oorspronkelijk één geheel hebben gevormd in de zin van één volledige rol duct-tape.

Verdachte heeft een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA (lichaamsmateriaal) op de duct-tape. Zijn verklaring komt -samengevat weergegeven- neer op het volgende.

Volgens verdachte heeft hij vaker klusjes gedaan voor [getuige 5] althans is hem dit vaker gevraagd te doen, hetgeen [getuige 3]bevestigd, en is verdachte wel eens met [getuige 5] op pad geweest. Bij die gelegenheid heeft verdachte een tas met gereedschap in zijn handen gehad en toen heeft hij ook zwarte duct-tape in zijn handen vastgehad, op alle mogelijke manieren. Diezelfde [getuige 5] zou verdachte begin 2011 hebben voorgesteld in te breken bij aangeefster op het adres van aangeefster, omdat daar geld te halen viel, en ook vertelde [getuige 5] tegen verdachte dat een eerdere poging daartoe was mislukt. Uit het dossier blijkt ook van een eerdere poging tot inbraak in die woning. Verdachte legt de verdenking aldus bij [getuige 5] en beschuldigt hem er ook van de tegen hem gebruikte CIE-informatie aan de politie te hebben verschaft.

De verdediging geeft hiermee een alternatief scenario voor de aanwezigheid van verdachtes lichaamsmateriaal op de in de woning aangetroffen duct-tape.

Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat uit de NFI-rapporten blijkt dat eerst bij het dactyloscopisch onderzoek aan de uiteinden van de stukken tape, is gebleken van het 'nieuw tape uiteinde' dat eerst toen is bemonsterd als AAC07698NL#5. Daarna heeft eerst het DNA-onderzoek naar biologische sporen aan die bemonstering plaatsgevonden. Gelet op deze volgorde in onderzoeken, stelt de verdediging dat niet de contaminatiepreventiemaatregelen in acht zijn genomen die gelden bij DNA-onderzoek, daar bij dactyloscopisch onderzoek contaminatiepreventie lastiger is. De verdediging concludeert mitsdien dat contaminatie niet kan worden uitgesloten. Naar de rechtbank begrijpt doelt de verdediging hier op contaminatie door overdracht van eerder door het NFI onderzocht sporenmateriaal afkomstig van verdachte (verbanden afkomstig van zijn hand) op het stuk tape. Voorts concludeert de verdediging dat niet valt uit te sluiten dat het lichaamsmateriaal van verdachte bij het dactyloscopisch onderzoek waarbij bleek van 'het nieuwe uiteinde' is verplaatst van bijvoorbeeld de bovenzijde van de rol duct-tape naar de binnenzijde van de rol duct-tape. Nu ook op geen enkel ander stuk duct-tape enig materiaal van verdachte is aangetroffen, concludeert de raadsman dat er alle aanleiding is tot twijfel aan de vraag of verdachte in de woning bij aangeefster is geweest.

Tegen deze achtergrond alsmede gelet op hetgeen overigens ter verdediging is bepleit, dient de rechtbank te beoordelen of wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte de hem verweten gewelddadige overval in de woning van aangeefster mede heeft gepleegd.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij de stukken bevindt zich een rapport van het NFI d.d. 31 januari 201229, opgemaakt teneinde antwoord te geven op door de verdediging gestelde vragen naar aanleiding van eerdere rapportages van 5 april 2011 en 19 mei 2011.

Op de vraag (vraag 2) van de verdediging door wie de onderzoeken zijn uitgevoerd en of dit door dezelfde personen is geschied, heeft de deskundige geantwoord door middel van een tabel waarin is aangegeven welke onderzoekers betrokken waren bij het onderzoek naar biologische sporen en welke onderzoekers bij de diverse stappen (isolatie/kwantificering, PCR en analyse) in het DNA-onderzoek betrokken waren. De rechtbank leest uit deze tabel af dat de verschillende onderzoeken door verschillende (niet dezelfde) personen hebben plaatsgevonden.

Op de vraag (vraag 3) van de verdediging of kan worden uitgesloten dat op het stuk tape met sin-nummer AACO7698NL aangetroffen DNA materiaal daarop terecht is gekomen door contaminatie vanuit het daarvoor verrichte onderzoek naar de verbanden met sin-nummer AACO7659NL en AACO7660NL, heeft de deskundige geantwoord, dat gezien de scheiding in ruimte en tijd en de op het NFI gehanteerde schoonmaakprotocollen de kans op contaminatie van het stuk tape AACO7698NL door celmateriaal afkomstig van de verbanden AACO7659NL en AACO7660NL nihil is.

