Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV9785

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
AWB 09-966, 11-3658, 11-3767 en 11-3785
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijstellingen verleend ex 19 lid 2 van de WRO; bouwvergunning en ontheffing ex 3.23 Wro voorbereid met de uov.

Geen zienswijzen tegen de bouwvergunning, wel tegen de vrijstellingen. Beroep toch ontvankelijk geacht in verband met onduidelijkheid in de kennisgeving van terinzagelegging van de bouwvergunning en ontheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 09/966, 11/3658, 11/3767 en 11/3785

Uitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2012

inzake

1. [eiseres 1] (AWB 09/966 en AWB 11/3658),

te Eindhoven,

gemachtigde: mr. E.C.R.E.M. Corsten,

2. [eiser 2] (AWB 11/3767),

te Eindhoven, en

3. [eisers 3] (AWB 11/3785),

te Eindhoven,

gemachtigde: mr. P.M.F. Jansen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.N.H. Kepers.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [verbalisantgunninghoudster], te Eindhoven, vergunninghoudster, gemachtigde mr. P.W.M. Dorn.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 3 februari 2009 heeft verweerder aan vergunninghoudster vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend ten behoeve van respectievelijk de herontwikkeling van het terrein van de voormalige Blauwververij aan de St. Jorislaan en de Romerohof en de nieuwbouw van woningen en zakelijke ruimten aan de Geldropseweg en de Hoefkestraat (Joep Jansen-terrein) te Eindhoven.

Tegen deze besluiten heeft eiseres sub 1 beroep ingesteld.

Bij besluit van 21 september 2011 heeft verweerder aan vergunninghoudster ontheffing verleend met toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro)

en met toepassing van de op 3 februari 2009 verleende vrijstellingen reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van woningen, commerciële ruimten en bergingen, gelegen op het percelen aan de Geldropseweg 70 t/m 88, St. Rochushofje 2 t/m 8, St. Jorislaan 72 t/m 78, Hoefkestraat 68a t/m 68c, Romerohof 8 t/m 16, Tuinstraat 7 t/m 24, St. Rochusstraat 47 t/m 51, kadastraal bekend gemeente Eindhoven, sectie E, nummers 2879, 2878, 5485, 868, 6651, 6655, 4881, 4882, 4624, 2809, 2474, 4883 en 4884.

Tegen dit besluit hebben eisers sub 1, 2 en 3 beroep ingesteld.

De zaken zijn -samen met de zaken AWB 09/1107, 09/1173 en 09/1201- behandeld op de zitting van 3 februari 2012, waar eiseres sub 1 is vertegenwoordigd door [man 1], bijgestaan door haar gemachtigde. Eiser sub 2 is verschenen in persoon en voor eisers sub 3 is verschenen de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is voor vergunninghoudster verschenen [man 2] en haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is of verweerder terecht bouwvergunning heeft verleend ten behoeve van de herontwikkeling van de Blauwververij en het Joep Jansen-terrein, gelegen in de Rochusbuurt te Eindhoven, alsmede of verweerder in redelijkheid vrijstellingen heeft kunnen verlenen.

Feiten en omstandigheden

Blauwververij

2. Met de herontwikkeling van het terrein van de voormalige Blauwververij aan de

St. Jorislaan en het aangrenzende terrein aan de Romerohof wordt beoogd om, door middel van woningbouw, het voorheen gesloten gebied onderdeel te maken van de Rochusbuurt en tevens door nieuwbouw een impuls te geven aan het aanzien en de leefbaarheid van de buurt. Het projectgebied wordt begrensd door de St. Jorisstraat in het zuiden, de Hoefkestraat aan de oostzijde, de St. Rochusstraat aan de noordzijde en de Tuinstraat aan de westzijde. Enkele karakteristieke elementen, zoals de Blauwververij, zullen worden gerenoveerd en krijgen een nieuwe bestemming.

Binnen dit plangebied worden nieuwe woningen en appartementen gebouwd.

