Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BW0031

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
102243 - HA ZA 03-2221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Contradictoir. letsel. whiplash. 2 ongevallen. afwijzing vordering vanwege onvoldoende onderbouwing en inconsistente informatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 102243 / HA ZA 03-2221

Vonnis van 28 maart 2012

in de zaak van

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen

naamloze vennootschap

INTERPOLIS SCHADE N.V.,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

advocaat mr. A.V.M. van Dijk.

Partijen zullen hierna [eiser] en Interpolis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 maart 2011,

- het proces verbaal van comparitie van partijen van 19 mei 2011,

- het proces verbaal van comparitie van partijen van 27 oktober 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank dient een beslissing te nemen over de gevolgen van een [eiser] in 1993 overkomen ongeval, waarvoor Interpolis aansprakelijk is, alsmede over de gevolgen van een [eiser] in 2007 overkomen ongeval, waarvoor Delta Lloyd de aansprakelijkheid heeft erkend.

2.2. Aanvankelijk heeft [eiser] gevorderd om Interpolis te veroordelen om een bedrag aan schadevergoeding van EUR 598.538,19 te betalen, althans de uitgangspunten voor de schadebepaling vast te stellen, met nevenvorderingen.

2.3. Na eiswijziging vordert [eiser] (kort gezegd) dat de rechtbank voor recht verklaart dat Interpolis de volledige schade van beide ongevallen aan [eiser] dient te vergoeden, de schade begroot door de uitgangspunten vast te stellen voor de verschillende schadecomponenten, en Interpolis veroordeelt tot betaling van een gekapitaliseerd bedrag met als kapitalisatiedatum 1 januari 2011, met nevenvorderingen.

2.4. Op 11 mei 2011 en op 27 oktober 2011 hebben er comparities van partijen plaatsgevonden.

Daarbij is tevens aan de orde gekomen de brief met producties van de raadsman van [eiser] van 3 mei 2011 waarin hij nadere informatie over de schade heeft gegeven, alsmede het medisch dossier dat door de raadsman van [eiser] is verstrekt en op 6 mei 2011 bij de rechtbank is binnengekomen.

2.5. Ter gelegenheid van de comparitie van 19 mei 2011 heeft Interpolis gesteld dat zij de gevolgen van het tweede ongeval zonder voorbehoud zal afwikkelen.

2.6. Voor het vaststellen van uitgangspunten voor de schadeberekening zal de rechtbank onderscheiden tussen beide ongevallen en tussen de verschillende schadecomponenten.

Gevolgen eerste ongeval; uitgangspunten schadeberekening

Verlies arbeidsvermogen

2.7.1. Verzekeringsarts [K] heeft in januari 2007 op basis van de bevindingen uit 1995 van de neuroloog [S] en de neuropsycholoog [E] een onderzoek verricht naar de belastbaarheid van [eiser] en heeft een belastbaarheidprofiel opgesteld. Hij concludeert dat [eiser] belastbaar is mits rekening wordt gehouden met zekere functionele beperkingen. Op pagina 6 van zijn rapport voert hij daartoe aan: “Cliënt is aangewezen op relatief – in verhouding tot zijn intelligentie en opleidingsniveau – eenvoudig en overzichtelijk werk, zonder frequente deadlines, of voortdurende boven normale tempodruk. Voor dergelijk werk is het concentratie en geheugen niveau van cliënt toereikend. Het opnameniveau, de spankracht, het verdelen van de aandacht en het informatie verwerkingsniveau is voor werk op LBO of laag MBO werk toereikend. Met andere woorden: aan de neuropsychologische functiestoornissen kan een beperkte betekenis toegekend worden op voorwaarde dat het niveau van de functie onder zijn opleiding en intelligentieniveau ligt.” [K] constateert meerdere functionele beperkingen zoals beperkte concentratie, beperkt verdelen van de aandacht en beperkte herinnering.

2.7.2. De rechtbank begrijpt hieruit dat [eiser] naar het oordeel van [K] volledig belastbaar is voor LBO/laag MBO niveau. Aan een arbeidsdeskundige zou gevraagd kunnen worden of er in de achterliggende jaren functies beschikbaar waren op dit niveau en wat [eiser] daarmee had kunnen verdienen. De rechtbank zal evenwel geen arbeidsdeskundige inschakelen en wel om de navolgende redenen.