Gelet op de scheiding in ruimte, tijd en personen, zoals valt af te leiden uit de antwoorden van de deskundige van het NFI, acht de rechtbank het uitgesloten dat het op het duct-tape aangetroffen lichaamsmateriaal van verdachte op die tape is terechtgekomen door contaminatie. Dit brengt met zich dat de rechtbank ervan uitgaat dat het lichaamsmateriaal van verdachte zich van meet af aan op de (oorspronkelijk één rol vormende) duct-tape als aangetroffen in de woning heeft bevonden.

Dan de vraag of de verplaatsingstheorie de verdediging hier enig soelaas biedt. Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Hoewel de rechtbank de theoretische mogelijkheid niet kan uitsluiten dat het lichaamsmateriaal van verdachte zich voorafgaande aan het dactyloscopisch onderzoek bij het NFI op een andere plaats op de duct-tape (AACO7698NL of AACO7660) bevond en door dat onderzoek is verplaatst naar het 'nieuw tape uiteinde', laat dit onverlet dat de onderzochte tape (AACO7698NL of AACO7660) met het matchende lichaamsmateriaal (AAC07698NL#5) van verdachte is aangetroffen in de woning van aangeefster na de overval.

De verklaring die verdachte geeft voor de aanwezigheid van zijn lichaamsmateriaal op die duct-tape, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Verdachte staat alleen in zijn verklaring over hetgeen [getuige 5] hem zou hebben verteld over klusjes voor [getuige 5] en over het geld dat in de [adres] te 's-Hertogenbosch te halen zou zijn. [getuige 3], noch [getuige 5] hebben de verklaring van verdachte op dit onderdeel bevestigd. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat [getuige 5] de schuld in de schoenen heeft willen schuiven van verdachte door informatie te verschaffen aan de CIE, is de rechtbank van oordeel dat ook zulks niet aannemelijk is. Er is geen enkele logische verklaring voor de conclusie dat [getuige 5] CIE-informatie heeft verschaft, nu hij daarmee ook juist de verdenking op zichzelf zou richten, gelet op de inhoud van de CIE-informatie30.

Voorts past verdachte in het signalement dat aangeefster [slachtoffer 1] van de daders heeft gegeven bij haar aangifte en aanvullende verklaring daarop en zoals zij als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris heeft bevestigd. Zoals reeds overwogen heeft zij weliswaar in enige mate wisselende verklaringen afgelegd, ook omtrent de signalementen, doch in grote lijnen blijven de signalementen overeind, namelijk:

-jongens, geen mannen, leeftijd tussen de 20 jaar en 28 jaar oud.

-lichtgetint, dan wel halfbloedjes

-donker haar.

-lengte tussen de 1.65 m en 1.70 m

-slank van postuur

-nette, keurige, beleefde jongens.

De rechtbank heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat verdachte in deze signalementen past. Verdachte heeft dit ook zelf ter terechtzitting van 16 maart 2011 toegegeven31.

Verder is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat getuigen hebben verklaard over verdachte en Swarovskibeeldjes als buitgemaakt bij de overval op 4 maart 2011.

Op een lijst van Swarovskibeelden32 welke op 4 maart 2011 bij mevrouw [slachtoffer 1] zijn weggenomen, staan onder meer de navolgende beelden vermeld, voorstellende: een ananas, ananas klein, druiventros, jachtluipaard, dolfijn, giraffenbaby, tijger, grizzly, eenhoorn, dolfijnen moeder en kind, luipaard en grizzly jong.

[verbalisant] relateert in zijn proces-verbaal op 2 november 2011 dat naar aanleiding van een gewapende overval op een woning aan de [adres] te [woonplaats] waarbij een aantal Swarovskibeldjes zijn weggenomen, er een dertigtal Swarovskibeeldjes op de website van Bureau Brabant zijn geplaatst, waaronder: twee ananassen, druiventros, zittende panter, giraffe en een dolfijn33.