Joep Jansen-terrein

3. Dit project omvat twee onderdelen, te weten de herontwikkeling van het voormalige Joep Jansen-terrein en de nieuwbouw van winkels en woningen aan de Geldropseweg. Met het onderdeel dat ziet op het Joep Jansen-terrein wordt beoogd om door herontwikkeling te komen tot een verbetering van het woon- en leefmilieu aan de Hoefkestraat en tot een verbetering van de uitstraling van het gebied aan de zijde van de Geldropseweg, waarmee ook een positieve bijdrage wordt geleverd aan het woon- en leefklimaat van de gehele wijk. Het terrein wordt omsloten door de Geldropseweg, Hoefkestraat en St. Rochushofke. In de huidige situatie staan aan de zijde van de Geldropseweg winkelpanden met daarboven woonruimte. Aan de Hoefkestraat staan enkele woningen, terwijl het binnenterrein voorheen grotendeels met bedrijfsruimten (het voormalige Joep Jansen-terrein) bebouwd was.

De herontwikkeling van het Joep Jansen-terrein bestaat uit grondgebonden eengezinswoningen en gestapelde woningen op een parkeergarage. De gestapelde woningen vormen een eenheid met de nieuwbouw aan de Geldropseweg, waarin ook gestapelde woningen zijn opgenomen, naast commerciële ruimten op de begane grond.

4. Het verzoek om vrijstelling dateert van 2 juni 2008. De ontwerpvrijstellingsbesluiten met de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwingen en plankaarten hebben van 3 april 2008 tot en met 14 mei 2008 voor een ieder ter inzage gelegen, waarbij de mogelijkheid is geboden een zienswijze in te dienen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn er 72 zienswijzen ingediend die zijn samengevat en behandeld in de “Nota van zienswijzen Rochusbuurt”. Alle eisers hebben zienswijzen tegen de ontwerpvrijstellingsbesluiten ingediend. Een aantal zienswijzen heeft geleid tot aanpassing van de plannen op een zevental aspecten.

Bouwvergunning

5. De aanvraag om bouwvergunning dateert van 28 juni 2010. Het bouwplan past niet volledig binnen de op 3 februari 2009 verleende vrijstellingen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, omdat de situering van de loopbrug tussen gebouw J en K, onderdeel Blauwververij afwijkt van de eerdere plannen. Hiervoor wordt ontheffing verleend met toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro.

Het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken heeft ter inzage gelegen van 24 maart 2011 tot en met 4 mei 2011, waarbij belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld zienswijzen naar voren te brengen. Gedurende deze periode zijn er zienswijzen ontvangen, onder meer van eiseres sub 1. Verweerder heeft geoordeeld dat deze zienswijzen ongegrond zijn.

De bouwvergunning is verleend voor 13 woningen, 28 appartementen op de parkeergarage en 28 appartementen aan de Geldropseweg met 1030 m² commerciële ruimte in het project Joep Jansen-terrein. Ten behoeve van de het project Blauwververij zijn 12 woningen en 20 appartementen en een parkeergarage vergund. Niet in geschil is dat bouwvergunning is verleend voor minder woningen en appartementen en voor minder vierkante meters aan commerciële ruimte dan waarvan in de vrijstellingsbesluiten sprake was.

Wettelijk/planologisch kader

6. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgermeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

7. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur verstaan een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan.

Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

8. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww mag een reguliere bouwvergunning slechts en moet een dergelijke vergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

9. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De in artikel 3.23 van de Wro bedoelde gevallen zijn opgenomen in artikel 4.1.1, eerste lid, van het Bro.

10. Ingevolge het op 12 oktober 1998 vastgestelde en op 1 juni 1999 goedgekeurde bestemmingsplan ‘Eindhoven binnen de Ring’, rust op de percelen de bestemming “Woondoeleinden”, met de aanduiding “Verweving wonen/bedrijvigheid” en “Ontwikkelingslocatie”. Dit is een globaal bestemmingsplan dat door verweerder dient te worden uitgewerkt. Tussen partijen is niet in geschil, dat op grond van eerdere rechterlijke uitspraken moet worden aangenomen dat de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan onvoldoende zijn geobjectiveerd, zodat deze bestemming niet rechtsgeldig kan worden uitgewerkt. Nu op grond van de bepalingen van het bestemmingsplan een bouwvergunning niet kan worden verleend zolang de globale bestemming niet is uitgewerkt, is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. Ten einde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO.

11. Bij besluit van gedeputeerde staten van 16 mei 2006 zijn onder meer projecten die passen binnen de uitgangspunten van het bestemmingsplan ‘Eindhoven binnen de Ring’ aangewezen als categorie van gevallen waarin toepassing kan worden gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO. Gelet op de aard van het bouwplan, moet dit geacht worden te passen binnen de, ten aanzien van de genoemde bestemmingen, in het bestemmingsplan geformuleerde uitgangspunten. Dit bestemmingsplan kan in zoverre derhalve (mede) dienen als grondslag voor het bestreden besluit. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan alle formele vereisten voor het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO is voldaan, zodat verweerder bevoegd was vrijstelling te verlenen.