2.7.3. Tot dusver is er veel onduidelijk gebleven in deze zaak ondanks de herhaalde vragen van de rechtbank aan [eiser] over de schade en de onderbouwing daarvan. [eiser] blijft stellen (bijvoorbeeld ter comparitie van 27 oktober 2011) dat hij in veel ernstiger mate functioneel beperkt is als gevolg van het eerste ongeval dan uit het rapport van [K] zou volgen en dat hij daardoor zijn arbeidsvermogen volledig heeft verloren. Een nadere onderbouwing geeft hij daarvoor niet.

2.7.4. De raadsman van [eiser] kon ter zitting van 27 oktober 2011 niet bij benadering aangeven wat het inkomen van [eiser] geweest zou kunnen zijn indien hij op MBO niveau was gaan werken. Dat had wel van hem verwacht mogen worden nu hij ter comparitie van 19 mei 2011 het standpunt had ingenomen dat [eiser] voor laag MBO niveau arbeidsgeschikt is. Hij acht het niet zinvol achteraf te onderzoeken of [eiser] op MBO niveau wat meer had kunnen verdienen dan de uitkering die hij heeft genoten. Hij kon tevens niet zeggen over welke periode vergoeding van het verlies van arbeidsvermogen wordt gevraagd. Dat die periode later begint dan aanvankelijk gevorderd (gelet op de periode van werkeloosheid na het ontslag bij DAF (dat kort na het eerste ongeval plaats vond, terwijl [eiser] ten tijde van dat ongeval al op non-actief was gesteld) en de cursus die [eiser] nadien - over een geruime tijd - heeft gevolgd) onderschrijft hij namens [eiser], maar vanaf wanneer kon hij niet zeggen.

2.7.5. Hoe de hypothetische situatie zonder ongeval bij benadering zou zijn geweest, is nog steeds onduidelijk. Hoewel aan [eiser] op dat punt geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, had van hem verwacht mogen worden daar een beter onderbouwd standpunt over te geven dan hij thans heeft gedaan. Thans ligt voor een niet nader onderbouwd lijstje met bedragen van hypothetische inkomsten (zie de brief van mr. Van Driel 3 mei 2011) die ook nog eens aanzienlijk hoger zijn dan eerdere van de zijde van [eiser] in het geding gebrachte informatie (het rapport [B] uit 1996, prod. 9b).

2.7.6. Uitgaande van het rapport van de verzekeringsarts [K] lijkt er sprake te kunnen zijn van enig verlies van arbeidsvermogen maar verder is er weinig bekend.

Ook al zou een arbeidsdeskundige informatie kunnen verstrekken over de in de loop van de tijd bestaande geschikte functies en de daarmee te realiseren verdiensten, dan nog blijven zoveel vragen over, dat het de rechtbank niet mogelijk is werkbare uitgangspunten voor de berekening van deze (veronderstelde) schadepost vast te stellen. De rechtbank zal [eiser], gelet op de vele kansen die hij al heeft gehad, niet nogmaals gelegenheid geven om de ontbrekende informatie in het geding te brengen. De vordering zal op dit punt dan ook worden afgewezen.

Verlies zelfwerkzaamheid (huishouden, huis- en tuinonderhoud)

2.8.1. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij als gevolg van het eerste ongeval beperkt was in het verrichten van huishoudelijk werk en niet meer in staat was werkzaamheden in en om het huis en in de tuin te verrichten. Omdat hij behoefte had aan een geluidsarme, rustige omgeving is hij in 2005 verhuisd naar een vrijstaande woning met grote tuin (303 m2). Naar aanleiding van het herhaalde verzoek van de rechtbank (zie de vonnissen van 2004, 2005 en van 2011) om onderbouwing van deze schadeposten heeft de raadsman van [eiser] bij brief van 3 mei 2011 met producties een aantal offertes voor schilderwerk en tuinonderhoud daterend uit 2008 overgelegd, alsmede tarieven uit 2007 voor huishoudelijke hulp.

Ter gelegenheid van de comparitie van 19 mei 2011 heeft [eiser] verklaard: “Na het eerste ongeval kon ik niet veel meer maar als ik een goede dag had dan kon ik nog wel zo’n beetje wat.”en “Voor het eerste ongeval deed ik alles en kon ik alles in en rond het huis en in de tuin. Ik had twee rechterhanden.”