Getuige [getuige 1] heeft op 28 juli 2011 verklaard dat hij [verdachte] (verdachte) op enig moment na de overval, maar voordat het op televisie was geweest, tegenkwam bij [persoon X] in de AAwijk. [verdachte] vroeg hem toen of hij interesse had in Swarovski en getuige [getuige 1] heeft toen geantwoord dat hij daar misschien wel interesse in had. [verdachte] zei nog dat het belangrijk was dat getuige [getuige 1] daar met niemand over sprak. Ongeveer een week later ontmoette getuige [verdachte] weer bij [persoon X] thuis en hij is toen met [verdachte] naar diens donkerkleurige BMW 3-serie gelopen en uit de achterklep haalde [verdachte] een plastic tas met [verdachte]. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] hem vervolgens in de auto van getuige [getuige 1] de inhoud van de tas heeft laten zien. Getuige zag dat het allemaal beeldjes waren, een stuk of zes zeven en ook beeldjes die kapot waren. Getuige [getuige 1] heeft vervolgens naar eigen zeggen van [verdachte] Swarovskibeeldjes aangenomen, waaronder een giraffe, een zittend pantertje, een druiventros, een ananas en een dolfijn. [verdachte] wilde voor alle beeldjes bij elkaar € 250,00 hebben van getuige [getuige 1].34.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard op 28 juli 2011 dat zij ongeveer 4 of 5 maanden geleden van een zekere [verdachte] kristallen beeldjes heeft gekregen. Daar waren stukken van af. Bij de beeldjes zaten een eenhoorn en misschien ook een beertje35.

Bij de rechter-commissaris herhaalt deze getuige op 4 november 2011 dat het ene beeldje een eenhoorn was en het andere beeldje een beertje. Alle vier of vijf beeldjes waren van doorzichtig glas36.

De rechtbank heeft geen reden tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige 1] voor wat betreft het aannemen van bedoelde beeldjes van verdachte. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] voor die beeldjes € 250,00 van hem wilde hebben en met deze verklaring heeft hij zichzelf belast. Daar komt bij dat de details die deze getuige over de beeldjes geeft, kloppen met de details als bekend over de buitgemaakte beeldjes. Ook heeft deze getuige verklaard over de auto waarin verdachte de beeldjes vervoerde, een BMW3-serie, hetgeen overeenkomt met de auto die verdachte toentertijd had. Tot slot heeft verdachte bevestigd dat hij bij [persoon X] thuis over de vloer kwam, zijnde de plek waar getuige [getuige 1] verdachte heeft ontmoet. Gelet op de details alsmede het zichzelf belasten valt niet in te zien waarom getuige [getuige 1] deze verklaring zou afleggen wanneer deze niet op waarheid zou berusten.

Ook ziet de rechtbank geen reden tot twijfel aan de verklaring van getuige [getuige 2], nu ook zij zichzelf belast en details geeft die overeenstemmen met de weggenomen beeldjes..

Daar komt nog bij dat beide getuigen verklaren over kapotte beeldjes, althans beeldjes met stukken eraf, terwijl door de echtgenoot van het slachtoffer de heer [echtgenoot] is verklaard dat er glassplinters zijn aangetroffen in de kast en op de grond voor de kast37 waaruit de Swarovski kristallen beeldjes zijn weggenomen.

Ook het alibi dat verdachte voor de bewuste vrijdagochtend, 4 maart 2011, heeft genoemd, te weten het lang uitslapen in aanwezigheid van [getuige 3] en [betrokkene] in de woning van laatstgenoemd, acht de rechtbank niet sluitend. Hoewel de verdediging concludeert tot een waterdicht alibi, stelt de rechtbank vast dat [getuige 3] noch [betrokkene] zich concreet kunnen herinneren waar verdachte zich op de bewuste ochtend van 4 maart 2011 ten tijde van de overval heeft bevonden.

Tot slot pleit ook de spalk die verdachte zou hebben gedragen in de tijd van de overval hem niet vrij. Verdacht had op een tijdstip voorafgaand aan de overval zijn linkerhand geblesseerd, welke hand later in het ziekenhuis is behandeld en voorzien van een spalkconstructie met pinnen. Het verweer zijdens de verdediging dat verdachte door deze constructie aan zijn hand fysiek niet in staat was om de overval te plegen en derhalve ook niet op de plaats van het delict is geweest, snijdt geen hout.