12. De rechtbank stelt voorop dat het verlenen van vrijstelling een discretionaire bevoegdheid van verweerder is die de rechtbank slechts terughoudend kan toetsen. Dat betekent dat de rechtbank oordeelt over de vraag of verweerder na afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstellingen heeft kunnen overgaan.

Ontvankelijkheid van eiser sub 2 en eisers sub 3

13. De aanvraag om bouwvergunning is gedateerd 28 juni 2010, zodat daarop de Wro van toepassing is.

14. Ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Ww wordt in de situatie als bedoeld in het derde lid, tweede volzin (ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro) de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing (…).

15. Ingevolge artikel 3.24, derde lid, van de Wro is op de voorbereiding van een besluit omtrent een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing (…).

16. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

17. Gebleken is dat de eisers sub 2 en 3 geen zienswijzen hebben ingediend tegen het ter inzage gelegde ontwerpbesluit tot bouwvergunning en ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro. Derhalve dient eerst de vraag te worden beantwoord of hun beroep ontvankelijk is.

18. Verweerder en vergunninghoudster stellen zich op het standpunt dat de beroepen van deze eisers, gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.

Eiser sub 2 heeft ter zitting nog toegelicht dat hij geen bezwaren heeft tegen de loopbrug, waarvoor nog ontheffing moest worden verleend. Zijn bezwaren, zo stelt hij, waren bij verweerder bekend met het indienen van de zienswijzen tegen de vrijstellingsbesluiten. Voorts verwijst eiser sub 2 nog naar door hem overgelegde e-mails, waaruit blijkt dat niet duidelijk was of nu wel of niet een zienswijze moest worden ingediend.

19. Bij de stukken bevindt zich een kennisgeving van verweerder waarin wordt medegedeeld dat “van 24 maart 2011 tot en met 4 mei 2011 (….) ter inzage ligt het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken behorende bij het plan tot het bouwen van (…)”. Voorts vermeldt de kennisgeving dat “burgemeester en wethouders voornemens zijn ten behoeve van dit plan ontheffing te verlenen met toepassing van artikel 3.23 van de Wro”.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval redelijkerwijs niet aan eiser sub 2 en eisers sub 3 te verwijten valt dat zij tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze hebben ingediend. De rechtbank neemt daarbij vooral in aanmerking dat de vrijstellingen reeds in februari 2009 zijn verleend, dat intussen de procedure is gewijzigd (in de Wro), alsmede dat het niet noemen van het voornemen tot verlenen van de bouwvergunning in de kennisgeving tot misverstanden aanleiding heeft gegeven. Van verweerder mag op dit punt meer zorgvuldigheid worden verwacht.

De beroepen van eiser sub 2 en eisers sub 3 zijn derhalve ontvankelijk.

Ruimtelijke onderbouwing

20. Aan een vrijstellingsbesluit dient een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag te liggen.

21. Eisers stellen zich -kort gezegd- op het standpunt dat de ruimtelijke onderbouwingen niet voldoen. Zij voeren in de eerste plaats aan dat de bouwplannen niet aansluiten bij de randvoorwaarden voor de herontwikkeling van de Rochusbuurt, zoals die door verweerder zijn opgesteld in de Kaders gebiedsontwikkeling Rochusbuurt van oktober 2004. Er is geen sprake van kleinschaligheid en fijnmazigheid nu er in feite grote complexen van woningen en appartementen worden gebouwd. Deze zijn voor de buurt veel te massaal. Bovendien wordt niet voldaan aan de eis dat de vorm van de woningen aan moet sluiten bij de huidige bebouwing, te weten 1 à 2 bouwlagen met kap.

Met deze plannen komt de leefbaarheid in de buurt in het geding: er is sprake van aantasting van de privacy.

Eisers sub 3 stellen zich nog op het standpunt dat er door de bouwplannen sprake is van verminderde lichtinval, van geluidsoverlast en lichthinder ten aanzien van hun woning en perceel.