2.8.2. Interpolis heeft het standpunt ingenomen dat van (volledig) verlies van zelfwerkzaamheid niet is gebleken en er op gewezen dat er geen noodzaak is gebleken voor de verhuizing in 2005. Zij wijst op de schadebeperkingsverplichting van [eiser]. Interpolis stelt vragen over de relatie tussen [eiser] en mw. [H] en over de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de sedert 1993 door [eiser] bewoonde huizen.

2.8.3. De rechtbank stelt vast dat voor de stellingen van [eiser] over het verlies van zelfwerkzaamheid geen, althans onvoldoende steun is te vinden in hetgeen tot dusver in de procedure naar voren is gekomen en wijst daarbij op het volgende.

2.8.4. De rechtbank constateert dat informatie over hoe [eiser] zijn gestelde behoefte aan hulp op de diverse terreinen de achterliggende jaren heeft ingevuld, (nog steeds) ontbreekt. Dat heeft ook te gelden voor het inschakelen van mw. [H] en de betalingen, die [eiser] stelt te hebben verricht voor door haar verricht huishoudelijk werk en tuinonderhoud.

2.8.5. Op de comparitie van 27 oktober 2011 is gebleken dat [eiser] inconsistente informatie heeft verstrekt over het door hem gestelde verlies zelfwerkzaamheid.

Hij heeft toen verklaard dat hij tezamen met mw. [H] eigenaar was van het huis aan [adres]. Zij hebben dat huis bewoond van januari 1995 tot en met december 2004. Ook heeft hij verklaard dat hij en mw. [H] beide eigenaar zijn van de woning die zij in 2005 hebben betrokken en waar ze nu nog steeds wonen. Het huis aan de [adres] was uitsluitend eigendom van [eiser], zo verklaarde hij.

2.8.6. Deze nieuwe stellingname heeft consequenties voor de vordering van [eiser]. Hij vordert immers volledige vergoeding van schilder- en reparatiewerk aan het huis/de huizen en volledige vergoeding van het tuinonderhoud, alsmede van vergoeding voor huishoudelijke hulp. Van mw. [H] als mede-eigenaar en medebewoner mag evenwel verwacht worden dat zij de helft van deze werkzaamheden zelf verricht, althans voor haar kosten laat verrichten. Hiertegen heeft [eiser] naar voren gebracht dat mw. [H] niets voor het onderhoud van (het sedert 2005 bewoonde) huis en tuin hoeft te betalen omdat hij dat zo met haar heeft afgesproken. [eiser] verklaart daarover ter comparitie van 27 oktober 2011: “Tot 2007 kon ik de werkzaamheden grotendeels zelf doen. Toen wij de woning in 2005 aanschaften heb ik met mevrouw [H] afgesproken dat ik het onderhoud van huis en tuin zou verrichten en voor mijn rekening zou nemen en dat zij daarvoor niet zou hoeven betalen. Zij had anders die woning niet willen kopen omdat ze geen geld heeft voor dergelijk onderhoud. Na het tweede ongeval kon ik die werkzaamheden helemaal niet meer verrichten.”

Vervolgens heeft [eiser] ter zitting uit willen leggen wat hij na het eerste ongeval wel en niet meer kon. “Na het eerste ongeval kon ik nog gedeeltelijk wat dingen doen. Wat betreft de tuin kon ik wel de kleine dingen maar niet meer het snoeiwerk en dergelijke. De kozijnen kon ik nog wel een beetje schilderen, maar ik kon bijvoorbeeld niet bukken. Ik kon dus niet al het werk van het buitenschilderwerk doen. Ik kon lichtelijke kluswerkzaamheidjes verrichten. In het huishouden kon ik voor het tweede ongeval wel wat, de lichte werkzaamheden.” Zonder nadere toelichting is evenwel niet te begrijpen hoe deze uitleg zich verhoudt tot de door [eiser] in dezelfde zitting gestelde afspraak met mw. [H] over het onderhoud van huis en tuin, die erop neerkomt dat [eiser] al het onderhoud zou doen.

2.8.7. Over de verhouding tot mw. [H] is tot nu toe veel onduidelijk gebleven. Interpolis heeft al in een eerder stadium van de procedure (2004) vragen opgeworpen over de relatie tussen [eiser] en mw. [H] en over de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de sedert 1993 door [eiser] bewoonde huizen en de rol van mw. [H] daarbij, welke vragen [eiser] niet, althans onvoldoende heeft beantwoord. Ter gelegenheid van de comparitie van 19 mei 2011 deed [eiser] het voorkomen dat mw. [H] een soort huurster is, iemand die een kamer heeft in zijn huis, terwijl thans blijkt dat zij mede-eigenaar is van het huis.