Uit het verhoor van [getuige 6]38, behandeld therapeut van verdachte, blijkt dat de constructie van de hand kan worden verwijderd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die spalkconstructie ook weleens heeft verwijderd39. Het feit dat aangeefster/slachtoffer mevrouw [slachtoffer 1] niets heeft verklaard over een spalkconstructie aan de hand van een van de daders, doet dan ook niets af aan het feit dat verdachte op 4 maart 2011 in de woning van het slachtoffer kan zijn geweest.

Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aanwezigheid van het DNA van verdachte op de duct-tape aangetroffen in de woning van het slachtoffer mevrouw [slachtoffer 1] niet anders kan worden verklaard dan dat verdachte als mededader bij de overval in de woning van het slachtoffer betrokken was. Het alternatieve scenario voor het aanwezig zijn van zijn DNA op die duct-tape als door verdachte geschetst, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden, gelet op de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen en -overwegingen. De betrokkenheid van verdachte als mededader bij de overval berust in beginsel op het aangetroffen DNA-bewijs, doch daar komen de wettige bewijsmiddelen bij die enerzijds verdachtes scenario niet aannemelijk maken en anderzijds ertoe bijdragen dat de rechtbank buiten redelijke twijfel vaststelt dat verdachte als mededader moet worden aangemerkt. Nu verdachte een van de overvallers is geweest die op 4 maart 2011 mevrouw [slachtoffer 1] heeft beroofd, moet hij en tevens (mede)verantwoordelijk worden gehouden voor het geweld en de bedreiging met geweld waarmee de overval gepaard ging.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen dan wel opgesomde bewijsmiddelen,, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van parketnummer 01/849177-11

op 04 maart 2011, te 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen bankpassen en (Swarovski) beelden en sieraden en geld en kleding toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of haar echtgenoot, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader:

-die [slachtoffer 1] tegen de grond aan hebben geduwd, en

-meermalen tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd: zeg op, de sleutel van de kluis of ik schiet je kapot, en

-meermalen die [slachtoffer 1] in haar gezicht hebben geslagen, en

-die [slachtoffer 1] haar ogen en mond met tape hebben afgeplakt, en

-die [slachtoffer 1] haar handen met tape en tie-wraps hebben vastgebonden, en

-een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben gericht, en

-voornoemd vuurwapen op de buik van die [slachtoffer 1] hebben gericht en daarbij gezegd:

"schiet maar".

Ten aanzien van parketnummer 01/849759-11

1

op 22 maart 2011 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen twee kentekenplaten ([kenteken]),

toebehorende aan [slachtoffer 2].

2

op 22 maart 2011 te Zaltbommel, tezamen en in vereniging met anderen,

met het van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid benzine,

toebehorende aan Shell Zaltbommel.

3

op 10 februari 2011 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schoolgebouw weg te nemen een televisie en een geldkistje, toebehorende aan

[slachtoffer 3], en zich de toegang tot dat schoolgebouw te verschaffen door middel van braak en inklimming,

een raam van voornoemd schoolgebouw heeft ingeslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

op 30 maart 2011 te Hurwenen, gemeente Maasdriel, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie 1 onder 7°, te weten een gasdrukpistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 8 maanden met aftrek van voorarrest.

Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 13.959 met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vordering, nu onduidelijk is op welke televisie de bijlagen bij de vordering zien en welke televisie zou zijn gepoogd weg te nemen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging concludeert ten aanzien van de op te leggen straf voor de feiten 1 tot en met 4 in de zaak met parketnummer 01/849759-11 op basis van de toepasselijke BosPolaris-richtlijnen en de relevante criteria (medeplegen, poging en recidive) tot 80 punten, waarbij strafverminderend zou kunnen werken dat verdachte bij de poging tot inbraak in [slachtoffer 3] aanzienlijk letsel heeft opgelopen waarvan hij drie maanden heeft moeten revalideren.

De verdediging heeft voorts verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden in het nadeel van verdachte. De door verdachte gepleegde overval op mevrouw [slachtoffer 1] heeft grote onrust veroorzaakt, zodanig zelfs dat de politie via diverse media waaronder via de televisie aandacht heeft gevraagd voor deze zaak. Voorts de omstandigheid dat verdachte en zijn mededader, vermomd als TNT-medewerkers, op sluwe wijze mevrouw [slachtoffer 1] hebben overgehaald de voordeur te openen, waarna zij haar ernstig hebben mishandeld, haar bedreigd hebben met een (nep)pistool, haar beroofd hebben van onder meer geld, sieraden en een waardevolle collectie Swarovskibeeldjes en haar in hulpeloze toestand gekneveld en omwikkeld met duct-tape hebben achtergelaten. De sporen die dit misdrijf bij het slachtoffer mevrouw [slachtoffer 1] hebben achtergelaten, zullen haar nog tot in lengte van dagen bijblijven. Zo is ter terechtzitting gebleken dat ook nu nog, ruim een jaar later, mevrouw [slachtoffer 1] dagelijks de nare gevolgen van deze overval ondervindt.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. De situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering doet zich niet voor.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat post 1 niet verzekerde medische kosten voor een bedrag van € 390,00 toewijsbaar is evenals post 4 huishoudelijke hulp voor een bedrag van