Eiseres sub 1 heeft nog aangevoerd dat de ruimtelijke onderbouwing niet ingaat op de relatie met het huidige bestemmingsplan, noch motiveert waarom de bouwplannen passen binnen de toekomstige bestemming.

22. Wat betreft de relatie van de bouwplannen met de huidige en toekomstige bestemmingen stelt de rechtbank vast dat de betrokken gebieden Blauwververij en Joep Jansen-terrein in het geldende bestemmingsplan zijn bestemd tot “Woondoeleinden”, met de aanduiding “Verweving wonen/bedrijvigheid” en “Ontwikkelingslocatie”.

In de ruimtelijke onderbouwing wordt tevens verwezen naar artikel 4.10.5 van de beschrijving van hoofdlijnen van het bestemmingsplan: “De bestaande ruimtelijke en functionele structuur mag niet wezenlijk worden veranderd. Waar mogelijk dient de woonfunctie te worden versterkt en de bedrijvigheid dient zodanig te worden gereguleerd dat geen overlast voor de woonfunctie ontstaat. Bij een eventuele beëindiging van de bedrijfsfunctie op de als ontwikkelingslocaties 16 en 17 aangeduide terreinen wordt een ontwikkeling nagestreefd van een overwegende woonfunctie”.

De thans aan de orde zijnde bouwplannen voorzien voornamelijk in woningbouw.

23. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat bovenstaande geen goede onderbouwing van de huidige en toekomstige bestemming zou zijn, zodat deze beroepsgrond van eiseres sub 1 niet slaagt.

24. Wat betreft de door eisers aangevoerde aansluiting bij de randvoorwaarden heeft verweerder ter zitting nader toegelicht dat in 2004 de Kaders gebiedsontwikkeling Rochusbuurt zijn opgesteld. Hierin zijn de randvoorwaarden ten behoeve van de herontwikkeling van het Joep Jansen-terrein en de Blauwververij neergelegd.

Voorts zijn op verzoek van de werkgroep Nieuwbouw, waarin vertegenwoordigers van de Rochusbuurt zaten, de bouwplannen ter toetsing voorgelegd aan een onafhankelijke derde, de Architectenwerkgroep uit Tilburg, die heeft geoordeeld dat de plannen overwegend voldoen aan de uitgangspunten. Bovendien zijn naar aanleiding van zijn bevindingen in het rapport van 9 januari 2007 de plannen nog aangepast. Eerst daarna zijn de ruimtelijke onderbouwingen opgesteld.

Desgevraagd heeft vergunninghoudster nog aangegeven dat de fijnmazigheid van het bouwplan tot uitdrukking komt in de doordringbaarheid van de bouwblokken voor voetgangers en fietsers. De kleinschaligheid ziet op herkenbare, steeds terugkerende elementen in de bouwblokken. Daarmee is volgens vergunninghoudster bedoeld dat de kleinschaligheid binnen een totaalblok kenbaar wordt gemaakt en dat het bij kleinschaligheid niet gaat om het bouwblok in zijn geheel.

25. Gelet op de status van de Kaders gebiedsontwikkeling Rochusbuurt, gelden deze naar het oordeel van de rechtbank niet als ‘keiharde afspraken’, zoals door eiseres sub 1 ter zitting is aangevoerd. De ruimtelijke onderbouwingen bezien in samenhang met het rapport van de Architectenwerkgroep, de nota van zienswijzen alsmede de nadere toelichtingen van verweerder en vergunninghoudster, geven voldoende onderbouwing waarom de onderhavige bouwplannen voldoen aan de in de Kaders opgenomen uitgangspunten met betrekking tot kleinschaligheid, fijnmazigheid, diversiteit en stedelijke omgeving.

26. Hetgeen eisers nog hebben gesteld omtrent de aantasting van hun privacy, lichtinval, lichthinder en geluidsoverlast ten gevolge van de bouwplannen, kan niet leiden tot de conclusie dat deze aspecten onvoldoende zijn meegewogen. Zowel in de nota van zienswijzen als in het verweerschrift heeft verweerder deze grieven naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd weerlegd en hebben eisers geen nadere onderbouwing van hun stellingen gegeven.

27. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat deze beroepsgronden falen.