Op de comparitie van 27 oktober 2011 houdt [eiser] vol dat de bewoning zo is ingericht dat er sprake is van twee gescheiden huishoudens, terwijl zijn advocaat opmerkt dat [eiser] mw. [H] nodig heeft als ondersteuning en dat hij het prettig vindt vrouwelijk gezelschap in huis te hebben. Dat sprake is van één of andere vorm van langdurige relatie leidt de rechtbank af uit het feit dat [eiser] nu juist als passagier in de auto van mw. [H] zat toen hij in 1993 werd aangereden.

2.8.8. Gelet op al het voorgaande is het volstrekt onduidelijk of en zo ja in welke mate [eiser] beperkt was in zijn zelfwerkzaamheid als gevolg van het eerste ongeval. Het is niet uitgesloten dat [eiser] wel degelijk een (behoorlijke) restcapaciteit had op het gebied van zelfwerkzaamheid. Wellicht was hij in het geheel niet beperkt (gelet op de afspraak met mevrouw [H] in 2005 over het huis- en tuinonderhoud). Onderbouwing ontbreekt, zijn inconsistente stellingen en verklaringen duiden niet in de richting van zijn gelijk. Ook dragen die niet bij aan de aannemelijkheid van de stelling van [eiser] dat hij in 2005 door zijn situatie genoodzaakt was om een vrijstaande woning met grote tuin te gaan bewonen. Ook die stelling is volstrekt onvoldoende onderbouwd. Deze berust immers op niets meer dan de eigen verklaring van [eiser] (prod. 19 bij akte van 2 maart 2005).

2.8.9. Het vorenstaande in ogenschouw nemend bevreemdt het de rechtbank dat [eiser] na al die jaren nog steeds geen duidelijk beeld kan schetsen over zijn woon- en leefsituatie en informatie heeft achtergehouden over de eigendom van de huizen. De rechtbank verbindt daaraan gevolgen, zoals hierna zal blijken.

2.8.10. Een arbeidsdeskundige zou gevraagd kunnen worden aan de hand van de beperkingenlijst van de verzekeringsarts [K] de behoefte aan huishoudelijke hulp en hulp bij huis- en tuinonderhoud te onderzoeken. De rechtbank zal een dergelijke vraag niet aan een arbeidsdeskundige voorleggen. De arbeidsdeskundige zou immers moeten onderzoeken hoe de situatie is geweest en wat de behoefte is geweest in huizen die niet meer door [eiser] worden bewoond, waarvan het onduidelijk is wat de woonsituatie was (woonde mw. [H] daar wel of niet, wat mocht van haar verwacht worden gelet op de relatie tussen hen) over een periode vanaf 1993 (!) en vervolgens vanaf 2005 in een huis waarvan het zeer de vraag is of het gelet op de schadebeperkingsplicht wel door [eiser] betrokken had mogen worden. Gelet op al deze onduidelijkheden, veroorzaakt door de ontbrekende, althans in het licht van het verweer van Interpolis te summiere onderbouwing van zijn stellingen, alsmede door de tegenstrijdige stellingen en inconsistente informatie van [eiser] acht de rechtbank een dergelijk arbeidsdeskundigenonderzoek zinloos.

Uitgangspunten voor berekening van deze (gestelde) schadeposten kan de rechtbank op basis van de thans voorhanden informatie niet vaststellen. De vordering zal daarom ook op dit punt afgewezen worden.

Reiskosten dr. [L]