€ 1.669 (eigen bijdrage), post 5 materiële schade te weten € 3.900,00 in plaats van € 3.906,00 (in verband met een rekenfout van de benadeelde partij) en post 9 het bedrag aan (voorschot) smartengeld van € 8.000,00. Tevens vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige deel van de vordering, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging.

De rechtbank begrijpt dat de verdediging concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering in verband met de bepleite vrijspraak.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade en als voldoende onderbouwd en niet weersproken, de volgende onderdelen van de vordering, te weten:

- immateriële schadevergoeding € 8.000,00;

- materiële schadevergoeding, een bedrag tot € 6.631,00.

Het bedrag ter zake immateriële schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag ter zake materiële schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak van het vonnis.

De rechtbank zal de volgende onderdelen van de vordering afwijzen (materiële schadevergoeding):

- ten aanzien van post 2 en 3 (telefoonkosten en reiskosten), hetgeen meer is gevorderd dan € 100,00; de rechtbank heeft bedoelde kosten in redelijkheid begroot en geschat op €100,00, om welke reden het meerdere dient te worden afgewezen.

- ten aanzien van post 5 (materiële schade), hetgeen meer is gevorderd dan € 3.900,00, daar naar het oordeel tot een bedrag van € 6,00 sprake is van een rekenfout;

- ten aanzien van post 7 (diverse kosten), hetgeen meer is gevorderd dan € 173,08, daar naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan dat er sprake is van voldoende rechtstreeks verband tussen het bewezen verklaarde en de overige kosten tot een bedrag van € 499,00;

- ten aanzien van post 8 (kosten zonder nut), het totaal hier is gevorderd tot € 1.606,00, daar tussen de gemaakte hotelkosten en de bromfietskosten enerzijds en het bewezenverklaarde feit anderzijds onvoldoende causaal verband bestaat en voorts de rechtbank daarbij in overweging neemt dat de kosten gemaakt voor de premie van de bromfiets hadden kunnen worden voorkomen door opschorting van de verzekering van de bromfiets.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Het bedrag ter zake immateriële schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele

voldoening.

Het bedrag ter zake materiële schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak van het vonnis.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd, daar deze onduidelijk is.

Het standpunt van de verdediging.

De vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen vanwege het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten materiële schadevergoeding tot een bedrag van

€ 900,00 (post 1), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij stelt dat post 1 ziet op de televisie die men heeft getracht weg te nemen. Dat daarbij meer facturen zijn overgelegd, maakt de vordering voor de rechtbank niet onduidelijk, nu de vordering als uitgangspunt dient en het gevorderde bedrag wordt onderbouwd met een factuur. De rechtbank heeft evenwel, met toepassing van een afschrijvingspercentage van 25%, bedoelde kosten in redelijkheid begroot en geschat op € 900,00, om welke reden de vordering gematigd dient te worden toegewezen.

De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen, te weten materiële schadevergoeding tot een bedrag van 378,49 euro.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 45, 47, 57, 91, 310, 311, 312;

Wet wapens en munitie art. 13, 55, 56.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/849177-11:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en

gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen

T.a.v. 01/849759-11 feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen

T.a.v. 01/849759-11 feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen

T.a.v. 01/849759-11 feit 3:

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming

T.a.v. 01/849759-11 feit 4:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens

en munitie.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. het feit onder parketnummer 01/849177-11 en t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 onder parketnummer 01/849759-11 :

Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. het feit onder parketnummer 01/849177-11 :

Maatregel van schadevergoeding van EUR 14.631,00 subsidiair 108 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 14.631,00 (zegge:

veertienduizend zeshonderd en éénendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal

te vervangen door 108 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 8.000,00 immateriële schadevergoeding en € 6.631,00 materiële

schadevergoeding .

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het bedrag ter zake immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele

voldoening.

Het bedrag ter zake materiële schadevergoeding te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak van het vonnis.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag

en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1],

van een bedrag van € 14.631,00 (zegge veertienduizend zeshonderd en éénendertig euro),

te weten € 8.000,00 immateriële schadevergoeding en € 6.637,00 materiële schadevergoeding .

Het bedrag ter zake immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele

voldoening.

Het bedrag ter zake materiële schadevergoeding te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak van het vonnis.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

T.a.v. 01/849759-11 feit 3:

Maatregel van schadevergoeding van € 900,00 subsidiair 18 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van

€ 900,00 (zegge: negenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te

vervangen door 18 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële

schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag

en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij,

[slachtoffer 3] , van een bedrag van € 900,00 (zegge negenhonderd

euro), te weten materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: 1 paar zwarte schoenen en 1 Sony

Vaio laptop.

Wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 30 maart 2012.

Mr. A.M.R. van Ginneken is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar het einddossier, wordt bedoeld het einddossier van de politie regio Brabant-Noord, nr. PL21XO 2011032670, afgesloten op 19 september 2011, aantal genummerde pagina's: 872. Het eindossier bestaat onder meer uit processen-verbaal welke zijn opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Aangifte [slachtoffer 2], pg. 440, 441 en 443 van het einddossier

3 Verklaring [getuige 3], pg. 330-334 van het einddossier

4 Verklaring verdachte, pg. 339-344 van het einddossier

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 maart 2012

6 Aangifte [aangever], pg.1-3 van een proces-verbaal van aangifte opgemaakt op 28 november 2011, nr. PL21XO 2011122844-1

7 een schriftelijk bescheid (tanken zonder betalen) + foto's, pg. 445 en 446 van het einddossier

8 Verklaring [getuige 3], pg. 330-334 van het einddossier

9 Verklaring verdachte, pg. 339-344 van het einddossier

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 maart 2012

11 Relaas van verbalisant, pg. 630, 631 van het einddossier

12 Verklaring van [getuige 3], pg. 230, 231 van het einddossier

13 Relaas van verbalisant (omschrijving wapen), pg. 853-858 van het einddossier

14 Verklaring verdachte, pg. 324, 325 van het einddossier

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 16 maart 2012

16 Aangifte van [slachtoffer 4], pg. 458-460 van het einddossier

17 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 16 maart 2012

18 Relaas verbalisanten (inclusief foto's van het slachtoffer), pg. 117 t/m 120 van het einddossier

19 Relaas verbalisant (inclusief foto's van het slachtoffer), pg. 122, 124-126 van het einddossier

20 [slachtoffer 1], pg. 127-129 van het einddossier

21 Verklaring slachtoffer [slachtoffer 1], pg. 268 van het einddossier.

22 Verklaring slachtoffer [slachtoffer 1], pg. 130 van het einddossier

23 Lijst Swarovski-beelden, pg. 134 en 135 van het einddossier

24 Verklaring [echtgenoot] (echtgenoot van mevr. [slachtoffer 1]), pg. 142-152 van het einddossier

25 Formulier medische informatie, pg. 137 van het einddossier

26 Relaas verbalisanten, pg. 373-376 van het einddossier

27 Foto duct-tape, pg. 834 van het einddossier

28 Rapport van het NFI d.d. 9 december 2011, zaaknr. 2011.03.31.273, soucheonderzoek en volgordebepaling aan tape

29 Rapport van het NFI d.d. 31 januari 2012, kenmerk 2011.03.31.273 (aanvraag 007)

30 relaas van verbalisant (CIE), pg. 413 van het einddossier

31 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 16 maart 2011

32 Lijst van Swarovski-beelden, pg. 134 en 135 van het einddossier

33 Relaas van verbalisant [verbalisant], proces-verbaal d.d. 2 november 2011, nr. PLXO 2011022070-153

34 Verklaring [getuige 1], pg. 496-498 van het einddossier

35 Verklaring [getuige 2], pg. 514 en 515 van het einddossier

36 Verklaring [getuige 2] bij de rechter-commissaris op 4 november 2011

37 Verklaring [echtgenoot], pg. 151 van het einddossier

38 Verhoor van [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 10 oktober 2011

39 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 16 maart 2012