Verkeersafwikkeling en parkeren

28. Eisers hebben aangevoerd dat door de bouwplannen de parkeerdruk in de buurt zal toenemen. Er is immers nu al een tekort aan parkeerplaatsen. Naar verwachting zullen de bewoners van de St. Rochusstraat en de Hoefkestraat de openbare parkeerplaatsen gebruiken en niet helemaal doorrijden tot de parkeergarage onder het Joep Jansen-terrein, aldus eiser sub 2. Voorts stellen eisers dat ten gevolge van de bouwplannen het aantal verkeersbewegingen in de buurt zal toenemen. Eisers sub 3 klagen met name over het toenemende verkeer naar de ingang van de parkeergarage op het Joep Jansen-terrein in het gedeelte van de Hoefkestraat waar zij woonachtig zijn.

Tot slot zijn eisers van mening dat de in/uitrit van het parkeerdek aan de Tuinstraat tot levensgevaarlijke situaties zal leiden. Immers is tegenover deze in/uitrit een basisschool gelegen.

29. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat in de Hoefkestraat éénrichtingsverkeer is ingesteld en dit zo blijft. Voorts is alleen de ingang van de parkeergarage op het Joep Jansen-terrein gelegen aan de Hoefkestraat. De uitrit van deze garage is gesitueerd aan de Geldropseweg. De St. Rochusstraat is een éénrichtingsweg, wat betekent dat slechts de helft van het aantal verkeersbewegingen door deze straat naar de Hoefkestraat rijdt.

In de ruimtelijke onderbouwingen is het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de bouwplannen berekend. Deze berekeningen zijn door eisers niet gemotiveerd betwist.

Uiteindelijk zijn minder woningen en appartementen vergund dan waarvan in de ruimtelijke onderbouwing nog van werd uitgegaan.

Alles bijeen genomen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de toename van het aantal verkeersbewegingen aanvaardbaar kunnen achten.

30. Naar aanleiding van ingediende zienswijzen omtrent de verkeerssituatie in de Tuinstraat heeft verweerder het bouwplan (Blauwververij) voorgelegd aan de SOAB, adviseurs voor woning en leefomgeving, te Breda. In zijn rapport van september 2008 komt de SOAB tot de conclusie dat het voorziene aantal verkeersbewegingen in de Tuinstraat zich in principe zonder problemen kan afwikkelen in de huidige 30 km zone. Wel stelt de SOAB een aantal maatregelen voor. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet onderbouwd dat met deze maatregelen de verkeersveiligheid in de Tuinstraat onvoldoende is gegarandeerd. Ten aanzien van de Blauwververij heeft verweerder derhalve terecht de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het bouwplan aanvaardbaar geacht.

32. Wat betreft de parkeerbehoefte die ontstaat door de bouwplannen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam onderbouwd dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om in die behoefte te voorzien. Dit is door eisers niet betwist. Dat er in de buurt reeds een tekort aan parkeerplaatsen is, doet daar niet aan af. Is er in de bestaande situatie reeds sprake van een tekort aan parkeerplaatsen, dan dient dat bestaande tekort buiten beschouwing te blijven bij de beoordeling van dat bouwplan (ABRvS 5 oktober 2005, LJN: AU3808 en ABRvS 29 maart 2006, LJN: AV7559). Evenmin staat ter toetsing de vrees van buurtbewoners dat de parkeergarages niet zullen worden gebruikt.

32. Deze beroepsgronden falen.

Groenvoorziening

33. Eiseres sub 1 en eisers sub 3 hebben zich op het standpunt gesteld dat de bouwplannen onvoldoende voorzien in de openbaar groen. Zij verwijzen daarbij naar het Groenbeleidsplan van de gemeente Eindhoven d.d. oktober 2001, waarin wordt uitgegaan van minimaal 4 m² per inwoner.

34. De Rochusbuurt is gelegen in één van de stadsdelen waarin rood beeldbepalend is. Ingevolge het Groenbeleidsplan heeft in deze categorie het groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit of een recreatieve functie voor de woonomgeving. Voorts zou binnen deze categorie het oppervlak groen niet verder af moeten nemen. Binnen de groenarme buurten zou gestreefd moeten worden naar uitbreiding van het groenareaal tot minimaal 4 m² per inwoner en bij voorkeur 8 m² (pagina 16 van het Groenbeleidsplan).

Verweerder heeft erkend dat het streven van minimaal 4 m² openbaar groen per bewoner in een bestaande buurt als de Rochusbuurt lastig te bereiken is.