2.9. De vordering terzake de reiskosten voor bezoek aan dr. [L] zal eveneens worden afgewezen. Hierover heeft de rechtbank al in 2004 nadere informatie gevraagd. De informatie die is verstrekt door [eiser] bij de akte na tussenvonnis van 2 maart 2005 vond de rechtbank onvoldoende, reden waarom de rechtbank in nagenoeg dezelfde bewoordingen als in het tussenvonnis van 15 december 2004 in 2005 nogmaals om een toelichting heeft gevraagd, en wederom bij tussenvonnis van 16 maart 2011. [eiser] heeft als prod. 8 bij de brief van 3 mei 2011 diverse stukken van de hand van dr. [L] overgelegd. De rechtbank acht echter deze stukken onvoldoende. Zoals de rechtbank al in het tussenvonnis van 21 september 2005 heeft overwogen, komen kosten voor alternatieve geneeswijzen voor vergoeding in aanmerking, als de kosten door een of meer zorgverzekeraars worden vergoed en/of artsen hun patiënten naar dergelijke alternatieve behandelaars verwijzen. Of in het onderhavige geval [eiser] door een arts naar dr. [L] is verwezen is de rechtbank niet duidelijk. Dat is echter niet relevant, nu is gebleken dat de neuraaltherapie in veel gevallen door zorgverzekeraars wordt vergoed. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, mogen in dat geval geen al te zware eisen worden gesteld aan de op het slachtoffer rustende bewijslast van het nut van de behandeling. Dat betekent echter niet dat daaraan in het geheel geen eisen mogen worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat met de thans voorhanden informatie nog steeds niet kan worden geoordeeld dat de (nog steeds voortdurende) behandelingen door dr. [L] enig nut hebben, noch waarom deze behandelingen negentien jaar (!) na het ongeval nog steeds onverminderd moeten voortduren. Al met al is de noodzaak van de behandelingen door dr. [L] nog steeds niet voldoende aangetoond en daarmee ook niet de noodzaak de gevorderde reiskosten te maken.

Gevolgen tweede ongeval; uitgangspunten schadeberekening

Verlies arbeidsvermogen

2.10. De eigen stelling van [eiser] is dat hij als gevolg van het eerste ongeval zijn arbeidsvermogen volledig heeft verloren. Van een toename van het verlies arbeidsvermogen als gevolg van het tweede ongeval is derhalve geen sprake. Dit kan daarom verder onbesproken blijven.

De medische situatie als gevolg van het tweede ongeval

2.11.1. [eiser] stelt dat zijn medische situatie als gevolg van het tweede ongeval is verslechterd. Ter gelegenheid van de comparitie van 19 mei 2011 heeft hij daarover verklaard: “De breuk van het borstbeen en de ribben zijn wel genezen maar ik heb pijnklachten gehouden. Aan mijn linkerhand heb ik posttraumatische dystrofie overgehouden, waardoor ik nog maar 20 % van de kracht in die hand heb. Ik weet niet zeker of die dystrofie in het ziekenhuis is vast gesteld.

Ik heb ook veel klachten gekregen aan mijn onderlichaam. Er zijn daar zenuwweefsels beschadigd. (……) Door de klachten aan mijn linkerhand die door het tweede ongeval zijn veroorzaakt kan ik bijvoorbeeld geen potje openmaken en niets vasthouden. Door de klachten aan het onderlichaam heb ik problemen met traplopen en ben ik ook niet meer in staat om veel rond het huis te bewegen. Ook levert het problemen op met autorijden, want ik kan moeilijk koppelen.”

Op de comparitie van 27 oktober 2011 heeft [eiser] nog als volgt verklaard: “Vanaf het tweede ongeval heb ik een posttraumatisch stress syndroom. Ik pik niets meer van andere mensen en kan niet meer tegen drukte of stress. Ik heb ook veel meer pijn. Mijn linkerhand functioneert niet meer. Twee maal per week krijg ik een behandeling om de pijn te verlichten.

Het klopt dat ik psychologische hulp heb gehad na het tweede ongeval.”

2.11.2. [eiser] heeft begin mei 2011 zijn medisch dossier overgelegd. De rechtbank merkt allereerst op dat het op de weg van [eiser] had gelegen daarbij toe te lichten waar in dat dossier de onderbouwing is te vinden voor de door hem gestelde klachten op medisch gebied, in plaats van het aan de rechtbank over te laten daarnaar op zoek te gaan. Dat gezegd hebbende, constateert de rechtbank dat in het door [eiser] overgelegde medisch dossier, noch in andere stukken iets is te vinden dat de stelling van [eiser] over de spierdystrofie aan de linkerhand, de beschadigde zenuwweefsels in het onderlichaam, en de posttraumatische stressstoornis kan onderbouwen.

Over de spierdystrofie verklaart alleen de neuraaltherapeut dr. [L] in zijn brief van 12 juli 2010 (prod. 3 medisch dossier), die voor een dergelijke diagnose geen enkele onderbouwing geeft. In de stukken uit het reguliere behandelend medisch circuit komt niets naar voren dat op spierdystrofie wijst. Uit de brief van de behandelend neuroloog uit 2008 (prod. 4 medisch dossier) volgt integendeel dat er herstel werd verwacht van de linkerhand.

Over klachten van het onderlichaam en aldaar beschadigde zenuwweefsels is in het dossier niets te vinden. Er is sprake van een liesbreukoperatie (in maart 2010) maar van restklachten blijkt niets. Bovendien staat niet vast dat de liesbreuk zich openbaarde als gevolg van het tweede ongeval, zoals [eiser] stelt. Dr. [L] schrijft dit wel in zijn brief van 12 juli 2010 (prod. 3 medisch dossier), maar waarop hij dat baseert blijkt nergens uit.

Ook wijst niets op het bestaan van de gestelde posttraumatische stresstoornis. Uit het dossier blijkt (prod. 6 medisch dossier, brieven van de psychologen) dat [eiser] in 2007/2008 psychotherapeutische hulp heeft gehad (hij verklaart daar ook over ter comparitie van 27 oktober 2011). Dit heeft blijkens de brief van 23 september 2008 van de psycholoog geleid tot verbetering van de situatie van [eiser]. Met geen woord wordt gerept over posttraumatische stressstoornis.

2.11.3. Ter gelegenheid van de beide in 2011 gehouden comparities is aan de orde geweest of deskundigenonderzoek klaarheid in de zaak zou kunnen brengen. [eiser] wenst dat een neuroloog wordt benoemd om de gevolgen van het tweede ongeval te beoordelen. Op zichzelf heeft Interpolis geen bezwaar tegen benoeming van een neuroloog, waarbij de voorkeur is uitgesproken voor de neuroloog [S] die in 1995 al heeft gerapporteerd over [eiser].

2.11.4. De rechtbank zal evenwel niet overgaan tot benoeming van een deskundige, ook niet van een neuroloog. Het is de rechtbank op grond van de blote stellingen van [eiser], die ook nog eens worden tegengesproken, althans niet worden onderbouwd door het medisch dossier, volstrekt onduidelijk wat [eiser] zou kunnen mankeren. Het is daarom ondoenlijk te bepalen welk specialisme de rechtbank zou moeten inschakelen om voorgelicht te worden over de medische situatie van [eiser]. Van [eiser] had verwacht mogen worden dat hij de benodigde informatie uiterlijk voorafgaande aan of bij de comparitie van 27 oktober 2011 in het geding had gebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding [eiser] nu nog die gelegenheid te geven. De rechtbank zal derhalve niet tot benoeming van een medisch deskundige overgaan.

Verlies zelfwerkzaamheid (huishouden, huis- en tuinonderhoud)

2.12.1. [eiser] stelt dat hij als gevolg van het tweede ongeval zijn mogelijkheden tot het verrichten van huis- en tuinonderhoud en het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden volledig heeft verloren.

Hiervoor heeft de rechtbank al overwogen dat niet is vast te stellen of de medische toestand van [eiser] ten gevolge van het tweede ongeval is verslechterd. Er kan derhalve ook niet vastgesteld worden of en in welke mate [eiser] meer beperkingen op het gebied van zelfwerkzaamheid ondervindt ten opzichte van de situatie na het eerste ongeval. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.8.10. overwogen dat de situatie als gevolg van het eerste ongeval (minst genomen) onduidelijk is, mede gelet op de onvolledige en inconsistente informatie van [eiser]. Het is niet uitgesloten dat [eiser] voor het tweede ongeval tot meer in staat was, dan hij aanvankelijk in de procedure heeft gesteld. Voor wat betreft de situatie na het tweede ongeval constateert de rechtbank dat waar [eiser] ter comparitie van 27 oktober 2011 heeft verklaard: “Na het tweede ongeval kan ik helemaal niets meer in het huishouden. Zo kan ik niet meer koken of snijden.”, de revalidatiearts in de brief van 10 oktober 2007 noteert als één van de activiteiten van [eiser]: “eten koken”. (prod. 7 medisch dossier). Tevens constateert de rechtbank in het huisartsenjournaal (prod. 2 medisch dossier) dat de huisarts op 20 maart 2009 noteert: “weer meer pijn li lies mn na tuinwerk (…. )”.

2.12.2. Het lijkt er derhalve op dat [eiser] ook na het tweede ongeval meer kan dan hij de rechtbank heeft voorgehouden. Daar komt nog bij de onduidelijkheid met betrekking tot mw. [H].

Wat er verder van de situatie van [eiser] zij, op basis van de voorhanden informatie is het de rechtbank onmogelijk uitgangspunten voor het vaststellen van deze schadecomponent te formuleren. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

Traplift

2.13. [eiser] voert als schadepost op de kosten van een traplift. Gelet op het voorgaande moet de rechtbank constateren dat de behoefte aan een traplift op geen enkele wijze is onderbouwd. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 27 oktober 2011 is gebleken dat [eiser], ondanks de gestelde behoefte, nog geen traplift heeft laten aanleggen. Het feit dat deze nog niet is aangeschaft (ondanks de bevoorschotting door Interpolis tot een bedrag van EUR 250.000,-) vormt naar het oordeel van de rechtbank een contra indicatie voor het bestaan van die behoefte. Deze post kan daarom bij het bepalen van uitgangspunten voor het vaststellen van de schade niet meegenomen worden.

Auto met automaat

2.14. [eiser] heeft vergoeding van kosten voor de aanschaf van een auto met automaat gevorderd. In de brief van de advocaat van [eiser] van 3 mei 2011 wordt gesteld dat [eiser] vanaf 2007 een auto met automaat en stuurbekrachtiging heeft moeten aanschaffen. Een onderbouwing van die kosten is niet overgelegd, slechts enkele voorbeelden van autokosten zijn in het geding gebracht. Ter zitting van 27 oktober 2011 heeft [eiser] verklaard dat hij nog geen auto met automaat heeft aangeschaft en dat hij met de handgeschakelde auto nog steeds ca. 15.000 km per jaar rijdt. Gelet op het hetgeen hierboven aan de orde is geweest over mogelijke beperkingen, is de behoefte aan een auto met automaat niet vast te stellen. Het feit dat deze nog steeds niet is aangeschaft (ondanks de bevoorschotting door Interpolis tot een bedrag van EUR 250.000,-) acht de rechtbank een contra indicatie voor het bestaan van die behoefte. Ook deze post kan daarom bij het bepalen van uitgangspunten voor het vaststellen van de schade niet meegenomen worden.

Reiskosten dr. [L]

2.15. Zoals hiervoor is overwogen wordt wel gesteld dat de gezondheidssituatie ernstig is verslechterd als gevolg van het tweede ongeval, maar dat is onvoldoende onderbouwd. Het is daarom ook niet duidelijk wat de noodzaak is van de voortdurende behandeling door dokter [L], zelfs twee maal per week. Ook hier is sprake van onvoldoende informatie om verdere beslissingen op te baseren. De rechtbank is daarom niet staat met deze post rekening te houden bij het bepalen van uitgangspunten voor de schadeberekening.

Immateriële schadevergoeding

2.16. Uit het voorgaande volgt dat te weinig over de gevolgen van beide ongevallen bekend is. Het is dan ook onmogelijk immateriële schade te begroten. Voor zover dat al anders zou zijn, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in de slotconclusie overweegt.

Slotconclusie

2.17. Vast staat dat [eiser] twee ongevallen is overkomen. In het tussenvonnis van 15 december 2004 heeft de rechtbank overwogen dat een drietal schadeposten toegewezen kunnen worden, te weten voor medische kosten en reiskosten, eigen bijdrage ziektekostenverzekering en extra telefoon- en kopieerkosten ter grootte van EUR 314,47, EUR 128,33 en EUR 226,89. Het is zeer wel denkbaar dat [eiser] meer schade als gevolg van de twee ongevallen heeft ondervonden. In het dossier is ook wel enige aanwijzing in die richting te vinden (zij het onvoldoende onderbouwd om verdere beslissingen op te kunnen baseren). Interpolis heeft voorschotten betaald tot EUR 250.000,-. Zij heeft die voorschotten niet teruggevorderd. Zij gaat er kennelijk van uit dat er een dergelijke schade is aan de zijde van [eiser]. De rechter constateert dat voor zover er (meer dan de hiervoor genoemde drie posten aan) schade is geleden deze in voldoende mate is vergoed door dat bedrag van EUR 250.000,-.

Proceskosten

2.18. Gelet op het feit dat Interpolis aansprakelijk is voor de gevolgen van het eerste ongeval en het op zich heeft genomen de gevolgen van het tweede ongeval (waarvoor Delta Lloyd aansprakelijk is) af te wikkelen, acht de rechtbank het redelijk dat, hoewel de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. bepaalt dat ieder de eigen kosten van de procedure draagt,

Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.