35. De rechtbank stelt voorop dat de groenvoorziening in de bouwplannen openbaar groen betreft. Er zullen na realisering van de bouwplannen weliswaar minder bomen in het plangebied aanwezig zijn, maar ter zitting hebben verweerder en vergunninghoudster onweersproken gesteld dat door de bouwplannen het groen binnen de plangrenzen niet afneemt. Tevens is dit groen beter bereikbaar en van een betere kwaliteit dan het thans aanwezige groen. Het uitgangspunt zoals ter zitting door de [eiseres 1] verwoord, dat er niet gebouwd mag worden als er niet voldaan wordt aan de eis van 4 m² groen, houdt geen stand, mede gelet op de bewoordingen van het Groenbeleidsplan zoals hierboven aangehaald.

Bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bouwplannen niet in strijd zijn met het Groenbeleidsplan van verweerders gemeente, zodat deze beroepsgrond niet slaagt.

Financiële haalbaarheid

36. Eisers sub 3 zijn van mening dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of het bouwplan financieel haalbaar is. Zij vrezen leegstand. Eiser sub 2 heeft nog aangevoerd dat verweerder geen planschaderisicoanalyse heeft uitgevoerd.

37. In de ruimtelijke onderbouwingen is aangegeven dat verweerder met vergunninghoudster een exploitatieovereenkomst afsluit waarin kostenverhaal plaatsvindt van door de gemeente te maken kosten, zoals onder meer de herinrichting van het openbaar gebied. Eisers sub 3 hebben niet onderbouwd waarom daarmee het project financieel niet haalbaar zou zijn.

Voorts overweegt de rechtbank dat het doen van onderzoek naar planschaderisico, alsmede het sluiten van een verhaalsovereenkomst, als bedoeld in artikel 49a van de WRO, dan wel artikel 6.4 van de Wro, een bevoegdheid van verweerder betreft en niet een verplichting.

Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam gebleken dat de bouwplannen financieel uitvoerbaar zijn.

38. Gelet op bovenstaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat de ruimtelijke onderbouwingen de rechterlijke toets kunnen doorstaan en dat verweerder na afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid de vrijstellingen heeft kunnen verlenen.

Welstand

39. Eisers sub 3 hebben nog aangevoerd dat onduidelijk is waarom de bouwplannen voldoen aan de eisen van welstand.

40. Bij de stukken bevindt zich het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit van 26 januari 2011. Na toetsing aan de algemene criteria genoemd in de welstandsnota, hoofdstuk 5, en aan de objectgerichte criteria genoemd in hoofdstuk 6 van de welstandsnota, rekening houdend met de omschrijvingen in de cultuurhistorische waardenkaart, geeft de commissie een ‘akkoord’ voor de bouwplannen. Voor zover eisers hebben gesteld dat zij betwijfelen of de welstandscommissie wel gekeken heeft naar de gevolgen van de bouw van het immense complex voor de situatie van de omliggende percelen, gaat de rechtbank hieraan voorbij, nu deze beroepsgrond niet gemotiveerd is onderbouwd. De beroepsgrond faalt.

Burgerparticipatie

41. Tot slot heeft hebben eisers -kort samengevat- aangevoerd dat de huidige bewoners van de Rochusbuurt onvoldoende invloed op de bouwplannen hebben gehad.

42. Deze beroepsgrond faalt. Op grond van de stukken en uit het verhandelde ter zitting is vast komen staan dat er meerdere informatiemomenten zijn geweest, dat er een klankbordgroep is geweest waarin buurtbewoners zitting hadden, dat deze klankbordgroep betrokken is geweest bij de totstandkoming van de plannen en dat naar aanleiding van opmerkingen uit diverse overlegverbanden en zienswijzen de plannen nog zijn aangepast. Daarnaast is aan alle wettelijke procedurele vereisten voldaan.

Dat eisers niet allen de uitwerking krijgen die volledig aan hun wensen tegemoetkomt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder reeds daarom onvoldoende uitvoering gegeven heeft aan de burgerparticipatie. Integendeel, in het onderhavige geval heeft verweerder de burger voldoende ruimte geboden hun visie kenbaar te maken. Deze beroepsgrond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

43. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat, nu zich geen weigeringsgronden voordoen, de bouwvergunning op goede gronden is verleend. De beroepen zijn derhalve ongegrond.

44. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken of om te bepalen dat het griffierecht aan eisers dient te worden terugbetaald.

45. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen als voorzitter en mr. D.J. de Lange en mr. E.H.M. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2012.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending

van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: